donderdag 21 september 2017

Uitgelezen: Idaho. Brief aan Emily Ruskovich.

Beste Emily,
 
Laat mij deze brief beginnen met een bekentenis.  Ik ken u niet.  Nochtans kan u adelbrieven voorleggen.  U studeerde af aan de gerenommeerde Idaho Writer’s Workshop.  Aan dat instituut zijn heel wat namen verbonden.  Net als u studeerde ook Michael Cunningham, John Irving en Nathan Englander aan dit ‘schooltje’.  Ondanks deze adelbrieven bleef ik onwetend over uw bestaan.  Daar kwam recent verandering in.  Want u schreef Idaho.  U schreef uw debuutroman.  Nochtans bent u geen literaire maagd.  U schreef voordien al.  U publiceerde eerder al verhalen.  Een kortverhaal van u werd bekroond met de O. Henry Prize.  Maar al die verhalen gingen aan mij voorbij.  Ik zou dat kunnen betreuren.  Toch evenwel, in een hoekje zitten treuren is niet onmiddellijk aan mij besteed.  Met uw debuutroman greep ik mijn kans.  Via uw debuutroman zouden wij met elkaar kennismaken.  Ik keek met plezier uit naar deze kennismaking.  Ik ging aan het lezen.
 
Ik las uw boek.  Ik moest denken aan dat ene liedje van The Ramones.  We’re a happy family.  Heel misschien zal het u vreemd lijken dat ik net aan dat liedje denk.  Want de familie in uw boek kunnen we moeilijk een gelukkig gezinnetje noemen.  Eén dochter is vermoord.  De andere dochter is vermist.  Moeder werd veroordeeld voor de moord.  Vader lijdt aan dementie.  Elk huisje heeft zo zijn kruisje.  Ik kan die associatie dan ook niet verklaren.  Dat liedje bleef in mijn hoofd hangen.  Mijn hersenen kronkelen misschien op een te eigenzinnige wijze.  Dat zou kunnen.
 
Die wrede omstandigheden lees ik vrij vroeg in het boek.  Als lezer verwacht ik dan het volledige verhaal te lezen.  Ik verwacht te vernemen hoe het uiteindelijk tot die misdaad is kunnen komen.  U doet daartoe pogingen.  Maar al die pogingen botsen op het stilzwijgen van de protagonisten.  Dat stilzwijgen is niet bewust.  Zij zwijgen omdat zij niet kunnen praten.  Zij blijven steken in hun onmogelijkheid te communiceren.  Alsof zij de kunst van het praten ontberen.  Het lijkt wel alsof de zelf gekozen afzondering op Mount Iris doordringt in hun persoon.  Alsof die afzondering hun mogelijkheid tot spreken lamlegt.  
 
Iedereen blijft ter plaatse trappelen.  Het leven lijkt stil te staan.  Zonder antwoorden kan er niet vooruitgegaan worden.  Die antwoorden moeten komen van de bevoorrechte getuigen.  Van vader en moeder.  Zij kunnen het vertellen.  Maar dat doen zij niet.  Dat kunnen zij niet.  Om uiteenlopende redenen.  Vader dementeert en lijkt elke dag verder weg te drijven van de gebeurtenissen.  Zij lijken gewist te worden.  Voor de rechtbank bekende moeder.  Zij pleitte schuldig.  Maar verder ging zij niet.  Geen verklaring.  Geen waarom.
 
Omdat de bevoorrechte getuigen het laten afweten, gaan anderen in hun plaats op zoek naar antwoorden.  De nieuwe vrouw van de vader gaat op onderzoek.  Telkens botst zij op een muur.  Aanknopingspunten heeft zij niet.  Het blijft een tasten.  Het blijft gissen.  Navragen kan zij niet.  Wil zij niet.  Bang om haar man te verwarren.  Om slapende demonen bij hem wakker te maken.  Bang om hem in de eigenlijke wereld binnen te trekken, die nu te ver weg van hem staat. 
Een medegevangene van de moeder tracht het verhaal te reconstrueren.  Zij slaagt niet in haar opzet.  Geen onthullingen.  De moeder zwijgt.  Alsof haar zwijgen boetedoening is.  Zij keert zich af van mogelijkheden tot vriendschap.  Zij wenst alleen te zijn.  Sluit zich af.
 
Het klinkt verwarrend.  Er wordt gemoord zonder dat hiervoor een verklaring volgt.  Een verklaring kan leiden tot begrip.  Dat lijkt hier niet te gebeuren.  Waardoor de lezer verweesd dreigt achter te blijven.  Ook ik zou dat gevoel kunnen hebben.  Toch deel ik dat gevoel niet.  Omdat ik meen dat doorheen het boek elementen van begrip worden aangedragen.  Ik weet niet of het argument zou overeind blijven in een rechtbank.  Toch meen ik dat mijn argument een verklaring kan bieden voor het gebeurde.  Idaho is de schuldige.  Mount Iris is de schuldige.  Beiden zijn medeschuldig aan die ene daad.  Aan die ene uithaal met die korte bijl.  In een taal, die baadt in een te mooie breekbaarheid, lijkt u verschoning te vragen voor die omstandigheden.  In dat zoeken naar verschoning lijkt de erkenning te schuilen dat een omgeving een mens kan aanzetten tot de meest vreemde handelingen.  U schetst prachtige landschappen.  Landschappen, waarin de natuur overtuigend bekoort maar waarin diezelfde natuur mensen veroordeelt tot vervreemding.  U schetst een natuur, die mensen uiteendrijft.  Een natuur, waarin elke mens al te zeer bezig is met overleven en daarbij geen oog meer heeft voor de ander.  Dat lijkt niet enkel te gelden voor het dorp.  Zelfs binnen het gezin eist die wondermooie maar harde natuur zijn tol.  Gezinsleden worden uit elkaar gedreven.  Er wordt niet meer gepraat.  Zwijgen lijkt de enige mogelijkheid.
 
Natuur kan de mens versterken.  Kan diezelfde mens opbeuren.  Die helende kracht van de natuur kennen wij.  Hebben wij heel misschien al mogen ervaren.  Wat u met uw boek doet, is die andere kant van dezelfde medaille tonen.  U onthult de vernietigende kracht van diezelfde natuur.  Een kracht, die mensen gek kan maken.  Een kracht, waaraan mensen kunnen ten onder gaan.  Die ondergang kan dan weer andere mensen meesleuren.  Kan een kettingreactie teweegbrengen.
 
Inderdaad, de moeder heeft gemoord.  Daarvoor werd zij veroordeeld.  Maar de mededader zit niet in de beklaagdenbank.  Maar wie kan een berg veroordelen? Wie kan een regio aanklagen? Het lijkt u heel waarschijnlijk behoorlijk absurd.  Lezers geven een eigen interpretatie aan een verhaal.  Lezen het verhaal op een eigen wijze.  Ik heb dat ook gedaan met uw boek.  Terwijl ik deze brief schrijf, besef ik dat mijn interpretatie wel heel apart kan zijn.  Toch kom ik niet tot een andere lezing.  Telkens weer kom ik op dit punt uit.  Telkens weer kom ik tot eenzelfde besluit.
 
Beste Emily.  Ik wens u te danken voor dit verwarrende boek.  U doet mij vreemde dingen zeggen.  U doet mij vreemde dingen schrijven.  Het lijkt wel alsof ik het allemaal niet meer zo goed weet.  Alsof ik voortdurend lijk te twijfelen aan wat ik schrijf of zeg.  Toch is er één ding, dat als een paal boven water staat.  U schreef een prachtig boek.  Daarover wens ik niet te twijfelen.  Daarover wens ik duidelijk te zijn.  Enkel daarom wil ik het nogmaals herhalen.  Beste Emily, u schreef een prachtig boek.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 19 september 2017

Mijn reisverhaal Rusland. Dag 4: Sint-Petersburg.

Vandaag gaan we naar Peterhof.  Het plaatsje, dertig kilometer buiten Sint-Petersburg, is op vele manieren te bereiken.  Met de draagvleugelboot.  Met de trein.  Wij doen het nog anders.  Wij gaan met de bus.  Een beetje gewoontjes.  Niks revolutionairs.  Gewoon met de bus.  Niks meer.  Niks minder.
 
Sint-Petersburg telt zes miljoen inwoners.  Die moeten allemaal te slapen gelegd worden.  Dat dit onmogelijk lukt enkel in het centrum hadden we al vermoed.  Dat vage vermoeden wordt bevestigd op weg naar Peterhof.  Eénmaal buiten het centrum merken we de woonblokken op.  Slaapblokken, zo kunnen ze ook wel genoemd worden.  De architectuur van deze communistische torens laat zich niet onderscheiden door veel frivoliteit.  De appartementen werden gemaakt voor datgene wat zij moesten doen.  Die huisvestende taak vraagt geen tierlantijntjes.  Eentonige soberheid is troef in deze wijken.  Soberheid, die gevaarlijk dicht aanleunt bij tristesse.  In het communisme moet weinig levensplezier te vinden zijn.  Dat denk ik terwijl wij doorheen deze troosteloze centra rijden.
 
Tristesse mag niet al te lang aanhouden.  Om te vermijden dat men zelf besmet raakt.  Dat lijken de Russen toch begrepen te hebben.  In de buitenste gordel rond de stad proberen ze het anders.  Nog altijd zie ik blokken.  Toch is er dat ene verschil.  De Chinese bouwheren trachten wat meer moderniteit in het ontwerp binnen te brengen.  Variëren in die moderniteit lijkt nog steeds een stap te ver.  Maar de tristesse van voorheen lijkt hier toch enigszins te verdampen.  Internationale prijzen voor stadsvernieuwing zullen evenwel niet gewonnen worden.  Architecturale durf en bravoure moeten hier nog aangemoedigd worden.  Een mens leeft van hoop.  Diezelfde mens kan zich optrekken aan de wetenschap van Bredero.  Het kan verkeren.
 
De woonblokken laten we achter ons.  We passeren een ander bijzonder optrekje.  De zomerresidentie van Poetin.  Dit optrekje zouden we moeten kennen van de journaals.  Hier worden vaak wereldleiders ontvangen.  Diezelfde wereldleiders verblijven hier ook.  Vakantie en diplomatie lijken hand in hand te gaan op de G7-, G8- en G20 ontmoetingen.  Als Rusland aan de beurt is voor het organiseren van die ontmoetingen, gaat het feestje hier door.  Dat heeft zo zijn voordelen.  De residentie is bereikbaar via de Finse Golf.  Over het water.  De leiders hoeven het verkeer dus niet in de war te sturen.  Ze brengen de wereld al in de war.  Dat is meer dan genoeg.  De wereld mag best dol draaien.  Dat lijken we gewoon te zijn.  Daar hebben we ons al bij neergelegd.  Pas als het verkeer uitmondt in chaos, gaan we ons zorgen maken.  Want een stilstaande wagen in het verkeer lijken we niet te aanvaarden.  Een stilstaande wagen lijkt pas echt het einde van de wereld.  Daar kunnen die wereldleiders best niet aan raken.  Over het water dus, beste heren.
 
Sommige grasperkjes hebben net dat ietsje meer.  Ik denk aan het gras van Wimbledon.  Dat gras mocht en mag de grootste tennisspelers en- speelsters ontvangen.  Die spelers en speelsters mochten op dit gras het beste van hun kunnen showen.  Het gras van Poetins zomerresidentie kan best wel een concurrent zijn voor het Wimbledon gras in het streven naar de titel van ‘meest bijzondere meerwaarde’.  Op dit gras heeft Merkel gelopen.  Sarkozy.  Bush sr. en jr.  Obama.  Misschien moet ik aan onze chauffeur toch even vragen hier halt te houden.  Om mijn geschreven pleidooi voor een betere wereld persoonlijk in te dienen.  Een naïeve gedachte, ik weet het.  Maar wie niet waagt enzovoort enzoverder…
In een betere wereld lijkt Poetin nauwelijks geïnteresseerd.  Zo lijkt het wel.  Maar hij staat hierin niet alleen.  Andere wereldleiders blijken een even grote desinteresse te etaleren.  Al te zeer zijn zij in beslag genomen door tactische spelletjes.  Verdeel en heers, dat lijkt voor deze meesterstrategen de grootste betrachting.  Daarvoor moet het idee van een betere wereld even aan de kant.
 
In de Hermitage dachten we al een hoog aantal bezoekers gezien te hebben.  Maar dat lijkt slechts klein bier te zijn vergeleken met het Peterhof.  Hier staan we stil aan de ingang.  Hier schuifelen wij voort.  Traag.  Heel traag.  De processie van Echternach, zo lijkt het wel.  Het grote aantal bezoekers is buitensporig.  Het Russische Versailles lijkt hierop niet voorzien te zijn.  Toen bestonden nog geen cruiseschepen.  Dat is nu wel wat anders.  Vandaag liggen negen cruiseschepen in de haven van Sint-Petersburg voor anker.  Blijkbaar hebben die schepen los van elkaar beslist vandaag hun lading te droppen aan het Zomerpaleis van Peter de Grote.  Wij zijn hier niet alleen.  Geduld, dat zullen we moeten hebben.  Met een slakkengangetje wandelen we doorheen het gerenoveerde paleizencomplex.
 
 
 
Er diende wat gerenoveerd te worden.  De Tweede Wereldoorlog had zijn wrede sporen nagelaten.  Vlak voor de terugtrekking van de Duitse troepen worden vele paleizen opgeblazen.  De wraak van de verliezer, zo kan het misschien genoemd worden.  Strijdende partijen maken geen onderscheid tussen wat cultureel waardevol en minder waardevol is.  Oorlog oordeelt niet.  Oorlog vernietigt.  Doet enkel dat.  Cultureel erfgoed is in oorlogstijd van geen tel.  De vernielingszucht is onpeilbaar.  Onmeetbaar.
 
Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog, in 1946, werd met de heropbouw gestart.  Als een bewijs van de Russische veerkracht.  De zomerresidentie zal als een feniks uit zijn as herrijzen.  Vele kunstschatten werden vóór de Duitse inval naar andere plaatsen weggevoerd of werden begraven in de tuin.  Bij de heropbouw worden die schatten teruggehaald of opgegraven.  Wat definitief verloren is, wordt nagebouwd.  Wordt nagemaakt.  Volgens de aloude technieken.  Een beroep wordt gedaan op het vakmanschap, dat de Russen in huis hebben.  Het Russische meesterschap kan zich hier botvieren.
 
 
Ik zou liegen als ik zou zeggen dat de zomerresidentie van Peter de Grote mij volledig koud laat.  Dat doet het niet.  Ongevoelig blijven bij een indrukwekkende Troonzaal, Balzaal, Audiëntiezaal of Staatsietrap is bijna onmogelijk.  Daarvoor zijn die zalen te indrukwekkend.  Te imponerend.  Toch vraag ik mij voortdurend af of deze ‘replica’ het oorspronkelijke ontwerp zou overtreffen of dat het toch slechts een magere kopie blijft.  Het blijft gissen.  Een antwoord is bijna onmogelijk.  Want wie kan zich het oorspronkelijke ontwerp nog herinneren.  Wie kan zich dat ontwerp nog voor de geest halen.  Niemand, denk ik.  Ik troost mij dan maar met de gedachte dat de ‘replica’ het origineel evenaart.  Of toch zeker benadert.  Dat is wat ik denk.  Wat ik hoop.
 
Niet enkel de gebouwen werden gerenoveerd.  Ook de tuinen moesten heraangelegd worden.  Want duizenden, eeuwenoude bomen waren tijdens de oorlog omgekapt.  Het ingenieuze hydrotechnische systeem, dat de vele cascades en fonteinen voedde, was vernield.  Dat alles moest aangepakt worden.  Over een tijdspanne van bijna vijftien jaar wordt het volledige complex (paleizen én tuinen) in ere hersteld.  Het complex kan weer schitteren.  Kan opnieuw toeristen ontvangen en hen het bewijs leveren van de Russische grootsheid.  Van één van de hoogtepunten uit de Russische geschiedenis.
 
 
 
Ik wandel doorheen die heraangelegde tuinen.  Ik zie bomen.  Bij elkaar geplaatste bomen die al te graag een bos willen zijn.  Dat zijn zij niet.  Wel hebben ze de ambitie.  Maar het net niet halen van die ambitie maakt deze tuinen bijzonder charmant.  Soms moeten wij niet kijken naar wat wij zien.  Soms moeten wij verder kijken.  Kijken naar wat het zou kunnen zijn.  Wat het zou kunnen worden.  Soms is de intentie of de mogelijkheid veel interessanter dan de realiteit.  Dat besef ik in deze tuinen.  Ik kijk naar bomen.  Ik zie een mogelijk bos.
 
Zonet had ik geschreven dat ik twijfelde of de replica het origineel kan evenaren.  Die twijfel wordt gevoed als ik beneden in de tuin sta.  Aan de fontein van Simson.  Aan het grote kanaal.  Ik kijk op naar het Paleis.  Een prachtig, adembenemend uitzicht.  Maar toch is er een smet op dat uitzicht.  Dat uitzicht wordt aangetast.  Door die bladgouden beelden.  Het zou kunnen dat ik te kritisch ben.  Dat zou kunnen.  Toch wil ik het kwijt.  Die beelden zijn net iets te proper.  Het lijkt onnatuurlijk.  Het zou mooier geweest zijn indien de beelden toch een klein beetje zouden zijn aangetast door de weersomstandigheden.  Indien de weergoden reeds hun stempel hadden gedrukt op deze beelden.  Dan pas zou het echt zijn.  Dan pas zou het authentiek zijn.  Nu lijkt het te nieuw.  Te afgelikt.
 
 
Met die bedenking in mijn hoofd keren wij terug naar Sint-Petersburg.  Om daar tot een verrassende vaststelling te komen.  Wij blijven nog één nacht in Sint-Petersburg.  Deze morgen hadden we reeds onze koffers gepakt.  Wij waren vertrekkensklaar.  Maar dat hoeft niet.  Wij blijven nog.  Opnieuw kunnen we de stad in.  Deze avond kunnen we de dingen ontdekken, die we nog niet hadden gezien.  Misschien toch nog een balletvoorstelling?
 
Wij konden naar Anna Karenina.  Ik had het boek van Leo Tolstoj nooit gelezen.  Te lijvig.  Te dik.  Ik ben een luie lezer.  Of neen, dat oordeel is te hard.  De gedachte dat een te dik boek mij weghoudt van andere te lezen boeken is ondraaglijk.  Dikke boeken houden mij te lang gegijzeld.  Daarom verzaak ik aan te grote formaten.  Nu heb ik evenwel de kans om een samenvatting van het boek te lezen.  Via de bewegingen van ballet.  Dansers en danseressen zullen mij het hele verhaal vertellen.  Helaas.  Kaartjes zijn niet meer beschikbaar.  
 
Wij werken een alternatief plan uit.  Ons ‘plan de campagne’ is snel klaar.  Wij trekken naar de Petrus- en Paulusvesting.  Naar de oorsprong van de stad.  Naar die plek van waaruit Peter de Grote zijn stad uitbouwde.  Wij kunnen met de metro naar die plek.  Toch doen wij het niet.  Wij gaan te voet.  De stad is gemakkelijk ‘bewandelbaar’.  Toch het centrum.  Alles ligt op loopafstand.  Wij gaan de Neva over.  Via de Paleisbrug.  Langs de Rostra zuilen, de oorspronkelijke vuurtorens van de stad.  Lang blijven wij hier niet hangen.  Wij hebben een doel.  Daar moeten wij heen.
 
 
Wij gaan door naar de Petrus- en Paulusvesting.  We komen binnen langs de achterdeur.  Gaan buiten langs de voordeur, de Petruspoort.  De wereld op zijn kop.  Maar op vakantie mag alles wel eens op zijn kop gezet worden.  Afwijken van het gewone normale is dan bijna een must.  We betreden de vesting, die oorspronkelijk werd gebouwd als verdedigingspunt tegen een mogelijke aanval van de Zweedse Marine.  Later werd de vesting omgeturnd tot een gevangenis voor politieke gevangenen.  De eerste die hier werd opgesloten was de zoon van Peter de Grote.  Later zouden hier ook Dostojevski en Gorki ‘gehuisvest’ worden.  In 1924 werd de gevangenis gesloten en werd de vesting ingericht als een museum.

 
De Petrus- en Pauluskathedraal, de eerste stenen kathedraal van de stad, kunnen wij niet binnen.  Er zijn festiviteiten aan de gang.  Dat is jammer.  Bijzonder jammer.  Een laatste groet brengen aan Peter de Grote kunnen we niet doen.  Ook de overige tsaren en tsarina’s na Peter de Grote kunnen we niet groeten.  Het had nochtans gekund want in deze kathedraal liggen ze allemaal begraven.  Zelfs Nicolaas II, de laatste tsaar van Rusland, werd hier begraven samen met zijn familie.  Dat gebeurde evenwel pas in 1998.  Nadat hun overblijfselen werden opgegraven bij Jekaterinenburg en naar deze plek werden overgebracht.
 
 
Aan het graf van Peter de Grote kunnen we niet staan.  Toch kunnen we bij hem op de schoot.  Beeldhouwer Sjemjakin maakte een beeld van deze staatsman.  Het beeld getuigt weinig van dat staatsmanschap.  Weinig flatterend, zo zou ik het omschrijven.  Een te klein hoofd.  Een te groot lichaam.  Te lange vingers.  Het eigenlijke beeld vind ik op zich best wel mooi en grappig.  Maar mag een tsaar als grap gebeeldhouwd worden? Eén ding is zeker, het kunstwerk mag best wel controversieel genoemd worden.  Net als bij elke controverse zijn er voor- en tegenstanders.  Ik ben voorstander.  Omdat ik meen dat het grote staatsmanschap best wel mag gerelativeerd worden.  Tegen de schenen van machthebbers mag al eens geschopt worden.  Moet zelfs geschopt worden.  Het houdt hen alert.  Het doet hen begrijpen voor wie zij het allemaal doen.

 
Controverse trekt aan.  Maakt die nieuwsgierigheid wakker.  Iedereen wil dat beeld nu wel zien.  Wil die controverse aanraken.  Betasten.  Vooral dan die lange vingers.  Dat zou geluk brengen.  Ik stond ook bij dat beeld.  Ik raakte ook die vingers aan.  Om zo een extra portie geluk te tanken.  Een tikkeltje extra kan nooit kwaad.
 
Vóór we de vesting binnengingen, zag ik tegenover de ingang het Artilleriemuseum.  Aan de toegang tot dat museum stonden raketten en allerhande geschut.  Tentoongesteld.  Uitgestald.  Vanop afstand keek ik naar de redenen van die gekke wapenwedloop.  Ik keek naar de redenen waarom het Westen meende zich te moeten bewapenen.  Het Westen moest gelijke tred houden met het Oosten.  Zo werd het ons toch verteld.  Nucleaire dreiging als mogelijke afschrikking van de tegenstander.  Bij de toegangspoort tot de vesting keek ik naar de redenen waarom ik mee stapte in de grote rakettenbetoging.  Vijftien jaar was ik toen.  ‘Godverdomme, weg die bommen’, herhaalde ik toen luidop de slogan van de betoging.  Het maakte niet uit van wie de bommen waren.  Aan welke kant de raketten stonden.  Ik voelde gewoon aan dat kernwapens geen goed idee waren.  Mijn kleine bijdrage heeft niet geholpen.  De raketten werden toch geplaatst.  Kruisraketten kwamen naar Florennes.
 
Na die ene betoging stapte ik nooit meer mee in een protestmars.  Alsof ik het geloof ben verloren in de kracht van betogen.  Ik weet dat het nochtans noodzakelijk is.  Vooral in deze tijden.  Vooral nu.  Ik droom van een betere wereld.  Van een andere wereld.  Ik weet dat het goed staat om tegen globalisering te pleiten.  Ik ben niet tegen globalisering.  Wel ben ik tegen de manier, waarop die globalisering vandaag wordt ingevuld.  Er moet gecorrigeerd worden door een sterke en aanwezige overheid.  Die overheid moet niet weggeduwd en uitgesloten worden, zoals nu al te vaak gebeurt.  Die overheid moet op het voorplan treden om eindelijk opnieuw de rol van dirigent op zich te nemen.  Het verzet van Paul Magnette tegen het CETA-vrijhandelsakkoord werd weggelachen.  Maar hij had gelijk.  Sociale rechten moeten in dat akkoord ingeschreven staan.  Bescherming van het milieu moet een topprioriteit zijn in dat akkoord.  Ik kan doorgaan.  Blijven doorgaan.  Maar we zijn op vakantie.  Rust in mijn hoofd, dat heb ik nodig.
 
 

 
Die rust vind ik in de Petruskerk, een Evangelisch-Lutherse kerk.  Er is net een concert begonnen.  Een orgelrecital.  Wij zetten ons op een bankje.  Laten ons volstromen met muziek terwijl wij de film over Sint-Petersburg even terugspoelen in ons hoofd.  De beelden komen voorbij en brengen die gezochte rust.  Kerken kunnen wonderen doen.  
 
Het had nochtans weinig gescheeld of wij hadden deze kerk nooit gevonden.  Het had weinig gescheeld of deze kerk was vernietigd.  Verdwenen.  U hoeft niet vreemd op te kijken.  Een gepubliceerde lijst uit 1992 van alle cultusgebouwen (huiskerken, kloosterbidhuizen, kerkhofkapellen, …) in Sint-Petersburg vermeldt 56 bewaard gebleven, 331 grotendeels verwoeste en 372 geheel verloren gegane bidhuizen.  Het voortbestaan van deze kerk heeft aan een zijden draadje gehangen.  In het Sovjettijdperk werd de kerk ontheiligd en omgevormd naar een zwembad.  Op de plaats van het altaar kwam een duiktoren.  Pas in 1997 werd de kerk opnieuw ingehuldigd en ingezegend.  In die kerk zitten wij vandaag.  In die kerk komen wij vandaag tot rust.  Opnieuw kunnen wij kijken naar een altaar.  De herinneringen aan een duiktoren zijn weg.  De heerlijke muziek verdrijft de herinneringen aan die wrede geschiedenis.  Bijna dommelen wij in.  
 
Het is onze laatste dag in Sint-Petersburg.  Onze laatste avond.  Nog een laatste keer passeren wij voorbij de synagoge.  Op weg naar ons hotel.  Een laatste keer houden wij halt.  Een laatste keer vragen we of we binnen mogen.  Dat doen we nu de derde keer op rij.  Elke avond passeerden wij.  Elke avond vroegen wij om binnen te mogen.  De man, die aan de ingang waakt, moet ons intussen wel kennen.  Dat blijkt nochtans niet uit zijn kordate weigering.  Geen glimlach.  Enkel een nors hoofdschuddende weigering.  Derde keer, goede keer? Ditmaal niet.  Helaas.
 
Mijn reisverhaal Rusland.  Dag 5: Sint-Petersburg – Novgorod.  Te lezen op donderdag 28/09/2017.