vrijdag 16 mei 2014

Angelena, gezien in Arca. Brief aan Mieke Dobbels.

Beste Mieke,
 
Gisterenavond kon ik kiezen.  Ik had keuze.  Ik ben een vrij mens, ik kan kiezen.  Dat is zo.  Leven in vrijheid is leven in keuzes.  Niet ongelimiteerd, niet onbeperkt.  Absolute vrijheid bestaat niet, denk ik zo.  Maar ik ga te snel.  Ik loop vooruit op de zaken.  Ik keer terug naar gisterenavond.  Ik kon in het NTG naar het Grote Verkiezingsdebat van De Standaard.  Dat leek mij te overwegen.  Een goede stem is een gemotiveerde stem.  Informatie is noodzakelijk.  Ik kon gaan.  Ik zou gaan.
 
Maar dan kwam daar de theatervoorstelling Angelena doorheen gefietst.  Ik werd voor de keuze gesteld: theater of debat.  Ik moet bekennen, het was nauwelijks een keuze.  Want ik wou u zien.  Ik wou u weerzien.  Na The Broken Circle Breakdown featuring The Cover-Ups of Alabama had ik u niet meer op de planken gezien.  In geen enkele voorstelling sindsdien mocht ik uw aanwezigheid proeven.  Tot gisterenavond.  Met een monoloog vierde u uw rentree in de theaterzalen.  Ik was aanwezig.  Ik had een ticket.  Uiteraard.  Of zoals Wilfried Martens het zou zeggen: “dat is toch evident”.
 
Vele voorstellingen vragen een zekere aanpassing.  Vragen een tijdje alvorens wij in het stuk zitten.  Dat was gisterenavond helemaal anders.  Misschien is dat eigen aan een monoloog.  Er is geen afleiding.  Slechts één iemand op de bühne.  Slechts één iemand die het woord tot ons richt.  Onze aandacht hoeven wij niet op te splitsen.  Niet op te delen.  Al onze aandacht gaat naar die ene acteur of actrice.  Daarom hou ik enorm van deze vorm van theater.  De afstand is nog kleiner.  De sfeer is nog intiemer.  Ik hoef het eigenlijk dus niet te zeggen.  Toch doe ik het.  Van bij die eerste minuut zat ik in de voorstelling.  U had mijn volle aandacht.
 
In een debat na de voorstelling zei u dat u enkel kon kiezen voor stukken, die een zekere betrokkenheid vragen.  Dat u enkel kon kiezen voor stukken, die beroeren.  Die iets teweeg brengen.  Dat is wel het minste wat wij van Angelena kunnen zeggen.  Dit is een slag in het gezicht.  Bijna is het een politiek pamflet.  Even dacht ik de debatterende politici in het NTG snel naar het Arca te halen.  Dit moesten zij horen.  Deze getuigenis moesten zij zien.  Dit was een appel aan onze heren en dames politici.  Dit was een vraag om het Belgische detentiebeleid eindelijk te durven herdenken.  Te durven hertekenen.  Geen steriel denken, dat zich enkel focust op het bijbouwen van gevangenissen.  Neen, een vernieuwend denken.  Een denken, dat verder kijkt dan enkel het eenvoudige opsluiten.  Een denken, dat eindelijk realiseert dat de meeste gevangenen ooit ook eens vrij komen.  Een denken dus, dat zich ook bekommert om die nabehandeling.
 
Een politiek pamflet? Dat zou durven saai te worden.  Maar u brengt het verhaal van Angelena, een geïnterneerde in een Belgische gevangenis, op een gebalanceerde manier.  Saai wordt het nooit.  U doorspekt haar levensverhaal heel af en toe met speldenprikken op het systeem.  Speldenprikken, vaak komisch gebracht maar telkens met een juiste vraagstelling.  U vraagt begrip voor uw personage.  Geen medelijden, dat hoeft u niet.  Daarmee schieten wij niks op.  
 
Een moeilijke jeugd? Wij kennen het excuus.  Al te zeer lachen wij het weg als een dergelijke jeugd weer eens wordt opgerakeld op processen.  Veelal is het evenwel de realiteit.  In het begin zei ik al dat leven in vrijheid ook een leven in keuzes is.  Voor sommigen worden die keuzes evenwel zeer sterk ingeperkt.  Zoals bij Angelena.  Is het daarom een excuus voor haar daden? Misschien niet maar het minste wat wij kunnen doen is begrip opbrengen voor haar situatie.  Is trachten haar te begrijpen.  U hebt met uw voorstelling hierin een belangrijke stap gezet.  U hebt de oogkleppen, waarmee het publiek het debat rond justitie benadert, opzij geduwd.  U hebt ons gedwongen die oogkleppen af te zetten en met een open geest naar Angelena te kijken.
 
U bent onze gids tijdens de monoloog.  U gidst ons doorheen de Ikea.  Doorheen het Citadelpark.  Doorheen het snelle uitgaansleven.  Doorheen de vele ‘redders’ in het leven van Angelena.  Hierbij gaat u vaak wild tekeer.  U tiert, u roept, u schreeuwt.  U verwenst.  Maar net zo vaak kruipt u in een hoekje.  Praat u stilletjes.  Maakt u kleine gebaartjes.  Gebaartjes van een klein en kwetsbaar meisje.  U toont ons een vrouw, die ondanks de vele littekens nog altijd blijft hopen op een leuk leventje.  Een leventje, waarvan zij weet dat herhaling één van die eigenheden van dat gewenste leven is.  Maar die herhaling zal zij koesteren.  Die herhaling zal zij koesteren in vrijheid.

Angelena en Mieke, ik wens jullie alle succes.

Met vriendelijke groeten.

Links:
Angelena – speeldata.
Compagnie Cecilia.

woensdag 14 mei 2014

Future Islands. Gezien in Vooruit.

Future Islands.  Door Democrazy werd de groep geprogrammeerd in de concertenreeks ‘Big Next’.  Kort samengevat betekent dit dat de groep op een kantelmoment staat.  Op dat moment kan het twee richtingen uit met de band.  De band kan internationaal doorbreken of de band kan toch nog wegdeemsteren en eeuwig als subtopper door het leven gaan.  Om het in voetbaltermen uit te drukken, kunnen we zeggen dat bevordering naar eerste klasse een mogelijkheid is of dat tweede klasse het weinig opbeurend alternatief is.  Met het WK voetbal in het vooruitzicht is het goed wat termen uit dat wereldje te laten binnensluipen in teksten.
 
Future Islands beukt op de deur van de grote doorbraak.  De band heeft die deur al op een kier gezet.  De band heef die deur al een heel klein beetje kunnen openduwen.  Onlangs verhuisden zij naar het platenlabel 4AD.  Dat label huisvest ondermeer The National.  Verschillende media spiegelen Future Islands een gelijkaardig carrièreverloop voor.  Dat is toch al veelbelovend.  Maar er is meer.  Onlangs werd de band uitgenodigd door David Letterman.  In de Late Night Show mochten zij hun nieuwe single ‘Seasons’ live brengen.  Dat ging niet onopgemerkt voorbij.  De rare danspasjes van Samuel T. Herring werden een YouTube-hit.  Zijn verschijning in het laatavondprogramma werd al meer dan anderhalf miljoen keer bekeken.  Maar er is meer.  Op de nationale radiozenders werd de single ‘Seasons’ opgepikt.  In Vox op Radio1 deed ‘Seasons’ zijn intrede.  Op Studio Brussel krijgt de single veel airplay.  Zelfs in de Ultratop50 komt de single binnen op vijftig.  Hieruit moet blijken dat de band een groot en verscheiden publiek aanspreekt.  Altijd handig voor een grote doorbraak.  Maar er is meer.  In media wordt hoog opgelopen met de livereputatie van de band.  Er wordt gezegd dat het momenteel één van de beste livebands is.  Dat is toch een behoorlijk statement in een wereldje waar de concurrentie niet van de poes is.  Is er nog meer? Neen, dit is alles.  Maar mij lijkt het voldoende om de stelling te staven dat Future Islands de deur naar de internationale doorbraak zachtjes maar zeker openduwt.
 
Zondagavond stond Future Islands in de Balzaal van de Vooruit.  Het concert was uitverkocht.  Daarin hadden voorgaande factoren een belangrijk aandeel.  Het maakte het publiek nieuwsgierig.  Het maakte mij nieuwsgierig.  Daarom had ik ook een kaartje.  Want ik wou weten.  Ik wou zien en horen welke beloften de band kon waarmaken.
 
Een behoorlijk lange inleiding voor een concertverslag.  Ik besef het.  Maar ik wou alles vooraf even kaderen.  Niet enkel een gewaarschuwd man is er twee waard.  Ook een goed ingelicht man is er twee waard.
 
Het concert? Dat zat van bij het begin goed.  De zanger blijkt een geboren entertainer te zijn.  Hij doet zijn gekke danspasjes.  Niet één keer, niet twee keer maar oneindig herhalend.  Heel vaak lijkt de zanger van de radar te verdwijnen.  Plots is hij uit mijn gezichtsveld.  Ik kan hem niet spotten.  Maar dan blijkt dat hij heel laag over het podium zweeft.  Bijna met zijn gezicht op het podium.  Ik beken, een lichte overdrijving maar soms is dat nodig om het beeld scherp te stellen.  Toch zoekt de zanger het niet enkel laag bij de grond.  Hij springt, hij loopt.  Niet rustig, wel wild en uitbundig.  Zo wild zelfs dat de zanger vreest dat hij door het podium zal zakken.  Dat vertelt hij ons.  Maar hij stelt ons gerust.  Zelfs mocht dat gebeuren, zal hij blijven zingen.  Zolang hij de microfoon in handen heeft, zal hij niet stoppen met zingen.  Van totale overgave gesproken.
 
Niet enkel is hij een entertainer, evenzo is hij een volksmenner.  Hij laat het publiek uit zijn handen eten.  Het lijkt wel alsof hij aan de touwtjes trekt.  Zoals in het poppentheater.  Via die touwtjes laat hij het publiek doen wat hij wil.  Het publiek springt als hij springt.  Het publiek klapt in de handjes als hij aangeeft dat die handjes op elkaar moeten.  Entertainer én volksmenner, die combinatie maakt hem tot een echt performer.
 
Terwijl ik sta te kijken moet ik heel even denken aan Henry Rollins.  De gelijkenis is treffend.  Net als Henry Rollins is ook Samuel T. Herring afgetraind gespierd.  Als een fiere pauw bonkt hij regelmatig op zijn brede borstkas.  Laat hij af en toe zijn armspieren even opbollen.  Een ijdel ventje, zo denk ik.  Maar er is niet enkel die fysionomische gelijkenis met Henry Rollins.  Ook als Samuel brult en grauwt moet ik denken aan die andere brulboei.  Enkel de muziek onderscheidt hen.  De muziek van Future Islands is meer toegankelijk.
 
Het lijkt wel alsof de zanger alle aandacht opeist.  Bijna is dat ook zo.  Maar toch moeten wij ook de andere bandleden bewieroken.  Want zij bepalen in grote mate de sound van de band, een mengeling van new wave en synthpop.  De synthpop filtert het zwarte, het donkere weg uit de new wave.  Die synthpop doet doorheen de muziek van Future Islands de zon schijnen.  Doet de muziek warm en hoopvol klinken.  Die muziek stuwt de zanger voort.  Die muziek doet de zanger springen en sluipen.  Die muziek bepaalt de sfeer.
 
Is Future Islands klaar voor die internationale doorbraak? Klaar voor de grote podia? Na wat ik zondagavond gezien heb, kan ik op deze vragen enkel bevestigend antwoorden.  Dus, Herman en Chokri, geef deze mannen een podium.  Want wat zij doen, heeft uw podium nodig.  Zij begeesteren.  Zij nemen het publiek mee op een fenomenale trip.  Een wonderbaarlijke trip.  Welke concertorganisator wil een dergelijke groep niet op zijn affiche?

Link:
Future Islands – Full performance on KEXP.
Future Islands – Live on Coachella 2014.

vrijdag 9 mei 2014

Hitler is dood. Gezien in NTG.

Een marathonvoorstelling, dat was het.  Ik kan mij niet meer herinneren een voorstelling van meer dan drie uur meegemaakt te hebben.  Daarvoor moet ik al een hele tijd teruggaan.  Daarvoor moet ik diep graven in mijn geheugen.  Ik meen terug te moeten gaan naar ‘Zomergasten’ van De Tijd.  Dat was in 2009.  In deze dagen is een speelduur van anderhalf uur de standaard geworden.  Woensdagavond was het eventjes anders.
 
Meer dan drie uur? Ik zie en hoor u de wenkbrauwen fronsen.  Maar ik kan u geruststellen.  Wat op de planken gepresteerd werd, was van een buitengewoon en bijzonder niveau.  Alle acteurs en actrices speelden op een exceptioneel en hoogstaand niveau.  Zonder enige uitzondering.  Geen enkele mindere prestatie.  Het gehele gezelschap slaagde met grootste onderscheiding.  Iedereen speelde zijn rol.  Meer nog, iedereen was zijn rol.
 
Maar het zijn niet enkel de acteerprestaties, die de uitvoering tot een heerlijke maar confronterende voorstelling maakten.  Het confronterende zat hem voornamelijk in de thematiek.  Braakland/Zhebilding, in samenwerking met ’t Arsenaal, voerde het publiek terug naar het oorlogstribunaal van Neurenberg.  De hoofdrolspelers in dat proces schotelden het publiek een hele reeks vragen voor.  Vragen, waarop niet noodzakelijk een antwoord werd gegeven.  Vragen, waarop het publiek nog lang zal nakauwen.  Inderdaad, deze voorstelling was niet vrijblijvend.  Zelfs na het einde blijft de voorstelling ronddolen in het hoofd.
 
Winnen of verliezen, een wereld van verschil.  Het kamp waartoe men behoort, bepaalt in grote mate de interpretatie.  Bombardementen van bezette steden worden door de bewoners als een stap dichter bij de bevrijding ervaren.  Bombardementen van Duitse steden wordt door de bevolking gezien als een stap dichter bij de nederlaag.  Eénzelfde actie, twee interpretaties.  Maar het gaat verder.  De winnaar wentelt zich aan het einde van de oorlog in weelde en luxe.  Nog ongeschonden en rechtopstaande woningen worden door de winnaar opgeëist.  Zij feesten en drinken.  Een onbezorgd leven, zo lijkt het wel.  De verliezers daarentegen zwerven door donkere straten.  Al te druk bezig met simpel overleven.  Nergens een lichtpuntje.
 
De winnaar bepaalt de spelregels.  De winnaar bepaalt de wijze waarop zal teruggeblikt worden.  De verliezer wordt voor de rechtbank gebracht.  Schuldigen moeten aangewezen worden.  Maar dat aanwijzen is eenrichtingsverkeer.  Het beschuldigende vingertje wijst enkel naar de verliezende partij.  Enkel de misdaden van de verliezer worden in rekening gebracht.  Eigen wandaden worden met de mantel der liefde toegedekt want noodzakelijk in het bereiken van de overwinning.  Het bombardement op Dresden? Het uitblijven van enige actie vanuit geallieerde kant op de kennis omtrent het bestaan van de concentratiekampen? Hierover geen schuldvraag.  Is dit twee maten en twee gewichten?
 
Zijn de winnaars voldoende onpartijdig om een proces van dergelijke omvang te voeren? In hoeverre lezen zij het verhaal door de bril van de winnende partij? Zij zijn besmet met het virus van de overwinning.  Neutraliteit en onbevangenheid lijken dan een moeilijk na te streven doel.  De schuldvraag lijkt bij voorbaat reeds beantwoord.  Het vermoeden van onschuld lijkt van geen tel.  Enkel over de strafuitvoering lijkt nog geoordeeld te moeten worden.  Lijkt rechtvaardigheid hier nog in het spel? 
 
De beklaagden worden veroordeeld omwille van hun lafhartige houding.  Ondanks hun kennis namen zij geen afstand van Hitler en zijn misdadige regime.  De aanklager spreekt hen hierop geregeld aan.  Hij zou het anders gedaan hebben.  Indien hij in hun schoenen gestaan zou hebben, zou hij gerevolteerd hebben.  Hij zou in opstand gekomen zijn.  Hij zou kiezen voor de moedige en moeilijke weg.  Maar is dat werkelijk zo? Hoe zeker kan hij zijn van dergelijke beweringen? Heel waarschijnlijk is het enkel bedoeld om zichzelf op de schouder te kloppen.  Om zichzelf gerust te stellen.  Dat hij nooit zo laag zou vallen.  Maar is dat werkelijk zo? 
 
De aanklager, samen met de winnaars, acht zich moediger dan de verliezende partij.  De winnaar acht zijn moraal hoger dan de verderfelijke moraal van de verliezer.  Is dit terecht? Hier kunnen vragen bij gesteld worden.  Want waar blijft het protest tegen de rassensegregatie in de Verenigde Staten? Waar blijft het protest tegen de Sovjet-Russische goelags? Geen protest.  In beide gevallen blijft het oorverdovend stil.  Wat met de moraal van de winnaar? Ook die heeft zijn kleine kantjes.  Kleine kantjes, waarover niet gesproken wordt.  Kleine kantjes, waar de zichzelf verklaarde moedigen niet rechtop staan en luidop spreken.
 
Over al deze vragen wordt in deze voorstelling hevig gedebatteerd.  Tussen aanklagers en beschuldigden.  Tussen aanklagers onderling.  Tussen de beschuldigden onderling.  Allemaal hebben zij vragen.  Allemaal zoeken zij antwoorden.  Niet altijd vinden zij die.  Heel vaak blijft enkel twijfel overeind.  Twijfel en onzekerheid.  In die moeilijke zoektocht moet geoordeeld worden over verantwoordelijkheid.  Over schuld.  Voorwaar geen gemakkelijke opgave.
 
Het gaat snel in de voorstelling.  Het schiet heen en weer.  Personages komen op en gaan af.  Zonder overgang.  In sneltreinvaart gaat het naar de climax.  De uitspraak.  Het vonnis.  Wij moeten alert blijven.  De aandacht mag niet verslappen.  Maar in ruil voor dit inspannend kijken en luisteren krijgt het publiek spetterend theater.  Dat lijkt mij een faire deal.  De tijd vliegt snel.  Drie uur was zo voorbij.  Met dank aan de acteurs.  Met dank aan de muzikanten.  Met dank aan schrijver en regisseur.  Want allen hebben zij mij een fijne avond gegeven.  Ondanks de zware thematiek heb ik genoten van het spel.
 
Speellijst:

woensdag 7 mei 2014

Ons geld? Sorry maar niet het juiste argument.

Binnenkort zijn het verkiezingen.  Dan mag er al eens gediscussieerd worden.  Dan mag er al eens gedebatteerd worden.  Het mag er best wel heftig aan toe gaan.  Wij hoeven niet af te remmen.  Wij hoeven ons niet in te houden.  Jawel, de stem mag al eens de hoogte ingaan.  Heftige emoties in het debat zijn goed.  Zijn bijna noodzakelijk.  Politiek beroert immers ons leven.  Politiek grijpt in datzelfde leven in.  Wij zijn dus betrokken partij.  Als betrokken partij mogen wij dus een mening hebben.  Bijna zou ik zeggen, moeten wij een mening hebben.  Maar iemand verplichten tot het hebben van een mening lijkt mij dan toch een stapje te ver.
 
Jawel, ook ik heb een mening.  Ik durf die zelfs te verdedigen.  De tegenpartij tracht ik niet te overtuigen.  Ooit heb ik dat nog geprobeerd.  Maar dat is vergeefse moeite.  Dat weet ik nu.  In die dagen wou ik pas van tafel gaan als de tegenpartij mijn mening had overgenomen.  Vaak werden het lange avonden.  Zoals ik al zei, overtuigen doe ik niet meer.  Hoogstens wil ik de tegenpartij tot andere inzichten brengen.  Inzichten, die een andere kant van het verhaal belichten.  In de hoop dat die andere kant hem of haar tot verder denken aanzet.
 
Die geanimeerde gesprekken tracht ik te voeren op basis van argumenten.  Eenzelfde ingesteldheid verwacht ik van de tegenpartij.  Want dat maakt het gesprek tot een spelletje.  Het ene argument wordt gecounterd met het andere argument.  Het ene argument dwingt de andere tot herformuleren.  Dat herformuleren lokt op zijn beurt dan weer een gepaste reactie uit.  Uw eigen inzichten worden door het spelletje aangescherpt of bijgestuurd.  Jawel, discussiëren kan een verrijking betekenen.
 
Het is een spelletje.  Zonder spelregels.  Of toch nauwelijks.  Alleszins staan die regels nergens uitgeschreven.  Iedereen kent die wel.  Of toch niet.  Want al te vaak word ik in discussies geconfronteerd met dat ene argument: ons geld.  Dat gebeurt met ons geld, dat zegt de tegenpartij wel eens.  Meer zeggen zij niet.  Enkel die ene regel schreeuwen zij bijna uit.  Met hierbij de nodige portie verontwaardiging.  Zij menen met dit ‘krachtige’ argument het gesprek te kunnen beslechten.  Dat lijkt in hun ogen het ultieme argument te zijn.  Want wie kan nu tegen verkwisting van geld zijn.  
 
Met dat ene argument tracht men mij in de verdediging te drukken.  Maar dat doen zij niet.  Wel doet dat ene argument mij afhaken.  Omdat ik het beschouw als een zwaktebod.  Omdat dat argument baadt in een te grote leegheid.  Een te grote vaagheid.  Met ons geld worden inderdaad beleidskeuzes gemaakt.  Keuzes, waarmee wij het niet altijd eens zijn.  Maar dan moeten wij die gemaakte keuzes bekritiseren.  Dan moeten wij zeggen waarom die ene keuze niet de juiste is.  Dan moeten wij alternatieven kunnen aandragen.  Als dat niet lukt, doen wij er beter het zwijgen toe.  Als wij niet verder komen dan die ene uithaal van ‘ons geld’, houden wij beter de lippen stijf op elkaar.  Erkennen dat wij het niet weten, is geen zwaktebod.  Integendeel, het maakt het debat helder en klaar.
 
Ik blijf het spelletje spelen.  Met volle overgave.  Met veel plezier.  Maar bij dat ene, loze argument haak ik af.  Dan moet het niet meer voor mij.  Ik stop.  Ik begin over koetjes en kalfjes.  Maar de spannende uitdaging van het debat leg ik naast mij neer.  Uit zelfbehoud.  Omdat ik weet dat ‘ons geld’ mij tot ergernis brengt.  Want als ik één ding wil vermijden, is het ergernis.  Omwille van het zelfbehoud.

maandag 5 mei 2014

Uitgelezen: Norwegian Wood. Brief aan Haruki Murakami.

Beste Haruki,
 
Het boek zou niet te verfilmen zijn.  Of toch zeer moeilijk.  Die kritiek was vaak te horen toen het boek dan toch verfilmd werd.  De film heb ik nog niet gezien.  Het boek heb ik zopas gelezen.  Eén ding kan ik alvast zeggen.  Ik begrijp die kritiek niet.  Ik begrijp niet waarom critici hieromtrent hun twijfels uitten.
 
Ik heb het boek gelezen.  Ik had een heel andere indruk.  Tijdens het lezen kreeg ik steeds beelden doorgestuurd.  Het leek alsof het boek in beelden tot mij praatte.  Ik weet dat het bij roken ongezond is.  Op sigarettenpakjes wordt het in grote letters aangegeven.  Inhaleren, het mag niet.  Ik heb het toch gedaan.  Niet bij het roken, wel bij het lezen.  Ik heb uw verhaal geïnhaleerd.  Ik heb uw verhaal opgenomen.
 
Watanabe, het hoofdpersonage uit uw boek, werd tijdens het lezen mijn beste vriend.  Overal volgde ik hem.  U zou mij kunnen verdenken van een zekere volgzame slaafsheid maar dat is het niet.  Volgen, dat is wat vrienden doen.  Zowel letterlijk volgen als figuurlijk volgen.  Uit interesse.  Ik ging met hem mee naar de universiteit.  Ik volgde de lessen.  Hij nam mij mee op zijn nachtelijke uitstapjes.  Jawel, ik mocht zelfs mee op zijn seksuele veroveringstochten.  Ik keek weg.  Een voyeur kan u mij niet noemen.  Dat zou een te zware beschuldiging zijn.  Maar ik ging mee, dat kan ik niet ontkennen.
 
Niet enkel in Tokio liepen wij rond.  Ik mocht met hem mee op bezoek bij zijn vriendinnetje.  Zij verbleef in een sanatorium.  Op het platteland.  Om te herstellen.  Haar vriendje had zelfmoord gepleegd.  Die zelfmoord had het drietal uiteengerukt.  Had een schaduw geworpen over de vriendschap.  Voor beiden was het moeilijk een uitweg te vinden.  Zij twijfelen.  Zij slingeren voortdurend tussen de gedachte te gaan voor een relatie of het toch maar te houden op vriendschap.  Een moeilijke keuze voor jonge mensjes.  Want dat is wat ik continu moet doen, mijzelf eraan herinneren dat de hoofdpersonages uit het boek nauwelijks twintig jaar zijn.  Hun levensverhaal doet vermoeden dat zij al een eindje verder in het leven staan.  Het lijkt alsof zij te jong zijn om met dergelijke, moeilijke levensvragen te moeten omgaan.  
 
Als goede vriend neemt Watanabe mij in vertrouwen.  Hij vertelt zijn twijfels.  Hij drukt die niet weg.  Tegenover mij vertaalt hij zijn moeilijke gevecht met de liefde.  Want dat is het eigenlijke thema van uw boek.  Een liefdesverhaal, dat is wat u eigenlijk vertelt.  Een verhaal met valkuilen.  Met haken en ogen.  Een verhaal, dat ontroert.  Ontroert door zijn eerlijke eenvoud.  Maar ook door zijn wrange pijn.  
 
Er was niet enkel het verhaal.  Er was ook uw land, Japan.  Uw land heeft mij bij het lezen verleid.  Was uw boek dan ook een reisgids? Geenszins.  Zo kan uw boek niet gelezen worden.  Toch werd mijn nieuwsgierigheid naar uw land geprikkeld.  Door de sfeer, die uw boek uitademt.  Een niet te omschrijven sfeer.  Of toch een sfeer, waarvoor ik de juiste woorden niet kan vinden.  Maar meestal wakkert dat niet te benoemen iets het verlangen aan.  Meestal doet dat de lust tot het ontdekken ontbranden.  Die lust hebt u aangestoken.  Die nieuwsgierige lust.
 
Mijn nonkel was ooit nog missionaris in uw land.  Hij was wild van uw land.  Hij had daar zijn hart verloren.  Wij begrepen die bewondering niet.  Of heel misschien deden wij geen moeite om die bewondering te begrijpen.  Ik heb hem er nooit naar gevraagd.  Ik heb nooit gevraagd waarom hij telkens weer terugging.  Nu kan ik het niet meer.  Mijn nonkel is enkele jaren terug overleden.  Maar heel misschien heeft uw boek mij enkele antwoorden kunnen aanreiken.  Bescheiden antwoorden.  Geen uitvoerige, langdradige verklaring.  Ik meen het nu een heel klein beetje te kunnen begrijpen.  Vraag het mij niet want ik zou enkel stotteren en stamelen.  Het antwoord ligt vervat in een gevoel.  Dat maakt het verwoorden moeilijk.
 
U was mijn eerste kennismaking met Japanse literatuur.  U hebt weten te overtuigen.  U bezorgde mij een hartverwarmend en aangrijpend boek.  Bij dit ene boek zal het niet blijven.  Ik ga verder zoeken.  Naar andere Japanse literaire pareltjes.
 
Met vriendelijke groeten.

Link:
Haruki Murakami – Uitgeverij Atlas.


woensdag 30 april 2014

Mooie liedjes: Future Islands.

Gekke danspasjes.  Jawel, ik durf het al eens doen.  Pasjes, waarvan de acrobatische haalbaarheid door deskundigen sterk wordt betwijfeld, schud ik losjes uit de pols.  Niet altijd, dat durf ik te bekennen.  Ik heb heel soms mindere momenten.  Maar op mijn betere en beste momenten, die in de absolute meerderheid zijn in mijn vrolijke leventje, laat ik mij ongeremd gaan.  Op de betere feestjes.  Op de betere muziek.  Mijn wil tot dansen wordt sterk bepaald door de kwaliteit van de muziek.  Ik ben kieskeurig.
 
Die gekke danspasjes heb ik gemeen met Samuel T. Herring.  Toch is er dat ene kleine verschil.  Samuel doet het in de spotlights.  Op een podium.  Daartoe biedt zijn groep, Future Islands, hem voldoende gelegenheid.  Een muziekgroepje ontbreek ik.  Alhoewel ik veelvuldig droomde van een carrière als frontman van een wereldgroep, is die droom nooit werkelijkheid geworden.  Jammer, maar ik kan troost vinden in anderen.  Anderen, die hun droom wel hebben gerealiseerd.  Anderen, die wel hun weg gevonden hebben naar de wereldpodia.  Zoals Samuel T. Herring.
 
Dit jaar bracht Future Islands hun vierde album, Singles, uit.  Hun album werd jubelend onthaald.  In diverse commentaren wordt verwezen naar de synthpop van de jaren tachtig.  Daarmee is de sound van deze groep nauw verwant.  Als referentie worden The Cure en New Order genoemd.  Voor die aparte stem van Samuel T. Herring worden vergelijkingen gemaakt met Rod Stewart of Roland Gift (Fine Young Cannibals).
 
Toch waren het niet die lovende commentaren, die mij tot Future Islands brachten.  Ik had de commentaar in De Standaard gelezen.  Die commentaar had mij nieuwsgierig gemaakt.  Meer niet.  Pas toen ik dat filmpje zag, ben ik gaan zoeken.  Ik heb gezocht en ik heb gevonden.  Dat is altijd het leuke aan een zoektocht.  Dat er vaak iets gevonden wordt.  Ik vond liedjes.  Of neen, ik vond songs.  Dat laatste klinkt toch altijd wat professioneler.  Klinkt wat meer rockerig.  Bij liedjes moet ik steeds denken aan kinderliedjes.  Kinderliedjes brengen Future Islands niet.  Dat durf ik gerust te stellen.  Ik vond niet enkel songs.  Ik vond lovende kritieken over spetterende en meeslepende liveshows.  Eén van de beste podiumgroepen, zo kon ik op verschillende sites lezen.
 
Die livereputatie kan gecontroleerd worden.  Want op 11 mei staat de band in de Gentse Vooruit.  Ik ben benieuwd wat het zal worden.  Maar ik moet nog heel eventjes wachten.  Nog enkele keren slapen.  Dan kan ik mijn gekke danspasjes vergelijken met de dansende capriolen van Samuel T. Herring.  Een dancebattle in de Balzaal van de Vooruit.  Nog een beetje oefenen en ik ben klaar.

Website:
Future Islands.

Clip:
Future Islands bij David Letterman – Seasons (waiting on you).

maandag 28 april 2014

N-VA en de kracht van verandering? Ik denk het niet.

Een nominale bevriezing van de overheidsuitgaven.  De Moesen-norm werd het kernpunt van het economische verkiezingsprogramma van het N-VA.  Geen halfslachtig werk.  Een duidelijke visie, dat achtte de partij noodzakelijk.  Al snel werd echter aan die duidelijkheid geknaagd.  Het was niet de minste die begon met het knagen.  De man, die zijn naam geleend had aan de door N-VA gebruikte norm, wees op de foutieve interpretatie van zijn norm.  Volgens professor Moesen maakte de partij een ernstige denkfout.  De economische daadkracht van het N-VA kreeg een serieuze knauw.  Het bijsturen kon beginnen.  De nominale bevriezing betrof enkel het federale niveau.  Het Vlaamse niveau blijft gevrijwaard.  Maar die bijsturing bleek onvoldoende.  Want het protest bleef aanhouden.  Een aanval door politieke partijen en middenveldorganisaties werd geopend op het asociale karakter van die maatregel.  Want wat met de pensioenen? Wat met de werkloosheidsuitkeringen en andere sociale uitkeringen? Wat met defensie en politie? N-VA werd in de verdediging geduwd.  Het draaien en keren kon beginnen.  Pensioenen en uitkeringen werden vrijgesteld, zo werd snel gecommuniceerd.  Wat er dan nog nominaal te bevriezen viel? Niemand die het weet.  Het kernpunt brokkelde af.  Duidelijkheid werd troebel.  Heldere communicatie werd brabbelend gewauwel.
 
Bevriezen? Toch niet zo een goed idee, zouden wij kunnen denken.  Maar wij denken verkeerd.  Enkele maanden terug kwam het boek van professor Annemans uit.  In zijn boek beweert professor Annemans dat er binnen de gezondheidszorg tot vijfentwintig procent verspild wordt.  De N-VA grijpt die bewering aan om ook binnen de gezondheidszorg te pleiten voor een nominale bevriezing.  Alweer moet dit standpunt getuigen van voldoende daadkracht.  Maar alweer moet de partij in het zand bijten.  Want professor Annemans reageert.  Jawel, u kan de verspilling aanpakken.  Maar de professor pleit onmiddellijk dat geld te herinvesteren.  In innovatie.  In preventie.  In kwaliteit.  De partij wordt opnieuw in de verdediging gedrukt.
 
Het lijkt mij dat de partij het gemakkelijker heeft als zij terugvalt op haar aloude mantra.  Die mantra kan kort samengevat worden in een afkeer voor de PS.  Die afkeer vertaalt zich in weinig onderbouwde waarschuwingen tegen een door de PS gedomineerde staat.  Want in die staat wordt het sociale profitariaat aangemoedigd en wordt het ondernemerschap gefnuikt.  De hardwerkende Vlaming dreigt hiervan het slachtoffer te worden.  Die slogan wordt eindeloos herhaald.  Bedoeld om een vijandbeeld te creëren.  Bedoeld om de Vlaamse kiezer rond dat vijandbeeld te verenigen.  Dat vijandbeeld verengt het debat.  Dat vijandbeeld stelt de keuze op scherp, voor of tegen.  Het scheppen van een externe vijand vraagt geen duidelijke programmapunten.  Het vijandbeeld is klaar en duidelijk, al de rest mag baden in een grote vaagheid.  De kracht van verandering, die slogan moet volstaan.
 
Hoe die verandering bewerkstelligen? Voor de realisatie van die verandering gaat N-VA kijken bij onze buur, Duitsland.  Dat land is voor de partij het gidsland.  Dat land is voor de partij het beloofde land.  Dat economische succesverhaal wil de partij in eigen land kopiëren.  Zij leest enkel dat succesverhaal, voor de vele minpunten blijft zij doof.  Die minpunten zijn er nochtans.  
 
De kans op armoede in Duitsland steeg in de voorbije vijf jaar (2005 – 2011) met bijna 3,5% naar 15,8%.  In diezelfde periode liep de kans op armoede in België met zijn door de PS gedomineerde regering terug van 11,3 naar 9,8%.  In diezelfde periode daalde in Duitsland wel de werkloosheidscijfers maar hierbij dient een kanttekening geplaatst te worden.  Vijf miljoen mensen werken in die zogenaamde mini-jobs.  Twee miljoen van hen heeft een inkomen onder de vijfhonderd euro.  Deze mini-jobs creëren een nieuwe klasse: de klasse van de working poor.  Het enige voordeel dat dergelijke jobs hebben, is een statistisch voordeel.  Die mensen verdwijnen uit de werkloosheidsstatistieken en dragen zo valselijk bij tot het Duitse succesverhaal.
 
Zal de N-VA dat succesverhaal blindelings kopiëren? Of zal zij oog hebben voor noodzakelijke, sociale bijsturingen? Ik vrees voor het ergste.  De partij pleit voor een beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen.  Na twee jaar werkloosheids- en één jaar activeringsuitkering valt de werkloze terug op de sociale bijstand.  Het brugpensioen wordt afgebouwd en de wachtuitkering wordt afgeschaft.  In haar programma bepleit de partij een indexsprong en stelt zij voor all-inloonakkoorden tweejaarlijks te onderhandelen op sectorieel niveau.
 
De kracht van verandering? Ik denk het niet.  De veranderende kracht zal de werknemer eerder verzwakken dan versterken.  De slogan blijkt een holle slogan te zijn.  Een slogan, die geenszins blindelings mag nagehold worden.  De partij heeft momenteel de wind in de zeilen.  Toch hoop ik dat de wind nog tijdig zal keren.  Dat de kiezer tijdig zijn ogen opent.  Want het door de N-VA beloofde toekomstbeeld wil ik geenszins delen.