maandag 8 december 2014

Slijk, gezien in NTG. Brief aan Wouter Deprez.

Beste Wouter,
 
Donderdagavond was ik het NTG.  Voor uw nieuwste voorstelling ‘Slijk’.  Ik had u vroeger kunnen schrijven want uit dit lange dralen zou u verkeerde conclusies kunnen trekken.  Onjuiste gevolgtrekkingen, dat moeten wij vermijden.  Daarom wil ik mijzelf verklaren.  Opdat u zou begrijpen.  Begrijpen waarom ik pas nu tot het schrijven van deze brief kom.  
 
Vrijdag was ik van dienst.  Ik was chauffeur van Sinterklaas.  Ik moest de goedheilige man brengen bij de brave en minder brave kindertjes.  Zaterdagmorgen stond ik op het Gentse Sint-Pietersplein.  Voor een laatste en definitieve afscheid van Luk De Vos.  ’s Middags ging ik naar Antwerpen.  Op uitnodiging van Koning Aap.  Zij brachten een voorstelling van hun nieuwste reizen.  Wij gingen kijken en konden dromen.  Dromen van verre landen.  Van warme landen.  Zaterdagavond bleef ik in Antwerpen.  Voor het concert van Bryan Adams.  Jeugdsentiment had mij overhaald toch te gaan.  De zevende dag rustte onze Heiland.  Onze Schepper.  Maar dat geldt niet voor mij.  Zondag was ik op post in Mechelen.  Bij vrienden.  Om wat bij te praten.  Vriendschap veronderstelt engagement.
 
U ziet, mijn dralen kan verklaard worden.  Maar nu kan ik niet langer wachten.  Ik kan niet langer wachten u te vertellen dat ik laaiend enthousiast was over uw voorstelling.  Ik zou het daarbij kunnen laten.  Maar dat vind ik wat minnetjes.  Ik wil meer.  Veel meer.  Uw voorstelling en u zelf verdienen meerdere woorden van lof.
 
Mag er gelachten worden met de Eerste Wereldoorlog? Met de Groote Oorlog? Die vraag stelde ik mij toen ik de zaal binnenging.  Mag er gelachen worden met het lijden en de dood? Met vernieling en verderf? Ik aarzelde.  Het is bijzonder delicaat.  Na uw voorstelling weet ik dat het kan.  Toch op uw manier.  U neemt het bijzonder verstandig aan.  Geniaal, dat is het woord dat ik overweeg te gebruiken.
 
U keert terug in de tijd.  Naar die tijd dat u een zevenjarig jongetje was.  Een zevenjarig jongetje, dat een spreekbeurt moest houden over die oorlog.  Die ingreep laat u toe vanuit een kinderlijke verbazing en verwondering te vertellen.  Dat jongetje maakt vreemde hersenkronkels.  Dat jongetje heeft een aparte manier om naar de dingen te kijken.  Die kronkels en die aparte manier maken het verhaal grappig.  Relativeren de dramatiek van het onderwerp.  Dat jongetje lijkt de mogelijkheid te hebben delicate onderwerpen te ontmijnen.  Onderwerpen, waar grote mensen om heen stappen, pakt dat kereltje aan.  Zonder enig voorbehoud.  Met die kinderlijke onschuld.
 
Maar u blijft niet enkel bij de Eerste Wereldoorlog.  U schippert tussen het jongetje, dat u was, en de man, die u bent.  U balanceert tussen die twee verhaallijnen.  Heel gemakkelijk stapt u over van die vrolijke, vroegere jongen naar die kritische, huidige man.  Terwijl die jongen zich vaak verbaast, heeft die man van vandaag woede in zijn stem.  Die man van vandaag fulmineert.  Terwijl die jonge jongen voor het monument van de gesneuvelden staat, stelt de man van vandaag zich terecht de vraag of er iemand ooit nog zou willen sneuvelen voor het vaderland.  Voor België? Voor Vlaanderen? Terwijl die jonge jongen nog naïef gelooft in die slogan ‘Nooit meer oorlog’, fulmineert de man van vandaag tegen de wapenhandel.
 
U bent geen stand-up comedian.  Dat was u.  In den beginne.  Maar dat bent u vandaag niet meer.  U bent theatermaker.  U bent een verhalenverteller.  Geen simpele verhalen.  Wel complexe verhalen.  Op een bijna poëtische manier gebracht.  Op een manier gebracht dat wij, samen met u, op de Koelenberg in Geluwe staan.  Dat wij, samen met u, aan de hand van peter Moerputte doorheen Geluwe wandelen.
 
Wat u vertelt, is hard.  Bijzonder hard.  Soms zelfs gruwelijk.  Maar die goed geplaatste grappen geven ons de mogelijkheid naar adem te happen.  Die bijzondere grappen maken het hele stuk dragelijk.  Maken het verteerbaar.  Heel misschien heeft die Eerste Wereldoorlog wel nood aan een dergelijke benadering.  Om ons niet weg te draaien.  Om juist onze aandacht blijvend vast te houden.  Zodat wij niet wegkijken.  Zodat wij ons juist ten volle bewust worden van die hele geschiedenis.  
 
Donderdagavond was ik in het NTG.  Voor ‘Slijk’.  Ik heb in het ‘Slijk’ gestaan.  Met die galosjen aan mijn voeten.  Ik heb naar uw verhaal geluisterd.  Soms met een krop in de keel.  Soms met een lach op het gezicht.  Het was heftig.  Maar bovenal was het heerlijk.  Overheerlijk.  Donderdagavond was ik te gast bij een meesterverteller.  Die meesterverteller heeft mij een meer dan geslaagde avond bezorgd.  Waarvoor dank.
 
Met vriendelijke groeten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen