dinsdag 14 februari 2017

Tirade, gezien in Minard. Brief aan Stijn Meuris.

Beste Stijn,
 
U kwam naar Gent.  Niet onmiddellijk het juiste moment.  Politiek gezien dan.  Er is heel wat te doen.  Omtrent intercommunales.  Omtrent vergoedingen.  Een kandidaat-burgemeester neemt ontslag.  Een schepen meent te mogen aanblijven.  De Gentse oppositie roept luid maar vergeet in de spiegel te kijken.  De kampioen onder de politieke grootverdieners voelt zich geenszins geremd en roept het luidst.  Dit alles om maar te zeggen dat mijn stad deze dagen meer op een politiek circus lijkt.  In dat circus heetten wij u welkom.
 
Dat zit ik allemaal te denken.  Maar dan besef ik dat u met plezier moet afzakken naar onze geteisterde stad.  Dit moet gefundenes fressen zijn voor een cabaretier.  Materiaal voor een avondvullend programma wordt u zomaar aangereikt.  Bijna hoeft u niks meer te doen.  Jawel, soms overtreft de werkelijkheid alle fictie.
 
Wie had gedacht dat alles in de show om Gent zou draaien, kwam bedrogen uit.  Af en toe deelde u speldenprikken uit.  Naar Tom Balthazar.  Naar Siegfried Bracke.  Naar Christophe Peeters.  Maar dat waren slechts kanttekeningen.  De kern van uw betoog handelde over de Belgische politiek.  Daarover valt heel wat te zeggen.  Daarmee valt heel wat te lachen.  Iedereen passeert de revue.  Niemand ontziet u.  Van Overtveldt, Marghem, De Backer, Schauvliege, De Block, Reynders, De Croo, Francken, De Crem, … U bent vlijmscherp.  U bent hard in uw oordeel.  Terwijl ik naar u zit te luisteren, moet ik denken aan die eindejaarsconferences van Geert Hoste.  Ik moet denken aan de politici, die lachten met zijn ‘grapjes’.  Met fluwelen handschoenen werden zij tegemoet getreden door Hoste.  Bij u is het ietwat anders.  U trekt de bokshandschoenen aan.  U deelt de ene uppercut na de andere uit.  Bij u moet de politicus incasseren.  Zwaar incasseren.  Geen genade.  Geen medelijden.
 
U bent boos.  Heel boos.  Ik kan u begrijpen.  Ik deel eenzelfde boosheid.  Heel af en toe durf ik die te uiten.  Maar mijn bereik is beperkt.  Ik ben een roepende in de woestijn.  Door bijna niemand gehoord.  Bij u is het anders.  U hebt een publiek.  Tot dat publiek richt u zich.  Uiteraard.  U roept hen op kritisch te zijn.  Vol te houden.  Niet te vergeten.  We hoeven foute beslissingen niet weg te relativeren.  Integendeel, die beslissingen moeten we de verantwoordelijke politici ten kwade duiden.  Bij de volgende verkiezingen moeten we oordelen.  Niet enkel het bolletje kleuren omdat hij of zij toch zo sympathiek is.  Niet omdat hij of zij iets heeft kunnen regelen.  Niet omdat hij of zij zo goed scoorde in een populaire televisiequiz.  Neen, het beleid.  Het beleid moet centraal staan in ons oordeel.  Dat moet de enige graadmeter zijn.  Om ons de ogen te openen fileert u het gevoerde beleid.  U komt tot een eindoordeel.  Er wordt op onze hoofden gekakt.  Niet verdoken.  Wel openlijk.  Niet enkel wordt er op onze hoofden gekakt.  Er wordt ook nog verwacht dat we dankuwel zeggen.  Er zou immers geen alternatief zijn.  Dat wordt ons steeds weer gezet.  Er is geen alternatief.  Heel af en toe wordt er nog aan toegevoegd dat we toch niet te klagen hebben.  Dat we het hier goed hebben.  Berusten, dat is wat we moeten doen.  Alles komt goed.  Uiteindelijk.  Dat laatste maakt mij nog het meest kwaad.  Nog meer dan het abominabele beleid.
 
Ik had vele redenen om toch niet te komen.  Gisterenavond was de tweede aflevering van De Mol.  Dat wou ik eigenlijk niet missen.  Bovendien was ik wat grieperig.  Had ik overal pijn.  Ik had dus in mijn zetel kunnen blijven zitten.  Maar ik had een kaartje.  Ik moest gaan.  Ik moest de koude trotseren.  Moest op weg naar de Minard.  Na anderhalf uur was ik De Mol vergeten.  Na anderhalf uur leek mijn griep genezen.  U bent een wonderdokter.  
 
Aan het eind van uw show vertelt u een parabel.  Uit die parabel put ik hoop.  Ik durf te hopen dat die bange wezels eindelijk die arrogante buffels in hun kuiten zullen bijten.  Bijten om nooit meer los te laten.  Mijn kwaadheid staat mijn hoop niet in de weg.  Want pas als er geen hoop meer is, is alles echt om zeep.  Een dergelijke zwartkijker ben ik niet.  Nog niet.
 
Beste Stijn.  U bent journalist.  U bent zanger.  Nu bent u ook cabaretier.  U hebt mij gisterenavond doen lachen.  U hebt mij doen bulderen van het lachen.  Doen gieren van het lachen.  Uw analyse was juist.  Was helder.  Uw analyse overtuigde.  Veel loopt mis.  U klaagt dat terecht aan.  In een schitterende monoloog.
 
Ik ga naar huis.  Na eerst nog een pintje gedronken te hebben.  Uiteraard.  Er moet nagepraat worden.  Ik besef dat mijn kwaadheid gedeeld wordt.  Door u.  Door velen.  Dat leid ik af aan de reacties van het publiek.  Ik besef dat mijn kwaadheid niet verward mag verward worden met verbitterdheid.  Want dat ben ik niet.  Geenszins.  Ik ben kwaad omdat ik besef dat het wel degelijk anders kan.  Omdat ik besef dat het wel degelijk beter kan.  U leverde het bewijs.
 
Beste Stijn.  Ik wil u danken voor een fantastische avond.  Ik kijk al uit naar onze volgende ontmoeting.  Naar uw volgende analyse.  Naar uw volgende kijk op het politieke gebeuren.  Want dat is wat ik wil u zeggen.  In een misschien te lange brief.  Ik wil u zeggen dat u hierin verder moet.  Zonder enige twijfel.  Want u hebt een stem.  Een aparte stem.  Een luide stem.  Met de juiste toon.

Met vriendelijke groeten.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen