donderdag 18 januari 2018

Tirade 2.017, gezien in Minard. Brief aan Stijn Meuris.

Beste Stijn,
 
Het zou een moeilijke avond worden.  Met die gedachte kwam ik dinsdagavond naar de Gentse Minard.  Vanwaar die gedachte? Die vraag zou u mij gesteld hebben indien wij elkaar achteraf gesproken hadden aan de toog van een Gents cafeetje.  Gentse cafeetjes, de mogelijkheden zijn legio.  U zou mij die vraag stellen.  Ik zou antwoorden.  Ik ben een welopgevoede jongen.  Ik weet dus dat vragen beantwoord moeten worden.  Zo werkt nu eenmaal het sociale spelletje.  Ik zou u vertellen van mijn schoonbroer.  Hij had de voorstelling gezien.  Hij was bijzonder kritisch.  Nu laat ik mij niet snel beïnvloeden.  Ik ben niet alleen een welopgevoede jongen.  Evenzo ben ik een onafhankelijk denkend man.  Desondanks bleef de kritiek hangen in mijn hoofd.  Dat alles zou ik u vertellen aan die toog.
 
Terwijl wij samen aan die toog stonden en ons laafden aan die typische Gentse biertjes, zou ik u nog meer vertellen.  Ik zou u vertellen dat mijn vrees onterecht was.  Dat die gedachten voor niks nodig waren.  Smaken en kleuren verschillen.  Dat wordt wel eens gezegd als blijkt dat over één ding twee of meerdere meningen bestaan.  Zo is het ook met uw voorstelling.  Ik had een andere mening dan mijn schoonbroer.  Bijna leek het alsof ik een andere voorstelling gezien had.  Bij mij was u geslaagd in uw opzet.  U had mij meegenomen in uw verhaal.  Het verhaal, dat één politiek jaar omvat.
 
Het zou een lange avond worden aan die Gentse toog.  We zouden samen terugblikken op de voorbije voorstelling.  Ik zou u zeggen dat ik uw verontwaardiging op vele punten deel.  Op bijna alle punten.  Neen, niet op bijna alle punten.  Op alle punten deel ik uw verontwaardiging.  Tijdens de voorstelling knikte ik meerdere keren instemmend.  Dat zou ik u vertellen.  Jawel, aan die toog.  Ik knikte instemmend als u het had over de pensioenhervorming.  Over de kwakkelende communicatie van minister Bacquelaine.  Ik was volledig mee in uw analyse van het Zomerakkoord.  Hoe u heel precies ontleedde dat het Zomerakkoord lege windowdressing was en is.  Ik lachte als u het had over het onvoldragen concept van de boskaart.  Over het rekenvermogen van onze minister van Financiën.  Ik lachte (groen) als u het had over de afkoopwet.  Over de niet te ontkennen invloed van de diamantsector op het wetgevend werk.  Ik lachte als u het had over de moeilijke zoektocht om die grijze donderwolk van Arco te laten overwaaien.
 
Bijna ging ik rechtop staan als u het had over Geert Bourgeois en Louis Tobback.  U vertelde hoe zij hun inkomen als minister-president en burgemeester aanvulden met een pensioen.  Louis Tobback ontvangt een parlementair pensioen.  Geert Bourgeois ontvangt een pensioen als schepen.  Met dergelijke feiten heb ik het bijzonder moeilijk.  Ik kan maar niet begrijpen dat politici niet snappen dat bepaalde dingen niet kunnen.  Hun excuus dat de wetgeving hen die mogelijkheid biedt, aanvaard ik niet.  Net als u dat niet doet.  Na deze heldere uiteenzetting van uwentwege ging ik neerzitten.  Maar ik veerde opnieuw op.  Toen u het had over Maya Detiège.  Haar verhaal greep u aan om aan te tonen dat politici maar niet begrijpen hoe bevoorrecht zij zijn.  Zij lijken maar niet te begrijpen dat zij voor hun job (terecht) goed betaald worden.  Dat maakt mij boos.  Net als u word ik boos hierover.
 
U stelt zich terecht vragen bij de kunst van het communiceren.  Hierin kunnen onze politici best enige hulp gebruiken.  U laakt het aankondigingsbeleid.  Het aankondigen van maatregelen, die later herroepen worden, is verworden tot een olympische discipline.  Net als het aankondigen van maatregelen, waarvan het nut al meteen in vraag gesteld wordt.  Deze regering toont zich hierin heer en meester.  U illustreert rijkelijk.  Met tal van voorbeelden.  Ben Weyts.  John Crombez.  Joke Schauvliege.  Daniel Bacquelaine.  
 
We hebben samen goed gelachen aan die Gentse toog.  Dat zouden wij gedaan hebben.  Bijna gaan we uit elkaar.  Maar net voor ik u omarm en afscheid neem, wil ik toch nog iets kwijt.  Over dat fantastische einde.  Over frituren.  Over politiek.  Over de gelijkenissen tussen beide.  Mooier kon dat einde niet zijn.  Anderhalf uur hebt u gefulmineerd.  U hebt wild in het rond geschoten.  Neen, u hebt niet wild in het rond geschoten.  Dat zou al te zeer lijken alsof u uit uw nek stond te lullen.  Dat was het niet.  U hebt uw doelen uitgekozen.  Die doelen hebt u geraakt.  Het ene doel één enkele keer.  Het andere doel meerdere keren.  Dat alles hebt u anderhalf uur gedaan.  Op een onderhoudende wijze.  Aan het eind lijkt u wat gas terug te nemen.  U lijkt begrip te vragen.  Begrip voor dat vreemde ambacht van politicus.  Met die lichte mildheid neemt u afscheid van het publiek.
 
Dat Gentse cafeetje is dinsdagavond geen werkelijkheid geworden.  We hebben elkaar niet ontmoet.  Daarom wend ik mij tot deze vorm van communiceren.  In een brief wil ik mijn ervaringen vertellen.  Mijn ervaringen met Tirade 2.017.  Ik schrijf u een brief omdat goede dingen moeten gezegd worden.  Moeten geloofd worden.  Bewieroken moet kunnen.  Zeker als ik een fijne avond beleefde.
 

Beste Stijn.  Ik dank u voor dit heldere betoog.  Dit verhelderend overzicht.  Ik dank u voor deze confronterende avond.  Want dat is wat u bovenal doet.  U confronteert niet enkel de politicus met zijn keuzes.  Met zijn gevoerde beleid.  Net zozeer confronteert u het publiek met zijn keuzes.  Met zijn gemakzucht en onverschilligheid.  Jawel, ik lach.  Maar tegelijk besef ik hoe we alles maar blijven slikken.  Hoe we de stomste excuses toch blijven aanvaarden.  Dat besef komt misschien nog het hardst binnen.  Ongemakkelijk fiets ik huiswaarts.  Ongemakkelijk maar met de gedachte aan een steengoede voorstelling, die wakker schudt.
 
Ik wens u het allerbeste.  Ik wens u alle inspiratie voor een volgende tirade.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 16 januari 2018

Mooie liedjes: Amenra. Brief aan Colin, Bjorn, Mathieu, Lennart, Levy, Maarten en Femke.

Beste Colin,
Beste Bjorn,
Beste Mathieu,
Beste Lennart,
Beste Levy,
Beste Maarten,
Beste Femke,
 
Metal! Metal? Jawel, metal.  Dat ene woord zou vroeger volstaan hebben om met een grote boog om die muziek heen te wandelen.  Ik bleef weg van dat soort muziek.  Dat soort muziek viel buiten mijn bereik.  Ik moet denken aan de woorden van mijn vader.  Telkens hij Raymond van het Groenewoud op de radio hoort, maakt hij die ene opmerking.  Telkens merkt hij op dat Raymond een roeper is.  Een schreeuwer.  Een zanger zal hij Raymond nooit noemen.  We moeten telkens lachen om die opmerking.  Wij oordelen anders.  Hebben een andere mening over Raymond.  Toch gebruik ik zelf die woorden.  Zonder enig voorbehoud.  Zonder schroom.  Ik gebruik die woorden om metal te duiden.  Ik kom niet verder in een poging die muziek te omschrijven.  Lawaai, zo omschrijf ik het.  
 
Ik zou mij kunnen opsluiten in mijn grote gelijk.  Maar soms wordt een mens gedwongen buiten zijn comfortzone te treden.  Door omstandigheden kan dat wel eens gebeuren.  Ik zelf werd onlangs ook gedwongen die confrontatie aan te gaan.  Nieuwgierigheid was mijn drijfveer.  Ik las de commentaren over uw nieuwste album.  Die waren unaniem lovend.  De Morgen.  Humo.  De Standaard.  Dansende beren.  Enola.  Cutting Edge.  In geen van die recensies las ik één negatief woord.  Integendeel.  Uw nieuwste album werd door één ieder beschouwd als een van de betere albums van het voorbije jaar.  Het betere album kan ik niet zomaar links laten liggen.  Dat moet gehoord worden.  Dat moet beluisterd worden.  Ik moest aan de slag.  Aan het werk.  Ik zou naar Mass VI luisteren.
 
Die eerste luisterbeurt was niet evident.  Ik moest een drempel over.  Ik moest de muur, die ik had opgetrokken tussen mij en metal, slopen.  Een stevige sloophamer was hiervoor noodzakelijk.  Ik luisterde.  De aanvankelijke neiging uw muziek te omschrijven als lawaai diende ik te onderdrukken.  Dat had ik in het verleden gedaan.  Dat mocht ik nu niet doen.  Ik moest mij openstellen.  Enkel dan zou ik kunnen oordelen.  Gebeurde dat niet, dan zou ik verstikt raken in mijn vooringenomenheid.  Gebeurde dat niet, dan zou ik blijven steken in veralgemeningen.  Dat mocht niet gebeuren.  Dat wilde ik niet.  Ik deed een inspanning.  Een zware inspanning.  Die zware inspanningen waren noodzakelijk om mij uit mijn comfortzone te halen.  Zonder inspanningen geen mooiere wereld.  Dat is wat ik dacht.
 
Het gebeurde niet meteen.  Het gebeurde slechts heel geleidelijk.  Heel geleidelijk ging ik uw muziek begrijpen.  Lawaai werd muziek.  Ik schermde mij niet meer af.  Ik liet alles binnenkomen.  Binnenstromen.  Lange tijd had ik gedacht dat enkel in stilte en ingetogenheid de grootste schoonheid kan schuilen.  Dat is niet zo.  Dat maakte u duidelijk.  In uw muziek ging ik een emotionele gelaagdheid ontwaren.  U deed mij van hoop naar wanhoop hollen.  Van licht naar donkerte.  Ik ontdekte dat er zelfs in schreeuwen schoonheid kan schuilen.  Dat er in die schreeuwerige schoonheid gradaties schuilen.  Die liet u mij ontdekken.
 
Ik stapte door de door u gecreëerde wall of sound.  Ik stapte uw wereld binnen.  Ik ontdekte een wereld, waarin onzekerheid heerst.  Eenzaamheid.  Pijn.  U stelt zich kwetsbaar op.  Dat voelde ik.  Dat hoorde ik.  Een dergelijke ervaring had ik niet verwacht.  Diepzinnigheid had ik niet verwacht.  Toch was het dat wat ik ervaarde.  Geen stoere manneputtertjes.  Wel onzekere zoekers.  Ik ontdekte muzikanten, die via hun muziek antwoorden zochten op eigen onzekerheden. 
 
Ik luisterde één keer.  Twee keer.  Drie keer.  Vele malen luisterde ik.  Ik kon uw muziek niet meer loslaten.  Ik ging mij schamen voor mijn vooroordelen.  Om mijn vooringenomenheid.  Ik liet uw muziek knallen.  Schallen.  Niet stilletjes luisterde ik.  Stilte is niet wat uw muziek vraagt.  Ik draaide de volumeknop open.  Met een lach op mijn gezicht.  Met tintelende oogjes.  Want intussen wist ik het.  Dit was geen lawaai.  Dit was muziek.  Een symfonie. 
 
U bracht mij naar een genre, waarvan ik voordien ver weg bleef.  Ik achtte mij een te brave jongen.  Ik achtte mij een jongen, waarvoor die muziek niet gemaakt was.  Ik was niet ruig.  Ik was niet stoer.  Ik was niks van dat alles.  Daarom bleef ik weg.  Tot enkele weken terug.  Dan heeft dat brave jongetje een grote stap gezet.  Dat brave jongetje heeft zijn zevenmijlslaarzen aangetrokken.  Om een meesterwerk te ontdekken.  Een meesterwerk.  Een bron van energie.
 
Beste Colin.  Beste Bjorn.  Beste Mathieu.  Beste Lennart.  Beste Levy.  Beste Maarten.  Beste Femke.  Ik keer vaak terug.  Vaak reis ik naar uw wereld.  Om daarin een tijdje te vertoeven.  Om daarin nog maar eens te beseffen dat er slechts één soort muziek bestaat.  Goede muziek.  Zoals de uwe.
 
Ik wens jullie alle succes.
 
Met vriendelijke groeten.
 
Videoclip:


donderdag 11 januari 2018

Uitgelezen: Vertel me het einde. Brief aan Valeria Luiselli.

Beste Valeria,
 
De redenen waarom een boek moet gelezen worden kunnen zeer divers zijn.  De Volkskrant heeft het bij uw boek over een voelbare verontwaardiging.  De Standaard noemt uw boek een mokerslag.  De Correspondent houdt het zeer kort bij steengoed.  Dat zijn drie redenen waarom uw boek zou moeten gelezen worden.  Ik kan er nog een vierde reden aan toevoegen.  Knack spoorde elke potentiële lezer aan dit boek te lezen en balde hun aansporing samen tot een sloganeske oneliner: Lees.Dit.Boek.
 
Ik zelf wil op zoek gaan naar een vijfde reden.  Omdat vijf redenen om een boek te lezen zo veel beter zijn dan slechts vier.  U moet weten, ik hou van ronde getallen.  Dat staat mooier.  Bovendien heb ik de neiging om steeds te zoeken naar een motivatie.  Een motivatie, die andere lezers zou moeten aanzetten tot het lezen van het desbetreffende boek.  Dat zoeken en graven naar een motivatie doe ik enkel bij een goed boek.  Bij een slecht boek zwijg ik.  Bij u wil ik praten.  Wil ik schrijven.  Een vijfde reden zou mooi zijn.  Op die manier zou elke reden staan voor één ster.  Vijf redenen, vijf sterren.  Want dat is wat uw boek is.  Laat daarover geen misverstand bestaan.  Uw essay is een vijfsterrenboek.
 
Mijn zoektocht duurde niet lang.  Ik hoefde niet diep te graven.  Ik hoefde enkel uw boek te lezen.  Want daarin staat waarom uw boek moet gelezen worden.  Daarin staat letterlijk die vijfde reden.  Ik kan het enkel herhalen.  Dit boek is noodzakelijk omdat we allemaal ter verantwoording kunnen worden geroepen als er iets onder onze neus gebeurt en we niet eens durven te kijken.  U schudt ons wakker.  U dwingt ons om niet weg te kijken.  Zodat wij later niet kunnen zeggen dat wij het niet geweten hebben.  Na het lezen van uw boek kunnen wij ons geweten niet meer sussen met dat al te gemakkelijke excuus.
 
Ik lees uw boek en ik moet denken aan die ene hit van Noordkaap, Het zou niet mogen zijn.  Ik denk niet enkel aan die ene hit.  Ik zing die hit luidop.  Telkens als het mij te machtig wordt, zing ik die ene zin.  Met volle kracht.  Telkens als het mij te moeilijk wordt, zing ik die ene zin.  Met volle overtuiging.  Het zou niet mogen zijn.  Het zou niet mogen zijn.  Het zingen verhindert dat ik begin te huilen.  Ik ben een man.  Ik kan geen twee dingen tegelijk.  Het zingen verdringt de tranen.  Tranen zouden mijn zicht vertroebelen.  Zouden mij het lezen onmogelijk maken.  Dat wil ik niet.  Ik wil blijven lezen.  Zelfs als het mij diep raakt.  Zelfs als uw woorden pijn doen.
 
U dwingt mij te lezen over coyotes.  Ik weet nu wie zij zijn.  U dwingt mij te lezen over La Bestia.  Ik weet nu wat het is.  Ik lees niet enkel verhalen.  Ik lees niet enkel getuigenissen.  Ik lees niet enkel hoe u tracht een steen te verleggen in een rivier op aarde.  Ik lees meer.  Ik lees ontstellende cijfers.  Verontrustende cijfers.  Zo mag ik lezen dat tachtig procent van de vrouwen die Mexico doorkruisen worden verkracht.  Zo lees ik dat op zes maanden elfduizend migranten werden ontvoerd.  Ik weet nu dat de werkelijkheid van de niet begeleide minderjarige immigrant duister en zwart is.  Dat in die vele werkelijkheden mishandeling, dood en honger de plak zwaaien.  Een boek neigt naar overdrijving.  Bij zo vele verschrikkingen, zou een mens dat kunnen denken.  Als troost.  Overdrijven is nochtans niet wat u doet.  U blijft zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid.  Omdat u die kent.  Als tolk aan de rechtbank voor immigratiezaken in New York.  Uw taakomschrijving lijkt duidelijk.  Maar dat is het niet.  Geenszins.  De praktijk is heel moeilijk en divers.  U werkt met kinderen.  Kinderen, die zonder ouders de Amerikaanse grens zijn overgestoken.  Er heerst wantrouwen.  Angst.  Al snel merkt u dat er verschillende verhaallijnen zijn.  Nooit is er een begin.  Nooit is er een midden.  Nooit is er een eind.  Dit zijn geen kinderen.  Dit zijn verwoeste levens.
 
Eén vraag waarop u een antwoord moet trachten te vinden is waarom die kinderen naar de Verenigde Staten komen.  Al die kinderen hopen te ontwaken uit de nachtmerrie waarin zij geboren zijn.  Al die kinderen jagen het leven na, zelfs als dat hun dood kan betekenen.  Maar die antwoorden zijn te vaag.  Uw regering heeft nood aan details.  Enkel zeggen dat zij naar de Verenigde Staten kwamen omdat zij ergens wilden aankomen, volstaat niet.  Die vaststelling leidde tot iets pervers.  U ging bijna wensen de ergste verhalen te horen.  Omdat u wist dat enkel dat kans gaf op een verblijfsvergunning.  Behoorlijk ontnuchterend.
 
Als lezer zou ik kunnen denken dat de situatie in Amerika verschilt van de situatie in Europa.  Die gedachte zou als een milde troost kunnen dienen.  Toch weet ik dat die gedachte niet opgaat.  Omdat ik ten volle besef dat de situatie aan beide kanten van de oceaan gelijkaardig is.  Gelijklopend.  Aan beide kanten van de oceaan draait de migratiecrisis rond die ene vraag: hoe krijgen wij ze zover dat ze niet meer komen.  Nooit wordt die crisis benaderd vanuit het standpunt van de vluchteling.  Dat zou het debat belasten.  Bezwaren.  Het zou te moeilijk worden.  Nu kunnen wij het houden bij dat gemakkelijke excuus: we kunnen niet iedereen opvangen.  Dat excuus blijven we maar herhalen en intussen kijken we de andere kant uit.  Om heel even op te springen als er een kinderlijkje aanspoelt.  Om dan snel weer te gaan zitten.
 
Vertel me het einde.  Die vraag stelt uw dochter.  Telkens stelt zij die vraag als u haar nog maar eens een verhaal vertelt.  Een verhaal, dat u meebrengt uit de rechtbank.  Ik wil u ook die vraag stellen.  Ik las uw boek.  Ik las geen einde.  Dat hebt u niet.  U hebt geen happy end.  U kan uw boek niet eindigen zoals alles sprookjes doen.  In uw boek leefden zij niet lang en gelukkig.  Omdat uw boek in de realiteit staat.  In een harde realiteit.  In een realiteit, waar veel mensen te onverschillig tegenover staan en daardoor kan gebeuren wat nu gebeurt.
 
Beste Valeria, ik wil u danken voor dit boek.  Een dun boekje.  Dat bedoel ik zeker niet minachtend.  Want nog nooit heb ik zo wakker gelegen van een boekje.  Het blijft rondtollen in mijn hoofd.  Telkens als ik aan uw boek denk, hoop ik dat het ooit nog goed zal komen.  Dat regeringsleiders eindelijk het licht zullen zien.  Dat hoop ik echt.  Misschien dat uw boek aan deze levensreddende ommezwaai een bijdrage kan leveren.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 9 januari 2018

Mooie liedjes: Falling Man. Brief aan Lode Sileghem, Paul Van De Velde, Sander Van den Broecke en Sven De Potter.

Beste Lode,
Beste Paul,
Beste Sander,
Beste Sven,
 
Wat moet een mens doen op de terugvlucht naar Brussel als alle vakantielectuur gelezen is? Met die vraag zat ik op het vliegtuig vanuit Verona.  Mijn gekozen vakantieboek, Vertel me het einde van Valeria Luiselli, had ik uit.  Die enkele artikels uit Knack had ik allemaal gelezen en verwerkt.  Mijn leesvoer was verorberd.  Dat hoeft niet te verbazen.  Ik was vertrokken met een grote leeshonger.  Dan kan het snel gaan.  Zelfs zo snel dat ik op de terugvlucht niks meer te lezen had.  Verveling dreigde.  Anderhalf uur knikkebollen, een weinig vreugdevol vooruitzicht.  Gelukkig was er mijn vriendin.  Zij bracht redding.  Zij bracht de oplossing.  Zoals wel vaker gebeurt.  Van verveling zou geen sprake zijn.  Ik zou niet knikkebollen.  Zij gaf mij de Humo.  Ik kon aan het werk.
 
Ik deed wat ik altijd doe met een weekblad of krant.  Ik bladerde.  Ik zocht de dingen die ik wilde lezen.  De dingen, die ik zou kunnen lezen.  Indien ik nog tijd had.  Zo gaat het altijd.  Enkel zo kan ik een inschatting maken van wat mij te wachten staat.  Het maakt mij rustig.  Ik las de dingen die ik wilde lezen.  Ik had nog tijd.  We waren nog niet geland.  We hingen nog in de lucht.  Ik begon aan de rest.  Die dingen, die ik zou kunnen lezen.  Ik botste op een artikeltje.  Een heel kort interview, waarin een muzikant gevraagd wordt naar zijn favoriete muziek.  De favoriete muziek voor een zaterdagavond.  Voor een zondagmorgen.  De favoriete muziek onder de douche.  Dat lees ik graag.  Omdat ik altijd wel op zoek ben naar muzikale ontdekkingen.  Ontdekkingen, die mij vaak wegvoeren van de platgetreden paden.  Dat maakt muziek interessant.  Boeiend.
 
In dat artikel werd aan één van jullie gevraagd naar zijn favorieten.  Ik weet niet meer wie het was.  Dat kan ik u niet meer zeggen.  Jullie zullen het wel nog weten.  Wat ik wel nog weet, is de naam van jullie groep.  Falling Man.  Die naam bleef hangen bij mij.  Om meerdere redenen.  U werd een Gentse groep genoemd.  Ik ben van Gent.  Dat schept een band.  Wat mij nog nieuwsgieriger maakte, was die bekentenis van de Humo redacteur.  In dat artikel schreef hij ter inleiding dat hij nu al drie weken lang naar slechts één album luisterde.  Eén album had zijn volle aandacht.  Dat was uw meest recente album, Ghost.
 
Ik sloeg die gegevens op in mijn hoofd.  Regelmatig herhaalde ik die gegevens in mijn hoofd.  Ik mocht het niet vergeten.  Dat mocht geenszins gebeuren.  Falling Man uit Gent.  Dat herhaalde ik vele keren.  Als een mantra.  Bijna raakte ik in trance.  Enkel de landing haalde mij terug naar de realiteit.  Toen het vliegtuig de Brusselse tarmac raakte, schrok ik wakker.  Ik was in Brussel.  Ik moest naar huis.  Naar Gent.  Ik moest op onderzoek.  Ik moest kennismaken met uw groep.  Dat is wat ik wilde.  Toch moest die kennismaking even wachten.  Het nieuwe jaar was net begonnen.  Dan moet ik naar familie.  Naar vader en moeder.  Naar broers en zus.  Naar tante.  Die dag moest ik hen het beste wensen.
 
De wensen waren overgebracht.  Ik kon voor mijn computer gaan zitten.  Wat ik daar zag, heeft mij blij gemaakt.  Wat ik daar zag, heeft mij diep geraakt.  Ik zag niet de grootvader van Prince die ergens een kerkdienst leidde.  Ik zag en hoorde de kleinzonen van Hank Williams.  Van David Bowie.  Van Captain Beefheart.  Van Wire.  Van Smokey Robinson.  Van The Fall.  Van Sonic Youth.  Vergeef mij deze stamboom.  Ik heb deze van uw website geplukt.  U zou mij kunnen verdenken van gemakzucht.  Dat is het niet.  Ik wil enkel aangeven waar u de mosterd vandaan haalt.  Waar u uw inspiratie vindt of hebt gevonden.  
 
Ik raakte onder de indruk van uw verslavende beat.  Mij overkwam wat de Humo redacteur is overkomen.  Ik luisterde enkel en alleen naar Ghost.  Uw album werd mijn metgezel.  Mijn reisgezel.  Uw muziek bepaalde mijn hartslag.  Bepaalde mijn ritme.  Mijn levensritme.
 
Ik luisterde.  Ik luisterde opnieuw.  En opnieuw.  En opnieuw.  En …In mij groeide dat verlangen.  Dat intense verlangen.  Ik wil jullie live aan het werk zien.  Want dat is waar jullie muziek om vraagt.  Een podium.  Een publiek.  Uw muziek moet bulderen.  Razen.  Jullie moeten stormen.  Schreeuwen.  Wij moeten springen.  Stampen en duwen.  Al die dingen moeten samenkomen op een concert.  Op een festival.  Daar wil ik heen.  Daar moet ik heen.  Het kan.  Dat heb ik gezien.  Op zestien maart staan jullie in het Gentse Trefpunt.  Ik wil er zijn.
 
Nog één ding moet ik jullie bekennen.  Zelden of nooit lees ik de Humo.  Wat ben ik blij dat mij op het vliegtuig die ene Humo werd aangereikt.  Door mijn vriendin.  Zij zette mij op weg naar jullie.  Voortaan zal ik jullie volgen.  Ik heb jullie ontdekt.  Nooit nog zal ik jullie lossen.
 
Beste Lode.  Beste Paul.  Beste Sander.  Beste Sven.  Ik weet niet precies wat ik jullie moet wensen maar ik wens het jullie allemaal.  In overvloed.  Het gaat jullie goed.
 
Met vriendelijke groeten.