maandag 23 februari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 18: Cuzco.

Gisteren hadden wij in de avond nog een ontmoeting met onze gids voor de Incatrail.  Hij wou ons even ontmoeten.  Om ons kort in te lichten.  Om ons duidelijk te maken wat wij precies mochten verwachten.  Wat ik mocht verwachten, wist ik niet.  Vanuit België had ik via de reisorganisatie laten weten de tweedaagse Incatrail te willen stappen.  Vanuit België had ik de nodige papieren doorgestuurd.  Vanuit Peru lieten zij op hun beurt dan weer weten dat alles in orde was.  Ik kon de Incatrail op.  Ik was blij en gerustgesteld.  Verdere vragen had ik mij niet gesteld.  Dat leek mij niet nodig.  Ter plaatse zou alles wel duidelijk worden.  Dat was dan misschien nog het enige wat ik verwachtte, enige duidelijkheid.  Een antwoord op die standaardvragen: wie, wat, waar, wanneer, hoe, … In een korte monoloog gaf de gids ons alle antwoorden.  Op korte tijd werden wij gebrieft.  Twaalf kilometer zouden wij stappen.  De eerste zes kilometer zou behoorlijk zwaar zijn.  De volgende kilometers zouden dan relatief gemakkelijk zijn.  Aan kilometerpaal 104, bij Chachabamba, zouden wij de trein naar Aguas Calientes, aan de voet van Machu Picchu, verlaten.  Daar zouden wij uitstappen en beginnen aan onze trektocht.  Onze bagage dienden wij zelf te dragen.  Voldoende voeding en voldoende drank, dat was het belangrijkste.  Dat was de brandstof, die ons vooruit moest duwen.
 
De korte monoloog was voorbij.  De gids had gesproken.  Tijdens de uiteenzetting werd ik plots herinnerd aan dat ene kleine probleempje.  Ik had hoogtevrees.  De dag vóór ons vertrek realiseerde ik mij plots dat die vrees voor hoogtes heel misschien roet in het eten kon gooien.  Daarom toch even die vraag opwerpen.  Zoeken naar enige geruststelling.  Bij mijn vraag lachte de gids.  Een kort lachje.  Jawel, op sommige plaatsen waren de paadjes smal.  Op sommige plaatsen waren de afgronden steil en diep.  Of mijn hoogtevrees een probleem was? Hij meende van niet.  Enige voorwaarde was dat ik mij op die smalle paden zou afkeren van de afgrond en mij zou vastgrijpen aan de bergwand om zo zachtjes aan en voetje per voetje te vorderen.  Ik zou het halen, daarvan was de gids overtuigd.  Maar uit dat korte lachje kon ik afleiden dat het niet evident zou worden.
 
Weg was mijn zekerheid.  Mijn zekerheid dat ik die Incatrail zou uitwandelen.  Twijfel kwam in de plaats.  Ik ging een woelige nacht in.  Een nacht, waarin ik herhaaldelijk wakker schrok.  Die nacht had ik vele dromen.  In die dromen beleefde ik de ergste scenario’s.  In die dromen overkwamen mij de grootste rampen.  Ik was dan ook blij te mogen opstaan.  Die kwade dromen van mij te kunnen afschudden.  Machu Picchu was pas voor morgen.  Ik kon het nog even voor mij uitduwen.  Vandaag waren wij in Cuzco.  Op Cuzco zou ik mij focussen.
 
Anderhalve week zijn wij nu reeds in Peru.  Tot vandaag hebben wij niks of bijna niks gezien van de Inca’s.  Dat mag enige verbazing wekken.  In mijn beperkte historische kennis stel ik Peru bijna automatisch gelijk met de Inca-beschaving.  Ondanks die automatische gelijkschakeling heb ik nauwelijks enige ruïne gezien.  Maar dat zal heel snel veranderen.  Want wij zijn in Cuzco, het centrum van het Incarijk.  Vandaag en de volgende dagen zullen wij ondergedompeld worden in die toch wel belangrijke historische periode.  Een zeer toonaangevende periode.  Een periode, die vandaag nog heel aanwezig is in Cuzco.
 
Het Incarijk was meer dan enkel Peru.  Het strekte zicht uit over een groot gebied.  In de vijftiende eeuw omvatte het ‘land van de vier windstreken’, zoals het rijk van de Inca ook wel werd genoemd, een gebied dat lag tussen Quito in Ecuador en Santiago in Chili.  Van dat grote rijk was Cuzco lange tijd het bestuurlijke centrum.  Het belang van de stad vinden wij ook terug in de stadsnaam.  Cuzco is een woord uit het Quechua en betekent ‘navel (van de aarde)’.  Moeten wij in die naam enig spoor bemerken van valse grootheidswaanzin? Of was het toch een taalkundige vertaling van de echte grootsheid van die beschaving? Eén ding is zeker, in territoriaal opzicht was dit het grootste rijk ter wereld.  Navel van de aarde was dan toch terecht?
 
Vandaag zullen wij een hele reeks sites bezoeken: Tambomachay, Pukapukara, Qenko, Sacsayhuamán en Koricancha.  Voor de eerste vier sites is het economisch interessant een boleto turistico te kopen.  Voor een dergelijk biljet betalen wij 130 soles terwijl de individuele entrees tot de sites telkens 70 soles kosten.  Een eenvoudig rekensommetje leert ons dat een biljet best wel interessant mag genoemd worden.
 
Tambomachay
 
Pukapukara
 
Bij het bezoek aan die historische plaatsen vallen mij twee dingen op.  Wij worden bij onze bezoeken vergezeld van een gids.  Telkens zij haar uitleg geeft, spreekt zij in de voorwaardelijke wijs.  Alsof niks definitief is.  Alsof nog steeds gezocht wordt naar verklaringen.  Nooit kan met grote zekerheid gesteld worden wat de functie van die plaatsen was.  Hadden de gebouwen een religieuze functie? Of hadden zij eerder een militaire betekenis? Was het te omschrijven als een rustplaats voor de Inca en zijn gevolg? Of was het een combinatie van al die mogelijke functies? Het blijft gissen.  Tot vandaag.  Nieuwe theorieën kunnen nog altijd ontwikkeld worden.  Het lijkt wel alsof het verhaal van de Inca’s een ‘never ending story’ is.
 
Niet enkel die voorwaardelijke wijs valt mij op.  In haar uitleg kan de gids niet om de Spanjaarden heen.  Zij zijn de veroveraars.  Dat is een historisch gegeven, dat niet valt te ontkennen.  Dat doet zij ook niet.  Dat zou al te zeer afbreuk doen aan haar professionalisme.  Wel worden de Spanjaarden met de vinger gewezen.  Niet bedoeld als een zware en al te grote beschuldiging.  Wel om aan te geven dat zij vaak de oorzaak zijn van het verval van gebouwen en monumenten.  De bekeringsijver van de Spanjaarden was nogal overtuigend.  Tempels werden afgebroken.  Afgoderij was des duivels.  In de plaats werden kerken en kathedralen opgetrokken.  Het nodige bouwmateriaal werd gevonden in de afgebroken tempels.  Op de grote maar verlaten sites.  Recycleren, dat was wat de Spanjaarden deden.  Bruut en zonder enig besef van het historische belang.  Dat historische belang, daarvan zijn wij ons pas recentelijk bewust.  Lange tijd was dat geen argument.  Alleszins geen geldig argument om de handen van die sites te houden.  Om die sites intact te houden.
 
Het is niet mijn bedoeling in dit reisverslag alle bezochte sites uitgebreid te bespreken.  Dat zou mij te ver leiden.  Indien u dit toch zou wensen, kan ik u alleen maar doorverwijzen naar de vele reisgidsen.  Die concurrentie kan en wil ik niet aangaan.  Daarom zal ik het niet hebben over Tambomachay.  Of Pukapukara.  Of Qenko.  Of Koricancha.  Enkel bij Sacsayhuamán wil ik blijven stilstaan.  Alleen al omwille van die naam.  Die grappige naam, die door toeristen vaak verbasterd wordt tot ‘sexy woman’.  Die verbasterde naam schept verwachtingen.
 

Sacsayhuaman
 
De huidige site van Sacsayhuamán geeft ons slechts een indruk hoe het ooit moet geweest zijn.  Over de eigenlijke staat kunnen wij enkel maar vermoedens opperen.  Wij kunnen enkel gissen naar de ware omvang.  Maar bij dat gissen zijn wij toch overtuigd van één ding.  Het moet gigantisch zijn geweest.  Het complex heeft een totale oppervlakte van 3.000 ha. en omvat 200 archeologische plaatsen.  Het fort is hiervan het bekendste.  Nog aanwezige getuigen van dit fort zijn de langgerekte muren, die door het landschap kronkelen.  Oorspronkelijk waren de muren drie meter hoog.  Dat is nu een heel stuk minder.  Daar hebben de Spanjaarden schuld aan.  Zij gebruikten stenen van dit complex voor de bouw van huizen en van de kathedraal in Cuzco.  Maar het waren niet enkel de Spanjaarden.  Tot 1930 konden ook nog stadsbewoners stenen meenemen voor de bouw van hun woningen.  Peruanen moeten dus niet enkel de Spanjaarden met de vinger te wijzen.  Vaak is ‘t goed in eigen hert te kijken.  Nog even voor het slapen gaan moeten de Peruanen heel misschien aan zelfonderzoek doen.  Ook zij hebben schuld.  Schuld aan de afbraak van historische monumenten.  
 

Sacsayhuaman
 
Bij de bouw van Sacsayhuamán komen alweer buitenaardse wezens om de hoek kijken.  Peru lijkt wel een aardse thuisbasis te zijn van die extra terrestrials.  Cuzco zou gebouwd zijn in de vorm van een poema.  Vanuit de lucht lijken de contouren van de stad inderdaad op een poema.  Sacsayhuamán zou daarbij de kop vormen.  Hoe de architecten dit hebben kunnen realiseren zonder enig zicht van bovenaf lijkt bijna onmogelijk.  Als iets onmogelijk is, wordt dadelijk gedacht aan buitenaardse wezens.  Toch in Peru.  In Peru lijken die wezens onmogelijke dingen toch mogelijk te maken.
 
Wij staan naar de muren van dat fort te gapen.  Die onderste stenen zijn enorm.  Over de zwaarte van die stenen kan gediscussieerd worden.  De ene reisgids geeft aan dat de zwaarste steen wel 140 ton weegt terwijl een andere reisgids dan weer spreekt van 350 ton.  Zoals altijd zal de waarheid in het midden liggen maar die cijfers doen ons enkel inzien wat voor een hels karwei de bouw van dit complex moet geweest zijn.  Die meer dan zware stenen moesten van een rotswand, die drie kilometer van het complex lag, naar de eigenlijke bouwwerf gesleept worden.  Hier moet gezwoegd zijn.  Hier moet gezweet zijn.  Duizenden werkmannen moeten hier ontelbare uren gesleten hebben.  Dat moet.  Anders kan het niet.  Tenzij wij ook bij de bouw teruggrijpen naar die buitenaardse wezens.  Zij zouden Sacsayhuamán dan niet enkel ontworpen hebben, zij zouden het ook gebouwd hebben.
 
Eén klein moment heb ik geloofd in buitenaardse wezens.  Toen ik nog een broekventje was.  Toen had E.T. mij overtuigd.  In hem wilde ik nog geloven.  Hem wou ik met alle plezier mijn telefoon lenen.  Zodat hij naar huis kon bellen.  Zodat hij eindelijk huiswaarts kon keren.  Nu ben ik geen broekventje meer.  Ik ben nog altijd een ventje.  Maar wel een groot ventje.  Een volwassen ventje.  Ik geloof niet meer in E.T.  Ik geloof niet meer dat ik met mijn fiets plots door de lucht kan vliegen.  Dat alles geloof ik niet meer.  Sacsayhuamán moet dus gebouwd zijn door mensen.  Daarvan ben ik overtuigd.  Het maakt mijn ontzag voor deze prestatie enkel nog groter.
 
Eén dag lang hebben wij rondgewandeld doorheen de restanten van het grote Incarijk.  Mijn hoofd zit vol cijfers en feiten.  Dingen, die ik angstvallig wil vasthouden.  Dat zal niet lukken.  Vele cijfers en feiten zullen wegglippen.  Wegsijpelen.  Zullen geen deel gaan uitmaken van mijn parate kennis.  Kennis, waarop ik onmiddellijk kan terugvallen.  Waarnaar ik onmiddellijk kan teruggrijpen.  Toch zijn er enkele kleine dingen, die ik vasthou.  Die ik memoriseer.  Dingen, waarvan ik tegen mijzelf zeg dat ik ze moet neerschrijven.  Die dingen herhaal ik continu in mijn hoofd.  Tot ik bij het hotel aankom.  Op mijn kamer.  Dan grijp ik naar pen en papier en schrijf alles uit.  Zodat ik mijn hoofd kan leegmaken.  Zodat ik klaar ben voor de volgende, te ontvangen data.  Drie feiten wou ik onthouden.  Drie kleine, interessante dingetjes.  Waarom juist die drie? Omdat alle goede dingen uit drie bestaan?
 
Tot mijn reis naar Peru dacht ik dat de term ‘Inca ‘verwees naar het Rijk.  Naar die bepaalde beschaving.  Ik dacht het bij het rechte eind te hebben.  Tot mijn reis naar Peru dacht ik dat de term ‘Inca’ verwees naar alle bewoners van dat Rijk.  Naar alle onderdanen.  Alweer dacht ik het bij het rechte eind te hebben.  Vandaag ontdek ik dat ik dwaalde.  Ik was verkeerd.  Dat vertelde onze gids mij.  Dat vertelde zij niet alleen mij.  Dat vertelde zij aan de volledige groep.  Inca was eigenlijk een eretitel.  Een eretitel, die enkel van toepassing was op de koning.  Op de keizer.  Enkel hij werd aangesproken met Inca.  De Sapa Inca werd beschouwd als de directe afstammeling van de zon.  Een dergelijke afstammeling kon niet aangesproken worden met koning.  Dat was te simpel.  Dat was een banalisering van zijn afstamming.  Een dergelijke afstamming vroeg om iets groters.  Iets uniekers.  Sapa Inca (‘de enige Inca’) leek aan die vraag om uniciteit te voldoen.
 
Inca’s zouden nooit gevochten hebben.  Met die bewering kwam onze gids aandraven.  Ik fronste mijn wenkbrauwen.  Het Incarijk was ooit het grootste imperium ter wereld.  Om tot dat imperium te komen, zou er nooit één oorlog gevochten zijn.  Enkel door diplomatie en onderhandelingen zouden de Inca’s hun rijk uitgebouwd en vergroot hebben.  Slechts een heel kleine toegeving wil onze gids op deze bewering doen.  Heel zelden werd misschien strijd geleverd.  Maar dan telkens op een kleine en zeer beperkte schaal.  Met die stelling lijkt zij het vredelievende karakter van deze beschaving te willen beklemtonen.  Om het te plaatsen tegenover de wreedaardige ingesteldheid van de Spanjaarden.  Onze gids lijkt het spelletje te spelen van de onderdrukte tegenover de onderdrukker.  Om zo onze sympathie te winnen.  Onze sympathie met het slachtoffer.  Ik kan haar begrijpen.  Maar dat begrip maakt mij niet blind.  Ook de Inca’s waren wreed.  Ook de Inca’s onderdrukten andere volkeren.  Niet door diplomatie werden andere streken onderworpen.  Wel door harde en lange veldslagen.  Dat alles wordt mij bevestigd door andere gidsen.  Op de volgende dagen.  Verhalen zijn altijd mooi.  Maar altijd heeft een verhaal twee kanten.  Die twee kanten moeten gevonden worden.  Moeten gehoord worden.
 
De christenen hebben de Heilige Drievuldigheid.  De Vader, de Zoon en de Heilige Geest.  Eén God in drie goddelijke personen.  De christenen staan niet alleen met dat beeld.  Ook de Inca’s kennen die gelaagdheid.  Zij geloven in een hogere wereld, een aardse (huidige) wereld en een onderwereld.  Elke wereld wordt gesymboliseerd door een dier.  De condor staat voor de hogere wereld, de poema voor de aardse wereld en de slang voor de onderwereld.  Die drieledigheid vinden wij nog in andere dingen terug.  In hun geloof in de zon, de maan en de sterren.  Zelfs in hun wijze levenslessen vinden wij die drieledigheid terug.  Voor de Inca’s geen tien geboden.  Zij stellen zich tevreden met slechts drie geboden.  Dat moet volstaan om hun leven richting te geven.  Inca’s mogen niet liegen, niet stelen en niet lui zijn.  Die regels moeten volstaan om goed te leven.  Niks over het eren van vader en moeder.  Geen verbod op onkuisheid.  Niks over begeerte.  Enkel die drie regels.  Dat moet volstaan.  
 
Na deze ene dag zijn de Inca’s plots geen vreemden meer voor ons.  Wij lijken hen toch iets beter te begrijpen.  Wij hebben inzage gekregen in hun leefwereld.  In hun denkwereld.  Die kennis maakt ons klaar voor de volgende stap.  De volgende stap in onze ontdekkingsreis.  Wij kunnen naar Machu Picchu.  Niet meer vandaag.  Wel morgen.  Morgen beginnen wij aan de Incatrail.  Vandaag gaan wij nog even uitrusten.  Onze batterijen opladen.  Want morgen gaan wij er tegenaan.  Morgen trekken wij de bergen in.  Maar eerst, zoals ik al zei, rusten en slapen.
 
Volgende aflevering (dag 19) op vrijdag 27/02.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen