donderdag 6 juli 2017

Uitgelezen: De overloper. Brief aan Siegfried Lenz.

Beste Siegfried,
 
Alweer een boek over de Tweede Wereldoorlog.  Die oorlog lijkt een onuitputtelijke bron te zijn voor romans.  In mij kwam spontaan de vraag op of uw boek zich voldoende zou kunnen onderscheiden van de andere boeken met diezelfde oorlog als onderwerp.
 
Uit mijn inleidende woorden tot deze brief zou u enige terughoudendheid kunnen afleiden tegenover uw boek.  Een zekere gereserveerdheid.  Dat klopt misschien.  Ik kan het niet ontkennen.  Maar een lezer moet verder kijken dan die terughoudendheid.  Het boek zomaar aan de kant leggen, kan niet.  Een boek moet gelezen worden.  Dat is net het wonder van boeken.  Bij het lezen van een boek kan datzelfde boek groeien.  Bloeien.  Men moet verder kijken dan de neus lang is.  Zoals in het echte leven.  In dat echte leven moet men ook verder kijken.  Om schoonheid te ontdekken.  Om waarheid te ontdekken.  Ik wist wat gedaan.  Ik moest aan de slag.  Ik ging lezen.  Ik ging uw boek lezen.
 
Al vrij snel mocht ik datgene ervaren wat bij het lezen van een boek vaak gebeurt.  Het boek opende zich voor mij.  Het boek onthulde aan mij zijn schoonheid.  Het openbaarde zich.  Ik kon enkel dankbaar aanvaarden.  Vaak wordt gezegd dat schoonheid relatief is.  Maar in deze niet.  In deze was de schoonheid absoluut.  Die schoonheid openbaarde zich op vele domeinen.  Niet slechts op één.  Die schoonheid maakte het boek tot een unicum.  Tot een boek, dat zich onderscheidde van zijn collega-boeken.
 
De wereld, die door de schrijver wordt geschetst, straalt eenzaamheid uit.  Angst.  Twijfel.  Uitzichtloosheid.  De wereld, waarin de personages vertoeven, is een wrede wereld.  Een gekke wereld.  Tegenover die wereld plaatst de schrijver een taal, die alles nog zwarter kleurt.  De taal is te mooi.  De taal is te poëtisch.  Op die manier diept de schrijver het contrast verder uit.  Het contrast tussen de gebruikte taal en de geschetste wereld.  Het lijkt alsof de schrijver met zijn gekozen stijl en taal een brug te ver gaat.  Oorlog vraagt niet om dichterlijkheid.  Oorlog vraagt nuchterheid.  Door die welgekozen woorden lijken bombardementen bijna symfonieën.  Doodslag en moord lijken door die woorden ouvertures geworden.  Symfonieën en ouvertures die vragen om gehoord te worden.  Dat mag niet.  Dat lijkt niet juist.  Toch is het dat wel.  Want net door die welgekozen woorden wordt de oorlog nog gruwelijker.  Nog gewelddadiger.  Nog wreder.
 
In het boek lijkt enkel plaats te zijn voor kommer en kwel.  Toch is het niet zo.  De schrijver laat licht schijnen in het boek.  Weinig licht.  Slechts een sprankeltje.  Maar dat volstaat om te hopen.  Hoop kan redding brengen in die uitzichtloze dagen.  In die bijna verloren situatie.  Wanda moet die hoop verzinnebeelden.  Liefde overwint alles.  Dat wordt gezegd.  Maar geldt die waarheid ook in tijden van oorlog.  Ik weet het niet.  Heel misschien kan het een reden zijn om te overleven.  Om te willen overleven.  Liefde kan een tegengif zijn.  Een heilzaam tegengif.  Liefde kan het verlangen voeden.  Het verlangen naar een betere toekomst.  Een mooiere toekomst.  Vrij van oorlog en geweld.  Liefde maakt zacht.  Dat is misschien nodig om zichzelf niet te verliezen in die constante hardheid.  Enige zachtheid in een te ruw geworden wereld, het kan helend werken.
 
Bij die passages met Wanda moet ik denken aan die ene film van Steven Spielberg.  Schindler’s List.  In één fragment komt een meisje gewandeld.  Dat meisje heeft een rood kleedje aan.  Dat rood is de enige kleur in de anders volledig zwart-witfilm.  Dat rood kleedje heeft hetzelfde effect als Wanda.  Beide beogen hetzelfde effect.  Net zoals de gebruikte taal in het boek moet Wanda het contrast met de wrede oorlog scherp stellen.  Liefde tegenover oorlog.  Hoop tegenover uitzichtloosheid.
 
In het boek worden ook allerlei vragen gesteld.  De auteur legt die vragen in de mond van zijn personages.  Zo stelt Walter Proska, het hoofdpersonage, zich de vraag of er in tijden van oorlog wel plaats kan zijn voor pacifisme.  Hij weet het niet.  Hij twijfelt.  Toch meent hij dat aan de kant blijven staan geen optie kan zijn.  Er moet iets ondernomen worden om de oorlog uit te roeien.  Te beëindigen.  Die gedachtegang brengt hem tot een bijzonder besluit.  Hij loopt over.  Naar de andere kant.  Omdat hij meent dat die andere kant die oorlog daadwerkelijk kan uitroeien.  Door in hetzelfde kamp te blijven zou hij enkel de oorlog verlengen.  Dat overlopen beschouwt hij als een daad van pacifisme.  Maar zou die gedachtegang geen mooie verpakking kunnen zijn voor lafheid.  Per slot van rekening laat hij zijn strijdmakkers in de steek.  Kiest hij voor het winnende kamp.  Walter Proska lijkt zeker van zijn stuk.  Hij lijkt niet te twijfelen.  Ik, als lezer, weet het niet zo goed.  Ik maak voorbehoud.
 
De oorlog eindigt.  Stopt.  Er zijn winnaars.  Er zijn verliezers.  Nieuwe tijden breken aan.  Het zwart/grijze van de oorlog gaat liggen.  Verdampt.  De nieuwe tijden lijken zich te hullen in frisse kleuren.  In heldere kleuren.  Althans, dat is wat wordt verwacht.  Toch lijkt dat niet te gebeuren.  Er zijn nog te veel onzekerheden.  Wat is er intact gebleven van de dromen? Dromen, die men in oorlogstijd gekoesterd heeft.  Blijven die dromen overeind? Hoe realistisch blijken diezelfde dromen te zijn? 
 
Boven al die onzekerheden drijft die ene vraag.  De schuldvraag.  Walter Proska heeft een geheim.  Een geheim, dat hij met niemand kan delen.  Hij doodde iemand.  Iemand die hem genegen was.  In tijden van oorlog gebeuren dingen.  Dingen, die op het moment heel misschien te begrijpen zijn.  Te verklaren zijn.  Maar blijft dat begrip ook overeind in vredestijd? Kan die verklaring ook in vredestijd gelden? Walter Proska twijfelt.  Daarom zwijgt hij.  Daarom zal hij nooit een vrij mens zijn.  Te zeer gevangen in die schuldvraag.
 
Beste Siegfried.  Ik wil mij verontschuldigen.  Omdat ik aanvankelijk twijfelde.  Dat bleek niet nodig te zijn.  Daarvoor mijn excuses.  Ik wil u ook danken.  Voor dat prachtige boek.  Voor die wonderlijke taal.  U schreef een meesterwerk.  Dat zijn niet mijn woorden.  Die woorden gebruikte Frankfurter Allgemeine Zeitung.  Ik las uw boek.  Ik durf die woorden nu te herhalen.  Die woorden van FAZ worden ook mijn woorden.  Want u overtuigde mij.  Op meesterlijke wijze.  Op betoverende wijze.
 
Beste Siegfried.  Van harte dank.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 4 juli 2017

Mooie liedjes: Helsinki. Brief aan Thomas Vanelslander (en bij uitbreiding aan Pim De Wolf, Ace Zec en Joos Houwen).

Beste Thomas,
 
Het kan soms raar lopen in een mensenleven.  Een samenloop van omstandigheden kan tot verrassende resultaten leiden.  Zo las ik onlangs Vos van Leon Verdonschot.  Een boek over Luc De Vos.  Hij was de frontman van Gorki.  Die band zal u niet vreemd zijn.  U was gitarist in die Gentse groep.  Het lijkt vreemd dat ik dit allemaal herhaal voor u.  Alsof u hiervan niet op de hoogte zou zijn.  Toch wil ik dit omweggetje maken.  Soms is een kromme lijn te verkiezen boven een rechte lijn.  Die omweg heb ik nodig om aan te tonen dat wij ooit iets hebben gedeeld.  Wij deelden Luc De Vos.  Voor u was hij een vriend.  Voor mij was hij een idool.  Ik moet toegeven, idool is misschien een te groot woord.  Maar ik had het volle respect voor Luc.  De manier waarop hij zich presenteerde naar de buitenwereld toe kon op mijn goedkeuring rekenen.  Grappig.  Steeds met een kwinkslag.  Het jongetje, dat weigerde volwassen te worden.  Jawel, hij had mijn volle sympathie.
 
Over het boek schreef ik een stukje op mijn blog.  In de vorm van een brief gericht aan de auteur.  Omdat wij dat ene gemeenschappelijke hadden, meende ik dat ik die brief ook aan u mocht doorsturen.  Ik dacht dat het u wel zou kunnen interesseren.  Omwille van uw verleden, dat deels in Gorki lag.  Corresponderen met om het even wie is deze dagen geen enkel probleem meer.  Vroeger was het anders.  Toen moesten brieven geschreven worden.  Met pen.  Brieven moesten verstuurd worden per post.  Indien het thuisadres van de bestemmeling niet gekend was, kon de brief niet verstuurd worden.  Zo eenvoudig was het toen.  Nu is het anders.  Nu hebben we Facebook.  Facebook verving de postbode.  Facebook maakt iedereen bereikbaar.  Of toch bijna iedereen.  U was bereikbaar.  Ik zond u de brief.
 
Die brief kreeg een vervolg.  Wij werden vrienden.  Op Facebook.  Dat maakt een verschil.  Tussen een vriend op Facebook en een vriend in de echte wereld gaapt een kloof.  Een kloof, die nooit of toch heel zelden kan overbrugd worden.  Ik ben mij daarvan bewust.  Maar het geeft wel aan dat ik een gezonde interesse betoon in wat u doet.  Beroepsmatig.  Het interesseert mij te weten wat u muzikaalgewijs nog doet.  Ik wilde weten of er nog leven was na Gorki.
 
Dat leven bleek er te zijn.  Dat stelde ik al snel vast.  U zond mij een uitnodiging.  U vroeg mij de FB-pagina van Helsinki leuk te vinden.  Helsinki? Dat bleek uw nieuwe project te zijn.  U had mij nieuwsgierig gemaakt.  Ik ging op onderzoek.  Het eerste, dat ik opmerkte, was dat het begrip nieuw in ‘nieuwe project’ relatief was.  Eind 2015 bracht u een EP uit: The Band Not The City.  U draait dus al een tijdje mee.
 
Helsinki blijkt een groep te zijn met als thuisbasis Gent.  U verzamelde rond u een aantal collega-muzikanten.  Pim De Wolf van Thou.  Van Lords of Acid.  Ace Zec van Nailpins.  Van Customs.  Joos Houwen van DVKES.  Van The Tellers.  Samen vormen jullie Helsinki.  Nu zou u kunnen denken dat ik enkel over uw band gelezen heb.  Dat is niet zo.  Ik deed meer.  Ik ging ook luisteren.  De mogelijkheden om nieuwe muziek te leren kennen, zijn in deze moderne tijden velerlei.  Een tastbaar schijfje is niet echt meer nodig.  Andere oplossingen zijn mogelijk.  Eén van die oplossingen bracht mij naar The Band Not The City, uw debuut EP.
 
Vettig.  Dat is het eerste woord, dat in mij opkomt als mij zou gevraagd worden uw muziek te omschrijven.  In kringen van dieetgoeroes zou dat woord allerlei alarmlichtjes doen knipperen.  Dat is niet zo in de wereld van muziek.  Bij vettige rock gaan muziekliefhebbers op de rand van hun stoel zitten.  Ik luister en denk aan The Black Keys.  Die link moet aantonen dat uw muziek niet kan ingeperkt worden door Belgische grenzen.  U klinkt internationaal.  Om aan te tonen dat u gegroeid bent uit goede, Belgische potgrond kan ik u ook nationaal linken.  Ik zou u dan willen koppelen aan Triggerfinger.  Aan hun debuutwerk.  Die klinkt meer rechttoe rechtaan.  Minder gepolijst dan hun latere werk.  Aan die heerlijke begindagen doet uw muziek denken.
 
Aan het eind van uw EP kwam u met een aangename verrassing.  U kwam met een cover.  Een cover van één van mijn helden.  U bracht Red Right Hand van Nick Cave.  Ik zag het staan.  Ik dacht aan een gewaagde gok.  Aan het werk van Nick Cave raakt men niet ongestraft.  Dat kan enkel uitdraaien in het nadeel van degene, die covert.  Mijn held kan niet geëvenaard worden.  Kan niet overtroffen worden.  Maar dan hoorde ik uw versie.  U overtuigde mij van het tegendeel.  U bracht een eigen versie.  Een versie, die op zichzelf kan staan.  Ik dacht niet langer aan Nick Cave.  Ik dacht aan Helsinki, die lefgozers uit Gent.  Die lefgozers, die het aandurfden te raken aan Nick Cave.  Die lefgozers, die slaagden in hun opzet om een meesterwerk op een waardige wijze eer te betuigen.
 
Nu zou u kunnen denken dat enkel die ene cover mij overtuigde.  Dat enkel de interpretatie van andermans werk mij kan overtuigen van uw vakmanschap.  Zo is het niet.  Uw eigen werk bevestigt en onderstreept datzelfde vakmanschap.  Better way.  Fire, fire, fire.  Restless.  Heerlijk.  Ik luister en denk aan een podium.  Want dat is waar uw muziek om vraagt.  Waar uw muziek om schreeuwt.  Dat is ook waar ik naar uitkijk.  Naar een concert.  Ik wil jullie live aan het werk zien.  Want deze muziek moet gespeeld worden.  Moet luid gespeeld worden.  Als dat gebeurt, zal er gesprongen worden.  Zal er gedanst worden.  Helsinki op een podium.  Dat moet echte rock-’n-roll zijn.  Dat moet een feestje zijn.  Dat kan niet anders.  Daar wil ik bij zijn.  Ook dat kan niet anders.
 
Beste Thomas.  Het heeft lang geduurd.  Heel misschien te lang.  Maar nu heb ik jullie ontdekt.  Nu zal ik jullie volgen.  Nu zal ik uitkijken naar jullie volwaardige debuutalbum.  Want dat komt er aan.  Dat heb ik gelezen.  Helsinki, ik heb de band ontdekt.  Niks zal ooit nog hetzelfde zijn.
 
Ik wens jullie veel succes.
 
Met vriendelijke groeten.
 

donderdag 29 juni 2017

Uitgelezen: De tolk van Java. Brief aan Alfred Birney.

Beste Alfred,
 
Op één van de eerste bladzijden staat een korte samenvatting van het boek: ‘waarin de herinneringen van een kamerolifantje, de memoires van een oorlogstolk gehamerd op een schrijfmachine, onderbroken met verhalen, brieven en gemopper van de oudste zoon, becommentarieerd door zijn broer’.  Korter zou ik het boek niet kunnen samenvatten.  U doet dat goed.  Beter kan niet.  Ik zou het hierbij kunnen laten.  Ik zou mijn brief hier kunnen afsluiten.  Ik zou u het beste kunnen wensen.  Ik zou u veel succes kunnen toewensen in uw verdere schrijverscarrière.  Een dergelijk briefje zou evenwel waardeloos zijn.  Dat meen ik te mogen denken.  Bovendien zou u kunnen gaan denken dat over uw boek niks anders te vertellen valt.  Ik zou u dus achterlaten met een naar, knagend gevoel.  Dat wil ik niet.  Ik zal mijn brief dus niet afsluiten.  Ik ga nog even door.
 
Ik lees uw boek.  Ik denk terug aan mijn jeugd.  Want dat is wat u doet.  U laat de vader zijn verhaal vertellen.  Net als de zoon.  Zij vertellen hun leven.  Samen met hen reis ook ik terug.  Terug naar mijn verleden.  Op het ritme van het boek komen herinneringen binnen bij mij.  Ik ben een zondagskind.  Dat is wat ik denk.  Ik denk terug aan mijn ongeschonden jeugd.  Mijn schone jeugd.  Dat is heel wat anders dan de vader en de zoon uit uw boek.  Voor hen was het leven zwaar.  De harde hand, zo werden zij opgevoed.  Met grote ogen lees ik hun verhaal.  Ik ben ontzet.  Overdonderd.  Verbijsterd.  Toch lees ik door.  Het boek gaat niet aan de kant.  Ondanks die kommer en kwel oppert de vader dat zijn jeugd toch geweldig was.  Een ontboezeming, die mij tot tranen toe roert.  Want uit wat haalt de vader dat geweldige.  Wat doet hem tot dat besluit komen.  Ik kan het bijna niet begrijpen.  Slagen en een geweldige jeugd, het botst.  Volgens mij toch.
 
De vader schrijft mee de geschiedenis van zijn land.  Die rol als auteur maakt dat hij voortdurend moet kiezen.  Hij moet bepalen tot welk kamp hij zal kiezen.  Hij moet kiezen aan wiens zijde hij zal strijden.  Tegen de Japanners.  Met de Nederlanders.  Aan de kant blijven en gewoon toekijken blijkt geen optie.  Dat kiezen heeft consequenties.  De scheidslijnen lopen door families heen.  Stellen vriendschappen op de proef.  Familie en vrienden komen tegenover elkaar te staan.  Trouw en loyauteit, dat worden kernwoorden in het leven van de vader.  Aan die twee waarden toetst hij alles af.  Die twee waarden bepalen telkens zijn beslissingen.
 
Ik lees over die oorlog.  Ik merk wat oorlog doet met een taal.  Eerste Politionele Actie.  Zo wordt de oorlog genoemd.  Zo wordt de strijd genoemd.  Die woorden verhullen.  Doen vergeten dat een oorlog uitgevochten wordt.  Een oorlog met doden.  Met gewonden.  Een oorlog met begane gruwelijkheden.  Langs beide kanten.  Een oorlog lijkt nood te hebben aan eufemismen.  Zoals tegenwoordig burgerslachtoffers worden aangeduid als collateral damage.  Dat lijkt een oorlog minder erg te maken.  Moet een oorlog meer aanvaardbaar maken.  Bij de mensen, die thuis het nieuws volgen.  Voor die mensen moet de wrede waarheid in- en bijgekleurd worden.  Die neiging tot verhullen merk ik ook bij de functie van de vader.  Hij is tolk.  Dan verwacht ik een assisterende rol.  Dat is het niet.  Hij heeft een leidende rol.  Bij ondervragingen.  Hij foltert.  Hij martelt.  Eén van de zoons noemt de vader zelfs een massamoordenaar.  Dat is heel wat anders dan tolk.  Maar misschien moet die functieomschrijving dienen voor de eigen gemoedsrust.  Om het eigen geweten achteraf te kunnen schoon wassen.
 
Oorlog is en blijft oorlog.  Het kan mooi aangekleed worden.  Het kan mooi ingekaderd worden.  In een poging om een oorlog rechtvaardig te doen lijken.  Want rechtvaardigheid doet oorlog aanvaarden.  Maar die pogingen lukken niet.  Oorlog blijft gelijk staan met het doden van mensen.  Met het vermoorden van mensen.  Al te vaak wordt vergeten wat dat doden doet met mensen.  Met soldaten.  Het blijft in hun hoofden.  Het beïnvloedt hun leven.  Niet enkel hun leven.  Ook het leven van hun naasten.  Kinderen.  Echtgenotes.  De strijd aan het front dringt ook de huiskamer binnen.  Het blijft nawerken.  Het stopt nooit.  Uw boek illustreert deze stelling op een pijnlijke wijze.
 
Ik lees uw boek.  Ik denk aan die andere oorlog.  Die oorlog in Vietnam.  Ik zie een gelijkaardig verloop.  Eenzelfde chaotische aftocht.  Van de verliezende partij.  Op de knieën gedwongen door taaie guerrillastrijders.  Overtuigd als zij waren van de goede zaak.  De verliezers blazen de aftocht.  Niet enkel in het verloop kan ik parallellen trekken.  Dat kan ik ook in de manier van omgaan met die oorlog.  In het schrijven van die geschiedenis.  Een moeilijke relatie, waarbij onaangename gevoeligheden uit de weg worden gegaan.  Dat stel ik niet alleen vast.  Dat doen ook de zonen.  Als zij de memoires van hun vader lezen.  Zij stellen vast dat die rol van tolken onderbelicht blijft in het verhaal van die oorlog.  Onderbelicht of helemaal niet belicht.  Uw boek levert een bijdrage.  Uw boek belicht een (bewust of onbewust) vergeten hoofdstuk uit die oorlog.  Het dwingt tot een herdenken.
 
Onlangs vertrok een vriendin naar Indonesië.  Naar Java.  Zij vroeg mij welk boek zij kon lezen.  Een boek over het land.  Ik dacht na.  Grondig en hard.  Ik kon niet verder komen dan Max Havelaar van Multatuli.  Andere boeken kon ik niet bedenken.  Nu kan ik dat wel.  Nu heb ik uw boek.  Dat zal ik aanraden.  Niet enkel aan hen die naar Java reizen.  Ik zal het aan iedereen aanraden.  Omdat uw boek een noodzakelijk boek is.  Omdat uw boek een verhaal vertelt dat ik nauwelijks kende.  Uw boek maakte mij wijzer.  Over één stukje uit de grote wereldgeschiedenis.
 
Beste Alfred.  Ik wil u danken.  Voor dit verhelderende boek.  Voor mijn nieuwe inzichten.  Dat ik via uw boek kreeg.  Maar ik wil u niet enkel danken.  Ik wil u ook feliciteren.  Want u won met dit boek de Libris Literatuur Prijs.  Het juryrapport spreekt van een beklemmende, aangrijpende en literair voortreffelijke roman.  Dat kan ik enkel beamen.  Dat kan ik enkel bevestigen.
 
Ik wens u alle succes toe in uw verdere carrière als schrijver.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 27 juni 2017

Allez, Chantez. Part two. Dit was alweer wonderlijk goed. Brief aan Annelore Camps en Jan Cherlet.

Beste Annelore,
Beste Jan,
 
Eén keer was ik gegaan.  Dat is nu al een tijdje terug.  Ik was enthousiast.  In die mate zelfs dat ik u een brief stuurde.  Omdat ik vol lof was over uw initiatief.  Eén keer was ik dus gegaan.  Die ene keer volstond om te weten dat ik nog eens zou terugkeren.  Mijn eerste enthousiasme diende bevestigd te worden.  Goede dingen moeten herhaald worden.  Ik keerde terug naar de Parnassuskerk.  Naar Allez, Chantez.  Ik keerde terug naar uw initiatief, waarvan ik hoopte dat het opnieuw zou uitgroeien tot een feestje.
 
Deze keer heb ik mijn bril bij.  Mijn leesbril.  Die was ik de vorige keer vergeten.  Dat was jammer.  Dat gemis was een rem op mijn enthousiasme.  Dat wilde ik deze keer vermijden.  Deze keer wilde ik niet geremd worden.  Ik wou voluit gaan.  Zonder remmen.  Ik ging mij smijten.  Totaal.  Volledig.  Dat had ik mij voorgenomen.
 
Ik stap de kerk binnen.  Met mijn bril.  Die maakt een wereld van verschil.  Dat merk ik meteen.  Bij het openingslied.  Elk woord kan ik meezingen.  Het boekje met de teksten, aan elke deelnemer uitgedeeld bij het begin van de zangstonde, onthult al zijn geheimen aan mijn brildragende ik.  Dat was de eerste keer anders.  Toen kon ik nauwelijks iets lezen.  Mijn bijdrage bleef toen vaak beperkt tot het refrein.  Tot neuriën.  Nu is het anders.  Nu kan ik alles meezingen.  Van begin tot einde.  Van alfa tot omega.  Geen enkel woord mis ik.  Mijn bril intensifieert mijn geluk.  Mijn genot.  Mijn enthousiasme.
 
U leest mijn brief.  Heel waarschijnlijk denkt u dat ik een onderlegd zanger ben.  Dat het zingen in mijn genen zit.  Dat is het niet.  Enig zangtalent is mij vreemd.  Toch was ik vorige week aanwezig.  Omdat ik weet dat zangtalent geen vereiste is.  Ik was aanwezig omdat ik weet dat Allez, Chantez doet wat muziek moet doen.  Muziek brengt mensen samen.  Muziek ontroert.  Dat bewijst u.  Ten overvloede.  Ook dat besef intensifieert mijn geluk.  Mijn genot.  Mijn enthousiasme.
 
Ik zing Spaans.  Ik zing Besame mucho.  Ik zing Kameroens.  Ik zing Alane.  Ik zing Frans.  Ik zing Sensualité.  Ik lijk een talenknobbel.  Taal lijkt vandaag geen hinderpaal.  Het liedjesboek doet mij slalommen langsheen deze taalobstakels.  Geen enkele taal houdt mij van het zingen af.  Ik schuif aan bij de enthousiaste menigte.  Ik zing uit volle borst mee.  Mijn tong slaat bijna in een knoop.  Maar ik geef niet op.  Ik ga door.  Met een glimlach.  De grote wereld lijkt vandaag aanwezig in de kerk.  Ik verbroeder.
 
Maar het is niet enkel die zangerige meertaligheid, die mijn geluk intensifieert.  Mijn genot.  Mijn enthousiasme.  Er is meer.  Veel meer.  Er zijn die kippenvelmomenten.  Die momenten, waarop mijn haartjes rechtop gaan staan.  Niet heel eventjes.  Niet kortstondig.  Wel gedurende één lied.  Ik zing en krijg het koud.  Soms doet emotie huiveren.  Ik heb het vorige week mogen ervaren.  Op meerdere momenten.  Wie kan er onverschillig blijven als honderden stemmen luidkeels Eenzaam zonder jou meezingen/meebrullen? Ik kan het niet.  Die avond kruipt Will Tura onder mijn huid.  De koning van het Vlaamse lied doet mij rillen.  Sidderen.  Hetzelfde gebeurt als wij Hotel California zingen van The Eagles.  Ik moet bekennen, dat liedje ben ik al moe gehoord.  Dat liedje ben ik beu.  Maar de samenzang verandert alles.  Ik ontdek opnieuw de schoonheid in dat lied.  Ik ontdek opnieuw wat dat lied tot een grote hit maakte.  Allez, Chantez doet verwelkte meesterwerken opnieuw openbloeien.  Ik heb het ervaren.  Ik was er bij.  Heerlijk.
 
Een roosje, mijn roosje.  Van Conny Vandenbos.  Ik kende het liedje.  Beetje carnavalesk.  Zo had ik het in mijn hoofd.  Een liedje geschreven om de polonaise op te dansen.  Dat dacht ik.  Maar ik dwaalde.  Dat besef ik als wij dat liedje gaan zingen.  Dat besef ik als de woorden tot mij doordringen.  Diep in mij binnendringen.  Ik zing.  Ik zou kunnen huilen.  Omwille van het verdriet, dat zich in het lied verbergt.  Dat verdriet had ik nooit opgemerkt.  Tot in de Parnassuskerk.  Dan ontdek ik waarom het draait.  Waarover het gaat.  Hartverscheurende liefde.  Liefde, die pijn doet.  Tranen wellen op.  Ik verdring ze.  Ik hou die tranen binnen.  Door te zingen.  Door luidop te zingen.  Om zo op gepaste wijze mijn eer te betuigen aan Roosje.
 
Ik zing With or without you.  Van U2.  Ik zing Pompeii.  Van Bastille.  Ik zing Ring my bell.  Van Anita Ward.  Ik zing Love is all around.  Van Wet Wet Wet.  Ik zing All I have to do is dream.  Van The Everly Brothers.  Ik zing Sing Hallelujah.  Van Dr. Alban.  Ik zing You got it.  Van Roy Orbison.  Ik zing What’s the pressure.  Van Laura Tesoro.
 
Ik zing.  Voor een tweede maal zing ik.  Voor een tweede maal kom ik naar Allez, Chantez.  Voor een tweede maal geniet ik.  Loop ik vol warmte.  Herhaling kan vervelen.  Maar niet nu.  Niet hier.  Ik kijk om mij heen.  Ik zie enkel lachende gezichten.  Ik zie enkel mensen, die voor heel eventjes op een andere planeet vertoefden.  Een planeet, ver weg van de dagelijkse beslommeringen.  Een planeet die Planeet van de Muziek noemt.  De Muziekplaneet.  Naar die planeet wil ik terug.  Dat voornemen maak ik als ik de Parnassuskerk buitenstap.  Hier kom ik terug.  Zeker weten.
 
Beste Annelore.  Beste Jan.  Ik wil jullie danken om mij naar die planeet te brengen.  Jullie zijn de perfecte gidsen op die heerlijke reis.
 
Van harte bedankt.

Met vriendelijke groeten.

donderdag 22 juni 2017

Tienduizend stappen. Makkelijk, toch?

Tienduizend stappen.  Dat moet een mens dagelijks zetten.  Een volwassen man.  Een volwassen vrouw.  Het maakt niet uit.  In deze wordt geen onderscheid gemaakt.  Geen glazen plafond.  Geen discriminatie.  In deze geldt volledige gelijkheid.  Tienduizend stappen.  Daarover bestaat eensgezindheid.  Studies komen tot eenzelfde conclusie.  Het begon met de Japanse dokter Hatano.  Hij onderzocht het verband tussen bewegen tijdens dagelijkse activiteiten en de gezondheid.  Die gezondheid kan men verbeteren door dagelijks tienduizend stappen te zetten.  Dat was zijn besluit.
 
Cijfers kunnen nuttig zijn.  Die cijfers vertellen dat volwassenen gemiddeld acht uur per dag stil zitten.  Als wij kijken naar de tijdsbesteding van de gemiddelde Vlaming merken we dat deze één jaar op het toilet zit.  Diezelfde Vlaming hangt zeven jaar zittend voor de televisie.  Daarbij dienen wij nog de ontelbare uren op te tellen dat onze Vlaming in de wagen, aan tafel of voor de computer zit.  U merkt het, Vlamingen leiden een overwegend zittend leven.
 
Tienduizend stappen.  Op één dag.  Lange tijd dacht ik dat het makkelijk haalbaar moest zijn.  Makkelijk te realiseren.  Voor mij leek het geen uitdaging.  Ik bewoog.  Ik liep rond.  Dat aantal zou ik dus vlotjes bijeen sprokkelen.  Zonder enige inspanning.  Dat alles dacht ik.  Tot het moment dat ik besliste een fit coach aan te schaffen.  Dat machientje aan mijn pols vertelde een ander verhaal.  Ik bleek een gemiddelde Vlaming te zijn.  Die vaststelling kwam hard binnen.  Want niks is zo erg te moeten vaststellen slechts gemiddeld te zijn.  Ik moest aan het werk.  Dat was mijn besluit.
 
Gemiddeld zouden wij dagelijks zesduizend stappen zetten.  Dat had ik gelezen.  In de praktijk bleek dat tegen te vallen.  Ik kwam slechts aan vierduizend.  Ik moest een versnelling hoger schakelen.  Niet één versnelling.  Wel enkele versnellingen.  Ik moest de zetel uit.  Ik moest de stoel uit.  Zoveel was zeker.  Plots bleken die tienduizend stappen moeilijker haalbaar dan aanvankelijk gedacht.  Plots bleken die tienduizend stappen toch een uitdaging.
 
U zou kunnen denken dat mijn dagelijkse streefdoel gepaard gaat met een zekere stress.  Dat mijn streefdoel een obsessie wordt.  Dat is het niet.  Dat wordt het niet.  Het houdt mij bezig.  Dat kan en wil ik niet ontkennen.  Maar het brengt, in tegenstelling tot wat iedereen denkt, een zekere rust.  Plots zijn allerlei huishoudelijke taken geen karweien meer.  Diezelfde taken worden een middel om mijn streefdoel te realiseren.  Stofzuigen? Geen enkel probleem.  Met alle plezier.  Want zo kan ik extra stappen verzamelen.  Het gras maaien? Geen enkel probleem.  Met alle plezier.  Want alweer extra stappen.  Iets vergeten in de wagen en moeten terugkeren op mijn stappen? Geen enkel probleem.  Met alle plezier.  Want alweer extra punten.  Alle taakjes ga ik zien als dat middel om mijn streefdoel dichterbij te brengen.  Taakjes zijn niet langer vervelend.  Taakjes worden plots welkom.  Met die fit coach aan mijn pols wordt het rustig in huis.  Jawel, ik loop rond.  Jawel, ik doe taakjes.  Maar zonder tegenzin.  Met een glimlach op mijn gezicht.  Ooit was het anders.  Ooit durfde ik al eens te grommen als dit of dat gedaan moest worden.  Nu niet meer.  Ik ben volledig zen.  Op weg naar tienduizend stappen.
 
Niet enkel thuis doet verandering zijn intrede.  Ook op het werk word ik een ander mens.  Ik durf al eens rechtop te staan.  Ik durf al eens mijn benen te strekken.  Ik blijf niet acht uur lang voor mijn computer zitten.  Ik beweeg.  Als ik naar de printer moet, maak ik een ommetje.  Ik ga al eens bij mijn collega’s voor een babbeltje.  Ik sta op uit mijn bureaustoel en loop gewoon even rond.  Zonder doel.  Zomaar.  Omdat ik eindelijk besef dat ononderbroken zitten toch niet echt gezond kan genoemd worden.  Dat besef is tot mij doorgedrongen.  Eindelijk.
 
Tienduizend stappen per dag? Soms lukt het.  Soms haal ik maar de helft.  Soms haal ik slechts een derde.  Het schommelt.  Voorlopig vind ik nog geen constante in mijn prestaties.  Maar dat geeft niet.  Dat hoeft niet.  Zoals ik al zei, het is geen obsessie.  Het besef dat ik mijn gedrag gewijzigd heb, vind ik al een overwinning op zich.  Die tienduizend stappen worden een achterliggende gedachte.  Worden een geruststellende gedachte in mijn handelen.  Vandaag besef ik dat de rechte lijn misschien wel de kortste weg is maar niet noodzakelijk de gezondste weg.  Sinds korte tijd wordt die rechte lijn kromgetrokken.  Want ik maak bewust een ommetje.  De kortste weg hoeft niet meer voor mij.  
 
Meer bewegen heeft heel wat voordelen.  Op het vlak van gezondheid.  Minder kans op hartziekten.  Een betere bloeddoorstroming.  Lager cholesterolgehalte.  Minder rugpijn.  Meer levensenergie.  Minder stress.  Gezonder lichaamsgewicht.  Minder kans op darmkanker.  Minder gevoelens van angst en depressie.  Dat is al heel wat.  Een behoorlijk lijstje.  Sinds kort heb ik een fit coach om mijn pols.  Het lijken grote woorden maar ik voel mij een ander mens.  Rustiger geworden.  Bewuster geworden.  Ik stap.  Ik loop.  Steeds met een glimlach op mijn gezicht.  Elke dag word ik wakker met die blije gedachte dat ik dat nodige aantal stappen zal verzamelen.  Als ik faal, treur ik niet.  Ik weet dat de volgende dag mij een nieuwe kans geeft.  Dat besef is een mooie gedachte.
 
Tienduizend stappen.  Niet een voor de hand liggende uitdaging.  Wel een boeiende uitdaging.  Het kruidt mijn dagen.  Het geluk voel ik in elke stap.
 

dinsdag 20 juni 2017

The Afghan Whigs, gezien in AB. Brief aan Greg Dulli.

Beste Greg,
 
Net vóór het concert vroeg u het publiek geen flitsfoto’s te maken.  Het zou u uit uw concentratie brengen.  U vroeg om begrip hiervoor.  Tegelijk vroeg u ons van het concert te genieten.  Ons niet te laten verstrooien door het maken van foto’s.  Door het maken van filmpjes.  Een verwittigd man is er twee waard.  Dat wordt gezegd.  Verzwegen wordt evenwel dat verwittigde mannen vaak die vervelende neiging hebben.  Die onhebbelijke neiging om toch maar eens te kijken hoe ver men te ver kan gaan.  Een dergelijk vervelend mannetje was ook aanwezig op uw concert.  Tijdens Debonair ging hij aan het filmen.  Met een felle lamp.  Ongegeneerd.  Ik vreesde het ergste.  Ik vreesde dat u alles zou stil leggen.  Dat u zou stoppen met het concert.  Dat dacht ik.  U leek het te negeren.  U ging door.  U bent welgemanierd.  Begonnen liedjes moeten afgemaakt worden.  Pas na het liedje reageerde u.  In korte en heldere bewoordingen.  Kordaat zei u dat hij onmiddellijk moest stoppen.  Dat u niet begreep waarom hij stond te filmen.  Dat hij heel waarschijnlijk nooit meer naar dat filmpje zou kijken.  U zei dat hij in het moment moest zijn.  Dat hij moest genieten.  Dat hij zich niet mocht laten afleiden door niet ter zake doende onbenulligheden.  Hij had de boodschap begrepen.  De smartphone verdween.  Niet enkel bij hem.  Bij iedereen.  Nooit zag ik een smartphoneloos concert.  Tot op uw concert.  U maakte mijn wens tot werkelijkheid.  Eindelijk.  Hiervoor wil ik u danken.  Meer nog, voor die ervaring ben ik u eeuwig dankbaar.  Want niks is meer vervelend dan een concert lang tegen een scherm van een smartphone te moeten aankijken.
 
Toch wil ik u niet enkel hiervoor danken.  Ik heb nog andere redenen om u dankbaar te zijn.  Ik had mijn kaartje voor uw concert al een tijdje.  Ik ben niet echt vertrouwd met uw repertoire.  Lange tijd dacht ik te braaf te zijn voor uw muziek.  Als brave jongen zou ik al te snel door de mand vallen.  Daarom bleef ik in uw hoogdagen weg van uw concerten.  Pas later leerde ik u echt kennen.  Via uw samenwerking met Mark Lanegan.  The Gutter Twins.  Toch zegde iets in mij dat ik deze kans moest grijpen.  Ik was nu een grote jongen.  Nog steeds een brave jongen.  Maar ik had intussen haar op mijn tanden gekweekt.  Als het moest, kon ik best stoer zijn.  Voor heel even.  Ik durfde nu te gaan.  Want ik had dat vreemde voorgevoel dat het wel eens één van de betere concerten zou kunnen worden.  Ik heb vertrouwen in mijn voorgevoel.  Ik kocht een kaartje.  Donderdagavond nam ik de trein naar Brussel.
 
Ik klom naar het hoogste balkon.  Ik weet het, de beste plaats is voor het podium.  Ik ben een niet zo grote jongen.  Dan kan het al eens gebeuren dat net voor mij een reus komt staan.  Al dan niet op lemen voeten.  Waardoor ik een concert lang van het ene been op het andere moet huppelen om toch maar iets te zien.  Dat wou ik vermijden.  Daarom naar boven.  Ik keek uit over de zaal.  Ik keek uit over het podium.  Door niemand gehinderd.  Een heerlijk gevoel.
 
Vanop die bevoorrechte positie zag ik het concert groeien.  Aanvankelijk was het publiek rustig.  De grootste fans stonden vooraan.  Tegen het podium aangeplakt.  Bij de eerste noot reageerden zij wild enthousiast.  Voor hen was u de opperpriester.  U gaat hen voor in het geloof.  Het geloof in en van Afghan Whigs.  In uw ogen lazen zij de redding van de wereld.  Maar u wijst die rol van Redder af.  Ook al wordt zij u toegewezen door fans.  U gaat niet in op hun vraag.  Het enige, dat u kan en wilt doen, is hen een fijne avond bezorgen.  Ik kan u nu al zeggen, u hebt dat gedaan.  Maar ik loop vooruit op de zaken.  Terug naar het begin.  Het publiek was rustig.  Dat heb ik al gezegd.  Hoogstens wat hoofdschudden.  Zachtjes met het hoofd van voor naar achter.  Van achter naar voor.  Anderen kozen voor het heupwiegen.  Nog anderen voor het stampvoeten.  Ik zag alles van bovenuit.  Maar het veranderde.  Het rustige verdween.
 
U zette Debonair in.  U stak de lont aan het vuur.  Het concert ontbrandde.  Het feest brak los.  Geen heupwiegen meer.  Geen stampvoeten meer.  Iedereen leek het begrepen te hebben.  Iedereen schakelde een versnelling hoger.  Plots zag ik enkelen tegen het podium die ene dans dansen.  Enkelen gingen aan het pogoën.  Een dans, waarvoor nog nooit een choreografie werd uitgeschreven.  Iedereen weet hoe het moet.  Er moeten geen stappen geteld worden.  Er moet gesprongen worden.  Tegen elkaar aan.  Ik keek neer op wat daar beneden aan het gebeuren was.  Ik zag het feestje.  Ik kon niet anders dan glimlachen.  Een warme lach verscheen op mijn gezicht.  
 
Uit deze brief zou u kunnen opmaken dat ik slechts een waarnemer was.  Een passieve getuige.  Getuigen kijken enkel.  Staan aan de kant.  Zonder zelf deel te nemen.  U zou dat kunnen denken.  Ik wil u enkel dit meegeven.  Een getuige was ik.  U leest mijn verslag.  Ik kan het niet ontkennen.  Toch was ik niet passief.  Ik was een actieve participant.  Op feestjes sta ik nooit aan de kant.  Nu dus ook niet.  Mijn eerlijkheid gebiedt mij evenwel dat actieve lidmaatschap enigszins te nuanceren.  Ik stond niet te springen.  Mijn ingebouwde hang naar voorzichtigheid gebood mij dat.  Ik zou over de reling kunnen slaan.  Dat wou ik vermijden.  Om zo een vroegtijdig einde van het feestje te verhinderen.  Ik danste wel.  Met eenzelfde ingetogen overgave als u.  U danste ook.  Heel minimalistisch.  Ik volgde uw voorbeeld.
 
Van Debonair tot Faded, het vuur luwde niet meer.  Het bleef branden.  Soms ging het wel eens liggen.  Brandde het heel zachtjes.  Om dan weer op te flakkeren.  Hevig te knetteren.  Nooit ging het vuur uit.  Dat kon niet meer.  U zorgde daarvoor.  U en uw bandleden.
 
Ik kwam naar Brussel.  Naar Afghan Whigs.  Ik wist niet wat ik mocht verwachten.  Na anderhalf uur wist ik het wel.  Ik kreeg pure, oprechte rock.  Rauwe rock.  Ik kreeg geen band van ouwe mannetjes.  Wel een band van echte mannen, die op het podium plots jonge jongetjes leken.  Ik kreeg geen concert, dat draaide op routine.  Wel een concert, dat dreef op passie.  Ik keek en luisterde naar u.  Naar Afghan Whigs.  Blij u dan toch te hebben leren kennen.  In het verleden leven is niet goed.  Dat wordt gezegd.  Maar ik moet terug.  Ik wil terug naar uw repertoire.  Naar Congregation.  Naar Gentlemen.  Ik moet terug naar Black love.  Naar 1965.  Ik moet op ontdekkingstocht.  U hebt mij aan het werk gezet.  Want onze eerste kennismaking smaakt naar meer.
 
Beste Greg.  Ik wil u danken.  Voor een prachtig concert.  Een begeesterend concert.  Een overtuigend concert.  Ik weet niet wat dit jaar nog zal brengen aan concerten.  Wel weet ik dat het moeilijk zal zijn dit te overtreffen.  Uw passie, energie en gedrevenheid lijken uniek.  Door niemand te evenaren.  U hebt de toon gezet.  De standaard.  
 
Van harte dank.
 
Met vriendelijke groeten.
 
Setlist:
Birdland.
Arabian heights.
Matamoros.
Honky’s ladder.
Light as a feather.
You want love (Pleasure Club cover).
Debonair.
Toy automatic.
Can rova/Last goodbye.
Algiers.
Going to town.
Demon in profile.
It kills.
Fountain and Fairfax.
John the Baptist.
Somethin’ hot.
Into the floor.
Ooh la la (Faces cover).
Parked outside.
Summer’s kiss.
Faded.

donderdag 15 juni 2017

Uitgelezen: Vos, het leven van Luc De Vos. Brief aan Leon Verdonschot.

Beste Leon,
 
Ik kocht het debuutalbum van Gorky.  Ik kocht het album op de CD-voorstelling in de Gentse Fnac.  Luc De Vos signeerde mijn exemplaar.  Dat is nu vijfentwintig jaar terug.  Een behoorlijke tijd.  Maar tot op heden vind ik deze één van mijn beste ceedee’s uit mijn toch wel vrij grote collectie.  U zou mij kunnen verdenken van enig chauvinisme.  Die verdenking zou bovendien nog luider en overtuigender klinken als u zou weten dat ook ik in Gent woon.  Toch durf ik te beweren dat ik een neutraal en objectief waarnemer ben.  Heel regelmatig luister ik naar die schijf.  Nooit valt het tegen.  Op dat eerste album staat geen slecht nummer.  Heel misschien een minder goed nummer.  Dat zou kunnen.  Maar slecht? Neen, dat niet.
 
Ik was op het Gentse Sint-Pietersplein.  Op de begrafenis van Luc De Vos.  Ik kan u niet zeggen waarom ik daar was.  Het voelde alsof het zo moest.  Alsof ik naar dat plein geroepen werd.  Getrokken werd.  Thuis blijven was die dag geen optie.  Eén ding wist ik toen wel zeker.  Ik zou Luc missen.  Ik zou hem verdomd missen.  Dat klinkt vreemd.  Ik kende hem niet persoonlijk.  Was ik dan te melodramatisch? Liet ik mij dan meedrijven op een emotionele vloedgolf? Ik denk het niet.  Met het overlijden van Luc leek het alsof ik iets verloor.  Herinneringen leken aangetast te zijn.  Een deel van mijn jeugd leek plots verloren.  Ik zei het al, ik kan moeilijk zeggen waarom ik daar was.  Het voorgaande kan enkel een schuchtere aanzet zijn tot een verklaring.
 
Al heel wat ontboezemingen.  Toch nog niks over uw boek.  Dat boek is nochtans de reden waarom ik u deze brief schrijf.  Ik kende Luc als een zotskap.  De nationale nar, dat leek hij te zijn.  Zo noemt u hem ook in uw boek.  Ik had hem zien performen op concerten.  Ik had hem bezig gezien op televisie.  Telkens was het lachen.  Toch kon ik mij niet ontdoen van de gedachte dat Luc een rolletje speelde.  Dat rolletje speelde hij met overtuiging.  Met verve.  Maar wie was hij werkelijk? Dat wist ik niet.  Ik hoopte dat uw boek zou onthullen.  Zou verduidelijken.  Ik hoopte dat uw boek alles zou kaderen.
 
U leest het goed.  Ik had verwachtingen.  U begint te zweten.  Want u stelt zich de vraag of uw boek kan tegemoetkomen aan al die verwachtingen.  Ik wil duidelijkheid scheppen.  Meteen.  Zodat u in alle rust kan verder gaan met deze brief.  Uw boek voldoet op alle vlakken.  Grote onderscheiding, zo zou ik het kunnen stellen.  Uw boek schetst het ruimere kader.  Het ruimere kader, waarin Luc De Vos opereert.  Waarin Gorky/Gorki opereert.  Waarin familie en vrienden opereren.  U dringt door.  U dringt binnen.  Samen met u komt de lezer(es) dichter bij Luc De Vos.  Dichter dan diezelfde lezer(es) ooit zal kunnen komen.
 
De nationale nar.  Be smart, act dumb.  Dat lijkt zijn lijfspreuk.  Ik vermoed dat Luc met dat beeld het meest zal vereenzelvigd worden.  Nochtans is dat slechts een deelaspect van zijn persoonlijkheid.  In uw boek belicht u de andere facetten van die boeiende persoonlijkheid.  Plots zie ik al die andere gezichten van Luc.  De luie Luc.  De zwaarmoedige Luc.  De twijfelende Luc.  De wereldvreemde Luc.  De zelfrelativerende Luc.  De gulzige Luc.  Ik lees over de Luc, die niet kan beslissen.  Die geen neen kan zeggen.  Dat neen laat hij over aan broers en zussen.  Aan de echtgenote.  Aan de manager.  Zij regelen alles.  Zij beslissen.  Zo kan Luc voor eeuwig dat jongetje van vijftien blijven.  Dat jongetje, dat zich over alles oprecht verbaast.  Ik lees over de Luc, die zijn eigen jeugdverhalen bijkleurt en bewerkt.  Verhalen, die door broers en zussen worden gecorrigeerd en terug op het juiste spoor gezet.  Hierin kan ik een parallel trekken met Herman Brood.  Hij deed net hetzelfde.  Ook hij kleurde zijn jeugdherinneringen volgens eigen goeddunken bij.  Zonder zich te bekommeren om de eigenlijke toedracht.  Om de waarheid.  Dat merkte ik in Unknown Brood, een documentaire over de Nederlandse zanger.  Daarin voelt de zus van Herman zich geroepen die herinneringen te nuanceren.  Op een juiste manier te belichten.  Het lijkt alsof beiden de artistieke vrijheid toelaten met hun herinneringen aan de haal te gaan.
 
Ik lees het verhaal van Gorki.  Ik lees over het einde van Gorky.  Over het begin van Gorki.  Ik lees over die lange weg naar het podium van Rock Werchter.  Geen rechte weg.  Wel een weg met obstakels.  Obstakels, die toch overwonnen worden.  Ik verbaas mij over het uitgebreide oeuvre van Gorki.  Achttien albums.  Twee op naam van Gorky.  Twaalf van Gorki.  Twee van Automatic Buffalo.  Eén van Luc De Vos.  Eén van Luc De Vos en Tom Pintens.  Ik lees het verhaal van die albums.  Hun ontstaansgeschiedenis.  Ik vraag mij af waarom ik gestopt ben bij het debuutalbum.  Waarom ik geen andere albums in mijn collectie heb.  Ik ga grasduinen doorheen dat oeuvre.  Ik verbaas mij over nieuw ontdekte pareltjes.  Muzikale heerlijkheden.  Ik lees over de vele samenwerkingen.  Met Tom Barman.  Met Jean-Marie Aerts.  Met Tom Pintens.  Met Bent Van Looy.  Met David Dewaele.  Met plezier lees ik over de wijdverspreide appreciatie onder muzikanten voor Luc De Vos als artiest.  Mijn hart loopt vol als ik de verhalen lees over Gorki.  Over dat aparte groepsgevoel.  Een familie zonder de drama’s, zo wordt de groep omschreven in uw boek.  Ik lees uw boek en besef te laat dat Gorki een aparte plaats inneemt in de geschiedenis van de Belgische muziek.  Ik kom te laat.  Verontschuldigen kan niet meer.  Dat besef valt zwaar.  
 
U verhult niks.  U gaat niks uit de weg.  Het alcoholgebruik komt aan bod.  U belicht de periodes waarin hij zich afkeert van de alcohol.  De periodes waarin hij in diezelfde alcohol vlucht.  Een haat-liefderelatie, zo kan het genoemd worden.  Constant is het een zoeken.  Een vechten.  Een bijna levenslange strijd met aan het eind de ontsporing.  Het besef dringt door dat het jongetje oud wordt.  Het jongetje wordt volwassen.  Plots is Luc geen vijftien meer maar vijftig.  Dat komt hard binnen.  Hij begint te drinken.  Zwaar te drinken.  Om niks te voelen.  Om weg te vluchten van het huwelijk.  Van de band.  Van de jeugd.  U beschrijft dat proces.  Met de nodige schroom.  Met het nodige respect.  U vermijdt sensatie.  Betracht zakelijkheid.  Een zakelijkheid waarin emotie binnensluipt.  Dat kan niet anders.
 
Het einde van het boek dreigt zwaar op de hand te worden.  Maar dat countert u op prachtige wijze.  Vrienden en familie getuigen over Luc.  Vertellen hun verhalen.  Hun ervaringen.  De traan glijdt weg.  Een lach komt in de plaats.  Ik sla het boek dicht.  Luc De Vos glijdt in mijn herinneringen.  Nestelt zich daar.  Om er eeuwig te blijven.  Om er nooit meer weg te gaan.  Te schoon.  Te warm.  Ondanks de zwarte randjes.
 
In uw boek vertelt één van de vrienden dat hij Luc De Vos nu nog ziet lopen in Gent.  Hij ziet hem rondwandelen doorheen de Gentse straten.  Niet continu.  Wel af en toe.  Dat gevoel heb ik met uw boek.  U bracht Luc De Vos tot leven.  Ik zag hem opnieuw.  Op concerten.  Op feestjes.  Op televisie.  Ik zag hem te voet.  Op de fiets.  Enkele dagen was ik in het gezelschap van een schoon mens.  Een oprecht mens.  Ondanks het verlies van die mens schonk u mij heerlijke momenten.  Want voor heel even zat hij naast mij.  Dat was fijn.  Dat was goed.
 
Beste Leon.  Ik wil u danken voor deze uitzonderlijke ervaring.  Voor deze rijke ervaring.  Voor deze nieuwe kennismaking.
 
Met vriendelijke groeten.
 
Link: