dinsdag 29 november 2016

Mijn reisverhaal Japan. Dag 1: Brussel - Londen - Tokyo.

Ring, ring.  Neen, zingen zal ik niet doen.  Daarvoor is het veel te vroeg.  Mijn stembanden schuren al te zeer.  Tot zingen ben ik niet in staat.  De hit van Ferre Grignard zal ik niet doen weerklinken.  Ik zal zwijgen.  Wat ik dan wel doe op dat vroege uur, is opstaan.  Dat kan ik wel.  Dat moet ik ook.  Daarom had ik mijn wekker gezet.  Ik vertrok op reis.
 
We gaan met de taxi.  Luchthavenvervoer, zoals het heet.  Wij hadden met de trein kunnen gaan.  Dat was een optie.  Het zou beter zijn voor onze ecologische voetafdruk.  Maar dan moesten wij eerst nog naar het station.  Dan zouden wij met koffers moeten sleuren en trekken.  Een heel gedoe.  Dat wilden we niet.  Voor ons was het vakantie.  Wij vertrokken op reis.  Dan mag het best gemakkelijk zijn.  Gemak is dan geen luxe.  Bijna is het een vereiste.  Met de taxi dus.  Die pikt ons op aan de voordeur.  Gemakkelijker kan bijna niet.  Enkel de files dienen wij te vermijden.  Maar het is vroeg.  Veel te vroeg voor de werkende mens.  
 
Achter ons ontrolt de dag zich.  Achter ons stapt de werkmens in zijn of haar wagen.  Om zich dan vast te rijden op de autosnelweg.  Zo is het altijd geweest.  Files zijn een zekerheid geworden.  Niet langer zijn zij een uitzondering.  Maar wij doen niet mee.  Voor ons geen stress.  Wij rijden.  Vóór de files uit.  Terwijl wij rijden, heb ik die ene gedachte.  Ik prijs mij gelukkig dat ik dichtbij het werk woon.  Dat ik elke dag met de fiets naar en van het werk kan.  Dat het fileleed mij bespaard blijft.  Maar terwijl ik dat alles denk, gaat een knipperlichtje branden.  Ik denk aan het werk.  Dat hoort niet.  Ik tracht mijn hoofd leeg te maken.  Dat ene extraatje in onze taxi kan dan een handje helpen.  Mijn passagiersstoel heeft de mogelijkheid tot massage.  Ik duw het knopje in.  Alle gedachten aan het werk worden fijntjes weg gekneed.  Het lukt.  Zachtjes aan.  Ik sluit de ogen.  Droom weg.  Mooi, mooi, ’t leven is mooi.  Niet enkel Will Tura mag dit ervaren.  Ik doe het ook.  In de taxi.  Op weg naar de luchthaven.
 
We komen aan op Zaventem.  Onze nationale luchthaven.  Het is onze eerste keer na tweeëntwintig maart.  Het voelt raar.  Anders.  Alsof wij heimelijk binnensluipen.  Alsof we niet mogen gezien worden.  Wij rijden langs slagbomen.  Langs veiligheidsagenten.  We komen aan waar we moeten zijn.  Dat is niet meer het charmante kiss & ride.  Dat is verdwenen.  Bestaat niet meer.  Op een kille parking worden we gedumpt.  Zo voelt het.  Kilte treedt in de plaats van charme.
 
De luchthaven zomaar binnenstappen lukt ook al niet meer.  We moeten doorheen tenten.  Langs hekkens.  En overal alweer die veiligheidsagenten.  Weg is die onbegrensde vrijheid.  Onze bewegingsvrijheid wordt ingeperkt.  Geslachtofferd.  Ik herken onze luchthaven niet meer.  Niet langer is het een open plaats.  Een plaats van dromen.  Onze luchthaven is een vesting geworden.  Dat constant belaagd wordt door een ongekende, ongrijpbare vijand.  Zo is het.  Zo voelt het.  Patrouillerende soldaten in battledress versterken nog die indruk.  Wij lijken wel in oorlog.  Dat is wat ik denk.  Een verfoeilijke gedachte.  Nochtans, dat is wat radde, vuile tongen ons willen doen geloven.  Zij menen met die harde oorlogsretoriek de angst te temperen.  Omdat uit hun taal kordaatheid moet blijken.  Maar de angst wordt niet getemperd.  Zij wordt gevoed.  Ooit zong Luc De Vos dat de middenstand het land regeert.  Maar dat is niet zo.  Al lang niet meer.  Sinds tweeëntwintig maart regeert angst ons leuke landje.
 
Wij overleven al die extra veiligheidsmaatregelen.  Wij slaan ons er door heen.  Met de nodige zin voor relativering.  Met een broodnodig gevoel voor humor.  Een humor, die niet gedeeld wordt door die gewapende bewakers van onze veiligheid.  Zij kijken streng.  Kijken dwars door ons heen.  Geen tijd voor enig menselijk contact.  Enkel die routinevragen rammelen ze af.  Keer op keer.  Geen enkele uitzondering.  De norse blik overheerst.  Ik heb het moeilijk met mensen, die niet kunnen lachen.  Met mensen, die laten uitschijnen dat lachen pijn kan doen en het daarom dan ook niet doen.  Waarom heb ik nog nooit iemand van de security kunnen betrappen op een glimlach? Al was het maar het begin van een glimlach.  Ik heb ze nog niet gezien.  Ik heb het nog niet mogen ervaren.  Het zou nochtans mooi zijn.  Iemand van de security, die mij een goede reis wenst.  Met daarbij een welgemeend lachje.  Neen, nooit is het gebeurd.  Ik doe nochtans mijn best.  Werk goed mee.  Doe alles wat men mij vraagt.  Zonder morren doe ik mijn schoenen uit.  Als het mij gevraagd wordt.  Ik ontdoe mij van mijn vest.  Van mijn broeksriem.  Van mijn huissleutels.  Van mijn portefeuille.  Ik doe niet moeilijk.  Maar desondanks ontmoet ik geen lach.  Dat is spijtig.  Jammer.  Maar ik blijf hopen.  Dat het ooit wel eens zal gebeuren.  Dat één iemand van de security spontaan begint te lachen.  Mij op de schouders klopt.  Mij bedankt voor de medewerking.  Mij een goede reis wenst.  Ooit zal het eens gebeuren.  Daarop blijf ik hopen.
 
Wij stellen vast.  Ons ergeren doen wij niet.  Doen wij nooit.  Verloren energie en daarom te vermijden.  Wij stappen het vliegtuig op.  Wij installeren ons in het ons toegewezen stoeltje.  Ik zoek rust.  Neem mijn reislectuur.  Tracht te lezen.  Het lukt niet.  Ik word al te zeer afgeleid.  Ik hoor een medepassagier praten met zijn vrouwelijke collega.  Hij zit op de rij naast mij.  Zij zit op de rij voor mij.  Elk weldenkend mens zou oprecht van oordeel zijn het gesprek tot een minimum te beperken.  Omdat het de anderen zou kunnen storen.  Snel één vraagje, dat moet kunnen.  Het wordt meer dan één vraagje.  Het gesprek begint in Zaventem en eindigt bij de zachte landing in Londen.  Non-stop praat hij.  Indien hij in dat gesprek een oplossing had gevonden voor het Syrische conflict, ik zou hem omarmen.  Maar dat doet hij niet.  Helaas.  Gespreksonderwerp is een salesmeeting.  Ergens in Londen.  Hij heeft het over ‘targets’.  Over ‘assessments’.  Hij praat over van alles en toch weer over niks.  Hij wauwelt.  Uren praten en niks vertellen, dat is het alleenrecht van managers allerhande.  Sommigen hebben evenwel veel woorden nodig om zichzelf enig bestaansrecht te geven.  Om tegenover anderen de indruk te wekken dat zij wel degelijk iemand zijn.  Ik luister mee.  Ik erger mij niet.  Zoals ik al zei, dat mag niet.  Ik ben niet kritisch.  Ik registreer enkel.  Ik kijk om mij heen en ik neem waar.  Ik lach.  Omwille van het hoge entertainmentgehalte.  Want dat is wat ik hoor.  Geen ernst.  Wel puur entertainment.
 
Reizen.  Altijd weer heerlijk.

Mijn reisverhaal Japan.  Dag 2: Londen – Tokyo – Fukuoka.  Te lezen op donderdag 01/12/2016.


 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen