maandag 16 februari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 17: Copacabana - Cuzco.

Vandaag staat de langste busrit op het programma.  Bij aankomst in Cuzco zullen wij merken dat wij net geen twaalf uur op de bus zaten.
 
Vandaag verlaten wij Bolivia.  Wij moeten opnieuw de grens over.  Van Bolivia naar Peru.  Alweer bemerken wij dat datzelfde enthousiasme van bij de vorige grensovergang.  Een totaal gebrek aan enig enthousiasme, dat is wat ik opmerk.  Beroepsfierheid lijkt ver weg.  Terwijl ik sta aan te schuiven en te wachten op mijn beurt besef ik dat ik ook wel eens een mindere dag kan hebben.  Dat kan gebeuren.  Maar het op een dergelijke manier tentoonspreiden, dat heb ik in alle eerlijkheid nog nooit gedaan.  Dat tracht ik te onderdrukken.  Of neen, dat onderdruk ik.  Maar deze Boliviaanse ambtenaren nemen niet de minste moeite hun desinteresse te verbergen.  De gelatenheid van die ambtenaren tast de hele omgeving aan.  Binnen die gebouwen ervaar ik een doodsheid.  Een akelige stilte.  Humor wordt hier niet getolereerd.  Spreken mag hier niet.  Of nauwelijks.  Lachen of praten zou de grauwheid kunnen verdrijven.  Dat lijken die ambtenaren niet te willen.  Dat lezen wij toch af van de norse houding.  Maar kunnen wij het hen kwalijk nemen? Die vraag stel ik mij.  Een nog grotere eentonigheid kan ik mij nauwelijks voorstellen.  Paspoorten inzien en afstempelen, meer is het niet.  Maar dan zou ik plezier van de job toch zoeken in het contact met de mensen.  Dat gebeurt evenwel niet.  Die denkoefening hebben de Boliviaanse douanebeambten nog niet gemaakt.

 
Wat is er toch aan de hand met Peru? Peru lijkt wel het land met de twee gezichten.  De ene keer tovert het prachtige landschappen uit haar hoed, de andere keer schotelt het ons de meest grauwe beelden voor.  Dat heen en weer geslingerd worden tussen uitersten van schoonheid en lelijkheid ondervind ik vandaag opnieuw aan den lijve.  Juliaca lijkt wel het dieptepunt te worden.  Het dieptepunt van lelijkheid.  Nochtans is Juliaca de hoofdstad van de provincie San Román.  Maar uit niks spreekt de sterrenstatus van provinciehoofdstad.  De wegen zijn nauwelijks te berijden.  Diepe putten in het wegdek.  Het heeft net geregend en die putten in de weg zijn verworden tot diepe en grote waterplassen.  Juliaca lijkt te verzuipen.  Lijkt weg te zinken in die enorme waterplassen.  Maar niet enkel zinkt Juliaca weg in het water.  De stad zinkt ook weg in het vuilnis.  Overal zien wij vuil.  Niet een beetje.  Wel veel.  Enorm veel.  Opeengehoopt.  Niet verborgen.  Niet weggestoken.  Open en bloot.  Alsof het vanzelfsprekend lijkt.
 
Nog maar net zijn wij Juliaca uitgereden of ik word opnieuw geconfronteerd met de buitengewone pracht van dit land.  Opnieuw moet ik mijn mening herzien.  Dat constante proces van heroverwegen bepaalt misschien de charme van het land.  Het land kan niet samengevat worden in één enkel woord.  Bovendien bemoeilijkt dat constante proces het vormen van een oordeel over Peru.  Die twee gezichten bemoeilijken een eenduidig standpunt.  De ene keer zal de schoonheid het oordeel beïnvloeden en bepalen.  De andere keer zal de lelijkheid de overhand nemen.  De balans beweegt continu.  Staat nooit stil.  Nooit is er een evenwicht.  
 
Onderweg zie ik alweer herinneringen aan de voorbije verkiezingen.  Op muren zie ik talrijke logo’s van politieke partijen.  Logo’s moeten simpel zijn.  Bij het uitdenken van die logo’s komen geen marketingbureaus kijken.  Dat is niet nodig.  Eenvoud in ontwerp moet gezocht en gevonden worden.  Dat is geen karwei voor een dergelijk bureau.  Zij zoeken hun heil in complexiteit.  Complexiteit, die de hoogte van de factuur voor geleverde werken kan verklaren.  Partijen gaan zelf op zoek naar die eenvoud.  Dat blijkt te lukken.  Zo wordt een bepaalde partij vereenzelvigd met een sinaasappel.  Zou dat betekenen dat deze partijen de kiezers willen uitpersen? Of zou die sinaasappel symbool staan voor de zoete zachtheid van het partijprogramma? Een andere partij kiest voor een pikhouweel.  Alsof zij lijken te suggereren dat zij zwaar zullen inhakken in het budget voor sociale maatregelen.  Of zou het eerder bedoeld zijn om duidelijk te maken dat zij zich zullen losmaken en loshakken van de machtige lobby’s? Logo’s blijken dan toch niet eenduidig te zijn.  Veeleer zijn die logo’s multi-interpretabel.  Wij kunnen lachen met deze ‘vreemde’ logo’s.  Maar de uiteindelijke bedoeling is om analfabeten, die toch een belangrijk deel uitmaken van het kiezerspubliek, naar de partij te lokken.  Andere partijen schatten hun kiespubliek hoger in en menen te volstaan met één enkele letter.  Die partijen hebben een hogere dunk van de eigen bevolking of onderschatten het probleem van analfabetisme zwaar.

 
Maar behalve die logo’s lees ik ook vele verkiezingsbeloftes op muren en gevels.  Geen corruptie.  Honderd procent tewerkstelling.  Directe democratie.  Zou het kunnen? Zouden die beloftes te realiseren zijn? Of zou het toch eerder bedoeld zijn om de kiezer te verleiden? Zou het enkel een verkiezingspraatje zijn en alleen daarom al niet als ernstig beschouwd te hoeven worden? Zouden de kandidaten ook hier de hemel op aarde beloven om na de verkiezingen hard geconfronteerd te worden met de realiteit? Verkiezingen en het eigenlijke politieke bedrijf lijken ook in dit land mijlenver van elkaar te liggen.  Een te grote spreidstand.
 
Alcalde.  Verschillende kandidaten dingen naar de functie van alcalde bij de vorige verkiezingen.  Ook dat kan ik aflezen van muren.  Jawel, muren lijken in Peru een ware bron van informatie.  Bij die titel denk ik niet aan een burgemeester.  Want dat is wat alcalde eigenlijk betekent.  Daaraan denk ik helemaal niet.  Voor mijn ogen zie ik die corrupte bevelhebber.  Die duivelse tegenstander van Zorro.  Niet enkel dat programma komt ter sprake in Peru.  Ook Manco Cápac, de eerste Inca, roept herinneringen op aan de televisie.  Televisie uit de beginjaren van de BRT.  Mij is het onbekend maar andere reisgenoten vertellen enthousiast.  Aan het jongere publiek, waartoe ik ook mezelf reken, geven zij verhaal en uitleg.  In die jeugdreeks schitterden acteurs als Jan Matterne, Jef Demedts en Senne Rouffaer.  Televisie is niet dat verfoeilijke ding.  Televisie hoeft niet gebannen te worden.  Televisie schenkt herinneringen.  Niet enkel aan programma’s.  Ook aan een voorbije tijd.  Dat is heerlijk, toch?

 
Logo’s en beloftes zijn leuk.  Toch kunnen zij ons geen twaalf uur lang boeien.  Twaalf uur op de bus, dat is een lange tijd.  Een behoorlijk lange tijd.  In die mate zelfs dat wij na verloop van tijd echt wel beseffen dat wij op een bus zitten.  Verveling kan dan toeslaan.  Verveling kan toeslaan op het moment dat wij menen alles uitgeprobeerd te hebben om toch maar de tijd te verdrijven.  Als dat moment komt, moeten wij zoeken naar alternatieven.  Om die verveling toch van ons af te houden.  Ik was bij een jeugdbeweging.  Zes jaar lang.  Ik ken alternatieve middeltjes.  Enkele van die middeltjes proberen wij uit op de bus.  Een spontane ingeving.  Niet in opdracht.  Wij beginnen met hints.  Het uitbeelden van film-, roman- of songtitels.  Van gezegden en spreekwoorden.  Het helpt.  Iedereen of toch bijna iedereen doet mee.  Minuten tikken weg.  De ambiance neemt toe.  In die mate zelfs dat wij stoppen met hints en overschakelen op een zangstonde.  Alweer grijpen wij naar de Vlaamse schlagers.  Zoals op de zoutvlakte van Uyuni.  Alweer lukt het.
 
Het is donker als wij aankomen in Cuzco.  Verkenning van de stad? Dat zal voor morgen zijn.  Nu duiken wij het bed in.  Wij zijn moe.  Moe van een te lange busrit.
 
Volgende aflevering (dag 18) op maandag 23/02.

vrijdag 13 februari 2015

Mooie liedjes: Father John Misty.

Vorige week horde ik een eerste maal van deze man.  Nochtans is hij geen debutant.  Hij draait al een tijdje mee in het rockcircuit.  Onder zijn eigen naam Joshua Tillman bracht hij in het eerste decennium van 2000 enkele platen uit.  In die begindagen vond hij steun bij singer-songwriter Damien Jurado.  Hij was zijn compagnon de route.  Potten breken doet Joshua Tillman niet echt.  Dat komt pas later.  Als hij de succesvolle band Fleet Foxes vervoegt.  Hij wordt drummer van de band.  Over zijn rol binnen de band is hij zeer bescheiden.  Grootheidswaanzin is hem vreemd.
 
Joshua Tillman neemt afscheid van Fleet Foxes.  In 2012 speelt hij zijn laatste concert met de band.  De drummer gaat solo.  Korte tijd later brengt hij onder de artiestennaam Father John Misty zijn debuutplaat Fear Fun uit.  Deze week ligt de opvolger bij de platenboer.  Op negen februari kwam I Love You, Honeybear uit.  Dat was het moment waarop ik de eerste maal van deze man hoorde.  In De Standaard las ik een recensie van dat laatste album.  Lovende woorden.  In de nieuwsbrief van Enola kreeg ik een interview met de man doorgestuurd.  De Standaard en Enola maakten mij nieuwsgierig.  Father John Misty moest ontdekt worden.  Dat heb ik intussen gedaan.  Die ontdekking wil ik u niet onthouden.  Vandaar dit kort stukje.

Filmpjes:
Father John Misty – Bored in the USA (in The David Letterman Show).
Father John Misty – Full performance, live on KEXP.

 

Tot slot wil ik u voor dit weekend een aantal televisionele, muzikale tips meegeven:
·         Nick Cave – 20.000 Days on Earth: vrijdag 13 februari om 23.17 uur, NPO2.
·         Who the fuck is Jett Rebel: zaterdag 14 februari om 23.35 uur, AchtTV.
·         Kraftwerk – Pop Art: zondag 15 februari om 21.35 uur, Canvas.

woensdag 11 februari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 16: La Paz - Copacabana.

Onze laatste dag in Bolivia.  De Bolivianen laten ons daarom nog maar eens weten dat met Evo alles goed gaat.  Met Evo lukt alles.  Althans, dat is wat de slogans op vele muren langs de baan ons willen meegeven.  Con Evo vamos bien, zo staat het witgekalkt op de muren.  Misschien is het niet bedoeld om ons te overtuigen maar om zichzelf te overtuigen.  Om bij het lezen van die slogan de twijfel uit te vlakken.  Een dagelijkse lezing van die slagzin moet het geloof van de bewoners in een nieuwere en betere toekomst bevestigen.  Dat lijkt de bedoeling.
 
Eén ding is zeker.  Evo Morales wist voldoende mensen te overtuigen om herkozen te worden.  Maar heeft hij mij weten te overtuigen.  Ik aarzel.  Ik twijfel.  Hoewel ik graag zou willen, kan ik niet volmondig ja antwoorden.  Die personencultus rond zijn persoontje maakt mij bang.  Een president met de allure van een popidool kan niet gezond zijn.  Ik kijk om mij heen.  Ik kijk rondom mij.  Onze Evo Morales heeft nog heel wat werk voor de boeg.  Dat merk ik als ik door de steden en dorpen rij.  Als ik zie in wat voor armoedige toestand de inrichting van steden en dorpen verkeert.  Maar er is meer.  Ik stel mij vragen bij de inkomensongelijkheid.  Neemt deze toe of gaat deze toch in dalende lijn? Is er een groeiende middenklasse of is er toch nog altijd een wijd gapende kloof tussen de top- en onderlaag van de bevolking? Ik durf die vragen niet te beantwoorden.  Ik kan niet antwoorden.  Een vermoeden is onvoldoende antwoord.  Daarom zwijg ik.  Ik ga deze discussie even uit de weg en focus mij op het landschap.
 
 
Want wij zijn alweer op weg.  Wij verlaten La Paz en zetten koers naar Copacabana.  Een busrit van net geen vijf uur.  Dat durven wij al een kortere rit te noemen.  Vandaag moeten wij het Titicacameer over.  De straat van Tiquina, dat is waar wij overgezet zullen worden.  In Tiquina moeten wij de bus uit.  Wij stappen in een klein bootje.  Onze bus gaat op een grotere.  
 
 
Tiquina ligt aan een marinebasis.  Alles wat met defensie te maken heeft, blijkt nogal gevoelig te liggen in Bolivia.  Geen enkele foto mag genomen worden.  Niet van de basis.  Niet van de soldaten.  De camera moet in onze zak blijven.  Fotograferen wordt als een misdaad beschouwd.  Toeristen worden als mogelijke spionnen gezien.  Spionnen, die grote staatsgeheimen het land uitsmokkelen.  Een foto van een soldaatje beschouwen als staatsgeheim? Ik snap het niet.  Maar toch luister ik gedwee naar de goede raad.  Goede raad mag men nooit weglachen.  Die moet men ter harte nemen.  Dat doe ik dus.
 
Een marinebasis aan het Titicacameer.  Dat kan gek lijken maar dat is het niet.  Toch niet in de ogen van de hogere legerkringen.  Generaals en admiralen beschouwen dit als een logische en strategische keuze.  Doorheen het meer loopt de grens met Peru.  Grenzen moeten verdedigd worden.  Dat is zo.  Dat kan niet betwist worden.  Watergrenzen kunnen enkel verdedigd worden door de marine.  Aan die grenzen moeten schepen patrouilleren.  Daarom dus een marinebasis in Tiquina.  Om mij heen zie ik geen fregatten.  Zeker geen vliegdekschepen.  Enkel één kanonneerbootje zie ik dobberen op het meer.  Dat lijkt mij een beetje weinig om een invasie tegen te houden.  Maar het geloof in de eigen slagkracht doet wonderen.  Het geloof in de eigen strijdvaardigheid verzet bergen.  Dan is één kanonneerbootje dan toch misschien genoeg.
 
Peru en Bolivia.  Beschouwen zij elkaar als vijanden? Leven zij op voet van oorlog? Dat lijkt nogal mee te vallen.  Geen gespannen relatie.  Wel zijn er die grappen.  Flauwe woordgrapjes.  Van de Bolivianen over de Peruanen.  Van de Peruanen over de Bolivianen.  Zo beweren de Peruanen dat Titi in Peru ligt terwijl caca zich in Bolivia situeert.  Dat is het niveau van de grappen.  U ziet, echt hoogstaand kunnen wij het niveau niet noemen.  Die flauwe moppen doen mij een beetje denken aan die grappen en grollen, die over en weer gemaakt worden tussen Nederlanders en Belgen.  Een eerder geforceerde animositeit, in het leven gehouden door grappenmakers.  Geen animositeit, die het bestaan van een marinebasis rechtvaardigt.
 
Wij arriveren in Copacabana.  Rust.  Rust.  Rust.  Dat is wat ik onmiddellijk ervaar.  Dit badplaatsje is een heuse tegenstelling met het hectische La Paz.  In niks doet dit plaatsje denken aan dat wereldberoemde strand in Rio de Janeiro.  Jawel, er is een strandleven.  Maar dan kleiner.  Veel kleiner.  Kleiner en bescheidener.  
 
Ondanks die bescheidenheid herbergt deze stad wel het grootste pelgrimsoord van Zuid-Amerika.  Een beetje te vergelijken met de status van Guadalupe in Mexico.  De Virgen de la Candelaria, ook wel Virgen Morena genoemd, is niet zomaar een heilige.  Zij is meer.  Veel meer.  Deze maagd is de patrones van Bolivia.  Die titel verklaart al een beetje meer het belang van deze heilige.
 
Aan de Basílica de Nuestra Señora de Copacabana, het thuisadres van de Heilige Maagd, worden bijna dagelijks autowijdingen gehouden.  Bij die autowijdingen moeten wij het beeld dat wij hebben van onze eigen wijdingen wissen.  Deze Boliviaanse wijdingen vallen in niks hiermee te vergelijken.  Dit is totaal anders.  Hier worden alle onderdelen uitvoerig besprenkeld met heilig water.  Eerst gaat het net zoals bij ons.  De eigenlijke wagen wordt gezegend.  Over de carrosserie worden rijkelijk de nodige waterdruppels uitgestort.  Dat beeld kennen wij.  Maar dan schakelt de priester in een hogere versnelling.  De deuren gaan open en binnenin wordt alles rijkelijk bespat en bewaterd.  Het stuur, de zetels, de veiligheidsgordels, de pook,   Geen enkel detail mist de priester.  Zelfs de motorkap wordt geopend en de motor krijgt de nodige aandacht.  De nodige hoeveelheid water.  Wij hebben dat schouwspel gezien.  Hilarisch.  Grappig.  Bijzonder moeilijk om dit ernstig te nemen.  Maar lachen doen wij niet.  Het zou ons kwalijk genomen worden.
 
 
Voor de autowijding kan de geïnteresseerde kiezen tussen een priester of sjamaan.  Een keuze tussen een christelijke inwijding of een Andesinwijding.  De ceremonie is dezelfde.  Met dat ene toch wel belangrijke verschil.  De sjamaan gebruikt geen water.  Hij verwacht de heiligheid van alcohol.  Alcohol vervangt het heilige water.  Heilige alcohol, daar had ik nog nooit bij stilgestaan.  Wij ervaren het als een rariteit maar voor de Bolivianen is dit de gewoonste zaak.  Bier schenkt aan de chauffeurs veiligheid in het verkeer.  Bier en wijden, het gaat samen.  Maar of bier en rijden samen gaan, daarover wordt hier niet nagedacht.  Dat blijkt toch.  Na de autowijding snel nog enkele foto’s met de priester of sjamaan.  Dan snel nog een biertje of champagne.  Dan weer de wagen in.  De gewijde wagen.  Tegen 150 km/u naar huis racen kan dan niet meer bestempeld worden als waaghalzerij.  De veiligheid hebben de chauffeurs net afgekocht.  Dan kan hen toch niks meer gebeuren.  Of toch? Geloof in de heilige krachten vervangt de nood aan een BOB-campagne.
 

 
Als mogelijke uitstappen kunnen wij kiezen tussen Isla del Sol en El Calvario.  Binnen enkele dagen beginnen wij aan de tweedaagse Incatrail.  Dan moet toch nog even onze conditie gecheckt worden.  Wij kiezen daarom voor de beklimming van El Calvario.  Het is slechts een heuveltje.  Geen echte berg.  Maar via deze bescheiden inspanning willen wij toch even nagaan wat het effect is van de grote hoogte op onze prestatie.  Die effecten zijn best voelbaar.  Het hart bonkt zwaar.  De ademhaling gaat hard.  Althans, dat doet het toch bij een wat oudere mens.  Bij de jeugd heeft die hoogte nauwelijks enig effect.  Zij stormen de heuvel op.  Wij doen het kalmpjes.  Geen stormloop.  Geen rush.  Geregeld gaan wij aan de kant.  Om te genieten van het wonderlijke uitzicht.  Maar bovenal om uit te puffen.  Om rond te kijken.
 
Voor ons blijft de beklimming bovenal een oefening.  Maar voor de meeste mensen is dit een oefening in devotie.  In toewijding.  Op weg naar de top bevinden zich de veertien staties van de christelijke kruisweg.  Wij merken die staties wel op maar houden nauwelijks halt.  Vele gelovigen evenwel dragen een paar stenen mee.  Die stenen moeten hun zonden symboliseren.  Aan elke statie worden stenen achtergelaten.  Zwaardere stenen worden verder meegenomen.  Tot aan de top.  Tot aan de zeven altaren.  Die altaren staan voor de zeven pijnen van de Maagd.  De Calvarieberg lijkt heel wat symboliek in zich te verenigen.  Ik hou mij ver weg van die symboliek.  Ik ga niet met stenen zeulen.  Dat doe ik niet.  Ben ik dan vrij van zonden? Ik denk het niet.  In het afwijzen van die stenen moet u enkel mijn gemak zoeken.  Enkel mijn gemak.  Geen hogere symboliek.
 

 
Bovenop de top bidden pelgrims.  Zij steken kaarsen aan.  Wij doen het ook.  Een kleine toegeving aan het heilige karakter van deze berg.  Eén voor de liefde.  Eén voor het lange leven.  Kaarsen lijken hierop een invloed te kunnen hebben.  Wij onderdrukken onze zin voor kritiek en gaan mee in dit bizarre verhaal.  Van een beetje bijgeloof is nog niemand gestorven.  Wij steken de kaarsen aan.  Liefde zal eeuwig ons deel zijn.  Het leven zal lang en mooi zijn.  Wij hebben met deze beklimming niet enkel onze conditie aangescherpt.  Wij hebben ook enkele zekerheden verworven?
 
De kraampjes bovenop de berg doen mij een beetje denken aan Lourdes.  Het lijkt bijna onvermijdelijk.  Heiligheid trekt commercie aan.  In vroegere tijden zou onze Heiland die stalletjes hebben weggevaagd.  Hij zou de stal hebben uitgemest.  Maar nu gelden andere wetten.  De economische wetmatigheden zijn in alle onderdelen van het leven aanwezig.  Zelfs hier speelt de wet van vraag en aanbod.  Verkopers bieden aan de pelgrims miniatuurvoorwerpen aan.  Voorwerpen zoals auto’s, bankbiljetten, huizen, … Sjamanen of Andespriesters zegenen die voorwerpen aan kleine, stenen altaren.  Met die zegeningen en gebeden hopen de pelgrims dat die miniatuurtjes ooit groot zullen worden.  Ooit echt zullen worden.  Wij kijken verbijsterd toe.  Zij geloven hierin.  Dat is wat ons van hen scheidt.  Ons heeft de uitdaging naar boven gedreven.  De sport.  Hen heeft het geloof naar boven gedreven.  Maar beiden staan wij op de top.  Beiden staan te genieten van een adembenemend uitzicht.  Een uitzicht op het immense Titicacameer.
 
 
’s Avonds lopen wij nog even langs het strand.  Wij hebben een afspraak met onze groep.  Aan het strand.  Vanop het dakterras van één van de vele cafeetjes zullen wij genieten van de ondergaande zon.  Dat is toch de bedoeling.  De zon gaat onder.  Zoals zij elke dag doet.  Maar deze keer doet zij het niet in die eigen, unieke kleurenpracht.  Wij kunnen het enkel betreuren en ons troosten met de gedachte dat ook de zon wel eens een minder dagje kan hebben.  De zon verdwijnt en neemt met haar de dag mee.  De dag verdwijnt, de nacht treedt in.  Heel zachtjes.  Heel geleidelijk.  Voor ons een teken om ons bedje op te zoeken.  Wij gaan slapen.
 
Volgende aflevering (dag 17) op maandag 16/02.

maandag 9 februari 2015

Soldaten in de straat !? The sequel. Raf Jespers reageert.

Op 22/01/2015 plaatste ik op mijn blog het opiniestuk ‘Soldaten op straat!? Brief aan Charles Michel, Jan Jambon en Bart De Wever’.  Ik stuurde dit opiniestuk ondermeer door naar Raf Jespers, advocaat bij Progress Lawyers Network.  
 
In een reactie erkende hij dat er inderdaad veel bezwaren zijn tegen de inzet van para’s.  Bij zijn reactie voegde hij een tribune, die hij samen met zijn collega Jan De Lien schreef, waarin hij juridische en democratische bezwaren formuleert tegen de inzet van het leger.
 
Deze tribune wil ik u niet onthouden.  Ik geef deze hierbij integraal en letterlijk weer:
 
Inzet leger heeft geen wettelijke basis: detail of gevaarlijk precedent?
 
Afgelopen weekend bleek nogmaals dat de regeringspartijen niet op één lijn zitten wat betreft de inzet van het leger in de straten van onze steden. 
 
De inzet van de krijgsmacht ter vervanging van de politie is geregeld in art. 43 van de wet tot organisatie van een geïntegreerde politie.  In deze bepaling zou de burgemeester de krijgsmacht kunnen opvorderen wanneer zowel de lokale politie als de federale politie niet meer in staat zijn de nodige middelen te voorzien en dit in “geval van ramp, onheil, schadegeval, oproer, kwaadwillige samenscholingen of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde”.
 
Er dient dus voldaan te worden aan een dubbele voorwaarde: een ernstige en nakende bedreiging van de openbare orde en onvoldoende eigen politiemiddelen zowel lokaal als federaal.
 
Wat de eerste voorwaarde betreft horen we in de media niets anders dan dat dreigingsniveau 3 zou volstaan.  Echter bij nauwkeurige lezing van de wetgeving blijkt dit niet het geval te zijn.  Dreigingsniveau 3 wordt immers gedefinieerd als “dat de dreiging tegen de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse mogelijk en waarschijnlijk is” hetgeen een ander begrip is dan “ernstige of nakende bedreiging van de openbare orde” van artikel 43.  Dreigingsniveau 4 daarentegen luidt als volgt:  “dat de dreiging tegen de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse ernstig en zeer nabij is”.  Dit stemt overeen met de wettelijke begrippen die het mogelijk maken het leger in te zetten.  Het kan dus enkel onder dreigingsniveau 4.  In het regeerakkoord staat wel dat men wenst te veranderen maar tot op heden is hieromtrent niets concreet ondernomen.
 
Het is dan ook verontrustend te moeten vaststellen hoe in tijden van angst zomaar een wet, die een zware impact heeft op de samenleving, kan miskend worden.  Het gaat niet om juridische muggenzifterij.  Het is immers politiek en ideologisch een heel grote stap achteruit wanneer zonder wettelijke basis de krijgsmacht op eenvoudige vraag van een burgemeester kan ingezet worden voor het handhaven van de openbare orde.  De democratische logica achter de huidige wettelijke regeling is immers dat het leger enkel in zeer ernstige en nakende crisisperiodes kan ingezet worden.  Want binnenlandse veiligheid moet in principe door de politie gehandhaafd worden.  Het leger heeft als kerndoelstelling de buitenlandse veiligheid, de oorlog, de verdediging van de grenzen.  Politie en leger zijn twee ‘verschillende beroepen’, met hun eigen logica, middelen, opleiding.  Het bewaken van potentiële doelwitten kan op dit ogenblik volkomen legitiem zijn en wij begrijpen volkomen de bekommernissen van de burgers die veilig willen leven, maar dan moet dit, zolang dreigingsniveau 3 geldt, gebeuren door de politie.
 
Is er te weinig politie? Zijn de lokale en federale politie niet meer in staat om orde handhaven? Daar kunnen wij ons moeilijk over uitspreken.  Als de politie in bepaalde steden – bijvoorbeeld omwille van de aanwezigheid van een grote Joodse gemeenschap – te weinig middelen en mensen heeft moet dit dringend worden bijgestuurd.  Het is overigens niet zo heel uitzonderlijk dat dreigingsniveau 3 wordt afgekondigd. In het verleden bleek de politie wel in staat de openbare orde te handhaven.
 
Het lijkt er op dat de huidige inzet van de krijgsmacht eerder dient om “the hearts and minds” van de bevolking gewoon te maken aan meer kaki op straat.
Vandaag tegen de jihadisten en morgen misschien tegen vervelende stakers die piket vormen of foorkramers die een kruispunt bezetten, wet of geen wet?
 
Raf Jespers
Jan De Lien
 
Advocaten PROGRESS Lawyers Network

vrijdag 6 februari 2015

Alsemkomt van De Roovers. Gezien in de Minard.

Ambitie.  Dat is wat ons drijft.  Ambitie.  Dat is de motor van ons handelen.  Zonder ambitie lijkt de moderne mens niet te functioneren.  Lijkt de moderne mens niet te bestaan.  Doelen, dat is wat een mens zich moet stellen.  Aan het halen van die doelen wordt het succes van diezelfde mens afgemeten.  Niet door die ene mens.  Wel door de omgeving van die ene mens.  Die omgeving wikt en weegt.  Die omgeving beslist.  Imponeren is de boodschap.  Imponeren wordt ambitie.  Alles moet steeds maar groter.  Steeds maar sneller.  Steeds maar mooier.  Steeds maar beter.  Steeds maar hipper.  Niet voor eigen roem en glorie.  Wel voor de ogen van die ander.  Want die ander bepaalt.  Die ander oordeelt over de graad van succes.  Over winst of verlies.  
 
Dat is hoe het werkt.  In deze mallemolen moet iedereen mee.  In deze ratrace.  Aan de kant blijven staan, is geen optie.  Iedereen moet mee in die stroom.  Iedereen wil mee in die stroom.  Want in de verte ligt winst.  Winst, die moet verworven worden.  Om die nooit te verzadigen honger naar ambitie te stillen.  Ambitie is vooruitgang.  Want stilstaan is toch achteruit gaan? 
 
Heel soms blijven mensen toch achter.  Heel soms beslissen mensen toch niet mee te lopen.  Heel soms plaatsen mensen zichzelf toch buiten de maatschappij.  Zoals in het café van Harry Hope uit de voorstelling Alsemkomt van De Roovers.  Dat café wordt enkel maar bevolkt door verloren zielen.  Beschouwen zij zichzelf als verloren zielen? Ik weet het niet.  Ik twijfel.  Maar in de ogen van de maatschappij worden zij als outcasts beschouwd.  Als nuttelozen.  Zonder enige toegevoegde waarde.  Over dat oordeel kan geen twijfel bestaan.  De klanten van Harry Hope zijn zich bewust van die stempel.  Zij beseffen dat zij niet meespelen in het grote spel.
 
Zij hebben geen ambitie.  Geen enkele.  Enkel illusies koesteren zij.  De ene zal ooit actrice worden.  De andere zal ooit trouwen.  Nog een andere zal ooit advocaat worden.  Hun plannen kondigen zij luid aan.  Herhaalde keren.  Maar in die aankondiging klinkt twijfel.  Alsof zij toch beseffen dat het nooit zal lukken.  Maar dat besef weerhoudt hen niet te blijven dromen.  Te blijven dromen van een leven buiten het café van Harry Hope.  Te blijven dromen van een ‘normaal’ leven.  Een succesvol leven.
 
Eén iemand, Hickey (gespeeld door Stefaan Degand), lijkt orde te willen brengen in de wanorde van die verschillende tooghangers.  Hij maant hen aan die illusies los te laten.  Hij raadt hen aan de waarheid onder ogen te zien.  De confrontatie met zichzelf aan te gaan.  Zij moeten zichzelf niks meer wijsmaken.  Geen leugens meer.  Sommigen nemen deze raad ter harte.  Zij proberen hun leven opnieuw in eigen handen te nemen.  Voor eventjes maar.  Iedereen faalt.  Iedereen keert terug naar die ene, vertrouwde stal.  Het café van Harry Hope.  Enkel daar zijn zij thuis.  Enkel daar lijken zij te functioneren.
 
De meeste tooghangers proberen eventjes.  Toch keren zij terug.  Uit angst? Heel misschien verlangen zij terug naar dat vertrouwde nest.  Dat nest, waar zij hun plaats kennen.  Dat door ons als troosteloos ervaren drankhol wordt door die klaplopers gezien als een veilig toevluchtsoord.  Zijn zij mislukt? Voelen zij zich mislukt? Ik aarzel hierop een antwoord te geven.  Eén ding is zeker, zij kiezen.  Zij maken de keuze terug te keren.  Kiezen is vrijheid en vrijheid is het hoogste goed, toch?
 
Eén iemand faalt.  Slechts één iemand.  Dat is Hickey.  Dat is de man, die alles op een rijtje had.  Althans, dat dachten wij.  Onder de klaplopers was hij de enige met een plan.  Naar hem werd opgekeken.  Hij had het gemaakt in die grote wereld daarbuiten.  Toch valt juist die ene man het diepst.  De man met ambities knalt hard tegen de muur.  Geen enkel vangnet om hem op te vangen.  Ambities lijken niet altijd zaligmakend.  Zijn ambities geen aantrekkelijk en mooi verpakte illusies? Wordt de val bij het niet kunnen realiseren van die vooropgestelde ambities daarom niet intenser en dieper?
 
Tristesse.  Miserie.  Dat is wat wij zien op het podium.  Het zien van al die tristesse zou het publiek triest kunnen stemmen.  Niet bij mij.  Het klinkt vreemd.  Toch is het zo.  Voor elk van die tooghangers koester ik een warme sympathie.  Mislukkelingen kunnen zij genoemd worden.  Maar ik doe het niet.  Ik wil in hun gezelschap vertoeven.  Met hen drinken.  Met hen lallen en brallen.  Met hen wil ik mij gooien in de drank.
 
Winnaars hebben ambitie.  Verliezers hebben illusies.  Maar wat als ambities niet gehonoreerd worden? Jaloezie.  Moord.  Zelfmoord.  Wat als illusies niet bewaarheid worden? Drank.  Drank.  En nog eens drank.  Misschien verklaart die tegenstelling wel mijn keuze van kamp.  Mijn keuze voor die verloren zielen.  Ik ben geen ambitieus mannetje.  Ik loop mee in die ratrace.  Dat wel.  Omdat het moet.  Omdat het wordt verwacht.  Maar heel af en toe ga ik aan de kant staan.  Om te kijken.  Om te glimlachen met die grappige kermis, dat het grote leven eigenlijk toch wel is.  Dat grote leven, dat door iedereen als zo serieus wordt beschouwd en beleefd.
 
Alsemkomt.  Heerlijk theater.  Steengoede acteurs en actrices.  Alsemkomt.  Prachtige soundtrack.  Steengoede muzikant.  Eergisteren was hard.  Eergisteren was mooi.  Eergisteren was aangrijpend.  Eergisteren was emotioneel.  Woensdagavond zag ik een pracht van een voorstelling.

Trailer:
De Roovers – Alsemkomt.

woensdag 4 februari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 15: Potosi - La Paz.

Wij keren terug naar La Paz, de hoogst gelegen hoofdstad ter wereld.  Om die titel te claimen, wordt de waarheid een heel klein beetje geweld aangedaan.  La Paz is niet de hoofdstad.  Dat is wel Sucre.  In La Paz zetelt wel de regering.  Dat is alles.  Maar die zetel van de regering volstaat niet om de titel van hoofdstad op te eisen.  Toch zit of zat het zo in mijn hoofd.  Vóór het afreizen naar Bolivia dacht ik dat La Paz de hoofdstad was.  Ik dwaalde.  Dat besef ik nu.  Nooit zal ik nog die fout maken.  Bolivia en Sucre, nooit zal ik het vergeten.  Mijn geografische kennis heeft een noodzakelijke update gehad.
 
Wij gaan niet naar Sucre.  La Paz, dat is onze bestemming.  Het wordt een moeilijke rit.  Een lange rit.  Om vijf uur ’s morgens vertrekken wij.  Om zo mogelijke wegblokkades te vermijden.  Om mogelijke vakbondsmilitanten te snel af te zijn.  In La Paz zullen wij arriveren om half vier in de namiddag.  Dat is net iets meer dan tien uur rijden.  Reizen, het kan een last zijn.  Maar veel vaker is het een lust.  De balans helt gelukkig fel over naar de lusten.  De lasten zijn slechts miniem.  Bijna te verwaarlozen.
 
De last van het verplaatsen durf ik zelfs te relativeren.  In die last zie ik nog een lust.  De lust van het kijken.  De lust van het zien.  Tijdens die lange verplaatsingen weiger ik mijn ogen te sluiten.  Ik vecht tegen het zandmannetje.  Lustig strooit hij zand rond.  Maar niet in mijn ogen.  Die blijven open.  Constant.  Of toch bijna constant.  De rest van de groep geeft wel toe aan de slaap.  Zij verblijven in droomland.  Dat merk ik bij een snelle inspectie rondom mij.  Ik doe het niet.  Ik kan het niet en ik wil het niet.  Al te zeer ben ik onder de indruk van Bolivia.  Mijn ogen hou ik daarom wijd open.  Te bang om ook maar iets te missen.
 
Ik zie het dag worden.  De nacht wordt zachtjes uitgegomd.  De zon doet alweer haar kunstzinnige werk.  Die zon zet de bergen in vuur en vlam.  Diezelfde zon kleurt de bergen felrood.  Alsof die bergen zich opgemaakt hebben om ons te ontvangen.  Of om ons uit te wuiven.  Dat spel met die kleuren is heerlijk om te zien.  Zo heerlijk dat het niet mag gemist worden.  De bus rijdt door.  Ik kijk rond.  Mij lijkt het een mooie taakverdeling.
 
Wij komen aan in La Paz.  Wij komen opnieuw aan in La Paz.  Wij waren hier al eerder.  Maar deze keer is het anders.  Voelt het anders.  Plots lijken wij geen toeristen meer.  Geen aarzelend zoeken meer.  Geen twijfel meer.  Wij kennen La Paz.  Wij weten de weg.  Bijna blindelings slaan wij links in en rechts af.  Zonder de weg kwijt te raken.  Wij blijven op koers.  Wij hebben La Paz in onze broekzak.
 
Dat is het fijne aan reizen.  Voorheen onbekende steden verliezen heel geleidelijk dat onbekende.  Die vreemdheid wordt uitgevaagd.  Geen onwennigheid meer.  Het stratenplan uit de reisgids verhuist naar ons hoofd.  Wij maken ons de stad eigen.  Heel geleidelijk.  Niet bruusk.  Ontdekken gebeurt in stapjes.  Maar aan het eind kennen wij de stad.  Toch een beetje.  Weg is het ongekende.  Weg is het vreemde.  De stad en de toerist zijn vrienden geworden.  Die vriendschap, dat is het fijne.
 
Vandaag grijpen wij de kans om de gemiste aankopen bij onze vorige passage nu toch te doen.  Enkele dagen terug waren wij totaal onwetend.  Toen dachten wij nog dat afbieden een mogelijkheid was.  Nu weten wij dat hiervan nauwelijks sprake is.  De prijzen zijn wat zij zijn.  Over die prijzen valt nauwelijks te onderhandelen.  Enkel een kleine korting wordt gegeven.  Dat weten wij nu.  Met die kennis gaan wij nu langs die winkeltjes waar wij die ene souvenir gezien hadden.  Die trui.  Dat masker.  Die handschoenen.  Die kousen.  Die muts.  Die oorringetjes.  Wat wij vorige keer niet deden, doen wij nu wel.  Wij kopen.  Veel.  Uitgebreid.  Vandaag is winkeldag.
 
Gisteren hadden wij heerlijk gegeten in Potosi.  Vandaag willen wij die ervaring nog eens herhalen.  Wij gaan daarvoor naar hotel Rosario.  Het hotelrestaurant wordt omschreven als één van de betere in La Paz.  Dat wordt al snel gezegd.  Het kan waar zijn.  Of niet.  Wij doen de test.  Eén ding valt ons meteen op.  Wij spelen in een hogere klasse.  Een andere klasse dan dat wij tot vandaag gewoon zijn geweest.  De stijl en service is van een heel andere categorie.  Hierop valt niks aan te merken.  Beide zijn outstanding.  Maar bij een restaurant draait het niet enkel om stijl en service.  Dat is bepalend voor de sfeer maar veel belangrijker is de corebusiness van het restaurant, het eten.  Over dat eten kunnen wij ook heel kort zijn.  De keuken weet meer dan te overtuigen.  Wij smullen.  Wij likkebaarden.  Nog net niet schrokken wij de Italiaanse pasta binnen.  Wij blijven beleefd.  Zo zijn wij opgevoed door vader en moeder.  Goede manieren, dat hoort in een restaurant.  Met veel smaak eten wij.  Met veel smaak genieten wij.  Dit is heerlijk.
 
Wij vrezen de rekening.  Stijl, service én keuken in optimale conditie, dat moet zich vertalen in toch wel buitenissige prijzen.  In België zou het dat toch doen.  Daarover bestaat geen enkele twijfel.  In Bolivia blijkt het anders te zijn.  Geen exuberante prijzen.  Wel gewone prijzen.  Lage prijzen.  Wij betalen met de glimlach.  Wij zeggen ‘tot ziens’ maar dat zal niet gebeuren.  Het is onze laatste avond in La Paz.  Terugkeren is geen optie meer.
 
Om dat afscheid te vieren stappen wij nog even binnen in het Hard Rock Cafe.  Lange tijd hebben wij getwijfeld.  Gaan of niet gaan? De eerste maal in La Paz bleven wij in het hotel.  Te veel twijfels.  Vandaag gaan wij dan toch.  Onze laatste kans.  Die willen wij grijpen.  Wat wij verwacht hadden, blijkt ook in realiteit zo te zijn.  Een zwak afgietsel.  Een goedkope kopie.  In nergens evenaart dit café het origineel.  Enkel de naam, dat is het enige gemeenschappelijke.  Verder niks.  De inrichting is povertjes.  Enkele gitaren aan de muur moeten suggereren dat dit meer is dan een lokale pub.  Foto’s en elpees aan de wanden gaan de concurrentie aan met de memorabilia uit de echte Hard Rock Cafes.  Die concurrentieslag verliest dit cafeetje in La Paz.  Het is fake.  Het is nep.  Enkel een gewoon cafeetje.  Meer niet.
 

Hard Rock Cafe in La Paz
 
Maar wij treuren niet.  Wij zijn niet terneergeslagen.  Wij zijn alweer een ervaring rijker.  Dat kunnen wij enkel toejuichen.  Het verzamelen van ervaringen, dat is waar het leven om draait.  Dat hebben wij dus gedaan in dat Hard Rock Café.  In die kopie.  Geslaagd kunnen wij die ervaring niet noemen.  Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn.  Soms valt het mee, soms valt het tegen.  Een mens kan niet altijd winnen.  Met die kleine troost gaan wij slapen.

Volgende aflevering (dag 16) op woensdag 11/02.
 

maandag 2 februari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 14: Uyuni - Potosi.

Wij gaan naar Potosi, de hoogst gelegen stad ter wereld.  Vierduizend honderd meter, dat is de hoogte, noodzakelijk om de titel van hoogstgelegen stad te kunnen binnenrijven.  Bij Potosi denk ik niet aan die titel.  Ik denk niet aan die hoogte.  Ik moet denken aan die ene jaargang van Peking Express, een spelprogramma waarbij acht koppels liftend door een aantal landen reizen met de uiteindelijke bedoeling als winnaar over de eindmeet te komen.  Ik zou kunnen denken aan die dolkomische Egbert uit die jaargang.  Maar dat doe ik niet.  Ik denk aan die ene Nederlandse dame.  Zij had het continu over Petosi.  Uitgesproken met een eigen en vettig Nederlands accent.  Elke keer moesten wij lachen bij dat ene woord.  Hilarisch, dat was het.  Toen keken wij hoe die deelnemers zich door de hoogstgelegen stad haastten.  Die stad was totaal vreemd voor ons.  Nooit hadden wij iets van of over die stad gehoord.  Vandaag zou het anders worden.  Vandaag trekken wij zelf naar die stad.
 
De rit naar Potosi is magnifiek.  Het valt moeilijk schoonheid te omschrijven.  Woorden schieten vaak te kort.  Schoonheid moet gezien worden.  Moet niet beschreven worden.  Want elke poging tot omschrijving is een leugen.  Een leugen omdat woorden de echte schoonheid slechts benaderen.  Het landschap omschrijven als magnifiek is dan ook een zwaktebod.  In het volle besef dat ik datzelfde landschap oneer aandoe.  Maar tegelijk moet dat ene woord uw fantasie prikkelen.  Prikkelen om tot de mooiste voorstelling van zaken te komen.


Op weg naar Potosi
 
Wij reizen nu al bijna een week doorheen Bolivia.  Wij hebben zowel van Peru als van Bolivia kunnen proeven.  Dan volgt die onvermijdelijke vraag.  Die vraag om een vergelijking te maken.  Die vraag om af te wegen wie nu uiteindelijk de mooiste is.  Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, … Zo voelt die vraag aan.  Het is altijd een netelige vraag.  Een moeilijke vraag.  Tot voor enkele dagen zat twijfel in mijn hoofd.  Ik kon niet beslissen.  Was totaal besluiteloos.  Die besluiteloosheid was misschien een gevolg van het stevig door elkaar geschud worden in de bus.  Het maakte mij futloos, weinig besluitvaardig.  Oordelen moeten wij doen met een helder hoofd.  Indien ons hoofd te bewolkt is, moeten wij de beslissing uitstellen.  Dan moeten wij eventjes wachten met het zoeken naar het juiste antwoord.  Vandaag lijkt mijn hoofd helder te zijn.  Zo voelt het toch aan.  Ondanks het feit dat ik om zes uur ben opgestaan deze morgen.  Ik ben helder.  Ik mag oordelen.  Mijn voorkeur gaat uit naar Bolivia.  Omdat ik in het landschap meer variatie ontdek.  De Boliviaanse gevarieerdheid wordt geplaatst tegenover de Peruaanse eentonigheid.  Dan wint de afwisseling.  Zo is het altijd al geweest.  Eentonigheid gaat snel vervelen.  Dat is in alles zo.  Ook in het liefdesleven.  In de liefde moeten wij alles doen om het sprankelend en boeiend te houden.  Zoniet slaat de eentonigheid toe.  De saaiheid.  Dat is de grootste dooddoener.  Die saaiheid verklaart daarom ook Peru tot verliezer.  Bolivia is groener.  Is netter.  Zo is het.  Dat is de realiteit.  Onze ogen sluiten voor die realiteit kunnen wij niet.  Mogen wij niet.  Maar wij moeten alert blijven.  Kritisch blijven.  Om ons oordeel bij te sturen indien nodig.  
 
Net voor wij Potosi binnenrijden, moeten wij overstappen in een minibusje.  Onze monsterbus heeft ons zonder enig probleem van La Paz naar Uyuni gebracht.  Maar voor de stadspoorten van Potosi moet onze monsterbus het laten afweten.  Noodgedwongen.  Te smalle straatjes.  Te steile straatjes.  Die straatjes blijken niet gemaakt voor de reuzenwielen van onze bus.  Een kleiner en vinniger busje moet de stadsstraatjes op en door.  Dat kleine busje moet ons naar het hotel brengen.  Negentien mensen met hun bagage in een busje, het kan.  Maar het wordt wringen.  Het wordt duwen.  Wij voelen ons als sardines.  In dat kleine blikje.  Wij zitten opeengeperst.  Koffers op, boven, onder en naast ons.  Maar wij halen de eindmeet.  Wij bereiken ons hotelletje.  Het busblikje wordt geopend.  Wij rollen er uit.
 
Even verpozen, het zou fijn zijn.  Maar wij verblijven slechts één dag in dit Unesco werelderfgoed.  Morgen reizen wij alweer verder.  Een kleine siësta lijkt plots geen mogelijkheid meer.  Er moet gezien worden.  Er moet ontdekt worden.  Rusten is geen optie.  Wij moeten vooruit.  Verder.  Wij trekken de stad in.
 
Het is koud.  Het hagelt.  De zon laat het afweten.  Voor de eerste maal.  Ik lijk mij solidair te voelen met die afwezige zon.  Want ook ik laat het afweten.  Alsof de weersomstandigheden een onmiddellijke invloed hebben op mijn humeur.  Ik loop er maar wat bij.  Ik slenter wat rond.  Alles lijkt van mij af te vallen.  Niks pik ik op.  Wat ik deze middag voel, kan ik omschrijven als een offday.  Deze namiddag ben ik er eventjes niet.  Zelfs tijdens de rondleiding in het Casa Nacional de Moneda ben ik er niet.  Misschien is het verplichte karakter van de rondleiding een domper op de feestvreugde.  Toch durf ik dat te betwijfelen.  Ik ben een brave jongen.  Ik kan best wel luisteren.  Ik ben best wel volgzaam.  Maar de gelatenheid kan ik niet afschudden in dit museum.  Ik luister wel naar de uitleg.  Maar wat het ene oor ingaat, loopt heel snel en vlotjes het andere oor uit.  De geschiedenis van het nationale muntwezen gaat aan mij voorbij.  Als een spook waar ik door de stad.  Zou de vermoeidheid mij in haar greep hebben? Of zou het eerder een appelflauwte zijn? Heb ik nood aan een culinair opkikkertje?

Casa Nacional de Moneda
 
Eten, dat zou een oplossing kunnen zijn.  Wij proberen het.  Wij trekken naar 4060, volgens de reisgidsen één van de betere restaurants in Potosi.  Binnen is het lekker warm.  Wij schuiven aan tafel, dichtbij een gezellig stoofvuurtje.  De kaart is uitgebreid.  Toch is een uitgebreide studie niet nodig.  Ik kies voor steak.  Met een champignonsausje.  Met die combinatie hoop ik mijn minder dagje te kunnen uitvegen.  
 
Mijn steak is heerlijk mals en echt lekker.  Bij elke hap word ik net dat ietsje vrolijker.  Ik herstel.  Ik recupereer.  Aan het eind van die overheerlijke maaltijd zijn alle donderwolken verdreven.  In mijn hoofd straalt het zonnetje.  Zoals meestal.  Ik voel mij herboren.  Ik ben opnieuw kwiek en monter.  Om dat te vieren, nemen wij nog een koffietje.  Ondanks ons aanvankelijk voornemen er stevig in te vliegen, lijken wij toch een siësta ingelast te hebben.  Niet echt gepland maar meer dan welkom.  Soms kan afwijken van de geplande route toch wonderlijke en heilzame gevolgen hebben.  Zoals nu. 



Potosi
 
Wij trekken opnieuw de stad in.  Het is reeds donker.  De zon is net gaan slapen.  Maar dat is helemaal niet erg.  Het laat ons toe Potosi op een andere manier te ervaren.  Potosi baadt in het avondlicht.  De straatverlichting en strategisch opgestelde spotlichten doen de historische gebouwen naar voor treden.  Zij worden letterlijk in de spotlight geplaatst.  De gebouwen eisen de hoofdrol op.  De rol, die zij in deze historische stad dienen te spelen.  Vanavond schitteren deze hoofdrolspelers.  Deze namiddag was ik nog blind.  Vanavond zie ik helder en klaar.  Ik zie de architecturale getuigen van een ooit aanwezige rijkdom.  Midden de zeventiende eeuw was Potosi de grootste en meest welvarende stad van het continent.  In die periode werden schitterende paleizen en herenhuizen gebouwd.  Er werden meer dan dertig kerken ingewijd.  Exclusieve goederen (wijn, zijde, kristal, tapijten, porselein, …) uit de hele wereld werden geïmporteerd.  In Potosi klopte het hart van de wereld.  Potosi was toen groter dan Londen.  Groter dan Parijs.  Potosi was in die dagen een wereldstad.


Potosi
 
Aan die expansiedrift is een einde gekomen.  Rust is neergedaald over de stad.  Maar de herinnering aan die sprankelende eeuw maakt van Potosi zo veel meer dan enkel maar een tussenstop in Peking Express.  Hier werd ooit geschiedenis geschreven.  Grote geschiedenis.  Geschiedenis met een hoofdletter.  In die geschiedenis hebben wij heel even mogen rondwandelen.  
 
Sprookjesgewijs zou ik kunnen zeggen dat Potosi deze namiddag een kikker was.  Een kikker, die ’s avonds toch bleek te veranderen in een prins.  Heel soms bestaan sprookjes echt.

Volgende aflevering (dag 15) op woensdag 04/02.