dinsdag 29 maart 2016

Mijn reisverhaal Myanmar. Dag 18: Mandalay.

Naypyidaw is de huidige hoofdstad van Myanmar.  Dat is niet altijd zo geweest.  Die hoofdstad durft al eens te wisselen.  Niks is voor het leven.  Aan alles komt wel eens een einde.  Voorlopig mag Naypyidaw de titel van hoofdstad voeren.  Voordien was het Yangon.  Ooit was Mandalay de hoofdstad.  Net zoals Sagaing.  Of Amarapura.  Of Inwa.  Al die koningssteden hadden dat ene gemeenschappelijke.  Ooit waren zij de hoofdstad.  Al die steden kenden in hun hoogdagen een ongekende bloei.  Maar zij raakten in verval.  Onder druk van concurrerende steden.  Steden, die de toenmalige machthebbers konden verleiden.  Verleiden om in die ene stad hun machtscentrum te vestigen.  Er werd in die dagen wat verhuisd.  Koningen en hun hofhouding leken geen vaste stek te hebben.  Het ging van hier naar daar.  Van daar naar hier.  Ontelbare keren.
 
Vandaag gaan wij door een aantal van die steden rondzwerven.  Op zoek naar bewijzen van hun roemruchte verleden.
 
Wij vertrekken bij de Mahamunitempel.  In Mandalay.  Deze tempel is één van de drie belangrijkste heiligdommen van het land.  Shwedagon en de Gouden Rotspagode zijn de andere twee.  Welk heiligdom de eerste plaats in deze top drie bekleedt, kan ik niet zeggen.  Ik zou denken dat die heiligdommen naast elkaar staan.  Op gelijke hoogte.  Heiligdommen staan boven wereldlijke rangschikkingen.  Daar doen zij niet aan mee.  Geen concurrentie.  Zij versterken elkaar.  Vullen elkaar aan.  De nood aan ordenen en rangschikken is iets menselijks.  Een neurotische drang van de mens.  Die wil weten wie de grootste is.  De beste.  De mooiste.  Goden en geesten hebben daaraan geen behoefte.  Nats en Boeddha’s ook niet.  Zij zijn.  Zij bestaan.  Dat volstaat.
 
In de Mahamunitempel staat een bronzen Boeddha.  Van dat beeld wordt beweerd dat het tijdens het leven van de echte, werkelijke Boeddha zou gegoten zijn.  Het zou een perfecte kopie moeten zijn.  Toch blijkt dit verhaal een fabeltje te zijn.  Voor goedgelovige gelovigen.  Maar wij bewaren afstand.  Wij zijn kritisch.  Sceptisch.  Wij hechten meer geloof aan de wetenschap.  Aan onderzoek, gebaseerd op niet te weerleggen feiten.  Wij hechten meer geloof aan geschiedschrijving.  Fabeltjes zijn leuk.  Om verteld te worden.  Niet om geloofd te worden.  De wetenschap, waaraan wij meer geloof hechten, heeft dat ene fabeltje ontkracht.  Het beeld zou geen ideale kopie zijn.  Die bronzen Boeddha zou pas vijfhonderd jaar later gemaakt zijn.  Vijfhonderd jaar na het heengaan van Boeddha.  Een klein maar toch wel belangrijk verschil.


 
Alweer worden wij geconfronteerd met dat discriminerende trekje binnen het boeddhisme.  Iedereen is gelijk maar de een is toch iets gelijker dan de andere.  Zo blijkt ook deze keer.  Vrouwen mogen niet tot bij de zittende Boeddha.  Zij mogen enkel toekijken.  Vanop afstand.  Respectabele afstand.  Enkel mannen mogen tot bij het beeld.  Enkel mannen mogen het beeld aanraken.  Betasten.  Behangen met bladgoud.  Het resultaat laat zich raden.  Vervorming.  Dat is wat alweer gebeurt.  Net zoals bij de amorfe beelden op het Inlemeer.  In de Phaung Daw Upagode.  Dat fenomeen zien wij ook hier.  Enkel het hoofd is nog intact.  Onaangeroerd.  Al de rest dijt uit.  Blubbert uit.  Onder invloed van het veelvuldig geplakte bladgoud.  Ik vind het een beetje raar.  Een Boeddhabeeld volledig naar de knoppen helpen mag.  Met de voeten naar datzelfde beeld wijzen mag dan weer niet.  Ik kan niet meer volgen.  Ik begrijp die regeltjes niet.
 
Er is niet enkel de bronzen Boeddha.  Dat zou een beetje minnetjes zijn voor één van de belangrijkste heiligdommen.  Er is meer.  Dat moet.  Bijna is dat een vereiste.  Gelovigen moeten naar het heiligdom getrokken worden.  Als een magneet.  Daarom moet er toch meer dan één publiekstrekker zijn.  Dat is ook zo.  Deze tempel herbergt zes hindoeïstisch-boeddhistische figuren.  Die figuren zouden een heilzaam, helend effect hebben.  Ook dit zou kunnen weggezet worden als een fabeltje.  Als een mooi verhaaltje.  In dit geval twijfel ik evenwel.  Ik beslis het zekere voor het onzekere te nemen.  Ik omarm de figuren.  In de hoop dat het heilzame op mij afstraalt.  Plots is de wetenschap van geen tel meer.  Mijn gezondheid is in het spel.  Dan doe ik alles.  Zelfs het meest onnozele.
 
Wij verlaten Mandalay.  Trekken naar Inwa.  Daarvoor moeten we het water over.  Met een bootje. Over de Myitnge rivier.  Wij zijn aan de overkant.  Stappen een koets in.  Per koets worden wij naar de koningsstad gebracht.  Ooit nog de hoofdstad van het Birmese Rijk.  Zes eeuwen lang.  Dat is al een behoorlijk tijdje.
 
Wij stoppen als eerste bij Bagaya Kyaung, één van de mooiste overgebleven teakhouten kloosters.  Ik sta hier en denk onmiddellijk in superlatieven.  Dit is één van de hoogtepunten.  Toch naar mijn bescheiden mening.  Toch volgens mijn smaak.  Ik weet het, over smaken kan verschild worden.  Over smaken mag niet gediscussieerd worden.  Dat wisten de Romeinen al.  Toch herhaal ik het.  Dit klooster is één van de hoogtepunten.  Omwille van alles.  Een samenspel van elementen maakt deze plaats onvergetelijk.  Maakt deze plaats adembenemend prachtig.  Het kunstige houtsnijwerk.  De imposante teakhouten kolommen.  De omgeving met zijn palmbomen en witte pagodes.  De jonge, ravottende novices.  Het totaalplaatje klopt.  Alles lijkt echt.  Is echt.



 
We passeren nog langs de Yedana Sini-pagode en langs Maha Aungmye Bonzan Kyaung.  Maar alvorens we Inwa verlaten, houden wij nog even halt bij de Nan Myintoren.  Heel oneerbiedig wordt deze toren ook wel de scheve toren van Inwa genoemd.  Dat specifieke kenmerk van de toren is geen foutje van de toenmalige bouwheer.  Geen foutje van de architect.  Niemand kan aangeklaagd worden vanwege een beroepsfout.  Niemand moet ter dood veroordeeld worden.  Niemand moet geofferd worden.  Natuurkrachten hebben de toren doen schudden en beven.  De toren, een onderdeel van het koninklijke paleis van Bagyidaw, werd beschadigd tijdens de aardbeving van 1839.  De natuur heeft dus een hand in die toch wel opvallende scheefheid.  Zoeken naar andere resten van dat koninklijke paleis heeft geen zin.  Die zijn er niet.  Alles is verdwenen.  Op die ene, scheve toren na dan.  Het zal u maar gebeuren.  U bouwt een paleis.  Richt het met veel smaak in.  Na vele eeuwen krijgt u de rekening gepresenteerd.  Een bittere pil.  Want het enige wat de mensheid zich nog zal herinneren van uw paleis is dat scheve scharminkel.  Jawel, het leven kan hard zijn.  Zelfs voor een koning.

 
Wij gaan voort.  Wij gaan door.  Terug naar Sagaing.  Met een pick-up rijden we de Sagaing Hill op.  Naar de grottempel Umin Thounzeh.  Ik weet niet wat het is maar ik stel vast dat Birmezen nogal vatbaar zijn voor kitsch.  Dat lijkt voor hen de hoogste kunstvorm.  In de grottempel staren vijfenveertig Boeddha’s ons aan.  Tegen een achtergrond van glinsterend glas.  U kan die vijfenveertig Boeddha’s één voor één in de ogen kijken.  U kan bij elk van hen het geluk afsmeken.  Het geluk voor een lang en liefdevol leven.  Dat zou u kunnen doen.  Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn dat u met haastige spoed doorheen die grottempel raast.  Dat zou u ook kunnen doen.  Ik heb het gedaan.  Zodat ik wat meer tijd had om vanop het terras aan deze tempel uit te kijken over de streek rondom Sagaing.  Om nog één keer te kijken naar die ‘koninklijke borst’.  Vanop grote afstand maar toch nog altijd schitterend zichtbaar.



 
De dag is bijna voorbij.  Maar één iets staat nog op het programma.  Eén iets moeten we nog doen.  We moeten naar de U Beinbrug.  In Amarapura.  De grootste houten brug ter wereld mag niet gemist worden.  Moet gezien worden.  Wij moeten er heen vóór het te laat is.  Want dat wereldrecord is in gevaar.  Een deel van de houten brug werd onlangs gerenoveerd en vervangen door een stenen brug.  De inspecteurs van het Guinness Book of Records zullen nog eens naar Myanmar moeten komen.  Met het meetlint.  Ter controle.  Constant verifiëren is noodzakelijk.  Voor de geloofwaardigheid van dat boek.  Maar wij zijn hier niet voor wereldrecords.  Wij zijn hier omwille van het fotogenieke.  Hier moeten plaatjes geschoten worden.  Foto’s genomen.  Van de zonsopgang.  Van de zonsondergang.  Met die houten brug als enige hoofdrolspeler.  Dat moeten we doen.
 
Velen nemen een bootje.  Om voor die brug te gaan liggen.  Om daar te wachten op het begin van de voorstelling.  Het begin van de zonsondergang.  Het zou mooie plaatjes opleveren.  Het zou één van de betere plekken zijn om foto’s te nemen.  Vanop het water.  Toch doen wij het niet.  Wij wandelen over de brug.  Eveneens wachtend op datzelfde begin.  In afwachting wandelen wij heen en weer.  Om een juiste positie te kiezen.  Een juiste positie met het mooiste uitzicht.  Er wordt getwijfeld.  Er wordt geaarzeld.  Maar tussen al die twijfels en aarzelingen wordt er vooral gefotografeerd.  Hopend op die ene, unieke, onvergetelijke, kunstzinnige foto.


 
Ik hoop op die ene foto.  Met op de brug slechts één monnik.  Of slechts één fietsende Birmees.  Zoals ik in toeristische folders of boekjes zag.  Maar dat zal mij niet lukken.  Die foto’s in de boekjes zijn in scène gezet.  Bij die fotosessies werd de brug afgesloten.  Was die monnik of fietser een fotomodel.  Die foto’s staan ver weg van het echte leven.  Want in het echte leven is het bijzonder druk op de brug.  Meer nog dan de toeristen gebruikt de lokale bevolking de brug nog steeds om van de ene naar de andere oever te gaan.  Op die brug zien wij het leven.  Dat bruisende leven bepaalt in grote mate de aantrekkingskracht van deze brug.  De sfeer bepaalt het buitengewone karakter.  Het leven op, rond en onder de brug.  Alles passeert langs deze brug.  Schoolgaande jeugd, monniken, verkopers, landbouwers, … Wandelen over die brug is voor hen alledaags.  Voor ons is het buitengewoon uitzonderlijk.  Of zouden de ‘locals’ ook nog elke dag stilstaan bij de exceptionele pracht van hun brug? Ik weet het niet.  Sta ik nog stil bij de exceptionele pracht van mijn thuisstad, Gent? Jawel.  Niet altijd.  Wel soms.  Heel soms.  Soms loopt mijn hart over van de schoonheid van Gent.  Ik ben mij er dus bewust van.  


 
Het is vreemd.  Naar Myanmar komen om een ‘bruggetje’ te zien.  Het valt niet te begrijpen.  Toch is het de moeite.  Omwille van het totaalpakket.  Zo is het wel meer in Myanmar.  Een toeristische attractie sluit een pact met de omgeving.  Met de natuur.  Waardoor iets heel gewoons toch kan uitgroeien tot dat uitzonderlijke.  Dat prachtige.  Dat was deze morgen zo bij Bagaya Kyaung.  Dat is deze avond ook zo bij de U Beinbrug.  Dat samenspel lukt wonderwel.
 
Wij verlaten de brug.  Een brug, ondersteund door meer dan duizend palen.  In het droge seizoen soms tot zes meter boven de waterlijn.  Die brug verlaten wij.  Wij moeten terug.  Naar het hotel.  Gaan slapen.  Om klaar te zijn voor de volgende dag.
 
Mijn reisverhaal Myanmar.  Dag 18: Mandalay.  Te lezen op maandag 4 april.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen