Beste Brunhilde,
Het zou niet mogen. Omdat het
mij zo steeds werd gezegd. Mij werd
verteld het grootste respect te hebben voor boeken. Boeken moesten omzichtig behandeld
worden. Voorzichtig. Dat alles wist ik. Dat alles deed ik. Toch moest ik bij het lezen van uw getuigenis
vaak de neiging onderdrukken het boek woest dicht te klappen en woedend van mij
weg te gooien. Dat lijkt nogal gewelddadig,
hoor ik u denken. Ik ben een
vredelievende jongen. Woede-uitbarstingen
tracht ik te onderdrukken. Dat lukt mij
doorgaans. Dat lukte mij niet bij
u. Een verklaring lijkt mij op zijn
plaats.
U was secretaresse. Dat is op
zich niks indrukwekkends. Toch is het
dat wel. Want u was secretaresse in
historisch woelige tijden. U was
secretaresse van Joseph Goebbels. Die
naam verandert alles. De naam van die
oorlogsmisdadiger maakt uw functie plots wel interessant. U hebt een verhaal dat mag verteld
worden. U hebt een verhaal dat moet
verklaard worden. Vertellen en verklaren
in de hoop tot begrip te komen.
U koos vrijwillig voor die functie.
U zelf noemt het geen keuze. U
zegt er in gerold te zijn. Als bij
toeval kwam u op de stoel van secretaresse van dhr. Goebbels. Die nuance lijkt op het zoeken naar een
verontschuldiging. Dat zoeken naar
excuses zal niet stoppen tijdens uw getuigenissen. U hebt meerdere excuses. Geen enkele laat u onvermeld. Politiek interesseerde u niet. Uw broertjes waren bij het Jungvolk en bij de
bruine hemden. Dat was nu eenmaal zo,
zegt u verontschuldigend. U was dom en
oppervlakkig. Die oppervlakkige domheid
herhaalt u vaak als excuus. Dat lees ik
meermaals. U wijst met een
beschuldigende vinger naar uw strenge opvoeding. U erkent dat het tijd vraagt over dingen na
te denken maar tezelfdertijd beweert u dat die broodnodige tijd er niet was.
In het zoeken naar verontschuldigingen komt u uit bij een tweetal
verschoningsgronden, die we al vele keren hebben gehoord. Uw functie bij het Ministerie van Propaganda
zou een opdracht geweest zijn. Een
dienstbevel. Daarom kan u niet schuldig
zijn. Befehl ist Befehl, daarop lijkt
het. Dat lijkt u te suggereren. U kon niet weigeren. Een tweede verschoningsgrond lijkt veel op
die ene dooddoener: wir haben es nicht gewuβt.
U zou niks geweten hebben van de Jodenvervolging. De Endlösung zou u totaal onbekend zijn
geweest. Van de rassenwetten had u niks
gehoord noch gelezen.
Met dat laatste heb ik het bijzonder moeilijk. U zou het niet geweten hebben. Laat mij toe hierbij de nodige vraagtekens te
plaatsen. U had een joodse
vriendin. U geeft toe met haar vertrouwd
te zijn. Uw joodse vriendin had een
relatie met een half-jood. Zij kende dus
de impact van de strenge rassenwetten op het dagelijkse leven. Dat zij daarover nooit met u gepraat zou
hebben, lijkt mij moeilijk te geloven.
Bovendien zetelde u binnen de hofhouding van één van de belangrijkste
nazileiders. U bevond zich in het
machtscentrum van nazi-Duitsland. Dat u
in die functie niks zou gehoord of gelezen hebben, lijkt mij alweer moeilijk te
geloven.
U lijkt alles aan te grijpen om toch geen schuld te moeten
bekennen. U grijpt alles aan om u vrij
te pleiten. Over de ganse lijn. De hand in eigen boezem steken doet u niet. Die onwil maakt mij woedend. U bent een opportunist. Uw angst voor moeilijke tijden en uw hang
naar luxe doet u de ogen sluiten. Doet u
wegkijken. Dat is de echte grond voor uw
handelen. Niet uw domheid. Niet uw politieke desinteresse. U deed wat u deed omdat u er zelf beter van
werd. Over dat opportunisme schrijft u
niks. U blijft steken in een falende
zoektocht.
Ik las uw getuigenis. Ik durf
het te omschrijven als een gemiste kans.
U had moedig kunnen zijn. Dat had
gekund. Ik denk aan de het boek Ik niet
van Joachim Fest. In dat boek toont de
auteur dat andere keuzes mogelijk waren.
U ontbeerde die moed. U was
laf. Dat geeft u toe. Die bekentenis kan als een schrale troost
dienen.
Beste Thore,
Ik was boos. Boos om wat ik
gelezen had. U mildert die
boosheid. U tempert die. U kadert het verhaal van Brunhilde
Pomsel. U vertaalt haar verhaal naar de
huidige tijden. Die denkoefening is best
wel confronterend. Maar in die
confrontatie schuilt misschien de mogelijkheid om tot begrip te komen voor het
handelen van Brunhilde.
U schrijft dat het misschien te gemakkelijk is om te veroordelen. Omdat u in onze huidige tijden ook
passiviteit, onwetendheid en desinteresse bemerkt. Net zoals ten tijde van Pomsel. Vandaag keren vele mensen zich af van
democratische systemen. Zij stellen zich
nauwelijks of geen vragen bij dingen die de menselijke en maatschappelijke
solidariteit ondergraven. U merkt op hoe
rechts-populisten opnieuw de laagste driften bij mensen naar boven halen door
bepaalde groepen te devalueren. U ziet
een bedreiging voor de democratie. U
bemerkt nauwelijks een bereidheid zich in te zetten voor een open samenleving
en tegelijk bemerkt u een onvermogen bij de democratische elite om tijdig te
reageren op verkeerde ontwikkelingen.
U laakt die passiviteit. U
vraagt om engagement. De stille
meerderheid moet rechtop staan. Gebeurt
dat niet, zal een radicale minderheid de democratie gijzelen. Wat u van de lezer vraagt is engagement. In uw pleidooi lees ik echo’s van Stéphane Hessels
Engagez-vous. U vraagt ons alert te
zijn. U vraagt ons niet aan de zijkant
te staan. U vraagt ons opnieuw te laten
leiden door feiten. Want al te zeer
blijkt dat grote delen van de bevolking enkel via emoties kunnen bereikt
worden. U wijst op de gevaren van die
evolutie. U wijst op gevaarlijke tendensen,
waarbij een leugenachtige pers en nepnieuws de voeders van haat worden. U verwijst hierbij naar een studie waaruit
blijkt dat jongeren een wantrouwen hebben tegenover de traditionele media. Jongeren blijken een groot deel van hun
informatie te betrekken via sociale media.
Tegen die betreurenswaardige evoluties moeten wij ons verzetten. Omdat het moet. Omdat het noodzakelijk is.
U blijft niet enkel stilstaan bij bovenvermelde evoluties. U schrijft tevens over de globalisering. U merkt terecht op dat politiek links schuld heeft aan
de huidige malaise. Clinton, Blair,
Schröder en in hun kielzog vele linkse partijen capituleerden voor de wetten
van neoliberale globalisering. U toont
aan hoe zij een groot deel van hun kiezers hebben verraden. Kiezers die vatbaar werden voor
radicalisering. Die radicaliserende angst
steekt ook stilaan de middenklasse aan.
U laat zien hoe zij de sociale markteconomie lieten verworden tot een
neoliberale markteconomie.
Tegelijk toont u hoe de hoogopgeleiden neerkijken op die lagere
klassen. Al te vaak horen wij bij de
analyse van verkiezingsresultaten dat het klootjesvolk het niet begrepen
heeft. Al te vaak geven die
hoogopgeleiden af op de domheid van datzelfde klootjesvolk. Daarmee ontlopen zij hun eigen
verantwoordelijkheid. Hiermee ontkennen
zij de mogelijkheid iets te veranderen aan de huidige situatie.
U ontkent die mogelijkheid tot veranderen niet. Integendeel.
U reikt oplossingen aan. Ik som
ze kort op. U vraagt om een hervorming
van de globalisering. U vraagt om een ontwerp
van een betrouwbaar ordeningskader. U
vraagt irreële beloftes en leugens te ontmaskeren. U vraagt om een diepgaand onderzoek waarom de
kiezer zich van de democratie afkeert.
Nog ingrijpender is uw vraag om te stoppen met de onrechtvaardigheid
van een economisch systeem te blijven vergoelijken. U vraagt met klem dat de democratie voortaan
niet meer zou buigen voor de economie.
U laakt de stilte. U laakt de
passiviteit. Met uw pleidooi toont u aan
dat in elk van ons een Brunhilde Pomsel schuilt. In grote mate. In kleine mate. U vraagt die Pomsel in ons binnenste weg te gommen
en eindelijk rechtop te staan. Zodat we
straks niet hoeven te zeggen dat we het niet geweten hebben. Want wij weten het wel. Wij weten wat er rondom ons gebeurt. Maar het laat ons onverschillig. Wij verkiezen te zwijgen. Die vaststelling doet pijn.
Beste Brunhilde,
Beste Thore,
Samen schreef u een prachtig boek.
Samen doen jullie een oproep niet te vervallen in dezelfde fouten. U, Brunhilde, toont aan tot wat verkeerde
keuzes kunnen leiden. U, Thore, bewijst
dat verzet mogelijk is. Dat verandering
mogelijk is. Samen schreven jullie een
overtuigend pleidooi. Een krachtig
statement.
Beste Brunhilde. Beste Thore. Ik zal het boek niet meer ver weg
gooien. Dat zal ik niet doen. Ik zal dat andere doen. Ik zal iedereen overtuigen dit boek te
lezen. Omdat het nodig is. Nu meer dan ooit.
Met vriendelijke groeten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten