maandag 19 januari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 11: La Paz.

Vandaag houden wij het rustig.  Een rustdag, als het ware.  Maar kan dat? Kan een stad samengaan met rusten? Nodigt een stad niet uit tot actie? Tot daadkracht? Een stad prikkelt.  Een stad verleidt.  Waarom dan rusten? Wij moeten de stad in.  Wij moeten die prikkels voelen.  Wij moeten die verleiding omarmen.
 
Wij blijven niet in bed liggen.  Wij vleien ons niet in een comfortabele zetel.  Een dergelijke rustdag wordt het niet.  Ledigheid is des duivels oorkussen, zo wordt het ons voorgehouden.  Wij moeten die luiheid verhullen.  Niet publiekelijk tentoonspreiden.  Het zou ons kwalijk genomen kunnen worden.  Het zou ons ten kwade kunnen geduid worden.  Dat willen wij vermijden.  Wij trekken dus toch de stad in.  Omwille van die verhullende luiheid zullen wij ons niet haasten van de ene bezienswaardigheid naar de andere.  Dat zullen wij niet doen.  Geen musea voor vandaag.  Geen kerken.  Geen monumenten.  Geen parken.  Niks van dat alles.  Winkeltjes, dat wel.  Enkel winkeltjes zullen wij doen.  Wij zullen slenteren.  Wij zullen kuieren.  Enkel dat zullen wij doen.  Jawel, luiheid kan vele vormen aannemen.  Luiheid kan bewegen.  Hoeft niet noodzakelijk stil te zitten.
 
La Paz
 
Met dat doel voor ogen verlaten wij ons hotel.  Wij hoeven niet ver te stappen.  Onmiddellijk staan wij in de winkelstraat.  Eén van de vele winkelstraten.  Het gezapige shoppen kan beginnen.  Het ene souvenirwinkeltje in, het andere uit.  La Paz lijkt enkel te bestaan uit die winkeltjes.  Zij schurken zich tegen elkaar aan.  Veel variatie is er niet.  Zij bieden bijna allemaal dezelfde producten aan.  Mutsen, handschoenen, sjaals, truien, … Honderd procent alpaca.  Daarvan zijn al die producten gemaakt, alpacawol.  Zo wordt het ons aangeprijsd.  Dat is het klassieke verkooppraatje.  Wij hoeven het niet te geloven.  Wij kunnen die praatjes weglachen.  Onze kritische geest doet echter geen afbreuk aan de overtuigingskracht van die vlotte verkopers.  Wij kunnen twijfelen.  Zij niet.  Rotsvast overtuigd van hun grote gelijk trachten zij ons te overhalen.  Om in hun winkeltje toch die ene souvenir te kopen.
 
In reisgidsen las ik dat afdingen bijna een must is.  In realiteit blijkt dat toch tegen te vallen.  Wij proberen het wel maar geen enkele keer lukt het ons een fikse korting te bedingen.  De prijszetting kan als vast omschreven worden.  Van variabele prijzen is nauwelijks sprake.  Enkel de straatventers lijken het spelletje te willen meespelen.  Bij die venters volgt bod en tegenbod elkaar in toch wel hoog tempo op.  Een geveinsde desinteresse vanwege de koper in het ultieme bod van de verkoper kan alweer tot een grotere korting leiden.  Maar in de winkels wordt dat spelletje niet gespeeld.  In die winkeltjes kijken de verkopers vreemd op wanneer wij dat spelletje aanvatten.  Op onze vraag naar de juiste prijs geven zij hun prijs.  Hun niet te onderhandelen prijs.  De prijzen zakken nauwelijks.  In tegenstelling tot andere landen is het afdingen in Bolivia geen nationale sport.
 
Ondanks ons luie voornemen niet aan cultuur te doen, laten wij ons toch verleiden.  Op de Plaza San Francisco willen wij de gelijknamige kathedraal binnengaan.  Dat lijkt moeilijker dan verwacht.  Wij zien veel mensen naar buiten komen.  Dat lijkt vlotjes te gaan.  Enkel het binnengaan, dat is een zware opgave.  Toch voor ons.  Voor ons blijven de deuren gesloten.  Wij kloppen aan maar wij worden niet gehoord.  Het Rijk Gods binnentreden is niet gemakkelijk.  Ik moet denken aan de woorden van evangelist Marcus.  Dat het voor een kameel gemakkelijker is door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.  Welke lessen wij hieruit kunnen of moeten trekken, weet ik niet.  Feit is dat wij de kerk niet binnenkomen.  
 
Op weg naar Plaza San Francisco

Kathedraal San Francisco
 
Op Plaza San Francisco verpozen wij even.  Ik had het al gezegd, vandaag wordt een rustige dag.  Wij raken aan de praat met een ouder mevrouwtje.  Aanvankelijk beperkt het ‘gesprek’ zich tot gebarentaal.  Wij zijn het Spaans onmachtig.  De universele gebarentaal is dan best wel handig.  Die taal lijkt iedereen wel te spreken.  Dat lijkt zelfs zo goed te lukken dat het mevrouwtje vermoedt dat wij ook wel het Spaans moeten beheersen.  Zij schakelt over.  Een dialoog wordt een monoloog.  Zij vertelt, wij luisteren.  In haar spraakwaterval menen wij een politieke rede te ontwarren.  Armoede, dat lijkt het centrale thema uit te maken van haar redevoering.  Woorden als pobreza en miseria keren herhaaldelijk terug in haar tirade.  Plots blijkt Evo Morales toch geen topper te zijn.  Deze mevrouw uit kritiek op de geliefde president.  Het beeld van de door iedereen bejubelde president krijgt een deukje.
 
Wij zitten op het pleintje.  Te luisteren naar straatmuzikanten.  De muziek maakt ons blind voor de omgeving.  Wij verdwijnen in de muziek.  Wij hebben geen oog voor die ene lantaarnpaal.  Die ene, historische lantaarnpaal hebben wij niet gezien.  Dat verhaal wordt ons later verteld.  Door een aandachtig iemand.  In 1946 werd aan die ene lantaarnpaal de toenmalige president Gualberto Villarroel opgehangen.  Een woedende menigte had voordien het presidentiële paleis bestormd, de president vermoord en van het balkon op het plein gegooid.  Een beetje geïnspireerd door het lugubere einde van Mussolini werd het lijk van de president aan die ene paal opgehangen.  Die ene paal, die wij hebben gemist.  Maar waarop één iemand ons attent maakt.  Wij zijn lui vandaag maar weten toch dat ene geschiedkundige wistjedatje mee te pikken.  Lui zijn en toch nog iets bijleren, het kan.  Een hele geruststelling.  Feiten kunnen u ook toewaaien.  Zonder dat u zelf noodzakelijk op jacht moet gaan.
 

 
Aan de vooravond laten wij ons toch verleiden tot die ene attractie.  Wij laten ons met de kabelbaan naar El Alto brengen.  Die kabelbaan werd pas dit jaar in gebruik genomen.  Het is bedoeld als een alternatief voor de wagen.  Met de wagen duurt het al snel een half uurtje om van La Paz naar El Alto te rijden.  Diezelfde verplaatsing vraagt slechts tien minuutjes met de kabelbaan.  Vanuit het hoogste en langste stadskabelnetwerk ter wereld hebben wij een prachtig uitzicht over La Paz.  Vanuit onze cabine zien wij de stad krioelen.  Wij kijken uit op dat chaotische, stedelijke monster.  Terwijl ik in alle rust over La Paz glijdt, denk ik terug aan die woorden van dat mevrouwtje op het plein.  Ik vraag mij af in hoeverre die kabelbaan nodig was.  Aan de kabelbaan hangt een prijskaartje van bijna honderd tachtig miljoen euro.  Kon dat geld niet beter besteed worden? Is het bestrijden van armoede niet een nobeler doel? Vormen andere sociale voorzieningen geen grotere uitdaging?  Sociale huisvesting? Onderwijs? Gezondheidszorg? Werkgelegenheid? Ik wil niet suggereren dat ontwikkelingslanden niet mogen investeren in infrastructuur.  Dat wil ik helemaal niet.  Ontwikkelingslanden mogen ook groots denken.  Hoeven zich niet constant te laten inperken.  Toch maak ik die ene afweging.  Of het geld niet beter had kunnen besteed worden.  Dat had ik toch verwacht van een president, die claimt te spreken in naam van de armen.  Dat alles galmt door mijn hoofd.  Maar dat galmen belet mij niet te genieten van een adembenemend uitzicht.
 
Kabelbaan
 
Tot slot van de dag lopen wij nog even langs de zwarte markt.  Hier is alles te koop.  De grootste merken.  De beste merken.  Alles aan de laagste prijzen.  Echtheid? Daarover hoeven wij ons geen illusies te maken.  Hier is alles nep.  Shirts, truien, broeken, vesten, … In deze straten kan al snel een koffer bijeengewinkeld worden.  Net als passief sporten, kan je ook passief winkelen.  Dat doen wij.  Wij kijken enkel.  Wij kopen niet.
 
Onze rustdag is voorbij.  Het luie slenteren heeft ons deugd gedaan.  Wij gaan slapen.  Wij zijn klaar.  Klaar voor wat nog komen gaat.  
 
Volgende aflevering (dag 12) op maandag 26/01.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen