donderdag 14 juni 2018

Uitgelezen: De sixties. Seks! Drugs! Rock-'n-roll! Revoluties! Brief aan Rudolf Hecke.

Beste Rudolf,
 
Ik meende oprecht dat het niet bestond.  Dat het enkel bestaansrecht had in de stripverhalen van Suske en Wiske.  Nu weet ik dat het anders is.  Nu weet ik dat het bestaat.  Want ik heb het ervaren.  Met uw boek.  Uw boek was mijn teletijdmachine.  U flitste mij terug naar de jaren zestig.  De jaren zestig van de vorige eeuw.
 
U voerde mij terug naar vroegere tijden.  Naar tijden, die ik niet gekend heb.  Jawel, ik ben geboren in negentienhonderd achtenzestig.  Maar in die vroege levensjaren verzamelde ik nog geen herinneringen.  Ik was te zeer onder de indruk van de grote wereld, die ik net betreden had.  Ik zocht nog naar vaste ankerpunten, die als kapstok konden dienen voor mijn nog te collectioneren memories.  Die zoektocht vraagt tijd.  Vraagt geduld.  Zo passeerden de zestiger jaren langs mij heen.  Onwetend was ik van wat om mij heen gebeurde.
 
Ik werd teruggeflitst naar een tijd, die ik niet kende.  Ik had kunnen verloren lopen.  Ik had kunnen verdwalen.  Dat gebeurde niet.  U was mijn gids.  U nam mij bij de hand.  Ik moest terugdenken aan die politieke tijden, waarin de gids ervaren was.  Aan die woorden moest ik denken want u bent ervaren.  U bracht mij naar plaatsen waar ik voordien nog niet was geweest.
 
Nu moet ik eerlijk bekennen dat niet alles mij vreemd was.  Muziek is een omgeving waarin ik mij nogal thuis voel.  Hierin kon u mijn hand wat lossen.  Hierin mocht u mij wat vrijer laten rondlopen.  Serge Gainsbourg.  Françoise Hardy.  Bob Dylan.  The Doors.  Fairport Convention.  Canned Heat.  Frank Zappa.  David Bowie.  The Grateful Dead.  The Rolling Stones.  The Beatles.  The Yardbirds.  Ferre Grignard.  Paul Michiels.  Jimi Hendrix.  Die namen waren mij niet onbekend.  Vele verhalen achter die namen waren mij wel onbekend.  Enkele van die verhalen onthulde.  Enkele van die verhalen vertelde u.  Ik moest lachen toen ik las dat Lilianne Saint-Pierre met Jimi Hendrix op stap ging na een Duitse televisieshow.  Ik kon mijn lach niet onderdrukken toen ik las dat The Rolling Stones te gast waren bij Tienerklanken.  Bij tante Terry en nonkel Bob.  Ik vroeg mij af of het vrolijke vrienden geworden waren.  Ik keek vreemd op toen ik las dat Pink Floyd nog had opgetreden in het Antwerpse Pannenhuis.  Dit moeten heerlijke tijden geweest zijn, dacht ik.
 
U toonde mij hoe de muziek in die jaren professionaliseerde.  Managers.  Producers.  Alles werd ernstiger.  Serieuzer.  U toonde mij het begin van rockmusicals.  Van de supergroepen.  Van de muziekclubs en rocktempels.  Van de jeugdclubs.  U bracht mij naar Londen.  Naar Parijs.  Naar Amsterdam.  U voerde mij naar de gedurig wisselende rocksteden.  Samen met u ging ik langs bij de nieuwste muziekclubs.  The Marquee Club.  Olympia.  De Melkweg.  Paradiso.  Whisky a Go Go.  De Fillmore.  Wij klopten aan bij nieuwe radiostations.  Bij KPMX.  Bij Europe 1.  Bij Radio Luxembourg.  Samen met u beleefde ik legendarische concerten.  Waarvan u verslag deed.  Ik las en genoot.  Bij dat lezend genot trachtte ik de muziek te horen.  Ik trachtte die in mijn hoofd op te roepen.  Dat maakte het lezen nog intenser.  Nog echter.
 
U nam mij mee naar feestjes.  Met u ging ik naar happenings.  Naar human be-ins.  Naar love-ins.  U nam mij mee naar sekten.  Naar hippiegemeenschappen.  Ik wil eerlijk zijn, ik hou wel van een feestje.  Ik hou wel van een zwaar feestje.  Er mag al eens doorgezakt worden.  Wat ik hier las, deed mij evenwel blozen.  Ik voelde mij een broekventje.  Ik besefte plots dat ik heus wel een brave jongen was.  Ik las over gekke feestjes.  Over dolgedraaide feestjes.  Over feestjes waarop bijna alles mogelijk was.  Geen remmen.  Geen beperkingen.  Ik trok mijn ogen wijd open.  Vaak viel mijn mond open bij wat ik las.  Dit waren feestjes van een hogere categorie.  Van een bijna buitenaardse categorie.  
 
U bracht mij niet enkel naar de wereld van de muziek.  U bracht mij niet enkel naar feestjes.  Samen met u ging ik de straat op.  Om te protesteren.  Samen met studenten.  Samen met arbeiders.  Ik ging langs bij de derdewereldbeweging.  De vredesbeweging.  De vrouwenbeweging.  Ik zag hoe progressieve jongeren hun krachten bundelden tegen de autoriteiten.  Ik sloot mij aan bij het verzet tegen de oorlog.  Ik leverde mee strijd om gelijke rechten.  Ik uitte mijn afkeer tegen de consumptiemaatschappij.  Ik voerde acties tegen discriminatie omwille van seksuele geaardheid.  U bracht mij naar die plaatsen waar zwaar strijd werd geleverd.  Naar Selma.  Naar de Quartier Latin.  Naar Leuven.  U introduceerde mij bij groeperingen, die voor de omverwerping van het systeem gingen.  The Weathermen. The Angry Brigade.  Samen met u voelde ik de schreeuw om vrede.  De roep om revolte.
 
U bracht mij naar een wereld waarin alles volop aan het veranderen was.  Muziek.  Mode.  Kunst.  Seks.  Media.  Film.  Niks bleef hetzelfde.  U toonde mij hoe het brave verviel.  Hoe het gedurfde opkwam.  Ik reisde doorheen een gekke wereld.  Doorheen een wereld, die plots vaststelde dat het anders moest.  Dat de vastgelegde conventies dringend moesten opengebroken worden.  Samen met u was ik getuige van die strijd.  Van die veranderingen.
 
U nam mij mee naar een wereld.  Een wereld van waaruit ik terugkeek naar mijn wereld.  Naar de wereld, die ik ken.  De wereld van vandaag.  Ik besef dat we heel misschien wel nood hebben aan een stevige dosis ‘sixties’.  Ik besef dat we heel misschien opnieuw de barricades op moeten.  Dat er vandaag heel wat thema’s zijn die om een oplossing schreeuwen.  De toenemende ongelijkheid.  De klimaatopwarming.  Ik weet niet of het zal gebeuren.  Wij zijn te braaf geworden.  Wij roepen niet meer.  Wij schreeuwen niet meer.  Heel soms vragen wij.  Heel beleefd.  Heel stilletjes.  Verder gaat het niet.  Het blijft stil op straat.  Op universiteitscampussen.  Het mag wat wilder.  Wat stouter.  Wat harder.  Dat besef ik.  Dat hoop ik.
 
Beste Rudolf.  Ik was blij met u te mogen meestappen doorheen de jaren zestig.  Het was een boeiende en leerrijke reis.  In die mate dat ik wel een beetje verlang naar die jaren.  Niet omdat het toen beter was.  Wel omdat het nu nodig is.  Uw boek was een openbaring.  Een wake-up call.  Een oproep.  Voor dat alles wil ik u van harte bedanken.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 12 juni 2018

JR, gezien in NTGent op locatie. Brief aan Anne-Laure, Ella-June, Imke, Marie, Bart, Frank, Geert, Gène, Jan, Joé, Junior, Kes, Michael, Oscar, Rashif, Stijn, Thomas, ...

Beste Anne-Laure,
Beste Ella-June,
Beste Imke,
Beste Marie,
Beste Bart,
Beste Frank,
Beste Geert,
Beste Gène,
Beste Jan,
Beste Joé,
Beste Junior,
Beste Kes,
Beste Michael,
Beste Oscar,
Beste Rashif,
Beste Stijn,
Beste Thomas,
Beste …,
 
Ik kwam te voet.  Vanuit Zwijnaarde.  Naar de Floraliënhal.  U had mij kunnen attent maken op het bestaan van het openbaar vervoer.  Van dat bestaan ben ik evenwel op de hoogte.  Alleen ben ik niet zo vertrouwd met de lijnen en de netten.  Ik nam dus het zekere voor het onzekere.  Ik kwam te voet.  Zoals ik reeds zei.  Ik moet u ook bekennen dat er soms wat schort met het beheren van mijn tijd.  Daar kan al eens een foutje insluipen.  Zoals die woensdagavond.  Ik had alles wat te nauw berekend.  Ik moest mij dus haasten.  Snelwandelen, dat is wat ik deed.  Ik kwam aan bij de Floraliënhal.  Buiten adem.  Op mijn voorhoofd parelden dikke zweetdruppels.  Ik kon maar één ding hopen.  Dat het goed zou zijn.  Dat het verdomd goed zou zijn.  Met minder zou ik geen genoegen nemen.
 
Een complexe en hilarische satire op het kapitalisme.  Dat mocht ik verwachten.  Het lijkt alsof die belofte meteen wordt ingelost.  Bij het betreden van de ‘arena’ meende ik reeds geconfronteerd te worden met alvast één kritische bedenking op het kapitalisme.  In het midden van de ‘arena’ staat de ‘building’, een opeenstapeling van containers.  Rond die toren staan vier tribunes.  Ik moet denken aan die verlammende keuzestress bij de consument.  Honderden merken.  Binnen die merken honderden variëteiten.  Ik kijk om mij heen.  Naar die vier tribunes.  Naar die vele stoelen.  Waar moet ik mij zetten? Welke stoel zal het beste overzicht bieden? Want ik wil niks missen.  Ik kijk.  Kijk.  Kijk.  Om dan maar een stoel te kiezen.  Hoog in de tribune.  Dat lijkt mij het beste.  Zekerheid heb ik niet.
 
Ik ben gezeten.  De voorstelling begint.  Ik weet niet wat ik zie.  Zit ik te kijken naar een filmvoorstelling? Of ben ik toch op een theatervoorstelling? Film en theater, het loopt dooreen.  Op een vlotte manier.  Op een snelle manier.  Het een springt over op het ander.  Ik moet alert blijven.  Ik mag de aandacht niet laten verslappen.  Ik moet bij de les blijven.  Maar dat lukt.  Zonder enige moeite, zo lijkt het wel.  Ik schakel vlotjes over.  De rode draad doorheen het verhaal laat ik niet los.  Ik volg.  Op het puntje van mijn stoel.  Jawel, ik ben in de ban.
 
Het verhaal? Het verhaal gaat over chaos.  Over mensen die in een dolgedraaide wereld toch trachten overeind te blijven.  Soms lukt dat.  Moeizaam.  Soms loopt het fout.  Faliekant.  Wij zien de personages strijd leveren.  Wij zien personages met hun hoofd hard tegen de muur knallen.  Dromen worden gedroomd.  Worden niet gerealiseerd.  Worden hard vertrappeld.  Allemaal lijken het verliezers.  Verliezers in een wedstrijd, die het leven is.  Allemaal verliezers.  Geen winnaars.  Of toch.  Eén winnaar.  Een elfjarige jongen.  In de chaos vindt hij winst.  Hij gebruikt diezelfde chaos.  Tot meerdere eer en glorie van zijn eigen persoontje.  Niemand anders lijkt van tel.  Hij gebruikt.  Hij misbruikt.  Zonder enige kritische bedenking over zijn handelen.  Hij speelt een spelletje.  Een spelletje, waarvan hij de spelregels bepaalt.  Spelregels, die constant wijzigen.  In dat spel is er slechts één scheidsrechter.  Geld, dat is de referee.  Geld bepaalt alles.
 
Ik zie het verhaal.  Ik lees de kritiek.  De kritiek op het systeem, dat kapitalisme wordt genoemd.  Veel geblaat, weinig wol.  Er wordt veel gepraat.  Weinig gezegd.  Grote woorden moeten de leegheid verhullen.  Niemand lijkt te weten waar het heen moet.  Iedereen doet maar wat.  Op de hoogste trede van de sociale ladder.  Op de laagste trede.  Iedereen improviseert.  Met dat ene verschil.  Op de hoogste ladder lijkt er structuur achter het handelen te schuilen.  Alles lijkt doordacht en onderbouwd.  In werkelijkheid is het enkel schone schijn.  Dus neen.  Geen verschil.  Geen enkel.
 
Maar de grootste kritiek op het huidige systeem schuilt in dat jongetje.  Dat elfjarig jongetje.  JR.  Hij speelt een spelletje met kwalijke gevolgen.  Met diep ingrijpende gevolgen.  Hij staat daar niet bij stil.  Is ongevoelig voor die gevolgen.  Bij hem overheerst enkel die ene drang, het spelen van het spelletje.  Hem kan eigenlijk niks kwalijk genomen worden.  Het wordt anders als ik besef dat in de echte wereld geen kind maar volwassenen hetzelfde spel spelen.  Volwassenen, die zich wel moeten bewust zijn van de consequenties.  Die zouden moeten handelen volgens welbepaalde ethische principes.  Volgens waarden en normen.  Recente wereldcrisissen hebben getoond dat het niet gebeurt.  Dat regelgeving en ethisch handelen nauwelijks aanwezig zijn.  Geld.  Geld.  Geld.  Dat lijkt de enige motivatie te zijn.  Dat lijkt de enige regel te zijn.  De enige waarvoor alle andere moeten wijken.
 
Ik was mijn brief begonnen met mijn voettocht naar de Gentse Floraliënhal.  Met mijn hoop dat de voorstelling verdomd goed zou zijn.  Een hoop als compensatie voor mijn vele zweet.  Aan het eind van de voorstelling, na vier uur, kan ik hierover kort zijn.  Soms schuilt in de beknoptheid de essentie.  Mijn hoop werd werkelijkheid.  Deze voorstelling was een feest.  Ik zie en voel het spelplezier.  Iedereen schittert.  Geen enkele uitzondering.  Dit moet gezien worden.  Dit moet gespeeld worden.  Vaak en veel.
 
Na de voorstelling drink ik nog een pintje.  Ik vat mijn wandeling aan.  De afstand blijft dezelfde.  Maar de omstandigheden zijn anders.  Ik hoef mij niet meer op te jagen.  Ik heb tijd.  Tijd om te reflecteren.  Om na te denken.  Om bepaalde fragmenten terug te roepen.  Hilarische fragmenten.  Diepdroevige fragmenten.  Ik stap en lach.  Dit was een fijne avond.  Dit was een fantastische ervaring.
 
Beste.  Ik wil u danken voor deze voorstelling.  Voor deze trip.  Het was hevig.  Het was intens.  Maar bovenal was het fenomenaal goed.
 
Met vriendelijke groeten.

donderdag 7 juni 2018

Uitgelezen: Dubbel leven. Brief aan Montasser Alde'emeh.

Beste Montasser,
 
Uw naam was mij niet onbekend.  Ik had uw naam enkele malen opgemerkt in mijn krant.  In die krant las ik uw opiniestukken.  Over radicalisering.  Over deradicalisering.  Over terrorisme.  Ik had u enkele malen gezien in journaals.  In programma’s, bedoeld om te duiden.  U was gevraagd als gast om te debatteren over diezelfde ontwerpen.  Ik luisterde naar u.  Telkens waren uw meningen onderbouwd.  In dit debat hebben we nood aan goed onderbouwde meningen.  Want al te vaak wordt er geroepen en geschreeuwd.  Zonder enige diepgang.  Uw aanwezigheid in het debat voelde ik daarom als een verrijking.  Maar dan kwam die smet op uw blazoen.  U werd veroordeeld.  Voor valsheid in geschrifte.  Ik las wat ik las.  Ik ging twijfelen.  
 
Aan elk verhaal zitten steeds twee kanten.  Dat zei mijn vader steeds als ik weer maar eens een onderwerp te eenzijdig belichtte.  Studiewerk is nodig om tot een goed uitgebalanceerd verhaal te komen.  Enkel zo kan men een gefundeerde mening ontwikkelen.  Dat zei mijn vader ook nog.  Bij mijn twijfel tegenover uw persoon dacht ik aan die wijze woorden.  Ik moest aan het werk.  Op zoek naar die tweede kant van het verhaal.  Want in de media was al te eenzijdig slechts die ene kant belicht.  Ik wou de tweede kant van het verhaal horen.  Ik wou uw kant van het verhaal horen.
 
Ik las uw boek.  Zelden was ik zo blij dat ik een boek las.  Want via dat boek kwam ik dichter tot u.  Dat was noodzakelijk om u te kunnen begrijpen.  Al snel had ik door dat het verhaal heel wat gecompliceerder was dan die veroordeling.  Het verhaal was breder.  Complexer.  Net zoals uw persoonlijkheid.  In uw boek las ik dat u eigenlijk drie persoonlijkheden in u verenigde.  U was hulpverlener.  U trachtte te voorkomen dat jongeren zelfmoordaanslagen plegen.  U was onderzoeker.  U trachtte te achterhalen op welke islamitische bronnen jongeren zich baseerden.  U was informant.  U zocht uit waar strijders zich bevonden, wie deel uitmaakte van een netwerk, door wie jongeren geronseld werden, …Die vele rollen dwingen u tot balanceren.  U wordt een waar evenwichtskunstenaar.  Uw eigen mening dient u in het publieke debat te verdoezelen.  U moet een zekere mildheid tegenover radicalen tentoonspreiden en u mag kritiek op politie- en veiligheidsdiensten niet schuwen.  U moet wikken en wegen.  U moet schipperen.  Om zo de nodige informatie en inlichtingen los te weken.  Want via uw Kenniscentrum had u toegang tot moslims in de ban van jihadistische ideologie, teruggekeerde jihadisten die niet gerechtelijk vervolgd waren en hun ouders.  Dat kenniscentrum zou gegroeid zijn vanuit de Staatsveiligheid.  Zij waren vragende partij.  Jawel, het verhaal is complex.
 
Die complexiteit eist zijn tol.  Het tast uw functioneren aan.  U kan nooit vrijuit praten.  U kan nooit het achterste van uw tong tonen.  Niet als geliefde.  Niet als broer.  Niet als zoon.  Niet als vriend.  Niet als hulpverlener.  Dat weegt.  Nergens kan u terecht.  Dat gewicht moet u alleen dragen.  Dat doet wat met een mens.  Uw verhaal illustreert dat.  Vele voorbeelden haalt u aan.  U laat de lezer binnen in uw privéleven.  U toont wat de gevolgen zijn van uw handelen.  Die eerlijke kwetsbaarheid maakt uw boek persoonlijk.  Het blijft niet enkel een waargebeurde spionageroman.  Uw boek wordt dieper.  Intenser.  Menselijker.  Wij zien een twijfelend mens.  Een mens die zich regelmatig de vraag stelt wat het juiste is.
 
Die complexiteit doet u ook met een kritische blik kijken naar het veiligheidsapparaat.  Naar het veiligheidsbeleid.  In uw boek verweeft u uw kritiek.  Die is meervoudig.  U hekelt het systeem van informanten.  Die zijn onvoldoende omkaderd.  Worden onvoldoende psychologisch begeleid.  U vraagt om een juridisch kader voor informanten.  Daaraan wordt gewerkt door minister Geens.  Dat erkent u.  Dat siert u.  U wijst op mankementen in de veiligheidsarchitectuur van ons land.  Eén van die mankementen is de bestaande concurrentie tussen de federale politie en de Staatsveiligheid.  U was slachtoffer van die concurrentie.  Terecht stelt u de vraag waarom door de federale politie een onderzoek wordt gevoerd naar een informant van de Staatsveiligheid.  U laakt de afwezigheid van een efficiënt beleid om de wortels van het geïnspireerde radicalisme aan te pakken.  Alles blijft te vrijblijvend.  Er wordt nog te vaak geïmproviseerd.
 
Aan het eind van uw boek schrijft u dat de overwinning op Islamitische Staat een vals gevoel van veiligheid creëert.  We worden zelfvoldaan.  U waarschuwt hiervoor.  IS gaat ondergronds.  Zint op wraak.  Het Midden-Oosten blijft een kruitvat.  Daarom bepleit u een samenwerking tussen en een versterking van de Belgische en Europese inlichtingen- en veiligheidsdiensten.  Omdat u beseft dat in België een diverse wereld zit.  Vele nationaliteiten.  Vele denk- en zienswijzen.  U vraagt om meer middelen.  Om meer mensen.  Ondermeer Belgen met een migratieachtergrond.
 
Uw boek is een boeiend tijdsdocument.  U doet verslag van gebeurtenissen in de wereld.  U toont de gevolgen van de wereldpolitiek voor ons landje.  U toont hoe u in die wisselwerking een rol tracht te spelen.  Een rol waarvan u hoopt dat het zal resulteren in een grotere veiligheid voor ons land.  Die bezorgdheid is alomtegenwoordig in uw handelen.  Enkel door die gedachte laat u zich leiden.  Voorwaar, een nobele en bovendien oprechte doelstelling.
 
Ik was gaan twijfelen aan uw persoon.  Dat schreef ik in het begin van de brief.  Ik heb nu uw boek gelezen.  Ik las uw kant van het verhaal.  Die twijfel is weg.  Volledig.  In de plaats kwam een grote bewondering.  Ik bewonder u omwille van uw onaangetaste engagement.  Ik ben ontroerd als ik lees hoe u steeds maar weer de kracht vindt om er te blijven voor gaan.  Want laat mij duidelijk zijn, in dezelfde omstandigheden waren velen heel waarschijnlijk verbitterd geworden.  Die verbitterdheid blijft bij u totaal achterwege.  
 
Beste Montasser.  U bent een mooi mens.  Uw boek levert voldoende bewijs om tot dat besluit te komen.  Ik ben blij uw compagnon de route geweest te zijn op een deel van uw reeds afgelegde levensweg.  Het was een mooie reis.  Een boeiende reis.  Een leerrijke reis.  Ik wens u alle succes toe in het verderzetten van uw levensweg.  Wie weet, ontmoeten wij elkaar ooit op die weg.  Dat zou mooi zijn.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 5 juni 2018

Mooie liedjes: In the rush of shaking shoulders (en veel, veel meer) van Arsenal. Brief aan Leonie, Hendrik en John.

Beste Leonie,
Beste Hendrik,
Beste John,
 
Vorige week was het Arsenal-week.  U kijkt vreemd op.  U denkt iets gemist te hebben.  Snel doet u even rondvraag.  Bij vrienden.  Bij vriendinnen.  In de media hebt u hierover niks opgevangen.  U staat voor een raadsel.  Sta mij dus even toe dit raadsel te ontraadselen.  Want dat is wat moet gebeuren met raadsels.  U hebt helemaal niks gemist.  Die Arsenal-week beperkte zich enkel tot mijn omgeving.  Mijn persoonlijke habitat.  Ik zelf had dat initiatief genomen.  Niemand anders.  Enkel ik wist van deze aan u gewijde week.  Niemand anders.  Waarom dan? Ik had zo mijn redenen.
 
Vorige week keek ik naar Belpop.  Naar de eerste aflevering van het nieuwe seizoen.  Die aflevering waarin Arsenal centraal stond.  Pas vorige week? Dat hoor ik u denken.  U twijfelt aan mijn verknochtheid aan de band.  Ik wil die twijfel wegnemen.  Ik heb een geldig excuus voor dat uitgesteld kijken.  Ik was op reis.  Dan is televisie ver weg.  Dan moeten andere dingen gezien worden.  Dan moeten andere indrukken opgedaan worden.  Na de reis kon ik mijn achterstand op televisioneel gebied wegwerken.  Ik kon kijken naar de gemiste programma’s.  Naar die programma’s die er toe doen.  Belpop was één van die programma’s.
 
De aflevering met u als centrale gast werd een feest.  Met pretoogjes zat ik te kijken.  Met pretoortjes (indien dit zou bestaan) zat ik te luisteren.  U deed mij meerdere malen naar mijn ceedeekast lopen.  U deed mij teruggrijpen naar een album, dat ik in jaren niet meer gehoord had.  Sonicly speaking van Thin Line Men.  U deed mij dat ene album uit de kast nemen.  Where have my countrymen gone van The Sheila Divine.  U herinnerde mij aan het bestaan van dat ene album uit mijn collectie.  Interiors van Brad met Shawn Smith.  
 
Maar u deed mij niet enkel teruggrijpen.  U herinnerde mij niet enkel aan die meer dan fantastische albums uit mijn collectie.  U deed mij ook ontdekken.  U bracht mij tot Kyuss.  Aan die groep was ik altijd voorbijgegaan.  Waarom? Ik achtte mij te licht voor die muziek.  Ik zou omver geblazen worden door de agressieve hardheid.  Dat dacht ik altijd.  Daarom ging ik in een wijde boog om die muziek heen.  Maar u liet mij datgene doen wat ik altijd al had vermeden.  Ik ging op zoek naar de muziek van Kyuss.  Een nieuwe wereld ging open voor mij.  Deze muziek moest niet ontweken worden.  Vele jaren dwaalde ik.  Dat stelde ik nu vast.  Ik ontdekte die heerlijke energie.  Eén brok luide en harde energie, waaruit ik toch rust weet te puren.  Hardheid en rust, het kan samengaan.
 
Ik had al een fijne tijd met die muziek.  Toch moest het beste nog komen.  Het sluitstuk van mijn Arsenal-week moest nog komen.  Ik ging op reis doorheen de wereld van Arsenal.  Dat deed ik aan de hand van uw muziek.  Ik keerde terug naar het begin.  Dat was nodig.  Een reis moet een begin hebben.  Zonder een beginpunt is een vertrek onmogelijk.  Ik keerde daarom terug naar Oyebo Soul.  Uw debuutalbum uit 2003.  Op mijn muzikale reis bouwde ik verschillende rustpunten in.  Ik hield halt bij Outsides.  Bij Lotuk.  Bij Lokemo.  Bij Furu.  Ik besloot zelfs een ommetje te maken.  Ik stapte een zijweg in en kwam uit bij De Poolreizigers.  Vanop dat zijweggetje kwam ik opnieuw naar de hoofdbaan om door te gaan naar het eindpunt.  Naar In the rush of shaking shoulders.
 
Ik luisterde naar uw nieuwste album.  Ik kon een glimlach niet onderdrukken.  Een glimlach, die mijn blijheid moest vertolken.  Ik dacht terug aan die ene uitspraak in Alleen Elvis blijft bestaan.  In die enkele woorden werd niet minder dan het einde van Arsenal afgekondigd.  Toen zat ik zak en as.  Toen moest ik echt wel bekomen van dat nieuwtje.  Nu zat ik opnieuw te luisteren naar Arsenal.  Het leven kan mooi zijn.  Heel mooi.  Het eindpunt van mijn reis was het beginpunt van uw nieuwe reis.
 
Ik luisterde naar Amplify.  Ik luisterde naar Whale.  Ik luisterde naar de andere, nieuwe nummers.  Ik voelde het plezier.  Het plezier dat jullie hadden herontdekt in Nigeria.  Het plezier om muziek te maken.  Het plezier om een verhaal te vertellen.  Ik las dat verhaal.  Ik las uw muziek.  Arsenal was terug.  Ik kon er enkel blij om zijn.  Uw nieuwste album schonk mij niet enkel plezier.  Het maakte mij nieuwsgierig.  Nieuwsgierig naar de manier waarop die nummers zullen vertaald worden naar het podium.  Want in vele nummers hoor ik dat verlangen naar concertzalen.  Vele nummers vragen om een podium.  Dat wil ik zien.  Dat wil ik horen.  Want één ding weet ik, het wordt een feestje.  Dat staat als een paal boven water.  Ik begin nu al af te tellen naar uw show in de Lotto Arena.
 
Ik had een mooie week achter de rug.  Een week vol mooie herinneringen.  Een week vol fantastische ontdekkingen.  Een week met één belangrijke vaststelling.  Dat In the rush of shaking shoulders een meer dan goede plaats is.  Een uitstekende plaat.  Een schitterende plaat.  Een plaat, die moet gehoord worden.  Niet één keer.  Niet twee keer.  Wel honderden keren.  Ik moet stoppen met schrijven.  Uw nieuwste album roept mij.  Ik ga opnieuw op reis.  Want ik hoor vakantie in die muziek.  Ik hoor plezier.  Ik hoor levenslust.  Ik hoor vele dingen maar moet in die muziek nog veel andere dingen ontdekken.  Ik ga aan de slag.
 
Beste Leonie.  Beste Hendrik.  Beste John.  Ik wens u alle succes toe.  Tot in Antwerpen.  Dan gaan we feesten.
 
Met vriendelijke groeten.