dinsdag 20 februari 2018

Open grenzen of sociale zekerheid. Brief aan Bart De Wever.

Beste Bart,
 
Tweeënhalfjaar geleden had u het over gelukzoekers.  Syrische vluchtelingen die over de grens met Turkije zijn geraakt, zijn veilig.  Indien zij dan nog besluiten verder te trekken, transformeren deze oorlogsvluchtelingen in economische vluchtelingen.  Zij zijn dan niet langer op zoek naar veiligheid.  Wel naar geluk.  U stelde toen dat een aanpassing van de Conventie van Genève diende overwogen te worden.  De bepaling dat de toegang tot de sociale zekerheid garandeert op het niveau van de eigen onderdanen was u een doorn in het oog.  U sprak.  Een rel was het gevolg.
 
Enkele maanden terug meende u opnieuw te moeten spreken.  De (schaduw)premier eiste zijn podium.  De mensenketting waarmee enkele duizenden actievoerders een politieoperatie in het Brusselse Maximiliaanpark probeerden te voorkomen, was een stap te ver.  U ontwaarde sympathie met de transmigrant.  Met de vluchteling.  U ontwaarde verzet.  Dat moest gecounterd worden.  Opnieuw kwam u met het argument van de sociale zekerheid.  U beweerde dat een opengrenzenbeleid incompatibel was met de sociale zekerheid.  Er diende gekozen te worden.  Open grenzen of de welvaartstaat.  Opnieuw had u gesproken.  Opnieuw was er een rel.
 
Ik schrijf u deze brief omdat ik meen dat er toch heel wat kan gezegd worden over die keuze.  Maar eerst moet mij iets van het hart.  Toen ik uw vrij podium las, kon ik een grijns niet onderdrukken.  Heel even moest ik glimlachen.  Uw rol als verdediger van de sociale zekerheid leek mij ten zeerste ongeloofwaardig.  Uit niks blijkt een bezorgdheid om onze sociale zekerheid.  Niet uit uw woorden.  Zeker niet uit uw daden.  Vele van uw voorstellen lijken deze sociale zekerheid eerder te ondergraven dan te versterken.  U, een pleitbezorger? Ik dacht het niet.
 
Een pleidooi ten gunste van de (oorlogs)vluchtelingen staat volgens u gelijk aan een pleidooi voor open grenzen.  Maar is dat werkelijk zo? Ik denk het niet.  Met open grenzen doet u veronderstellen dat iedereen zomaar binnen mag om zich hier te vestigen.  Iedereen.  Zonder enige uitzondering.  Het zal u niet verbazen als ik stel dat elk land een eigen migratiebeleid voert.  Het is nog even wachten op een uniform Europees beleid.  Voorlopig doet elk land het apart.  Dat beleid moet de toegang, het verblijf en het staatsburgerschap regelen.  Dat beleid werd afgetoetst en in overeenstemming gebracht met internationale verdragen en afspraken.  Dat beleid lijkt te werken.  Neen, ik moet het anders stellen.  Dat beleid werkt.  Negen op tien migranten komen Europa legaal binnen.  Het idee dat de migratie uit de hand loopt is dus onterecht.  We worden niet onder de voet gelopen.  Nochtans is dat het beeld, dat u ingang wil doen vinden.  Met het schrikbeeld van de open grenzen. 
 
Bijna constant wordt in de media gewag gemaakt van een vluchtelingencrisis.  Ook politici bedienen zich hiervan.  Heel waarschijnlijk om het dreigende karakter hiervan te benadrukken en allerlei beperkende maatregelen in te stellen.  Het beeld van een crisis dient dringend bijgesteld te worden.  Vooreerst is het zo dat vluchtelingen slechts een relatief klein deel vertegenwoordigen van alle migranten.  Tussen 1990 en 2010 verminderde het aantal vluchtelingen van 18,5 miljoen naar 16,3 miljoen.  In 2016 steeg het aantal naar 21,3 miljoen.  Dat was voornamelijk het gevolg van de oorlog in Syrië.  Ondanks deze cijfers kunnen we stellen dat vluchtelingen slechts zeven tot acht procent uitmaken van de totale migratiebevolking.  Interessant om mee te geven is dat 86% van alle vluchtelingen in ontwikkelingslanden verblijven.  Slechts 0,4% van de totale EU-bevolking is een vluchteling.  Europa wordt onder de voet gelopen? Ik dacht het niet.
 
Opnieuw keer ik terug naar de keuze tussen open grenzen en de sociale zekerheid.  Ik wens hier even mee te geven dat vluchtelingen tijdens het onderzoek van hun dossier enkel recht hebben op materiële hulp (huisvesting, maaltijden en begeleiding).  Pas als ze officieel het statuut van vluchteling krijgen, krijgen ze een verblijfsrecht in België.  Pas dan ook krijgen ze toegang tot de arbeidsmarkt en hebben ze recht op een leefloon.  Wel dient hierbij opgemerkt te worden dat een vluchteling (op het moment dat hij of zij een verblijfsrecht verkrijgt) geen toegang heeft tot het verzekerings- en bijdragestelsel van de sociale zekerheid (werkloosheid, invaliditeit, ‘normale’ kinderbijslag) aangezien hij of zij nog niet heeft bijgedragen aan de sociale zekerheid.  Het beeld dat de sociale zekerheid zou kraken onder druk van de vluchtelingen is een fabeltje, dat u in stand houdt om electorale redenen.  De pensioenen zitten beneden het Europese gemiddelde.  Het leefloon zit beneden de officiële armoedegrens.  Met die cijfers is het altijd handig een zondebok te zoeken buiten de eigen regeringspartij.  U hebt die zondebok gevonden.  De vluchteling is uw bliksemafleider.
 
Omdat we het nu toch over het financiële plaatje hebben, wil ik heel even stilstaan bij de recente berichten over het Agentschap Integratie en Inburgering.  Veel mensen dienen langer dan één jaar te wachten op lessen inburgering (maatschappelijke oriëntatie).  Cijfers uit januari tonen aan dat 1.500 mensen langer dan één jaar op een cursusaanbod wachten.  Nochtans vormt maatschappelijke oriëntatie de kern van het inburgeringstraject.  Het is aangetoond dat de kosten van migratie pijlsnel naar beneden kunnen als de integratie lukt.  Investeringen in de integratie van nieuwkomers betalen zich zo goed als altijd terug.  Indien elke migrant binnen de tien jaar een gemiddelde scholing kan gegeven worden, vallen de kosten volledig weg en kan de bijdrage zelfs positief worden.  Ik lees dan ook met stijgende verbazing dat het betreffende Agentschap wordt afgebouwd ondanks de wachtlijsten.
 
Tot slot wil ik nog even stilstaan bij de open grenzen.  Uw bewering dat aan de linkse zijde zou gepleit worden voor open grenzen, doet vermoeden dat u staat voor gesloten grenzen.  Nochtans, gesloten grenzen zijn een illusie.  Dat zou u moeten weten.  Het zou kunnen maar dat veronderstelt dat een land zich volledig zou afsluiten.  Een dergelijk beleid zou massale investeringen vragen om mensen zonder papieren op te sporen, bijeen te drijven en te deporteren.  Aan politionele diensten zouden enorme bevoegdheden en middelen gegeven worden voor toezicht.  Dit zou ondermeer willekeurige identiteitscontroles op grote schaal vereisen alsook veelvuldige raids op particuliere huizen waar mensen zonder papieren leven en werken.  Een dergelijk beleid zou niet mogelijk mogen zijn in een open en democratische samenleving.  Omdat alle te nemen en noodzakelijke maatregelen zouden resulteren in een totaal gebrek aan respect voor de mensenrechten.  Dat zal nooit lukken.  Dat zou nooit mogen lukken.  Want terwijl ik dit schrijf, wordt in het parlement hevig gediscussieerd over het wetsontwerp over woonstbetreding.  Zou dit een opstap kunnen zijn naar het geschetste scenario van gesloten grenzen? 
 
U had het over een keuze.  Een keuze tussen open grenzen en sociale zekerheid.  Ik heb lang gezwegen.  Te lang gezwegen.  Tot nu.  Nu wil ik praten.  Nu wil ik duidelijk stellen dat de actie aan het Maximiliaanpark een teken was.  Een politiek signaal, waaruit moet blijken dat vele burgers het huidige debat en beleid met verontwaardiging volgen.  Een verontwaardiging, die uitmondt in een daad van verzet.  Remco Campert schreef ooit dat verzet niet begint met grote woorden.  Verzet begint met kleine daden.  Daden zoals die menselijke ketting aan het Brusselse park.  Daden, waartoe ik ook mijn brief reken.  Omdat zwijgen niet langer meer kan.  Met deze brief sluit ik mij dan ook (helaas rijkelijk te laat) aan bij de mensen in en rond het Maximiliaanpark.  Ik sluit mij aan bij het verzet, dat hopelijk snel groter en massaler zal worden.

Beste Bart.  In het recente verleden schreef ik uw collega-politici reeds een brief.  Een brief, waarin ik vroeg om een ander, humaner migratiebeleid.  Ik meen dat deze brief daarbij aansluit en mijn eerder pleidooi nog versterkt.
 
Met vriendelijke groeten.

donderdag 15 februari 2018

Uitgelezen: Noord. Brief aan Sien Volders.

Beste Sien,
 
Humo? Jarenlang was dit weekblad mijn gids doorheen het culturele landschap.  Boeken.  Films.  Elpees.  Op hun oordeel ging ik voort.  Dat blad bepaalde wat ik moest kopen.  Wat ik kon kopen.  Wat ik absoluut niet mocht kopen.  Jawel, ik was een volgeling.  Bijna was Humo een geloof.  Guy Mortier was de oppergod.  Hij was onfeilbaar.  Dat had zo zijn gevolgen.  Vaak deed ik al eens een verkeerde aankoop.  Een slecht boek.  Een vervelende film.  Een niet te doorgronden elpee.  Voor die foute aankoop kon ik niemand de schuld aanwrijven.  Enkel bij mijzelf diende ik de schuld te zoeken.  De onfeilbaarheid, u weet wel.  Ik was nog niet klaar voor dat ene boek.  Voor die ene film.  Voor die ene elpee.  Te hoog gegrepen voor een gewone plattelandsjongen als ik.  Jammer.  Maar zo was het nu eenmaal.  Sommige dingen vielen buiten mijn bereik.  Het leven kan hard zijn.
 
Op het kaft van uw debuutroman las ik die enkele woorden van Guy Mortier.  Zeldzaam zuivere taal en stijl.  Dat waren zijn lovende woorden over uw boek.  Ik wist wat ik moest doen.  Ik wist wat van mij verwacht werd.  Ik moest aan de slag met uw boek.  Uw boek moest ik lezen.  Enige twijfel bekroop mij.  Faalangst, zo zou ik het gevoel durven te omschrijven.  Toch waren de omstandigheden anders nu.  Ik was ouder nu.  Ik was rijper nu.  Meer levenservaring.  Grotere levenswijsheid.  Dat meende ik toch te mogen veronderstellen.  Het zou wel lukken.
 
Ik stapte dus in bij Sarah, het hoofdpersoon uit uw boek.  In haar olijfgroene Dodge reed ik mee naar Forty Mile, een afgelegen stadje in het noorden van Canada.  Die rit deed mij goed.  Het maakte mij los van Gent.  Van Zwijnaarde.  Met mijn hoofd zat ik in Canada.  Volledig.  Nu zou u kunnen denken dat ik lichtjes overdrijf.  Dat doe ik niet.  Ik hoed mij voor overdrijvingen.  Ik hou mij er ver van weg.  Dus, neen, ik overdrijf niet.  U bracht mij naar Canada.  In mijn hoofd creëerde u die wereld.  Uw taal had een dergelijke scheppende kracht.  Ik zag wat Sarah zag.  Ik zag die schoonheid.  In die mate dat het mij deed verlangen.  In mij kwam het verlangen op mijn koffers te pakken.  De deur te sluiten en te vertrekken.  Ik wou dat ruisvrije denken ervaren.  Ik wou dat verdomde lege landschap in mij opnemen.  
 
Ik wil hier niet focussen op mijn verlangens.  Ik wil hieraan voorbijgaan.  Om mij volledig op uw boek te richten.  Uw boek dient centraal te staan.  Dat verdient uw boek.  Ruimschoots.  Laat mij daarom naar uw boek terugkeren.  Naar Sarah.  Naar Forty Mile.  Naar de verlangens van zijn bewoners en bezoekers.  Naar hun wensen.  Naar hun dromen.  Naar hun vragen.  Naar hun zoektochten.  Want dat alles sluimert doorheen uw boek.  Terwijl u het verhaal van Sarah vertelt.
 
Dat verhaal brengt mij bij de liefde.  De grote liefde.  De nieuwe liefde.  De allesverslindende liefde.  De allesverterende liefde.  De meeslepende liefde.  Die liefde kent Sarah.  Die liefde ontmoet Sarah.  Die liefde confronteert Sarah.  Zij moet vaststellen dat liefde niet altijd werkt.  Dat liefde niet overal werkt.  Soms kan liefde niet verkast worden.  Niet verplant worden.  Omdat het al te zeer gebonden is aan de plaats.  Aan de locatie.  Soms lijkt een liefde niet meer te werken.  Omdat nieuwe ingrediënten de toverformule in de war sturen.  Omdat nieuwe ingrediënten modificaties aanbrengen.  Nauwelijks vast te stellen wijzigingen in persoonlijkheden.  Die liefde toont u.  Schetst u.  Die strijd verwoordt u.  Die pijnlijke strijd.
 
Toch is het niet enkel die strijd die u belicht.  De strijd om vast te houden aan de liefde.  Om te vechten voor de liefde.  In uw boek gaat u in op de vraag wat het betekent artiest te zijn.  Het is die vraag die Sarah naar het noorden drijft.  Jaagt.  Zij moet een keuze maken.  Een keuze, die een impact zal hebben op haar bestaan als artiest.  Op haar functioneren als artiest.  Zij aarzelt een beslissing te nemen.  Omdat zij meent dat die beslissing een funeste impact kan hebben op haar vrijheid als artiest.  Moet zij blijven opereren als zelfstandig zilversmid of toch maar samenwerken met een internationaal juwelenhuis? Die vraag doet haar twijfelen.  Enkel afzondering kan antwoord bieden.  Dat meent zij oprecht.  Daarom vertrekt zij.  Spoorslags.
 
Alle goede dingen bestaan uit drie.  Er moet dus ook een derde strijd zijn, die moet gevoerd worden.  Die derde is de strijd van Forty Mile met zijn bewoners.  Die strijd lijkt afwezig te zijn in de zomer.  Dan is het leven heerlijk.  Dan is het noorden op zijn best.  Die derde strijd wordt pas aangegaan in de winter.  Dan verandert alles.  Dan lijkt het goudzoekersstadje zijn bewoners een spiegel voor te houden.  Wat men dan ziet, is niet altijd fraai.  Het eigen kunnen lijkt dan vaak een illusie te zijn.  Die confrontatie kan naar de drank voeren.  Kan dwingen tot vertrek.  Tot een aftocht.  De zomers verhullen.  Verbergen.  De winters openbaren.  Onthullen.
 
Ik las uw boek.  De woorden van Guy Mortier waren terecht.  Niks tegenin te brengen.  Mijn oppergod had het bij het rechte eind.  Hij had mij naar een pareltje geleid.  Een pareltje, waarin de taal van een unieke schoonheid getuigt.  De taal waarmee u dat wonderbaarlijke landschap tot leven wekt, gebruikt u ook om die diverse gevechten treffend te schetsen.  Uw wondermooie taal ontroert.  Raakt.  Uw taal doet het verhaal zinderen.  Schitteren.  Uw taal maakt het landschap zichtbaar.  De liefde voelbaar.  De twijfel tastbaar.
 
Beste Sien.  Ik wil u danken voor dit boek.  Een brief moest geschreven woorden.  Omdat enkel een dankuwel te bescheiden was voor uw boek.  Uw boek vraagt in het geprezen worden meerdere woorden.  Ik heb getracht de juiste woorden te vinden.  De juiste woorden, die andere lezers tot uw boek kunnen brengen.  Uw taal moet ontdekt worden.  Uw stijl moet geproefd worden.  Want beiden smaken naar meer.  Naar veel meer.  Bedankt.  Bedankt.  Bedankt.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 13 februari 2018

Hoe een ongeval mij tot Take 7 (Klara) bracht. Brief aan Lies Steppe.

Beste Lies,
 
Bus rijdt zes voetgangers aan in Brussel.  Eén persoon in levensgevaar.  Vrijdagavond las ik dit op mijn iPhone.  Via een korte newsflash.  Zaterdagmorgen las ik het in de krant.  Via een uitgebreider artikel.  Onder normale omstandigheden was dit nieuwtje aan mij voorbijgegaan.  Ik ben geen ramptoerist.  Ik blijf niet stilstaan bij ongevallen.  Noch bij natuurrampen.  Ik registreer het wel.  Ik neem het wel op.  Maar verder gaat het niet.  Mijn persoonlijke betrokkenheid bij het dagelijkse nieuws kent zijn grenzen.  Ik doseer.  Uit zelfbehoud.  Maar toch.  Toch kan het verkeren.  Dat wist Bredero reeds vroeg.
 
Vrijdagavond deed één telefoontje mij die korte newsflash opnieuw lezen.  Dat ene telefoontje deed het mij anders lezen.  Plots was er die betrokkenheid.  Over de telefoon kreeg ik via mijn zus te horen dat mijn jongste broer één van de aangereden voetgangers was.  Zij was nu bij hem.  In het hospitaal.  Niks ergs, dat vertelde zij mij meteen.  Ik hoefde niet te panikeren.  Mijn broer had de nodige en juiste onderzoeken gehad.  Dat volstond om hem gezond te verklaren.  Wel was hij behoorlijk onder de voeten.  Onder de indruk.  Mij werd daarom de vraag gesteld of ik hem kon repatriëren.  Van Brussel naar Gent.  Uiteraard, dat kon ik.  Dat spreekt voor zich.  Ik vertrok.
 
U vraagt zich heel waarschijnlijk af waarom ik mij met dit verhaal tot u richt.  Heel waarschijnlijk hebt u de brief al aan de kant gelegd.  Dat zou jammer zijn.  Want net nu zal ik de reden onthullen waarom ik deze brief schrijf.  Waarom ik mij tot u richt.
 
Ik vertrok.  Met de wagen.  Vóór ik de wagen startte, moest nog één ding gebeuren.  Eén belangrijk ding.  Ik diende het juiste radiostation te kiezen.  Dat was geen sinecure.  Dat zou al vlug blijken.  Rust, dat was wat ik nodig had.  Kalme rust.  Rustige vastheid, zo zouden sommige politici het gevoel omschrijven.  Mijn muziekkeuze diende hierbij aan te sluiten.  Mijn zoektocht kon beginnen.  Ik startte bij Studio Brussel.  Wij zijn twee handen op één buik.  Niet altijd.  Wel heel vaak.  Alleen blijkt vrijdagavond geen optie te zijn om af te stemmen op StuBru.  Dan wordt de start van het weekend gevierd.  Dat gaat gepaard met de nodige toeters en bellen.  Ingetogenheid is niet wat deze start vraagt.  Uitbundigheid kan dan enkel.  Ik diende uit te wijken.  Naar Radio 1.  Dat is altijd een goede tweede.  Maar die avond was er voetbal.  Luisteren naar een live verslaggeving was geen goede keuze.  Een echte voetbalfan ben ik niet.  Dan verliest die verslaggeving elke relevantie.  Toch voor mij.  In de meer popgerichte zenders zoals Q Music, MNM, Joe FM of Nostalgie had ik helemaal geen zin.  Het zou een te grote inspanning vragen van mij.  Grote inspanningen diende ik te vermijden.  Zoals ik al zei, ik moest rustig blijven.  Ik wilde rustig blijven.
 
Dan kwam die plotse inval.  Het zou een unicum zijn voor mij.  Maar heel misschien zou het voor deze avond toch de juiste zender zijn.  Klara.  Dat zou het worden.  Mijn broer is een grote fan van de zender.  Hij tracht ons te bekeren.  Helaas, tot op heden kende zijn bekeringsijver weinig succes.  Ik bleef doof voor zijn pleidooien.  Tot die vrijdagavond.  Het leek mij juist te zijn.  Plots leek ik te beseffen dat een andere zender geen optie was.  Mijn broer was slachtoffer.  Een huiselijk gevoel creëren kan dan wonderen doen.  Dat is wat ik dacht.  Ik zocht de juiste radiofrequentie.
Klara weerklonk in mijn wagen.  Groot was mijn verbazing geen klassieke muziek te horen.  Dat had ik verwacht.  Die verwachting werd niet ingelost.  Ik kwam uit bij Take 7.  Ik kwam uit bij u.  Wat als een groot gebaar naar mijn broer was opgevat, werd plots een geschenk voor mijzelf.  Ik leek weg te glijden in de muziek.  Dat kan wel eens gevaarlijk zijn.  Vooral als ik niet enkel luisteraar ben maar ook chauffeur.  De ogen moeten op de weg gehouden worden.  Dat werd mij zo geleerd.  Herhaaldelijk werd mij dat gezegd.  Ik doe het ook.  Steeds en altijd.  Mijn visuele focus lag op de weg.  Veiligheid primeert.  Mijn auditieve focus daarentegen lag bij de radio.  Ik spitste mijn oren.  Dit was fantastisch.  Bijna een openbaring.  Nu moet ik wel zeggen dat de omstandigheden optimaal worden.  Buiten was het donker.  Nauwelijks iemand op de baan.  Alleen op de wereld, zo leek het wel.  In de avond reed ik op de autosnelweg.  Met uw muziek.  Dit kon niet beter.  Ik wou blijven rijden.  Ik moest denken aan dat ene liedje van Hans De Booij, Annabel.  Al reis je door naar het eind van de wereld, ik ga met je mee.  Dat zingt Hans.  Dat wou ik doen.  Met uw muziek door mijn boxen.  Helaas, dat ging niet.  Dat was onmogelijk.  Ik was op missie.  Ik moest om mijn broer.
 
Alain Toussaint.  John Surman.  Bob Brookmeyer.  Curtis Fuller.  Die namen waren mij voorheen onbekend.  Hun muziek was mij voorheen onbekend.  Op weg naar Brussel maakte ik kennis.  Die kennismaking behoefde geen lang voorspel.  Wij zaten onmiddellijk op dezelfde golflengte.  Wij hadden geen woorden nodig.  De muziek sprak voor zich.  Datgene wat ik beoogde met de keuze van de juiste muziek, bereikte ik.  Rust.  Kalmte.  Rampscenario’s, die aanvankelijk door mijn hoofd spookten, verdwenen als sneeuw voor de zon.  Paniek was uitgeschakeld.  Ik was de rust in hoogsteigen persoon.  Maar dat had ik heel waarschijnlijk al gezegd.
 
Ik kwam aan bij het Brusselse hospitaal.  Mijn broer stapte in.  Op kreupele wijze wist hij zich naast mij op de passagiersstoel te installeren.  Wij reden een tijdje.  Na hem eerst uitgehoord te hebben over het eigenlijke ongeval, moest ik het zeggen.  Ik kon niet zwijgen.  Ik vertelde mijn broer dat de radio op Klara stond.  Ik zei het met een zekere fierheid.  Mijn broer leek die fierheid te detecteren.  Hij lachte.  Een beetje.  Het ongeval had dan toch één positief neveneffect.  De grote broer heeft de weg gevonden naar Klara.  Dat leek hij te denken.  Dat meende ik in dat lachje te lezen.
 
Ik zette mijn broer af.  Bij hem thuis.  Ik zelf reed naar huis.  Met de wetenschap dat mijn broer het goed stelde.  Ik kwam thuis aan.  Aan mijn vriendin vertelde ik het hele verhaal.  Om te eindigen met de mededeling dat ik Klara had ontdekt.  Dat ik helemaal weg was van Take 7.  Ongevallen hoefden zich niet meer te herhalen.  Dat moest niet.  Terugkeren naar Take 7, dat zou ik wel doen.  Dat zou ik herhalen.  Elke vrijdagavond.  Als jazzy begin van het weekend.
 
De Brusselse MIVB had van mij een ander mens gemaakt.  Een voller mens.  Een Klara mens.  Elk nadeel heb zijn voordeel.  Dat zei ooit een groot Nederlands voetballer.  Ik kan het enkel beamen.
 
Beste Lies.  Ik wil u danken voor uw muzikale gezelschap tijdens mijn ritje naar en van Brussel.  Het was mij een waar genoegen.  Het was een wonderbaarlijke avond.  Samen met u.  Dank daarvoor.
 
Met vriendelijke groeten.

donderdag 8 februari 2018

Uitgelezen: Eén jaar met Trump. Brief aan Ine Roox.

Beste Ine,
 
Ik wilde Amerika begrijpen.  Ik wilde Trump begrijpen.  Of neen, dat laatste wil ik herformuleren.  Ik wilde begrijpen hoe Trump tot het hoogste ambt is kunnen opklimmen.  Het laatste jaar stelde ik vast dat ik met stijgende verbazing naar de Verenigde Staten keek.  Ik begreep het niet.  Met open mond keek ik naar wat gebeurde.  Ik trachtte alles te plaatsen.  Dat bleek onmogelijk.  Mijn kennis was ontoereikend.  Ik moest aan de slag.  Ik las Nee is niet genoeg van Naomi Klein.  Dat was een begin.  Een goed begin.  Toch moest ik verder.  Mijn kennis diende uitgediept te worden.
 
In u meende ik een gids gevonden te hebben.  Het afgelopen jaar was u correspondent voor De Standaard in Amerika.  De cruciale momenten van het voorbije jaar hebt u als ooggetuige beleefd.  U moest kunnen duiden.  U moest kunnen verklaren.  Dat hoopte ik.  Daarom las ik uw recentste boek, Eén jaar met Trump.  Ik hoopte dat u met antwoorden zou komen.  Dat uw antwoorden mij verder zouden brengen dan al te gemakkelijke platitudes.  Want om tot een helder debat/begrip te komen, moeten we verder kijken dan veralgemeningen.  U zou mij die helderheid aanreiken.
 
Een eerste verklaring voor de verkiezingszege van Donald Trump zou kunnen zijn dat tweeënveertig procent van de kiezers niet ging stemmen.  Dit weekend zag ik de laatste aflevering van Wanderlust.  Daarin praatte Alicja Gescinska met Lesley Hazleton.  Daarin opperde Hazleton dezelfde bemerking.  Zij stelde dat velen in hun afkeer voor Hillary Clinton beslisten thuis te blijven.  Zij weigerden hun handen vuil te maken.  Trouw te blijven aan hun ‘heilige’ principes.  Terecht stelde zij dat de handen soms moeten vuil gemaakt worden om erger te voorkomen.  Ondermeer die koppigheid heeft Donald Trump in het Witte Huis gebracht.
 
Een andere, nieuwe groep ging dan weer wel stemmen.  Zij, die vroeger bij verkiezingen thuis bleven, gingen nu wel stemmen.  Donald Trump richtte zich tot die Amerikanen.  Hij vertaalde hun angst in heldere slogans.  Hij voelde hun angst voor het socialisme en ging tekeer tegen Obamacare.  Hij voelde hun angst voor globalisering en beloofde hen de handelsverdragen op te blazen.  Hij voelde hun angst voor immigratie en zei een muur te bouwen aan de grens met Mexico.  Hij voelde hun angst voor geweld en pleitte voor law and order.  Hij voelde hun angst voor banenverlies en beloofde jobs naar Amerika terug te brengen.  Deze Amerikanen voelden zich in de steek gelaten.  Donald Trump plaatste die kiezers niet in het verdomhoekje.  Hij noemde die kiezers niet deplorable zoals Hillary Clinton deed.  Hij deed hen opnieuw dromen.  Misschien beseften zij wel dat de verkiezingsbeloftes leeg en vals waren maar zij gaven de voorkeur opnieuw te kunnen dromen.
 
Angst valt niet enkel waar te nemen bij de kiezers van Donald Trump.  Ook aan de andere kant heerst angst.  Vooral na de overwinning van Trump.  Migranten zonder papieren, moslims, jonge vrouwen, zwarten, … kijken met een zwaar gemoed naar de toekomst.  Zij vrezen een hardere aanpak.  Een terugval in het emancipatieproces.  
 
Het gekke is dat die angst het land verdeelt in plaats van verenigt.  Het land valt uiteen in twee kampen, waarin eenieder zijn eigen grote gelijk verdedigt.  Iedereen trekt zich terug in dat kamp van het grote gelijk.  Gelijkgestemden zoeken elkaar op.  Zij groeperen zich.  In vriendenkringen.  In wijken.  In de media.  Een grens wordt getrokken.  Het debat wordt niet meer gevoerd.  Het ene kamp draait zich weg van het andere.  Het compromis lijkt verder weg dan ooit.
 
Niemand lijkt die kampen te kunnen samenbrengen.  In uw boek doet u een poging.  Als buitenstaander meent u de rol van bruggenbouwer te kunnen spelen.  U laat beide kampen aan het woord.  U stelt vragen.  U confronteert.  U tracht te ontmaskeren.  U doet datgene wat niemand meer lijkt te lukken in Amerika.  Gewoon, eenvoudig praten.  Gewoon, eenvoudig luisteren.  U peilt naar het geloof in de gemaakte verkiezingsbeloftes.  Naar de geloofwaardigheid.  Beide kampen mogen hun zegje doen.  U praat over de rassenkwestie.  Over Obamacare en Medicaid.  Over werkgelegenheid.  Over het verdwijnen en/of heropleven van industrieën.  Over abortus en vaccinatie.  Over wapens en geweld.  U laat de kiezers aan het woord.  Hun verhalen vult u aan met cijfers.  Met vaststellingen.  Met resultaten uit gevoerde onderzoeken.  Met niet te ontkennen feiten.  U tracht zo tot het grotere geheel te komen.  Het grotere geheel, waarin de lezer antwoorden kan vinden.  Het grotere geheel, waaruit meer begrip kan groeien.
 
Het geschetste beeld zou tot pessimisme kunnen leiden.  Een lezer zou de toestand als somber en weinig hoopgevend kunnen ervaren.  Voorlopig heerst er een crisissfeer in de twee dominerende partijen.  De Republikeinen zijn verdeeld over Trump.  De Democraten lijken nog altijd niet te snappen waarom Clinton verloor.  Die crisissfeer verlamt.  Toch hebt u op uw reis ook positieve signalen opgevangen.  Signalen, die doen hopen op een positieve uitkomst.  De laatste maanden hebben we kunnen zien dat Trump toenadering zoekt tot de Democraten.  Dat hebben we gezien in het dossier van de Dreamers.  Dat hebben we gezien in het dossier van het tijdelijk optrekken van het schuldplafond.  We stellen vast dat de figuur en de ideeën van Bernie Sanders niet meer weg te denken zijn.  We zien hoe heel waarschijnlijk de Democraten meer in die richting zullen opschuiven.  Er wordt nagedacht over het systeem van de verkiezingen.  Zo wordt gepraat over open voorverkiezingen zonder de noodzaak tot registreren.  In het land schieten allerhande actiecomités uit de grond.  Zij organiseren het verzet en lijken uit te groeien tot een links georiënteerde Tea Party.  Bovendien lijken ook de kiezers van Trump zich politiek te engageren.  Zij zullen Trump afrekenen op zijn verwezenlijkingen.  Op het breken of nakomen van zijn verkiezingsbeloftes.  Die grotere betrokkenheid kan een positief effect hebben.
 
U laat zien dat Donald Trump het eindproduct is van een lang proces.  Hij komt niet zomaar uit de lucht vallen.  Ergens mochten we het wel verwachten.  Alleen wisten we niet wanneer dat zou gebeuren.  Verbaasd stellen wij nu vast dat het vorig jaar gebeurde.  In Nee is niet genoeg vertelde Naomi Klein dat een overtuigende kandidaat enkel kans heeft als hij de drie crises benoemt: het neoliberalisme, de economische ongelijkheid en de klimaatverandering.  Ik meen in uw boek eenzelfde analyse te mogen lezen.  Tussen de regels door.
 
Ik hoopte dat u mij met uw boek antwoorden zou aanreiken.  Dat hebt u gedaan.  Op een onderbouwde en overtuigende wijze.  Ik meen nu alles iets beter te begrijpen.  Ik meen nu dat de Verenigde Staten niet langer dat gekke land is.  Integendeel.  Ik meen nu dat de Verenigde Staten onderhevig is aan politieke ontwikkelingen, die wij ook op het Europese continent ontwaren.  Misschien met dat ene verschil dat in Amerika alles wordt uitvergroot.  Dat alles preciezer onder het vergrootglas wordt bekeken.  Omdat Amerika een spelverdeler was (is) op het politieke wereldtoneel.  Daarom kijken wij met grote ogen naar de recente gebeurtenissen.  Daarom voelen we ons betrokken partij.
 
Beste Ine.  Ik wil u danken voor dit verhelderende boek.  Voor dit heldere en begrijpelijke boek.  Het was mij een waar genoegen dit boek te kunnen lezen.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 6 februari 2018

Mooie liedjes: Comet Street. Gezien in De Zwerver, Leffinge (op Humo's Rock Rally 2018). Brief aan Brecht, Jelle, Thijs en Ace.

Beste Brecht,
Beste Jelle,
Beste Thijs,
Beste Ace,
 
Nog nooit was ik naar Humo’s Rock Rally gaan zien.  Dit jaar word ik vijftig.  Mijn afwezigheid op deze rally interpreteerde ik als een blaam op mijn rockende blazoen.  Dit jaar zou ik hierin verandering brengen.  Ik zou die blaam uitvagen.  Dit jaar zou ik gaan.  Ik woon in Gent.  Ik had gemakkelijk naar de preselecties in CC Nova gekund.  In Nazareth.  Dat is dichterbij.  Toch koos ik voor De Zwerver in Leffinge.  Dat kan vreemd lijken.  Dat is het niet.  Ik doe niks zonder een reden.  Alles is weldoordacht.  Althans, dat is wat ik denk.  In Leffinge stond Comet Street.  In Leffinge stonden jullie.  
 
Wij kennen elkaar.  Dat kan roet gooien in mijn vermogen te oordelen.  Het verwijt van een zekere partijdigheid zou kunnen weerklinken.  Men zou mij kunnen zeggen dat de objectiviteit in gevaar is.  Laat mij u geruststellen.  Van partijdigheid is geen sprake.  De objectiviteit blijft gegarandeerd.  Indien ik uw performance als slecht zou beoordelen, had ik kunnen zwijgen.  Ik had u na het concert vlugvlug kunnen feliciteren.  Om dan weg te vluchten.  Daarmee zou de kous af zijn.  Het feit dat ik nu een brief zit te tokkelen, doet bij u heel waarschijnlijk het vermoeden groeien dat ik lichtjes onder de indruk moet geweest zijn van uw korte optreden.  Ik kan uw vermoeden bevestigen.  Ik was danig onder de indruk.
 
Vijftien minuten.  Binnen dat korte tijdsbestek dient u jury en publiek te overtuigen.  Vijftien minuten? Heel soms kunnen vijftien minuten als bijzonder lang ervaren worden.  Alsof er maar geen einde komt aan die vijftien keer zestig seconden.  Het kan ook andersom.  Het kan ook gebeuren dat diezelfde vijftien minuten als te kort worden ervaren.  Alsof die minuten in een knip voorbij zijn.  In het eerste scenario vervelen wij ons.  In het tweede scenario verlangen wij naar meer.  Naar nog een extraatje.  Welk scenario het zou worden in De Zwerver weet ik niet.  Ik kan enkel maar hopen dat het laatste scenario werkelijkheid zou worden.  Ik kan dat enkel maar hopen.  Voor mij.  Voor jullie.
 
Jullie komen op.  De korte soundcheck is voorbij.  Nu kan het echte werk beginnen.  Nu moet het bewijs geleverd worden van jullie kunnen.  Vijftien minuten lang.  Ik weet niet wat het zal worden.  Jawel, ik heb al dingen opgevangen.  Meningen en opinies zijn mij al overgemaakt.  Maar zoals wel eens wordt gezegd, the proof of the pudding is in the eating.  Eindelijk zal ik jullie muziek kunnen ‘eten’.  Ik zal uw muziek kunnen voelen.  Kunnen betasten.  Ik zal de overgave zien.  Het geloof.  Althans, dat is wat ik hoop te mogen beleven.  U ziet en leest, ik leef in hoop.
 
Die eerste minuut gaat even uw vingertje omhoog.  Een kleine terechtwijzing.  Uw stem komt onvoldoende door.  Zit weggeduwd.  U hoort dat.  U reageert.  Op een gepaste wijze wordt gereageerd.  Er wordt even bijgestuurd.  Dan zit het goed.  Dan valt alles in de juiste plooi.  Enkele seconden lang was er twijfel.  Maar die is nu weg.  Nu wordt het genieten.  Volop genieten.  Ongestoord.  Ongegeneerd.  Nu kan dit klinken als een te gemakkelijke omschrijving van wat ik beleef.  Toch is het zo.  Anders kan ik het niet zeggen.  Puur muzikaal genot.  Ik word niet afgeleid door die vervelende drang.  Die vervelende dwangmatigheid om te vergelijken.  Om toch maar enkele grote namen uit de dikke muziekencyclopedie te linken aan jullie muziek.  Dat wil ik niet.  Dat doe ik niet.  Jullie muziek stuurt.  Heerst.  Overheerst.  Enkel jullie staan centraal.  Al de rest lijkt te vervagen.  Lijkt weg te glijden.
 
Vijftien minuten zijn zo voorbij.  Jullie razen.  Jullie stormen.  Op muzikaal overtuigende wijze.  Geen gerommel.  Geen gerammel.  Alles zit juist.  Julius Caesar wist het in vroegere tijden bondig te omschrijven.  Veni, vidi, vici.  Ik kwam, ik zag, ik overwon.  Toch dient deze uitdrukking enigszins aangepast te worden.  Zodat zij op een juiste wijze de werkelijkheid vertaalt.  Ik kwam, ik zag, jullie overwonnen.  Zo moet het zijn.  Dit doet de waarheid recht.  Vijftien minuten zijn zo voorbij.  Bisnummers zijn geen optie.  De regie van Humo’s Rock Rally is strak.  Jammer.  Want voor mij mocht dit feestje met Comet Street nog een tijdje doorgaan.  Ik had geproefd.  Het smaakte naar meer.  Helaas.  Driewerf helaas.  Het mag niet zijn.  Een andere band schuift aan en verdringt jullie van het podium.
 
Eindelijk zag ik jullie aan het werk.  Ik ben overtuigd.  Ik zag een groep die recht heeft op een podium.  Een groep die recht heeft op concerten.  In grote getale.  Dat hoeft niet enkel binnenland te zijn.  Buitenland mag ook.  Zeker en vast.  De meeste dromen zijn bedrog.  Dat zei ooit een groot Nederlands filosoof.  Ik hoop voor jullie dat die droom geen bedrog mag zijn.  Maar werkelijkheid.  Pure en tastbare werkelijkheid.  Ik wens het jullie van ganser harte toe.  
 
Beste Brecht.  Beste Jelle.  Beste Thijs.  Beste Ace.  Ik wil jullie nog danken voor die fijne avond in De Zwerver.  Ik weet het, ’t is al een tijdje geleden.  Beter laat dan nooit.  Goede dingen moeten verteld worden.  Moeten doorgegeven worden.  Dan speelt het tijdstip niet echt een rol.  Toch?
 
Met vriendelijke groeten.

 

woensdag 31 januari 2018

Uitgelezen: Leven en dood volgens Jelke Bos. Brief aan Trinus Riemersma.

Beste Trinus,
 
Wat is de zin van het leven? Waarom leven wij? Op die vragen durven wij al eens een antwoord te zoeken.  Bij voorkeur starten we die zoektocht naar antwoorden laat op de avond.  In bruine kroegen.  Op het moment dat de glazen net iets te diep worden.  Dan menen wij de hoogste toppen van diepzinnigheid bereikt te hebben.  Dan gaan we lallen.  Lullen.  Dan vinden wij de antwoorden, die wij de volgende ochtend alweer vergeten zijn.  Het is verdomd niet makkelijk mens te zijn.
 
Jelke Bos stelt zich dezelfde vragen.  Alleen is er dat ene verschil.  Jelke Bos is geen mens.  Het is een hond.  Een hond, die praat.  Een hond, die denkt.  Dat kan niet.  Dat is onmogelijk.  Onze menselijke arrogantie zegt dat wij de enige denkende wezens zijn.  Enkel mensen kunnen praten.  Jelke Bos wijst ons terecht.  Honden praten wel degelijk.  Alleen, zij doen het niet.  Of toch niet vaak.  Zeker niet in de buurt van mensen.  Want indien mensen dit zouden vaststellen, zouden zij denken dat honden intelligent zijn.  Dan zouden honden ingeschakeld worden in het arbeidsproces.  Dat wil Jelke Bos niet.  Daarom zwijgt hij.  Toch als mensen in de buurt zijn.
 
Ik heb het nog niet gezegd.  Daarom doe ik het nu.  Dit is een vreemd boekje.  Een apart boekje.  Voordat ik het boek las, dacht ik dat u de auteur was.  Dat is niet zo.  Jelke Bos, de hond, schreef het boek.  Een getuigenis.  Over zijn leven.  Na een bijna verdrinkingsdood gaat Jelke Bos nadenken over het leven.  Het geleefde leven.  Als hond waagt hij zich aan de grote levensvragen.  Hij komt niet tot ingewikkelde theorieën.  Hij verwijst niet naar allerhande filosofen of andere verlichte geesten.  Dat doet hij niet.  Hij blijft dicht bij zijn leven.  Om daaruit enkele levenswijsheden te distilleren.
 
Het leven? Jelke Bos weet hoe het niet moet.  Hij leeft samen met zijn baasje, sukkel.  Jelke Bos ziet de mens sukkelen met het leven.  Jelke Bos observeert de mens en ziet hoe het denken van de mens bezwaard wordt met ver gegrepen onzinnigheden.  Met bijzaken.  Hij ziet hoe de mens het leven verpest door aan alle nukken te voldoen.  De mens breekt zijn kop over niet gebeurde en niet bestaande dingen.  Jelke Bos meent dat het denken over de onwezenlijkheid de teloorgang van de mens is.  Het bestaande wordt veronachtzaamd en zo verkommert de liefde.  Dat heeft hij kunnen vaststellen in zijn omgeving.
 
Diezelfde mens maakt zich razend druk en komt nergens aan toe.  Het druk hebben is een teken van correct leven.  Nergens aan toekomen is een deugd.  Ontspanning moet gemeden worden als een vreselijke ziekte.  De mens maakt het zichzelf bijzonder moeilijk.  Tot die vaststelling komt Jelke Bos.  Die vaststelling betreurt hij.  Want hij weet dat het anders kan.  Dat het beter en eenvoudiger kan.  Daarvoor kijkt hij naar zichzelf.
 
Jelke Bos heeft een heel simpele levensfilosofie.  Het leven is eindig.  We komen in dit leven, blijven een tijdje en gaan dan weer weg.  Elders in het boek zegt hij het op nog een andere manier.  We komen, we zijn, we gaan.  Zo simpel is het.  Niks meer.  Niks minder.  Jelke Bos weet dat wij het leven niet nodeloos moeten bezwaren.  Verzwaren.  We moeten niet zoeken naar de zinvolheid.  Want als wij die niet vinden, lijden wij onder de zinloosheid.
 
Jelke Bos weet die eenvoud mooi te verwoorden.  Het leven bestaat uit een reeks toestanden en voorvallen.  Leuke, vervelende, boeiende en machtige.  Van het goede moet een mens genieten, het minder aangename moet een mens verdragen.  De zinvolheid moet niet nagestreefd worden.  Het overvalt je.  Als de rijkdom van het leven de mens in al zijn overdadige weelde aanraakt, moet diezelfde mens moedig zijn en drinken met volle teugen.  Het leven geeft de mens onverwachte momenten van bloeiend en brandend geluk, die moet de mens aannemen en niet vragen waarom.  Kan het nog eenvoudiger? Ik dacht het niet.
 
Dit boekje wil ik dicht bij mij.  Ik leg het binnen handbereik.  Omdat ik weet dat ik nog meerdere keren wil verdwalen in dit boek.  Ik wil grasduinen in het boek.  Ik wil bladeren in het boek.  Omdat ik nu al weet dat ik opnieuw die warmte wil ervaren.  Omdat ik opnieuw die levensvreugde wil proeven.  Schoonheid kan eenvoudig zijn.  Schoonheid kan heel compact zijn.  Dat is wat dit boek is.  Eenvoudige schoonheid.  Compacte schoonheid.  Dit boek wil je niet aan de kant leggen.  Dit boek wil je niet gewoon in de boekenkast plaatsen na het lezen.  Dat zou zonde zijn.  Dit boek moet beduimeld worden.  Dit boek moet gekreukt en gekraakt worden.  Voor één keer zou dit getuigen van respect voor een boek.  Omdat er zo vaak naar teruggegrepen wordt.  Omdat de lezer de woorden van Jelke Bos opnieuw wil lezen.  Letterlijk.  Omdat diezelfde lezer zich wil warmen aan die hondse wijsheid.
 
Ik heb het boek bij mij.  Het gaat met mij mee.  Het volgt mij als het ware.  Als een trouwe hond.  Ik kan het boek niet loslaten.  Nooit was ik zo onder de indruk van een kleinood.  Dit boek is een pareltje, dat ik niet wil lossen.  Nooit.  Nergens.
 
Beste Trinus.  Ik kan u niet meer ontmoeten.  U stierf in 2011.  Dat is jammer.  Ik had u zo graag willen danken.  Voor dit rijke boek.  Voor dit wijze boek.  Dat kan niet meer.  Toch doe ik het.  Ik wil u danken voor dit testament.  Zo voel ik het.  U lijkt dit boek geschreven te hebben als een testament aan mij.  Een testament, waarin u mij wijze woorden en waarheden aanreikt.  Daarvoor wil u danken.  Intens en overvloedig.
 
Met vriendelijke groeten.
 
Gegevens:
Leven en dood volgens Jelke Bos van Trinus Riemersma: ISBN: 978 94 90042 12 7 - €14,50 - Uitgeverij Zirimiri - verdeling door EPO.