dinsdag 1 augustus 2017

Uitgelezen: Mazzel Tov. Brief aan Margot Vanderstraeten.

Beste Margot,
 
Zes jaar lang was u werkstudente.  Het doet mij denken aan mijn jeugdjaren.  In die jaren was ik jobstudent.  Telkens was ik tijdelijk werknemer in de zomervakantie.  Elke vakantie werd ik wel ergens tewerkgesteld.  Een zuivelfabriek.  Een doe-het-zelfzaak.  Een boomkweker.  Het maakte mij niet uit.  Het spijzen van mijn magere studentenportefeuille was mijn voornaamste drijfveer.  Het opbouwen van een aantrekkelijk curriculum, met het oog op een uitdagende en interessante professionele carrière, was het minst van mijn zorgen.  Ik werkte.  Ik verdiende een loon.  Dat was voldoende.  Ik deed het elk jaar slechts één maand.  U werkte het hele jaar door.  Daarin ligt het verschil tussen werkstudent en jobstudent, meen ik.  Maar genoeg over mijn leven als zwoegende en wroetende werker.  Daarover wil ik het niet hebben.  Ik wil het hebben over uw boek.  Dat is de reden van mijn brief.
 
U werkte zes jaar langs als werkstudente bij een orthodox-joodse familie.  Over die jaren schreef u een boek.  Ik kwam niet verder dan pijpenkrullen en keppeltjes als ik dacht aan orthodoxe joden.  Dat moest ik tot mijn scha en schande vaststellen toen ik aan uw boek begon.  In een voorwoord bij het boek van Hans Vandecandelaere, In Molenbeek, schreef Phara de Aguirre dat wij veralgemenen bij wat wij niet kennen.  Dat wij nuanceren bij wat wij wel kennen.  Uw boek leek mij daarom een goede opstap om tot enige nuance te komen.  Om mijn kennis bij te spijkeren.
 
Eén ding maakte u vrij vroeg duidelijk in uw boek.  Onderscheid moet gemaakt worden.  Voor alle duidelijkheid.  Binnen het grote geheel moet onderscheid gemaakt worden tussen ultraorthodox en modern orthodox.  Uw werkgever/familie beschouwde zichzelf als modern orthodox.  Dat onderscheid was mij voorheen onbekend.  U kent wel die uitdrukking.  Dat gezegde met diezelfde kam en dat scheren.  Mogelijke misverstanden waren daarmee van de baan.  U had scherpte gebracht in het verhaal.  
 
Bij aanvang was u onwetend.  U wist niks.  Maar dat verandert.  Niet eensklaps.  Wel heel geleidelijk.  Via de kinderen wordt u wegwijs gemaakt in een wereld, waarin eeuwenoude tradities gelden.  Waarin geleefd wordt volgens eeuwenoude wetten.  Die kinderen worden uw gids.  Zij vullen het gat in uw kennis over hun gemeenschap.  Zij leiden u doorheen een voordien ongekend landschap.  Bar mitswa.  Koosjer.  Eroev.  Sjabbat.  Sjabbes.  Sjadchen.  In persoonlijke gesprekken en kleine discussies wordt u alles uitgelegd.  U opent uw blik.  Uw wereld wordt ruimer.
 
Niet enkel uw wereld wordt ruimer.  Want ook het omgekeerde gebeurt.  U trekt de kinderen mee in uw wereld.  In uw leefomgeving.  U vertelt hen van kerstmis.  Van pannenkoeken.  U geeft hen mode- en stijladvies.  U leert één van de kinderen fietsen.  U discussieert met hen over homoseksualiteit.  Op wandeltochten met de hond gaat u buiten de platgetreden paden.  U stapt met hen buiten het te enge wereldje.
 
Die wederkerigheid en confrontatie leidt tot respect.  Respect en begrip.  Dat opent dan weer andere deuren.  Maakt andere dingen bespreekbaar.  In gesprekken met de vader van de familie kan u spreken over het Palestijnse conflict.  Duidelijk wordt dat er binnen de gemeenschap verschillende opinies zijn.  Dat er geen unanimiteit heerst over dit conflict.  Net zomin als iedereen hetzelfde denkt over de verrechtsing in het politieke leven van Israël.  Niet iedereen juicht die evolutie toe.
 
Aangrijpend zijn de gesprekken over de holocaust.  Daarover zegt de vader dat er twee soorten verdriet zijn.  Eén dat verdraagt gekieteld te worden.  Eén dat zo groot is dat men ervan af moet blijven.  Enkel zwijgen lijkt een juiste houding.  Omdat de taal tekort schiet.  Omdat geen woorden kunnen beschrijven wat er toen gebeurd is.  Daarom zwijgt men.  Daarom blijft men ervan af.  Dat stilzwijgen doet pijn.  Die onmacht tot beschrijven doet pijn.  Ik proef de pijn als ik de vader hoor getuigen van die strijd.  Die dagelijkse strijd.  Die telkens weer moet bevochten worden.
 
In het verhaal van die orthodox-joodse familie sluipt ook uw verhaal.  U maakt u zelf deelgenoot van het verhaal.  Dat mag niet verbazen.  U schrijft over uw leven.  Dan kan u niet aan de kant blijven.  Dan moet u bereid zijn uw handen vuil te maken en de lezer toe te laten in uw leefwereld.  U vertelt over Nima, uw partner.  Over de moeilijkheden met uw schoonzus Marjane.  Nima is een vluchteling uit Iran.  U confronteert ons met de moeilijke omgang met woorden.  Woorden als vluchteling, Arabier, moslim, … Woorden kunnen vooroordelen uitlokken.  Dat toont u.  Dat bewijst u.  Samenleven is geen evidentie.  Daarvoor moet gevochten worden.  Elke dag weer.
 
Uw verhaal is niet enkel een getuigenis.  Het is meer dan dat.  Het is een pleidooi.  Heel misschien is het wel een politiek pamflet.  Dat laatste is waarschijnlijk een tikkeltje overdreven.  Alhoewel.  Ik denk het niet.  In uw verhaal lees ik een oproep niet opgesloten te blijven zitten in het eigen wereldje.  U vraagt de lezer de muren van dat eigen wereldje te slopen en naar buiten te treden.  Om elkaar te ontmoeten.  Weg van het eigen, grote gelijk.  Om op die manier onze eigen vooroordelen te counteren.  Wij moeten elkaar open in de ogen kijken.  In plaats van ons op te sluiten en onze eigen frustraties te voeden.  Dat is wat ik onderliggend doorheen uw boek voel stromen.  Die stroming kan begrepen worden als een politiek statement.
 
Herhaaldelijk moest ik lachen.  Niet luidop.  Dat is verdacht.  Ik let wel op.  Daarom lach ik stilletjes.  Ingehouden.  Ik lach om het onbegrip.  Om de onwetendheid.  Om misverstanden.  Om het stuntelen.  Om het aftasten.  Ernst en humor moeten in balans zijn.  Het één kan niet zonder het ander.  Dat lijkt u te beseffen.  Als lezer kan ik het enkel dankbaar aanvaarden.  
 
Beste Margot, ik wil u danken.  Voor het boek zelf.  Voor de aangereikte nuance.  Want enkel nuance kan leiden tot een uitgebalanceerd denken.  Dat is nodig.  Ik meen dat u een bijdrage hebt geleverd in dat streven.  Ook daarvoor wil ik u danken.  De pijpenkrullen en de keppeltjes waren verdwenen.  Weg.  Ik zag Elzira.  Ik zag Jakov.  Ik zag Simon.  Ik zag Sara.  Ik zag kinderen.  Ik zag volwassenen.  Elk met hun eigen wensen.  Dromen.  Verlangens.  Ik keek verder.  Ik zette een stap vooruit.  Niet achteruit.  In de toekomst zal ik misschien wel nog scheren.  Maar nooit meer over dezelfde kam.
 
Met vriendelijke groeten.
 
PS: Ik neem het advies van Nima ter harte.  In één van de discussies tussen u en Nima zei hij dat u misschien eens één van de politieke boeken en essays van Noam Chomsky zou moeten lezen.  Binnenkort begin ik aan de Chomsky Papers.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen