woensdag 12 september 2018

Mijn reisverhaal Iran. Dag 2: Teheran - Ghom - Kashan.

Ik word wakker.  Met een zekere angst.  Met een zekere nervositeit.  Ik word wakker en ik realiseer mij dat ik in het land van de grote boeman sta.  In het land, dat door bijna iedereen wordt verguisd.  Ik sta in het land, dat door velen als oorlogsstoker wordt genoemd.  Als sponsor van het internationale terrorisme.  De As van het Kwade.  U weet wel.  Dat Kwade vereenzelvig ik met duivels.  Ik ben benieuwd wie ik zal ontmoeten aan de ontbijttafel.
 
Ik verwacht aan de receptie duiveltjes te zien.  Ik verwacht in het restaurant duiveltjes te zien.  Bokkenpoten.  Hoorntjes.  Staarten.  Drietanden.  Jawel, ik heb een rijke verbeelding.  Een verbeelding, die mij parten speelt.  Een eerste reality check stelt mij gerust.  Mijn verbeelding verschilt grondig van de realiteit.  Ik zie enkel lachende mensen.  Vriendelijke mensen.  Mensen, die hun uiterste best doen om het mij zo comfortabel mogelijk te maken.  Klant is koning.  In Iran blijkt het nog een gezegde te zijn met enige waarde.  Ik voel mij welkom.  Ik voel mij nu al verwend.  Ik eet mijn ontbijt en besef wat gesimplificeerde beeldvorming kan doen.  Wat gekleurde mindsetting kan doen.  Ik moet uitkijken.  Alert zijn.  In dit land zal ik mijn oogkleppen moeten afleggen.  Ik zal de filters, waarlangs het internationale nieuws tot mij komt, moeten omzeilen.  Om rechtstreeks te ontvangen.  Om rechtstreeks te oordelen.
 
We beginnen onze dag met geldzaken.  Het financiële moet eerst geregeld worden.  We reizen doorheen Iran.  Dan hebben we geld nodig.  Rials.  We zouden naar een pinautomaat kunnen stappen.  Om daar de nodige cash tot ons te nemen.  In elk ander land zouden wij het zo doen.  Niet in Iran.  Hier werkt het niet.  Pinnen behoort niet tot de mogelijkheden.  Een wisselkantoor had een andere mogelijkheid kunnen zijn.  Helaas, niet in Iran.  Door een te hoge inflatie wenst de regering een strikte controle te behouden over de aan te houden wisselkoers.  Wisselkantoren zijn om die redenen gesloten.  Dan maar naar het onofficiële circuit met zijn straatwisselaars.  Om twee redenen wordt ons dat afgeraden.  Het zou een minder veilige en duurdere optie zijn.  Bovendien houdt de politie een oogje in het zeil en grijpt in bij deze illegale praktijken.  De enige optie die ons rest is geld omwisselen bij onze reisbegeleider.  Hij kan toveren.  Hij wordt onze financiële fixer.  
 
Wij hebben de rials op zak.  Wij wanen ons miljonairs.  Maar dat is slechts schijn.  Zoals u weet, kan schijn bedriegen.  Een kleine valutagewijze omzetting werkt ontnuchterend.  Drie miljoen rial is niet meer dan zestig euro.  We zullen dus met grote getallen werken.  We zullen alert moeten zijn in het uitgeven.  Er zal moeten omgerekend worden.  In die omrekening zullen wij bovendien rekening moeten houden met nog een andere rekeneenheid.  Om alles nog wat complexer te maken wordt er niet enkel gerekend in rial.  Soms wordt gerekend in toman waarbij één toman staat voor tien rial.  Zoals ik al zei, we zullen alert moeten zijn.  Want alles loopt door elkaar.  Duidelijkheid bij aankoop zal voorop moeten staan.  Rial of toman? Het maakt een verschil.
 
De financiële ‘zorgen’ zijn van de baan.  Een andere zorg dient zich aan.  Het regent.  Dat hadden we niet verwacht.  Reeds lang vóór het afreizen volgden we het Iraanse weerbericht.  Enkel zon zou ons deel zijn.  Zo werd het ons gezegd.  Zo werd het voorspeld.  De eerste dag wijkt reeds af van die voorspelling.  Het confronteert ons met de ware betekenis van ‘voorspelling’.  Desondanks putten we troost uit die ene gedachte.  Er wordt ons gezegd dat het in het noorden van het land, tegen de grens met Azerbeidzjan, sneeuwt.  Dan is de keuze snel gemaakt.  Dan kiezen we voor de uitzonderlijke regen.  Want dat wordt ons ook verteld.  In deze periode regent het nooit.  Of toch bijna nooit.  Toeristen zullen jammeren over die regen.  Iraniërs juichen om die regen.  De één zijn dood is de ander zijn brood.  Regen? Voor de één een vloek.  Voor de ander een zegen.  Het is nooit anders geweest.
 
De regen zal ons niet tegenhouden.  Wij zijn op weg naar Ghom.  Een verplichte stop.  Hier kunnen we niet om heen.  Het belang van deze stad kan misschien afgemeten worden aan haar koosnaampje, Vaticaanstad van de Islamitische Republiek.  Dat kan tellen.  Die naam en faam heeft het stadje vooral te danken aan de aanwezigheid van een mausoleum.  In het heiligdom Hazrat-e Masumeh bevindt zich het graf van Fatima Masumeh.  Indien u zou denken dat Fatima zo maar een vrouwtje was, kan ik u vertellen dat u op een verkeerd denkspoor zit.  Fatima is niet zo maar een vrouwtje.  Voor gewone vrouwen worden geen heiligdommen gebouwd.  Verdere uitleg is dus op zijn plaats.  Fatima was de zus van Imam Reza, de achtste imam.  Behoorlijk indrukwekkend als visitekaartje.  In die mate indrukwekkend dat het de bouw van een heiligdom rechtvaardigt.
 
 
Terwijl de regen ons niet binnenhoudt, merken we toch enkele nadelen aan dat verfoeilijke regenweer.  Vooreerst dooft de regen de schittering van de gouden koepel.  Daardoor lijkt de koepel bijna alledaags.  De dofheid veegt de uitzonderlijkheid weg.  De commerciële bedrijvigheid, zonder dewelke een heiligdom niet kan bestaan, lijkt door de regen bijna weggeveegd.  In reisgidsen wordt onze aandacht gevraagd voor de kleurrijke winkeltjes aan het plein bij het mausoleum.  In die winkeltjes worden allerlei kitscherige heiligheden verkocht.  Die winkeltjes liggen er nu verlaten bij.  Nauwelijks geïnteresseerden.  Ook binnen het heiligdom lijkt de interesse wat weggedeemsterd.  Regen blijkt gelovigen binnen te houden.  Wij stappen een stil en rustig heiligdom binnen.
 
Dat binnenstappen is voor mannen heel wat makkelijker dan voor vrouwen.  Vrouwen en mannen moeten gescheiden binnen.  Waarbij de vrouwen vooraf een vestimentaire controle dienen te ondergaan.  Een hoofddoek is onvoldoende.  Een manteau of lange mantel is onvoldoende.  Over dat alles moet nog een chador.  Dat is een gewaad dat het volledige lichaam bedekt, met uitzondering van het gezicht.  Dat kan een tikkeltje overdreven lijken.  Toch wordt hierover niet onderhandeld.  De chador is verplicht.  Het transformeert de vrouwen naar waggelende eenden.  Sommige Iraniërs noemen de vrouwen in chador zwarte kraaien.  Dat zijn nog eerder eerbare vergelijkingen.  Guy de Maupassant formuleert het wat scherper.  Hij sprak over ‘de dood aan de wandel’.
 
   


 
Aan de ingang tot het heiligdom worden we verwelkomd door onze gids.  Hij is verbonden aan het heiligdom en zal ons vergezellen bij de rondgang.  Het lijkt alsof deze gids een missie heeft.  Wij komen uit Europa.  Dat weet hij.  Hij weet dat in de westerse landen de islam al te vaak wordt vereenzelvigd met terrorisme.  Daarom wil hij vooraf een duidelijk statement maken.  Hij veroordeelt het terrorisme.  In bedekte termen.  We moeten tussen de regels lezen.  Dat doe ik.  De terroristen verengen de islam.  Dat zegt hij.  De islam moet niet verdelen.  Wel verenigen.  Er is slechts één god.  Een goede god.  Er is slechts één wereld.  Eén mooie wereld.  Dat moeten we koesteren.  Niet vernietigen.  De islam heeft de kracht van public relations ontdekt.  Zo veel is zeker.  Deze woorden waren niet bedoeld als voorzet naar een debat.  Zijn woorden vragen geen wederwoord.  Wij zwijgen.  Wij beginnen aan onze rondleiding.
 
De gids heeft oog voor die ene neiging van de toerist.  Die neiging om overal foto’s van te nemen.  Die toerist wil alles fotograferen.  Om alles toch in goede banen te leiden, vraagt hij eerst onze aandacht.  Hij geeft eerst een woordje uitleg over wat we zien.  Dan biedt hij ons de gelegenheid tot het fotografisch moment.  Wij mogen alles fotograferen.  Of toch bijna alles.  Zo weigert een militaire muziekkapel op de foto te gaan.  Muzikanten mogen niet op de gevoelige plaat vastgelegd worden.  Blijkbaar maken zij deel uit van het militaire staatsgeheim.  Over die militaire muziekkapellen mag niks gelekt worden.  Mag niks naar buiten gaan.  Daarover wordt gewaakt.  Eén van de muzikanten treedt naar voor en maakt een afwijzend gebaar.  Camera’s worden opgeborgen.  Wij zijn volgzame zielen.  Geen rebellen.  Een andere moeilijke groep bij het fotograferen zijn de vrouwen.  Bij hen ligt het ook moeilijk.  Dat merken wij bij de vrouweningang tot de gebedszaal.  Een wat oudere vrouw wil die fotograferende toeristen weg bij de ingang.  Met een plumeau jaagt ze ons weg.  Alsof we vervelend vuilnis zijn.  Vuilnis, dat moet weggevaagd worden.  Haar autoriteit wordt evenwel ondermijnd.  Niet door ons.  Wij zouden niet durven.  Wel door jongere, Iraanse vrouwen.  Zij stappen naar ons toe.  De oudere vrouw wordt zachtjes verdrongen.  Naar de achterste rijen geduwd.  Die jongere vrouwen willen op de foto.  Poseren gewillig.  Gaan het gesprek aan met ons.  Het verschil tussen een moderne en conservatieve invulling van de islam kan niet beter geïllustreerd worden.  Wij zijn getuige van dat spanningsveld.
 

 
In Hazrat-e Masumeh horen we die ene naam voor de eerste keer.  Die ene naam, waarmee Iran verbonden is en blijft.  Die naam is alomtegenwoordig.  Dat zullen we nog merken tijdens deze reis.  Maar hier horen we die naam voor de eerste keer.  Ayatollah Khomeini.  Dat mag niet verbazen.  Khomeini zou hier gestudeerd hebben.  Hij was docent aan de universiteit van Ghom.  Aan die universiteit werd hij in 1949 ontslagen door de sjah na aanhoudende kritiek op diezelfde sjah.  Monddood werd hij niet gemaakt.  Want in 1964 houdt hij in deze stad een speech die tot zijn ballingschap zal leiden.  Khomeini wordt het land uitgezet en verbannen naar Turkije.  In Ghom vond de Iraanse Revolutie zijn oorsprong.  Ghom wordt beschouwd als de geboorteplaats van diezelfde revolutie.  In deze stad mag dan best wel even gepraat worden over de man.
 
Ons bezoek aan dit mausoleum had best wat langer kunnen duren.  We hadden wat meer onze tijd kunnen nemen.  Maar het regent.  Dan lopen we door.  We lopen van de ene schuilplek naar de andere.  Open ruimtes worden vermeden.  We voelen niet de drang ons doornat te laten regenen.  In naam van het geloof willen wij ons niet te nat maken.  Het moet niet te gek worden.  We stappen de bus op.  Rijden door naar de eindbestemming voor vandaag.  Kashan.
 
Drie koningen, drie koningen, geef mij een nieuwe hoed, mijn oude is versleten, mijn moeder mag het niet weten, mijn vader heeft het geld op de rooster geteld.  Dat liedje begin ik spontaan te zingen bij het binnenrijden van Kashan.  Niet luidop.  Mensen om mij heen zouden vreemd opkijken.  Ik doe het stilletjes.  Stilletjes zing ik dat liedje uit mijn kinderjaren.  Het kan u eigenaardig lijken.  Toch is het dat niet.  Het valt te verklaren.  Kashan zou de stad zijn van waaruit de Drie Wijzen naar Bethlehem vertrokken.  Zij volgden de ster naar het stalletje van Bethlehem om daar getuige te zijn van de geboorte van Jezus.  Over de historische waarde van dit verhaal kan gediscussieerd worden.  Wel mag het als een bewijs beschouwd worden van de naam en faam van deze stad op het moment dat dit verhaal neergeschreven werd.  Kashan moet toen voldoende aanzien gehad hebben om het als oorsprong van de drie wijzen aan te merken.
 
Restanten van Melchior, Caspar en Balthasar vinden wij niet terug.  Wij ondernemen ook geen poging.  Gebrek aan tijd.  Wij moeten ons focussen.  Focussen op die dingen, die wij in deze stad moeten zien.  Zoals de moskee Masjed-e Aqa Bozorg.  Deze moskee uit de negentiende eeuw wordt onze eerste halte in de stad.  Wij kunnen te voet.  De moskee ligt net bij ons hotel.
 
Deze moskee werd in de achttiende eeuw gebouwd ter ere van een theoloog én jurist.  In die tijden werden juristen nog geëerd.  Om hen te gedenken werden moskeeën gebouwd.  Dat is nu wel even anders.  Tussen advocaten en publiek heerst nu vaak een niet te overbruggen afstand.  Een spanningsveld.  In die dagen was het anders.  Het respect voor de man moet buitengewoon groot geweest zijn.  Hij werd Grote Heer genoemd.  Een indrukwekkend troetelnaampje, dat Aqa Bozorg betekent in de plaatselijke taal.  Een naam voor de moskee was dus snel gevonden. 
 

 
Het gedenkteken oogt sober.  Overdaad is afwezig.  Dat zou een bewuste keuze geweest zijn van de architect.  Hij wou de moskee laten opgaan in de omgeving.  De woestijn moest de moskee als het ware opslorpen.  De architect lijkt in zijn opzet geslaagd.  Die keuze lijkt te werken.  Toch stoort die nagestreefde soberheid niet.  Integendeel.  De moskee straalt een zekere elegantie uit.  Het bouwwerk weet te overtuigen.  Weet te charmeren.  Less kan inderdaad more zijn.
 
Aan de moskee is een madrassa verbonden.  De Koranschool werd geïntegreerd in het lagere gedeelte van de binnenplaats.  Studenten kijken uit op een tuin met waterbekken.  Ook een bewuste keuze? Ik zou het niet weten.  Wat ik wel weet, is dat studeren vraagt om de nodige verstrooiing.  Een student kan niet continu in de boeken weggestopt zitten.  Afleiding is nodig.  Dat geeft de tuin.  Het doet de gedachten even verzetten.  Het prikkelt de fantasie.  Die fantasie kan een mooie aanvulling zijn op de studie.  Theorie moet gemilderd worden met wonderlijke fantasie.
 
Fantasie? Dat lijkt mij nochtans niet meteen verenigbaar met madrassa’s.  In de westerse wereld worden deze scholen eerder gekoppeld aan terrorisme.  Die toonzetting lijkt standaard.  Enige nuance in deze beeldvorming kan aangewezen zijn.  The New York Times publiceerde in 2007 dat veel Koranscholen in Pakistan wel fundamentalisme verspreiden maar geen terroristische vaardigheden onderwijzen.  In 2010 concludeerden de Nederlandse ministers voor Buitenlandse Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking dat een kleine vier procent van de schoolgaande jeugd in Pakistan onderwezen wordt in madrassa’s.  In Afghanistan nemen dergelijke scholen duidelijk toe.  Zij geven uitsluitend Koranonderwijs en trekken leerlingen van de staatsscholen weg.  Activisten voor de vrouwenrechten vrezen dat deze ontwikkeling kan leiden tot een toenemende inperking van de vrouwenrechten.  
 


  
 
Al die gedachten spelen door mijn hoofd.  Ik wil die ventileren.  Ik zoek wederwoord.  Daarom stap ik naar onze lokale gids.  Ik doe hem mijn verhaal.  Ik vertel over die kritische geluiden in de westerse wereld.  In westerse verslaggeving worden die scholen al te vaak weggezet als plekken van indoctrinatie.  Als een opstap naar terrorisme.  Mijn opmerkingen dat in het Westen vaak wordt verwezen naar die strikt fundamentalistische invulling wordt beantwoord met fronsende wenkbrauwen.  Hij lijkt mij niet te begrijpen.  Daarom herhaal ik nog even mijn vraag.  In andere woorden.  Nu knippert hij met de ogen.  Een madrassa is gewoon een school.  Niets meer.  Niets minder.  Dat zegt hij.  Andere dingen hoeven er niet achter gezocht te worden.  Ik heb het begrepen.  Ik zwijg.  Eén ding heb ik geleerd.  Ik moet het pad van de diplomatie bewandelen.  Ik moet mogelijke, kritische bemerkingen inpakken.  Zodanig verpakken dat de stekels verborgen blijven.  Zodanig verpakken dat mogelijke kritiek toch een uitnodiging tot gesprek kan zijn.  Nochtans school in mijn vraag geen beschuldiging.  Eerder een drang naar verduidelijking.  Naar opheldering.  In mijn vraag school de wil tot begrip.  Ik zal duidelijker moeten zijn.
 
Het geloof? Het kan een splijtzwam zijn.  Winkelen niet.  Dat verenigt.  Brengt mensen bij elkaar.  Iedereen doet het.  Iedereen kan het.  We gaan naar de bazaar van Kashan.  Eén ding hebben we evenwel over het hoofd gezien.  We zijn te vroeg.  De Iraanse siësta is nog aan de gang.  Dan is er platte rust.  Voor iedereen.  Of toch bijna iedereen.  Het leven valt stil.  Dat merken we in de bazaar.  We zijn alleen.  Het mag ons niet verbazen.  Alle winkels zijn gesloten.  Die aparte en drukke sfeer, eigen aan bazaars, is volledig afwezig.  We moeten nog even wachten.
 
Die wachttijd brengen we door in de karavanserai Khan-e Amin al Dowleh Timche, gelegen in de bazaar.  We kijken naar een prachtig bewerkt koepelplafond.  Dat omhoog kijken doet ons dorst krijgen.  Die kunnen we lessen aan het gezellige theehuisje in de karavanserai.  Het theehuisje is onooglijk klein.  Maar wat een service.  Wat een heerlijkheden.  Dit huisje staat voor vijf sterren.  Voor meer dan vijf sterren.  Soms bepaalt de menukaart niet het aantal sterren.  Soms zijn het de ogen die het aantal bepalen.  Zoals nu wel degelijk het geval is.
 
 

 
Intussen zijn de Iraniërs ontwaakt.  Het leven herneemt zich.  We staan op.  Hervatten onze ontdekkingsreis.  Springen even binnen in de aanpalende karavanserai.  Wij worden uitgenodigd om naar de eerste verdieping te gaan.  Een winkelier gebaart ons zijn winkel binnen te stappen en de trap te nemen.  Hij zegt ons dat we op die manier dichter bij het plafond kunnen komen.  Om zo de details beter te kunnen onderscheiden.  Wij aanvaarden de uitnodiging.  Gaan omhoog.  Boven kunnen we slechts één ding.  De mening van de winkelier moeten we beamen.  Hier hebben we een prachtig uitzicht.  Ons zomaar aangeboden.  Gratis en voor niks.  
 
We keren terug naar het hotel.  Vol van nieuwe indrukken.  Die willen wij bij een rustige avond laten inwerken.  Laten verwerken.  Bij de receptie neem ik nog vlug even een fotoboek ter hand.  Een fotoboek over Iran.  Ik blader snel even door naar Kashan.  Ik bots op foto’s van het badhuis Hammam-e Soltan Mir Ahmad.  Onze geplande rustpauze wordt geannuleerd.  We gaan opnieuw naar buiten.  De ontdekkingsreis gaat voort.
 
We betalen bij het badhuis drie euro voor een ticket.  Slechts drie euro.  Een te verwaarlozen bedrag als wij weten dat dit badhuis wordt beschouwd als één van de mooiste Safavidische badhuizen.  Het werd gebouwd in de zestiende eeuw.  In de achttiende eeuw werd het na een aardbeving gerenoveerd.  Vierhonderd jaar lang was dit badhuis in gebruik.  Nu niet meer.  Jammer.  Toch kunnen we nog binnen.  Als bezoeker van het museum.  Want dat is het badhuis nu.  Nu hebben we enkel nog de herinnering aan de eigenlijke functie.
 


 

We gaan het badhuis binnen en komen al snel tot het besluit dat dit een pareltje is.  Niet enkel het eigenlijke badhuis met zijn aardewerktegels en muurschilderingen.  De pracht strekt zich uit tot buiten.  Tot de omgeving.  Dat merken we als we het dak opstappen.  Het dak biedt een prachtige uitkijk op de omgeving.  Op de nabijgelegen huizen.  Op de windtorens.  Met de vallende avond heerst er op dat dak een heerlijk sfeertje.  Hier snuif ik de geur op van duizend en één nacht.  Plots begrijp ik Kader Abdolah.  Ik kijk en begrijp zijn verhalen.  Het is alsof de auteur mij een bemoedigend klopje op de schouder geeft.  Ik kijk uit over de omgeving.  Hier, op dit dak, besef ik dat het een fantastische reis zal worden.  Met die heerlijke geruststelling kan ik gaan slapen.
 


Mijn reisverhaal Iran.  Dag 3: Kashan – Abyaneh.  Te lezen op dinsdag 18/09/2018.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten