donderdag 13 maart 2014

Afscheid van een vriend. Brief aan Toots.

Beste Toots,
 
U zal het heel misschien niet weten maar ik was op uw verjaardagsfeestje ter gelegenheid van uw negentigste verjaardag.  Voor dat feestje kwam u naar de Gentse Bijloke.  Een uitgelezen kans, zo meende ik.  Tot die dag had ik u nog nooit live aan het werk gezien.  Een foutje dat moest rechtgezet worden.  Ik kocht een kaartje.  
 
Een liefhebber van jazz durf ik mij niet te noemen.  Ik heb geen aversie tegen dit genre.  Dat gebrek aan liefhebben durf ik te wijten aan tijdsgebrek.  Muziek biedt een al te uitgebreide waaier aan diverse stijlen.  Specialisatie dringt zich op.  Rock werd en is mijn wereldje.  Wat daarbuiten valt, sla ik nauwelijks op.  U ziet, een muzikale uomo universale kan u mij nauwelijks noemen.  Toch bleef ik niet blind.  Toch bleef ik niet doof.  Ik was mij bewust van uw naam.  U was een begrip in het jazzwereldje.  Die status had u stapsgewijs opgebouwd.  Terwijl ik mij verdiepte in nieuwkomers en teruggreep naar grootheden in de rockwereld, volgde ik uw voortgang.  Maar uw muziek bleef mij onbekend.  Jawel, specialisatie kan een vloek zijn.
 
Die dag in 2012 ging ik naar De Bijloke.  Ik was een beetje zenuwachtig.  Ik was een leek.  Ik was bang ontmaskerd te worden in die incrowd.  Ik zou begluurd worden.  Ogen vol argwaan zouden mij aankijken.  Maar dat gebeurde niet.  Ik was niet die vreemde eend in de bijt.  Ik was net als alle anderen een nieuwsgierige en geïnteresseerde liefhebber van goede muziek.  Want dat was ook iets wat ik intussen had geleerd, u bracht goede muziek.  U was een entertainer.
 
Ik ruilde mijn ticket voor een zitje.  Ging zitten.  Net niet vooraan.  Een zekere terughoudendheid dwong mij toch niet al te prominent aanwezig te zijn.  U kwam op.  Begeleid door één van uw muzikanten.  Wat toen gebeurde, heb ik u nog niet verteld.  Het spelplezier spatte van het podium.  Onmiddellijk.  In de ogen van de muzikanten zag ik liefde en genegenheid.  Liefde voor de muziek.  Genegenheid voor de man, Toots.  Iedereen zette elkaar aan tot nog beter presteren.  Eenieder werd uitgedaagd om zo te komen tot de beste performance.  
 
De muziek? Heerlijk.  Ik werd ondergedompeld in een mij voorheen onbekende wereld.  Ik liet mij meedrijven en meenemen op een muzikale reis.  Ik leunde achterover, zakte lichtjes onderuit.  Ik zag u.  Ik hoorde u.  Ik genoot.  Van mij gleed alle voorbehoud.  In mij groeide het besef en het verlangen uitstapjes te maken naar andere muzikale stijlen en werelden.
 
U deed mij stralen.  U deed mij glimlachen.  Wat u uitstraalt is bijna uniek te noemen.  U bent een grootheid maar uw houding en taal relativeert continu die verworven en bevochten status.  Op het podium zie ik die Brusselse ket.  Dat jonge ventje.  Op het podium zie ik die wijze wereldburger.  Die oudere man.  U geniet van uw leventje en in dat genieten verenigt u die beide rollen.  Dat te mogen zien, durf ik bijna een voorrecht te noemen.
 
Eergisteren liet u weten op pensioen te gaan.  Ik heb begrip voor uw besluit.  Toch betreur ik tezelfdertijd dat besluit.  Omdat ik besef dat nog zo vele mensen datgene zullen missen wat ik ooit hebben mogen ervaren op uw verjaardagsfeestje in de Gentse Bijloke.  Maar ik heb u nog kunnen zien.  Op het nippertje, dat wel.  Die herinnering koester ik nu nog meer.  Dat concert draag ik nu nog meer in mijn hart.
 
Toots, ik wens u het allerbeste.  Maar bovenal wens ik u te danken.  Want dat laatste had ik nog niet gedaan.
 
Met vriendelijke groeten.

Clip:
Toots Thielemans – Smile.


woensdag 12 maart 2014

Een wedstrijdje? Nooit zomaar vrijblijvend.

Een wedstrijdje spelen? Nooit kan dat vrijblijvend zijn.  Toch niet bij mij.  Ik huldig die Olympische gedachte niet.  Deelnemen is belangrijker dan winnen, ik lach die gedachte weg.  Al te naïef.  Weinig realiteitszin.  Heel misschien een schrale troost voor de verliezende partij, meer kan die gedachte niet zijn.  Ik wil winnen, ik wil winnen, ik wil winnen, … Die mantra nestelt zich oneindig in mijn hoofd.  Die mantra wordt de motor van mijn sportief handelen.
 
Kort vóór de wedstrijd gebeurt dat onvermijdelijke.  Een metamorfose treedt bijna onzichtbaar in.  Onmerkbaar voor de nonchalante toeschouwer.  Duidelijk merkbaar voor de attente tegenstander.  In mijn ogen nestelt zich dat killersinstinct.  Tijdens de wedstrijd zal dat instinct niet verdwijnen.  Het blijft mijn vertrouwde metgezel.  In het wit van mijn ogen verschijnt in rood fluorescerende, nauwelijks te lezen kleine lettertjes mijn mantra: ‘ik wil winnen’.  Tussen mijn opeengeklemde tanden wordt dat scherpe, imaginaire mes geklemd.  Want ik speel zoals dat ene spreekwoord, met het mes tussen de tanden.
 
Geen tactische besprekingen vooraf.  Eén doel speelt door mijn hoofd en door het hoofd van mijn ploegmaten: winst.  Meer hoeft niet besproken te worden.  Met dat ene doel voor ogen stappen wij het veld op.  De wedstrijd begint.
 
Geen aanpassingen.  Onmiddellijk zitten wij in de wedstrijd.  In het spel.  Geen angstig aftasten.  Initiatief, daar draait het om.  De tegenstander wordt geïsoleerd.  Wordt afgeschermd.  Posities worden ingenomen.  Stilstaan is geen optie.  Er wordt bewogen, er wordt gelopen.  Om toch dat ene vrije aanspeelpunt te worden.  Springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan.  Zoals Herman Van Veen dat ene zinnetje zingt, zo spelen wij.  Met inzet.  Onversaagd.  Zonder enige rustpauze.  Aanval en verdediging wisselen elkaar vlot af.  Hebben wij de bal niet, dan wordt die bal afhandig gemaakt.  Zo eenvoudig is dat spelletje.
 
Er wordt geroepen.  Geschreeuwd wordt er niet.  Ondanks de inzet blijven wij hoffelijk.  Zelfs in het spel kunnen wij de gentleman niet onderdrukken.  Er wordt al eens geklaagd.  Er wordt al eens gejammerd.  Maar vloeken doen wij niet.  Ons agnostisch twijfelen doet onze vrees voor God niet teniet.  Wij weten dat Hij ons ziet.  Daarom vloeken wij niet.  Maar wij draaien met de ogen.  Wij stampen met de voeten.  Wij gooien onze handen verongelijkt de lucht in.  Dat laatste doen wij enkel bij tegenslag.  Als het ons meezit, lachen wij.  Breeduit.  
 
Wij gooien ons.  Wij smijten ons.  Tot de laatste minuut.  Tot de laatste seconde.  Onze concentratie verslapt niet.  Nooit.  Alert kijken wij rond.  Naar dreigend gevaar.  Naar een mogelijkheid tot scoren.
 
Na de wedstrijd doven die lichtjes in mijn ogen.  Die fluorescerende, kleine lettertjes verdwijnen.  Het killersinstinct wrijf ik uit mijn ogen.  Ik word opnieuw die beminnelijke jongen.  Tegenstanders worden gewoon weer vrienden.  Het leven herneemt zijn rustige ritme.  Wij worden terug mens.
 
Oh ja, indien u het mocht interesseren.  Ik had het niet over voetbal.  Niet over basketbal.  Niet over volleybal.  Niet over hockey.  Niet over rugby.  Niet over korf- of handbal.  Bestaan er dan nog andere sporten? Jawel, heel zeker.  Ik had het over tienbal.  Dat is mijn sport.  Voorwaar nog geen Olympische discipline.  Maar als het ooit zover komt, ben ik kandidaat.  Want één ding heb ik al, die winnersmentaliteit.

donderdag 6 maart 2014

Mooie liedjes: Toy.

Waarvan dromen groepen? Een internationale doorbraak.  Daarop hopen zij.  Want die doorbraak verschaft hen toegang tot de grotere podia en festivals.  Die doorbraak voert hen weg van al te kleine zaaltjes, waar voor drie man en een paardenkop gespeeld wordt.  Die doorbraak komt er niet zomaar.  Daar moet wel wat voor gedaan worden.  Er moet geïnvesteerd worden waarbij men uiteraard hoopt op een positieve return on investment.  Maar niet enkel de investeringen brengen de verhoopte doorbraak.  Er is toch ook altijd weer dat tikkeltje geluk.  Dat tikkeltje geluk, dat de groep onder de aandacht brengt van de juiste mensen.  Want die juiste mensen kunnen de juiste deuren openen en de verkeerde deuren sluiten.
 
Gisteren stond ik in De Centrale.  In het kader van The Big Next stond de Britse band Toy geprogrammeerd.  Die groep was mij onbekend.  Ik moet bekennen, alwetendheid schrikt mij af.  Net zoals zo vele andere dingen.  Maar laten wij niet afwijken.  Laten wij ons beperken tot de kern van de zaak.  Vóór het concert had ik even rondgewandeld op internet.  Enige voorbereiding vind ik noodzakelijk.  Om mij toch niet blindelings in het grote avontuur te storten.  In professionele muziekbladen werd de groep vergeleken met The Horrors en Deerhunter.  Die groepen deden niet de nodige belletjes rinkelen.  Die bellen bleven stilletjes hangen.  Veel wijzer was ik niet geworden.  Toch was er de hoop op een goed concert.  Recensies van hun laatste album, Join The Dots, lieten mij vermoeden dat dit geen broekventjes waren.  Het Britse NME gaf het album een grote onderscheiding.  Net zoals AllMusic en Clash.  Enkel het Belgische Enola buisde het album.  Wat zou het worden? Wie zou het grote gelijk binnenhalen? Of zou zoals altijd de waarheid in het midden liggen?
 
Het voorprogramma liet ik aan mij voorbijgaan.  Wat Charlie Boyer And The Voyeurs precies deden, zal ik dus nooit weten.  Eerst even een pintje drinken met de vrienden.  Beetje bijpraten.  Even peilen naar de gezondheid.  Naar het geluksgevoel.  Dat achtte ik noodzakelijk.  Noodzakelijker dan het voorprogramma.
 
Na één Westmalle stond ik in de zaal.  Eén Westmalle? Jawel, van alcoholisme zal u mij niet kunnen betichten.  Ik drink met verstand, zoals mij gevraagd wordt in allerlei campagnes.  Soms ben ik volgzaam.
 
Toy kwam het podium op.  Eventjes rustig inspelen was geen optie.  Van enige aanpassing was geen sprake.  Geen zachtjes aftasten zoals bij nieuwe vriendschappen wel gebeurt.  Vol met de voeten vooruit, dat was het.  Een vuistslag in het aangezicht.  Dit was hevig.  Dit was fel.  Eén brok energie.  Dit was rock zoals rock hoort te zijn.  Geen toegevingen.  Geen rustpauzes.  Recht vooruit, zonder om te zien.  Net zoals Julius Caesar kwamen zij, zagen zij en overwonnen zij.  Misschien overwonnen zij niet iedereen.  Misschien waren er nog twijfelaars.  Ik evenwel was verkocht.  Ik twijfelde niet.  Ik viel voor Toy.  Zonder enig voorbehoud.  Dat voorbehoud had Toy vakkundig gesloopt.  Song voor song brokkelde dat voorbehoud af.  Om aan het eind te moeten erkennen dat dit concert meer dan fantastisch was.
 
Ik wens Toy een schitterende toekomst.  Ik wens Toy die internationale doorbraak.  Omdat zij het verdienen.  Omdat zij het meer dan verdienen.  Als de groep dan hoge, internationale toppen scheert, kan ik dan zeggen dat ik dat groepje ooit nog in De Centrale gezien heb.  Met veel plezier zal ik dan terugblikken op die heerlijke avond.

Clip:
Toy – Join the dots.

woensdag 5 maart 2014

Uitgelezen: Ventoux. Brief aan Bert Wagendorp.

Beste Bert,
 
Ik had het mij voorgenomen.  Na het lezen van uw boek zou ik u een brief schrijven.  Dat zou ik doen.  Maar u zal weten dat tussen een voornemen en het eigenlijke handelen heel wat obstakels kunnen oprijzen.  Na het dichtslaan van uw boek ging ik niet aan tafel zitten.  Mijn laptop bleef dichtgeklapt.  Een brief kwam er niet.  Waarom niet? Honderden excuses kan ik aandragen.  Honderd excuses, die er eigenlijk nauwelijks toe doen.  Verontschuldigingen zijn gemakkelijk te vinden.  Soms al te gemakkelijk.
 
Deze week was ik op weg naar mijn werk.  Met de fiets.  Jawel, ik ben bezorgd om mijn ecologische voetafdruk.  Of nog anders gezegd, gemakzucht jaagt mij de fiets op.  Want ik wil niet bumperend aanschuiven in de ochtendfiles die mijn Gent dagelijks dichtstroppen.  Met mijn fiets kan ik gezwind laveren tussen stotterende wagens.  Vlotjes fiets ik naar en van mijn werk.  Zonder enig oponthoud.  Maar ik wil u niet vermoeien met onze Gentse mobiliteitsproblemen.  Dat is voor u een te ver van uw bed show.  Ongetwijfeld hebt u andere besognes.
 
Toch is mijn fiets de reden waarom ik mij tot u richt.  Met mijn fiets reed ik deze week over de nog zichtbare eindmeet van de Omloop Het Nieuwsblad.  Op weg naar mijn werk moet ik daarlangs passeren.  Met die eindmeet in zicht gebeurde iets vreemds.  Ik vervelde.  Niet langer was ik op weg naar mijn werk.  Plots was ik profwielrenner op weg naar de zege in de Omloop.  In mijn hoofd hoorde ik het publiek wild juichen.  Het publiek scandeerde mijn naam.  Even ging ik nog hard op die trappers stampen.  Om de achtervolgers op afstand te houden.  Ik fatsoeneerde snel nog mijn wielershirt ter wille van mijn sponsor.  Mijn handen gingen de lucht in.  Handkusjes gooide ik naar mijn talrijke fans.  Uit voorgaande kan u mijn ziektebeeld afleiden.  Ik ben de ingebeelde wielrenner.  Bij de minste helling waan ik mij op Alpe d’Huez.  In mijn hoofd hoor ik de commentator euforisch juichen en zeggen dat ik op weg ben naar de overwinning in een heroïsche bergrit.  De minste kasseistrook wordt plotsklaps het Bos van Wallers.  Over die strook dender ik naar de eindmeet.  Jawel, in mijn hoofd heb ik al een indrukwekkend palmares bijeengefietst.  In mijn hoofd wordt mijn naam samen uitgesproken met Eddy Merckx.  Wij staan op gelijke hoogte.  In mijn hoofd weliswaar, laat daarover geen misverstand bestaan.  In het echte leven zucht ik bij de minste tegenwind en verlang ik naar een elektrische fiets.  U ziet, aan mij is geen wielrenner dood gegaan.
 
Maar het voorgaande deed mij terugdenken aan uw boek.  In uw boek ondergaan enkele van de hoofdrolspelers hetzelfde fenomeen.  Ook zij vervellen in hun hoofd tot zegevierende wielrenners.  Wij hebben iets gemeen.  Die gemeenschappelijke band bracht mij terug tot mijn voornemen.  Dat voornemen u ooit een brief te sturen.  Belofte maakt schuld, dat zegt een oud gezegde.  Het werd tijd mijn schuld af te lossen.
 
Uw boek stond al een tijdje in mijn kast.  Ongelezen.  Iets weerhield mij aan uw boek te beginnen.  Nochtans had ik positieve kritieken gehoord en gelezen.  Maar telkens ik naar uw boek greep, kon ik maar niet beginnen.  Heel misschien was het die schreeuwerige zelfklever op de kaft.  Daarop wordt gemeld dat Ventoux het boek van de maand is.  Toch volgens het boekverkoperspanel van DWDD.  Lange tijd was ik in het ongewisse wie of wat DWDD was.  Google bracht mij het antwoord.  DWDD staat voor De Wereld Draait Door.  Niemand minder dan Matthijs van Nieuwkerk raadde uw boek aan.  Matthijs, een sympathiek man.  Mijn voorbehoud brokkelde af.  Ik nam het boek ter hand.
 
Ik begon aan het boek.  Een oerboek over vriendschap.  Zo werd het boek omschreven op diezelfde schreeuwerige zelfklever.  Alweer een lichte overdrijving, dacht ik.  Een truc van de foor, zoals zij bij ons zeggen.  
 
Een boek moet gesavoureerd worden.  Een boek moet men heel zachtjes tot zich nemen.  In kleine stukjes.  Ik weet dat dit wel eens beweerd wordt.  Maar die bewering was bij dit boek van geen tel.  Van savoureren was geen sprake.  In sneltreinvaart raasde ik naar het einde.  Ik verslond het boek.  Want ik wou weten.  Ik wou weten of die vriendschap overeind zou blijven of toch finaal zou imploderen.  Vurig hoopte ik op een happy end.  Want dat was wat ik die zes vrienden bovenal gunde.  Tijdens het lezen waren die vijf jongens en één meisje deel van mij geworden.  Het leek alsof ik werd opgenomen in hun vriendenkring.  Alsof ik in hun wiel de Ventoux op- en afreed.
 
Met het dichtslaan van het boek sloot ik die zes vrienden in mijn hart: David, Peter, Laura, Bart, Joost en André.  Ik wou hen niet loslaten.  Toch niet onmiddellijk.  Een tijdje wou ik hen nog vergezellen om er zeker van te zijn dat het verder goed zou gaan met hen.  Maar dat kan niet.  Dat is onmogelijk.  Dat is eigen aan dit soort boeken.  Dit soort boeken wordt ingedeeld in fictie.  Die indeling zegt alles.
 
Beste Bert, ik wil u danken.  Danken voor dit heerlijke, spannende boek.  Dit boek was ontroerend mooi.  Eenvoud kan krachtig zijn.  Dat wordt bewezen met dit boek.  Een eenvoudig verhaal maar op een dergelijke wijze verteld dat het die eenvoud verre overstijgt.  Het boek zit nog steeds in mijn hoofd.  Heel af en toe keer ik nog even terug.  Om te genieten.  Het boek is intussen teruggeplaatst in de boekenkast.  Als ik de rug bemerk van het boek, krimpt mijn hart heel eventjes.  Omwille van die ontroerende schoonheid, in dat boek verwoord.  Omwille van die warme vriendschap, evenzo verwoord in dat boek.
 
Ik zal het boek aanprijzen.  Aan vrienden.  Aan vriendinnen.  Als zij mij zullen vragen waarom zij het boek moeten lezen, zal ik niet aarzelen.  Het is een oerboek over vriendschap, dat zal ik hen zeggen.  Zoals op die zelfklever op de kaft.  Dat is de kern.  Meer moeten ze zelf ontdekken.  Zoals ik heb gedaan.  Dat ontdekkend plezier wil ik hen niet ontnemen door al te enthousiaste uitweidingen.  Een oerboek over vriendschap, dat moet volstaan.
 
Met vriendelijke groeten.
 

dinsdag 4 maart 2014

Cyrano. Gezien in Minard.

Over wat praten mensen toch, net vóór een voorstelling? Die vraag stel ik mij telkens weer bij al dat geroezemoes.  Dan tracht ik flarden op te vangen.  Om zo een antwoord te vinden op die vraag.  Ik richt mijn oor naar die woorden, die helder klinken.  Naar die woorden, die duidelijk klinken.  Naar die woorden, die dat geroezemoes overstijgen.  Dat deed ik gisteren ook.  Het door mij heimelijk meegevolgde gesprek ging niet over de kinderen.  Niet over het weer.  Niet over professionele besognes.  In die korte tijd vóór de voorstelling begon mijn buurman een gesprek over de evolutietheorie.  Geen banaliteiten voorwaar.  De man babbelde, de vrouw luisterde.  Ik glimlachte.
 
Na de voorstelling dacht ik terug aan dat gesprek.  Omdat het eigenlijk nauw aansloot bij het thema van de voorstelling.  Zo dacht ik er toch over.  Deze voorstelling gaat over de liefde.  Over de taal.  Over de verhouding tussen beide.  Een moeilijke verhouding.  Een bijzonder moeilijke.
 
Verliefdheid vraagt om woorden.  Het is bijna een noodzakelijkheid.  Harten moeten veroverd worden.  Het verlangen moet vertaald worden.  Woorden zoeken hun weg naar het hart van de begeerde.  Als pijlen op de boog van de verleiding worden zij afgeschoten.  Welgekozen, nauwkeurig gewikt en gewogen.  Schroom bestaat niet.  In het verleidelijke liefdesspel mag het net dat ietsje meer zijn.  Jawel, wij belijden onze liefde.  Een amoureuze geloofsbelijdenis in zoete, zachte woorden.  Fluisterend gedeclameerd.  Kalligrafisch neergeschreven.
 
Na de verliefdheid komt de liefde.  Dat wordt wel eens gezegd.  Droom wordt realiteit.  Met die omschakeling lijkt de taal te verstommen.  De alledaagse realiteit lijkt de liefde te verstikken.  Die ooit gekoesterde droom wordt bedolven onder sleur en alledaagsheid.  Net op dat moment wordt die taal opnieuw noodzakelijk.  Maar net op dat moment treedt schroom opnieuw in.  Sentimentaliteit lijkt verboden terrein.  Kwetsbaarheid mag niet getoond worden.  Wij moeten door.  Wij moeten verder.  Racend verliezen wij ons in onze carrière.  In onze dagdagelijkse beslommeringen.  Liefde lijkt als al te natuurlijk beschouwd te worden.  Als een evidentie.  Wij zijn een koppel.  Dat is meer dan duidelijk.  Voor ons.  Voor de buitenwereld.  Dan hoeven woorden toch niet meer.  Zo denken wij.  Liefde verstilt.  Liefde wordt niet meer vertaald.  Enkel verbeeld in dat eeuwenoude beeld van koppel.
 
Meer nog dan verliefdheid heeft liefde woorden nodig.  In het begin is Cyrano een krachtpatser met woorden.  Hij goochelt met taal.  Vastbesloten om zijn geliefde tot de zijne te maken.  Duidelijke directheid wordt vermeden.  In omzwachtelde, talende romantiek verpakt hij zijn verlangen.  Brieven schrijft hij.  Listen gebruikt hij.  Alles doet Cyrano om te slagen in dat ene.  Om te slagen in de liefde.  In al die pogingen overheerst één ding: de taal.  Hij zal niet zwijgen.  Hij zal nooit stoppen de liefde te verklaren.  Tot op het moment dat Roxane zal zwichten.  Dan pas zal hij zwijgen.  Dat zegt hij.  Dat doet hij.  Dat zien wij aan het einde van de voorstelling.  Roxane en Cyrano zijn eindelijk samen.  Een koppel.  Cyrano hakkelt.  Cyrano stottert.  De taal lijkt hem te ontglippen.  Alsof het overbodig lijkt.  Want nu heeft hij de liefde.  Dat moet volstaan.  Toch? Taal wint.  Liefde zegeviert.  Taal verglijdt.  Liefde kapseist.  Dat lijkt de bottomline te zijn.
 
Ik denk terug aan dat oudere koppel.  Aan hun gesprek.  Pas nu begrijp ik het.  Niet wat hij zegt, is belangrijk.  Dat is slechts bijkomstig.  Dat hele gedoe over de evolutietheorie is slechts een middeltje.  Een middeltje om te verleiden.  Een middeltje om de liefde te betuigen.  Liefde heeft woorden nodig.  Liefde heeft meer nodig dan alledaagsheid.  Dat gesprek lijkt een poging tot het overstijgen van die alledaagsheid.  Een geslaagde poging? Hierover kan dan weer gediscussieerd worden.
 
Gisteren zag ik Cyrano.  Prachtige vertolkingen.  Prachtige tekst.  Prachtig decor.  Prachtige muziek.  In die gecombineerde pracht mocht ik één avond vertoeven.  Ik heb geluisterd.  Ik heb gekeken.  Ik werd meegesleurd.  Want dat is wat liefde doet.  Nog altijd.  Het sleurt u mee.  In een dolle roetsjbaan.  Die avond was ik geen toeschouwer.  Ik werd betrokken partij.  Verschillende malen wou ik Cyrano dat ene, nodige zetje geven.  Dat noodzakelijke zetje, dat hem tot Roxane kon brengen.  Maar ik deed het niet.  Ik aarzelde.  Ik bleef aan de kant.  Het was een heerlijke rit.  Het was een magische avond.
 
Cyrano.  Een ode aan de liefde.  Een ode aan de taal.  Een ode aan de combinatie van beide.

Speellijst:
Cyrano – NTG.

maandag 24 februari 2014

Strijd tegen de armoede. Een breekpunt?

Legaliseren van cannabis.  Dat bleek één van de prioriteiten te zijn op het congres van de SP.A.  Ik weet het, ik ga hierbij wat al te kort door de bocht.  Ik focus mij op slechts één van de vele aangenomen programmapunten op het partijcongres van het voorbije weekend.  Daarmee doe ik heel misschien afbreuk aan het eigenlijke programma van de partij.
 
Toen ik zaterdagmiddag tijdens het middagjournaal de jongerenvoorzitter dit standpunt hoorde verdedigen, knipperde ik met de ogen.  Een hevige vloek kon ik nog net onderdrukken.  Jawel, ik heb een goede opvoeding gehad.  Maar die harde klap met mijn vuist op tafel kwam er wel.  Hebben onze heren en dames socialisten het nog altijd niet begrepen? Heel waarschijnlijk was een groot deel van de partijmilitanten vrijdagavond al te zwaar doorgezakt en had dit zijn invloed op de geestelijke alertheid tijdens het congres.
 
Ik had vuurwerk verwacht.  Ik had verwacht dat uw partij onze verontwaardiging in rode letters en ontelbare uitroeptekens zou uitschreeuwen.  Ik had verwacht dat u hard op tafel zou kloppen.  U deed een poging.  Een te bescheiden poging.  Uw motor sputterde.  Uw betoog klonk al te zwak.
 
In deze tijden horen socialisten op de barricaden te staan.  Breekpunten dienen geformuleerd te worden.  Hard en met volle overtuiging.  No pasaran, zo zou het moeten klinken.  Dat u geen opvolger wenst voor de F16 is mooi.  Dat u de kernwapens weg wil uit Kleine Brogel is leuk.  Dat u voorgaande omschrijft als een breekpunt kan als duidelijk omschreven worden.  Maar eenzelfde duidelijkheid verwacht ik inzake het sociaaleconomische beleid.  Want ik stel vast dat de klemtoon hierbij al te vaak wordt gelegd op het puur economische en dat het sociale ondergesneeuwd raakt.
 
België wordt geconfronteerd met een loonhandicap.  In het wegwerken van die handicap klinken remedies als het afbouwen van het minimumloon en het mogelijk maken van mini-jobs.  Sociale bescherming lijkt minimaal te worden in de poging ons land opnieuw vooruit te duwen in het lijstje van economisch goed renderende landen.  Collectieve arbeidsovereenkomsten zouden niet meer nationaal onderhandeld hoeven te worden, wel enkel nog op bedrijfsniveau.  Solidariteit wordt afgebouwd.  Door de kracht van verandering krijgen deze scenario’s meer bijval.  Werkgeversorganisaties vinden al te gemakkelijk gehoor bij op wolken drijvende partijen.  Weerwerk blijft al te lang uit.  Integendeel, voorzichtig wordt door regeringspartijen mee gestapt in dit verfoeilijke debat.  Er wordt gemorreld aan de index.  Er wordt werk gemaakt van de beperking in tijd van de werkloosheidsvergoeding.
 
Ik had het niet verwacht maar toch neem ik die woorden in mijn mond: de rijken worden rijker, de armen armer.  De inkomensongelijkheid neemt toe.  Ook in België.  Maar toch wordt het armoedebeleid geen strijdpunt.  Ik hoor het niet geformuleerd worden als breekpunt.  In plaats van een structureel beleid uit te bouwen met duidelijk vooropgestelde doelen blijven wij aanmodderen.  Een recent in het leven geroepen kinderarmoedefonds moet soelaas bieden.  De overheid treedt terug, het publiek wordt ingeschakeld.  Een openlijke erkenning van een failliet beleid.  Had de regering voor het redden van de banken een ‘red de banken’-fonds opgericht, diezelfde regering zou worden uitgejouwd.  Het verwijt van onbekwaamheid zou haar deel zijn.  Maar bij een kinderarmoedefonds blijft het bijna oorverdovend stil.  Alsof kinderarmoede en armoede in zijn geheel helemaal geen prioriteit zijn.
 
Jawel, het is crisis.  Maar dat betekent niet dat wij enkel moeten focussen op de economie.  Wij moeten breder durven kijken.  Wij moeten durven erkennen dat andere sectoren om een even krachtdadig beleid vragen.  Dat andere sectoren eveneens recht hebben op een urgente kapitaalinjectie.  Niet enkel het bedrijfsleven heeft recht op een urgente en prioritaire behandeling.
 
Daarom beste kameraden, kruip die barricaden op.  Niet schuchter maar zelfverzekerd.  Neem de handschoen en de daarbij horende uitdaging aan.  Armoede, dat moet uw strijdpunt worden.  Samen met de erkenning dat de midden- en hogere klassen het goed hebben.  Want dat moet ook duidelijk gesteld worden.  Al te vaak vervallen wij in geklaag.  Al te vaak wijzen wij verongelijkt met het vingertje.  Ik, ik, ik, ik, ik, … Dat lijkt de leidraad te moeten worden van een overtuigend regeringsbeleid.  Maar wij hoeven geen doktersbezoek uit te stellen omwille van financiële overwegingen.  Onze sociale positie heeft geen negatieve invloed op onze studieresultaten.  Onze sociale positie isoleert ons niet en verhindert geen deelname aan het maatschappelijke leven.  In ons geklaag blijven wij al te vaak blind voor het dagelijkse gevecht van een groeiende onderlaag.  
 
Ga de strijd aan.  Pas als die strijd gestreden is, mag u, zonder schrik voor mogelijke vervolging, een jointje opsteken.  Met veel plezier zal ik u een vuurtje aanreiken.  Maar nu eerst aan het werk.