vrijdag 16 januari 2015

Dance Dance Dance van Arsenal, gezien in NTG. Brief aan John Roan en Hendrik Willemyns.

Beste Hendrik,
Beste John,
 
Arsenal? Dan denk ik aan een feestje.  Aan ambiance.  Dat doe ik bijna automatisch.  Alsof het de evidentie zelve lijkt.  Hoe dat komt? De Antwerpse concerten zitten daar voor heel wat tussen.  Die concerten hebben een serieuze hand in het leggen van die verbanden.  Ik was daar.  Ik heb mij toen in het zweet gedanst.  Ik heb mij gesmeten, zoals dat heet.  Elke keer weer.  Stilzitten was geen optie.  Rechtop staan en dansen, dat was telkenmale de enige en juiste keuze.
 
Woensdagavond ging ik naar Dance Dance Dance.  Een theatervoorstelling in de schouwburg van NTGent.  Een combinatie van film en muziek, dat was de bijzonder summiere omschrijving.  Daarmee moest ik het doen.  Wat ik mocht verwachten, wist ik niet.  Ik probeerde mij een voorstelling te maken.  Maar al die voorstellingen botsten met het idee van ambianceband.  Arsenal hoorde niet thuis in het theater, tot die conclusie leek ik telkenmale te komen.  Die conclusie maakte mij dan ook bijzonder nieuwsgierig.  Nieuwsgierig naar de manier waarop u dit project zou aanpakken.  Zou uitwerken.
 
Het gebeurt maar zelden.  Maar als het gebeurt, is het hemels heerlijk.  Reeds van bij het begin zat ik in de voorstelling.  In het verhaal.  Geen enkele aanpassing.  Geen enkele gewenning.  Neen, u nam mij bij de hand.  Gewillig volgde ik u.  Bijna zeventig minuten lang.  U had het dan ook bijzonder handig gespeeld.  Bij de begingeneriek kwam u vaak doorheen de geprojecteerde beelden van Tokio zweven.  Jullie stonden achter het witte doek.  Met hertengeweien op het hoofd.  Wij zagen uw silhouetten.  Alsof u deel uitmaakte van de cast.  Alsof u deel van de film was.  Met die aanwezige momenten leek de illusie gewekt dat het toch nog een feestje zou kunnen worden.  De neiging op te staan en spontaan te gaan dansen, moest ik onderdrukken.  Dat zou al te zeer storen.  Dat zou mijn filmervaring al te zeer in de weg staan.
 
De filmervaring.  Het is alweer een tijdje terug dat ik een film zag in een zaal.  Ik blijf weg uit filmzalen.  Niet omdat er geen goede films zouden zijn.  Die zijn er wel.  Laat daarover geen enkel misverstand bestaan.  In die zalen word ik al te veel afgeleid.  Rinkelende gsm’s.  Al te grote, stinkende popcorn.  Kwetterende en tetterende gasten.  Al te veel redenen om weg te blijven uit een filmzaal.  Maar deze keer zat ik in dus in de zaal.  Voor uw film.  De omstandigheden waren anders.  Optimaal.  Geen enkele afleiding.  Ik kon mij focussen.  Dat was een verademing.
 
De film was fantastisch.  Om verschillende redenen.  Omwille van het verhaal.  Een liefdesverhaal.  Een verloren liefde.  Of een liefde die nooit de kans kreeg uit te groeien.  Uit te bloeien.  De vrouw sterft.  De man blijft achter.  Niet in staat om zijn leven op de sporen te krijgen.  Hij worstelt.  Hij zoekt.  Vindt uiteindelijk een oplossing.  Maar is het de juiste? Bij het zien van de film denk ik vaak terug aan Norwegian Wood van Haruki Murakami.  Ook door boek werd ik emotioneel geraakt.  Net zoals bij uw film.  
 
Maar het is niet enkel het verhaal dat de film tot een fantastische ervaring maakt.  Het is ook het land waarin u het verhaal situeerde.  Japan, dat is het gastland.  U stelt het land voor zoals ik het in mijn hoofd heb.  In de film wordt mij weer duidelijk waarom Japan op het lijstje staat van nog te bezoeken landen.  Er is dat mysterieuze.  Er zijn die eeuwenoude tradities.  Tradities, die zich doorheen het moderne leven spinnen.  Die gehechtheid aan tradities en het streven naar moderniteit creëren een constante spanning.  Bij de jeugd.  Bij de ouderen.  Die spanning resulteert in een heerlijke cocktail.
 
Wij hebben het verhaal.  Wij hebben het land.  Maar wij hebben ook de beelden.  De verhalende filmbeelden wisselen af met verbeeldende videoclips.  Die afwisseling gebeurt niet gekunsteld.  Die lopen vloeiend ineen.  Het een versterkt het ander.  En andersom.  Uiteraard.  Nooit is het storend.  Telkens is het een aanvulling op het verhaal.  Met plezier denk ik aan dat ene filmfragment.  De Japanse hertendansers, sishi odori, die doorheen de skyline van Tokio bewegen.  Tegenover de Japanse wolkenkrabbers lijken die dansers nog reuzen.  Droom en werkelijkheid dansen sierlijk om elkaar heen.  Heerlijk om te zien.  
 
Voor ik afsluit, wil ik het nog hebben over de muziek.  Want dat is één van de bouwstenen van deze voostelling.  Wij hebben de film.  Wij hebben de muziek.  Die muziek doet wat het moet doen.  Die muziek duwt ons in het verhaal.  Die muziek trekt ons mee doorheen een wonderbaarlijke en emotionele trip.  Altijd is er die juiste klemtoon.  Terughoudend en ingetogen.  Wild, luid en op de voorgrond.  Het verhaal bepaalt het ritme.  Dicteert en dirigeert.  Ik hoor een heerlijke symfonie.  Een prachtige soundtrack.
 
Heb ik woensdagavond gedanst? Was er een feestje? Neen.  Ik zat in mijn zeteltje.  Te kijken.  Te luisteren.  Naar die heerlijke film.  Naar die wondermooie muziek.  Woensdagavond zag ik een ander gezicht van Arsenal.  De groep is niet enkel een ambiancemaker.  De groep kan ook een sfeerschepper zijn.  Intiem en sfeervol.  Dansen is niet noodzakelijk.  Genieten wel.  Dat is dan wat beide gezichten van Arsenal gemeen hebben.
 
Ik heb gezegd wat ik meende te moeten zeggen.  Ik sluit mijn brief af.  Maar alvorens ik dat doe, wil ik u nog danken.  Danken voor een fantastische avond.  Een aangename avond.  Voor een bijna buitenaardse ervaring.  Dank.  Dank.  Dank.
 
Met vriendelijke groeten.

Trailer:
Dance Dance Dance – Arsenal.

woensdag 14 januari 2015

AC/DC naar België. Op zes juli.

In 2014 bracht AC/DC zijn zestiende album uit, Rock or Bust.  Of neen, wij moeten de puntjes op de i zetten.  In Australië is dat album het zestiende album.  Internationaal is dat album slechts het vijftiende album van de groep.  Geen verwarring zaaien.  Duidelijkheid is de boodschap. 
 
Al zes weken lang resideert het album in de hoogste regionen van de Ultratop.  Vorige week stond het album nog op de eerste plaats.  Deze week heeft het Will Tura & Christoff moeten laten voorgaan.  De muziekwereld kan hard zijn.  Het enige dat wij uit het wisselen van deze posities kunnen leren is dat de smaken behoorlijk ver uiteen kunnen liggen.
 
Met het uitbrengen van het nieuwe album staken al vlug geruchten de kop op dat de groep naar België zou komen.  Over de locatie werd druk gespeculeerd.  Grote kanshebber was Graspop Metal Meeting.  Voor zijn twintigste verjaardag hoopte de organisatie een wereldtopper te kunnen strikken.  AC/DC was een grote kanshebber.
 
Vandaag is het verdict gevallen.  AC/DC komt naar België.  Niet naar Graspop.  Wel naar Dessel.  Hoe kan dat? Twee weken na Graspop komt AC/DC naar het festivalterrein Stenehei in Dessel.  Voor zijn ‘Rock or Bust’ wereldtournee. 
 
Op zes juli bouwt AC/DC een feestje.  Een luid en wild feestje.  Malcolm Young zal er niet bij zijn.  Hij lijdt aan dementie.  Maar zijn neefje, Stevie Young, zal hem vervangen.  Zoals hij al deed op de opnames van het nieuwste album.  Ook de drummer moet verstek laten gaan.  In zijn thuisbasis heeft Phil Rudd enkele ernstige juridische problemen.  De groep kan niet garanderen dat Rudd zal present zijn.
 
Malcolm zal er niet bij zijn.  Phil heel waarschijnlijk niet.  Maar ik wel.  Of, dat zal ik proberen.  Zaterdag 17/01 begint de voorverkoop.  Om 9.00 uur.  Ik zal voor mijn computer zitten.  Om toch maar een kaartje te bemachtigen.  Het zal moeilijk worden.  Zoals het ook moeilijk was bij U2.  Maar voor het concert van U2 heb ik een kaartje.  Laten wij hopen dat ik hetzelfde geluk mag ervaren.

Clip:
AC/DC – Rock or bust.

Het album:
AC/DC – Rock or bust.

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 10: Puno - La Paz.

Vandaag gaan wij het water op.  Dat is onvermijdelijk.  Het moet.  Puno ligt aan het Titicacameer.  Dat meer kunnen wij niet links laten liggen.  Dat meer moet bezocht worden.  Wij zouden met de taxi kunnen gaan.  Of met de bus.  Die zouden ons naar de haven van Puno kunnen brengen.  Maar wij doen dat niet.  Wij kiezen voor een ander transportmiddel.  Wij kiezen voor de riksja.  Bij riksja denken wij aan Azië.  Dat continent leek het monopolie te hebben op dit vervoersmiddel.  Het alleenrecht.  Intussen is het in de hele wereld een middel geworden om toch maar een centje te verdienen aan de toeristen.  Toeristen, overal in de wereld zijn deze de nieuwe, heilige melkkoe geworden.
 
Puno
 
Het Titicacameer.  Over de oorsprong van het meer bestaat een mooie Incalegende.  De vallei, waar zich nu het meer bevindt, was volgende die legende vroeger een paradijs.  Paradijzen lijken vandaag niet meer te bestaan.  Maar toen, in die vroege dagen, dus wel nog.  Mensen waren gelukkig in dat paradijs.  Vol van vreugde waren zij.  De liefde van en voor elkaar tierde welig.  Peis en vree, dat was de gemoedstoestand in dat paradijs.  Maar aan alle goede dingen komt ooit een eind.  Omdat de mens verwacht dat het toch nog altijd dat ietsje beter kan.  Vanuit die verwachting laat de mens zich gemakkelijk verleiden.  De duivel weet dat en maakt van die kennis dankbaar gebruik.  In de Incalegende rond het Titicacameer lieten de bewoners van dat heerlijke paradijs zich ook verleiden door die duivel en negeerden zij de goddelijke opdracht om niet naar het heilige vuur in de bergen te gaan.  De Incagoden waren over dat vranke gedrag en dat gebrek aan godsvrezendheid enorm verdrietig.  Zij weenden lang en veel.  Die goddelijke tranen stroomden de vallei in en zo ontstond dus het Titicacameer.  Over die goddelijke tranen gaan wij zo dadelijk varen.  Nooit was de goddelijkheid zo dichtbij.
 
Die legende kan heel misschien een verklaring zijn voor het ontstaan van het meer.  Voor de oorsprong.  Maar vanwaar komt toch die vreemde naam voor het meer? Niemand die het weet.  Als wij kijken naar de letterlijke betekenis komen wij tot ‘rots van de poema’.  Titi zou poema betekenen en caca zou dan weer rots beduiden.  Vanuit de lucht bekeken lijkt het meer op een poema die een konijn vangt.  Althans, de contouren van het meer schetsen een dergelijk beeld.  Onze gids geeft die verklaring nog meer houvast door ons een kaartje van het meer te tonen.  Met een beetje goede wil zien wij de poema.  Met nog meer goede wil zien wij het konijn.  Maar dat verhaaltje kan toch niet de verklaring zijn voor die naamgeving? Dat denk ik toch.  In die vroegere dagen had de lokale bevolking niet de beschikking over satellietbeelden of kaarten.  Zij konden de totale omvang van het meer niet overschouwen.  Zij konden zich dus geen voorstelling maken van een poema of konijn.  Die verklaring moet pas veel later gevonden zijn.  In de moderne tijden.  In tijden van vliegtuigen en wereldkaarten.  In tijden van satellietbeelden.  Vanwaar dan die vreemde naam? Zoals ik al zei, niemand die het weet.
 
In zijn lange geschiedenis heeft het meer een aantal eretitels verzameld.  Het is het hoogst bevaarbare meer ter wereld.  Vanwaar die titel? Toeristen lijken aangetrokken te worden door wereldrecords.  Zij willen de grootste zien.  De hoogste.  De kleinste.  De langste.  Die nood aan records drijft hen vooruit.  Wakkert hun nieuwsgierigheid aan.  Daarom goochelen vele toeristische trekpleisters graag met superlatieven.  Want superlatieven lokken toeristen.  Maar is die titel van hoogst bevaarbare meer ook gerechtvaardigd? Onze gids geeft een nogal bizarre verklaring.  Hij komt aandraven met het heldhaftige verhaal van het oorlogsschip Yavari.  In de tweede helft van de negentiende eeuw werd vanuit Londen een schip naar Tacna gebracht.  In Tacna werd dat schip volledig gedemonteerd en al die stukken werden per ezel naar Puno overgebracht.  In Puno werd het schip dan weer netjes in elkaar geknutseld en te water gelaten.  Die hele operatie duurde tien jaar en heeft volgens onze gids aan het meer zijn eretitel gegeven.  Een mooi verhaal, daarover bestaat geen twijfel.  Maar bij het verband tussen dit verhaal en die eretitel plaats ik toch de nodige vraagtekens.
 
In het meer liggen vele eilanden.  Vaste eilanden.  Maar daarheen gaat onze tocht niet.  Wij zetten koers naar de Uros eilanden, een verzameling van ongeveer veertig drijvende eilanden.  Om die drijvende rieteilanden is het meer gekend.  Als een hond van Pavlov denken wij bij het Titicacameer onmiddellijk aan die rieteilanden.  Dat verband wordt bijna automatisch gelegd.
 
Een klein bootje van de Uros bewoners begeleidt ons naar één van de veertig eilandjes.  Niet alle toeristen worden samengebracht op één eiland.  Er wordt aan spreiding gedaan.  Om zo de lasten te verdelen.  Maar ook de lusten.  Want aan die toeristen worden de artisanale producten verkocht, één van de inkomensbronnen voor deze lokale bevolking.
 
 
Op elk eiland leven ongeveer 7 à 8 families.  Elke familie bestaat gemiddeld uit 5 personen.  De mannen doen aan jacht en visvangst.  De vrouwen zijn voornamelijk actief in de textiel.  De kinderen kunnen op de eilanden naar de kleuter- en lagere school.  Voor de secundaire school en de universiteit moeten zij naar het vasteland.  Hogere studies zijn noodzakelijk voor de ontwikkeling van een volk.  Toch vormen zij ook een bedreiging.  Want vaak blijven de jongeren in de stad en keren zij niet meer terug.  Die ontvolking is dan ook één van de problemen, waarmee deze eilanden zich geconfronteerd zien.
 
De eilanden worden gebouwd op wortelkluiten.  Die wortelkluiten worden verankerd in het water.  Bovenop die kluiten worden verschillende lagen totorariet gelegd.  Dat riet wordt elke week vervangen.  De levensduur van een drijvend eiland wordt op twintig jaar geschat.  Dan is het eiland op.  Na die twintig jaar wordt het eiland niet afgebroken maar wordt het versleept naar de baai van Puno.  In die baai wordt op die ‘oude’ eilanden aan landbouw gedaan.  Aardappelen, granen, bonen en quinua worden op die eilanden verbouwd.  Niks gaat verloren.  Alles wordt gerecycleerd.  Zelfs eilanden.
 


Uros eilanden
 
Wij horen al die verhalen.  Wij krijgen al die uitleg.  Ondanks al die verhalen en uitleg hoor ik in mijn hoofd dat kritische stemmetje.  Ik kijk rondom mij en vraag mij af in hoeverre dit allemaal nog echt is.  Zien wij het echte leven? Of zien wij het leven zoals het verbeeld/gespeeld wordt? Lopen wij rond in het Peruaanse Bokrijk? Zijn al die eilandbewoners niet gewoon werknemers die op die eilanden gewoon hun dagtaak vervullen? Worden die werknemers ’s morgens naar de eilanden gebracht en ’s avonds weer afgehaald? In hoeverre wordt dit hele schouwspel niet in stand gehouden omwille van de toerist? Omwille van het gemakkelijke geldgewin? In hoeverre zijn deze eilanden niet verworden tot een pretpark? Een amusementspark? Die vragen blijven niet enkel in mijn hoofd rondtollen.  Die vragen worden ook gesteld.  Waarop zij ontkracht worden door de gids.  Dit is het leven zoals het is.  Daarover kan en mag niet de minste twijfel bestaan.  De laatste oorspronkelijke Urovrouw mag dan in 1959 gestorven zijn maar deze huidige eilandbewoners, een mengeling van Uro’s met Quechua’s en Aymara’s uit het district, houden nog altijd vast aan een traditionele manier van leven.  Toch erkent de gids dat niet alle bewoners continu op het eiland zijn.  Sommigen wonen inderdaad in de stad en komen voor hun dagtaak naar één van de eilanden.  Dat is bijna onvermijdelijk.  Een toegift aan de moderniteit.  Een toegift aan de verleidelijke lokroep van het stadse leven.  Maar die kleine toegift mag ons niet doen twijfelen aan de echtheid.  Want dat is wat die eilanden zijn: echt.  Dat is wat die bewoners zijn: echt.
 
Wij verlaten Peru en trekken naar Bolivia.  Het verenigde Europa heeft ons het begrip van grenzen doen vergeten.  Grenscontroles zijn iets wat wij niet meer kennen.  Het lange aanschuiven aan de douaneposten en het overgeleverd zijn aan de norse willekeur van de douanier behoren al lang tot het verleden.  Aan de grens van Peru met Bolivia komen alle herinneringen aan dat ‘begrensde’ verleden opnieuw naar boven.  Samen met die herinneringen worden wij tevens geconfronteerd met dat archetypisch beeld van de ambtenaar.  Terwijl in België alles wordt gedaan om die ambtenaar een moderner imago te geven, lijkt hier dat aloude beeld bevestigd te worden.  Ik waan mij in de opnamestudio van De Collega’s, dat succesvolle BRT-programma uit de late jaren zeventig van vorige eeuw.  Ik lijk te kijken naar Jomme Dockx.  Of Philemon Persez.  Of Hilaire Baconfoy.
 
Net op het moment dat wij aankomen bij de grens, blijkt de elektriciteit uitgevallen te zijn.  Niks werkt nog.  In België zouden onmiddellijk allerlei noodscenario’s in werking treden.  Een noodgenerator zou een oplossing kunnen zijn.  Zo denken wij, Belgen.  Maar de Bolivianen denken hierover anders.  In het simpele wachten ligt de oplossing.  Afwachten, dat is wat wij kunnen en moeten doen.  Aan de identiteitscontroles groeien de rijen aan.  Toch lijkt niemand zich druk te maken.  Alles komt uiteindelijk wel goed.  Die zekerheid lijken de ambtenaren achter het loket uit te stralen.  Wanneer komt alles dan goed? Dat weten zij niet.  Dat hoeven zij niet te weten.  Enkel die zekerheid dat alles ooit weer goed komt, is meer dan voldoende.  Zij reageren dan ook niet.  Zij doen niks om de grenspassanten, hun klanten, gerust te stellen.  Zij blijven op hun stoeltje zitten.  Zij berusten.  Enig initiatief tot oplossing wordt van hen niet verwacht.  Stempeltjes zetten, dat is wat zij moeten doen.  Dat is het enige wat zij moeten doen.
 
In Bolivia zijn de presidentsverkiezingen pas achter de rug.  Evo Morales werd opnieuw tot president gekozen.  Voor de derde maal.  Voor die derde ambtstermijn werd een uitzondering gemaakt op de grondwet.  Twee ambtstermijnen, dat was het absolute maximum.  Maar niet voor Evo Morales.  Hij wil meer.  Veel meer.  In Bolivia wordt alles in het werk gesteld om deze zielsverwant van Hugo Chavez het levenslange presidentschap te gunnen.
 
Een levenslang presidentschap zou een bedreiging kunnen vormen voor de democratie.  Toch lijkt Morales nog altijd veel steun te hebben.  Althans, dat mag ik afleiden uit de vele slogans, die op de muren gekalkt staan.  Wij allen zijn Evo Morales, dat suggereert één van die slogans.  Het volk lijkt zich te vereenzelvigen met de machthebber.  Marketingwijs kan gediscussieerd worden over het overtuigende en wervende karakter van een dergelijke slogan.  Politiek gezien wijst die slogan evenwel op een gevaarlijk kantje.  Uit die slogan spreekt onaantastbaarheid.  Want als de machthebber gelijk wordt gesteld met het volk, zal niemand zichzelf nog in twijfel durven trekken.  Een machthebber moet te allen tijde ter verantwoording kunnen geroepen worden.  Die gelijkschakeling lijkt zand te strooien in de democratische motor.  Een sputterende en haperende motor kan nooit goed zijn voor de verdere toekomst van een land.  Dat één man levenslang zou vastzitten aan de macht, kan nooit goed zijn voor een land.  Ik kan enkel hopen dat Evo Moralis tijdig tot het juiste inzicht komt.
 
Van Morales wordt gezegd dat hij de president zou zijn van de armen.  Hij zou een spreekbuis zijn voor dit lang verwaarloosde deel van de Boliviaanse bevolking.  Als dat het uitgangspunt is, kan ik enkel besluiten dat de president nog heel wat werk heeft.  Die gedachte maak ik mij bij het binnenrijden van La Paz, de officieuze hoofdstad van Bolivia.  Wij komen La Paz binnen via El Alto, één van de voorsteden van La Paz.  De aanblik van die voorstad is hard.  Vuil.  Armoedig.  Verwaarloosd.  Ruig.  Zwart.  Weinig opbeurends lijkt over El Alto te vertellen.  Maar dat verhaal lijkt het dan ook uit te stralen.  El Alto heeft niks wervends.  Enkel de nabijheid van La Paz kan aangehaald worden als troef.  Meer niet.  Dat is alles.
 
La Paz
 
La Paz lijkt uit zijn voegen te barsten.  Of neen, La Paz barst uit zijn voegen.  Beneden wonen de rijken.  In het centrum.  Boven wonen de armen.  Zo werkt het in deze stad.  Dat is het logische spel.  De toenemende ongelijkheid in de wereld wordt hier perfect geïllustreerd.  De hogere, armere stadsdelen breiden continu uit.  La Paz werkt als een magneet op het platteland.  Vanuit dat platteland trekken de mensen en masse naar de stad.  Hopend op een betere toekomst.  Maar die betere toekomst komt vaak niet.  Meestal niet.  Voor de vele armen, die naar de stad trekken, wordt die armoede enkel bestendigd.  Succesverhalen? Het moeten er weinig zijn.  Dat denk ik als wij met ons busje doorheen El Alto rijden.  Als wij in La Paz aankomen en naar beneden denderen.  Naar het centrum.

Volgende aflevering (dag 11) op maandag 19/01.

maandag 12 januari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 9: Coporaque - Puno.

Deze morgen word ik wakker met dat ene liedje in mijn hoofd: El Condor Pasa van Simon and Garfunkel.  Wat ik ook doe, het blijft in mijn hoofd hangen.  Telkens opnieuw begin ik het te neuriën.  Niet omdat ik aan mijn KSA-vakantiekamp terugdenk.  Het zou nochtans kunnen.  Want toen was dat één van de hits aan het kampvuur.  Toch zijn die jeugdherinneringen niet de reden.  Vandaag gaan wij condors zien.  In de Colca Canyon.  Dat is de reden.  Wij gaan naar het hoogste punt van de kloof, La Cruz del Condor.  Daar moet het gebeuren.  Daar moeten wij de grootste vliegende vogel ter wereld ontmoeten.  Voor die ontmoeting moeten wij wel vroeg uit de veren.  Om 4.30 uur.  Vogels hebben geen uurwerk.  Bijgevolg hebben zij lak aan uren.  Zij laten zich leiden door de natuur.  Het spel van de natuur regeert hun ritme.  Wij kunnen ons enkel aanpassen.  Wij wanen ons heersers maar heel soms moeten wij de duimen leggen.  
 


Colca Canyon
 
Pas in 1921 werd dit gebied ontdekt en in kaart gebracht door twee Amerikanen.  In nog geen honderd jaar is dit gebied uitgegroeid tot een oord van en voor massatoerisme.  Dat hoeft niet te verbazen.  Colca Canyon is in Peru de derde meest bezochte toeristische site.  Dat merken wij al snel.  Wij zijn niet alleen.  Bijna in colonne rijden wij naar onze bestemming.  Daar aangekomen stellen wij vast dat heel wat toeristen al klaar staan om condors te spotten.  Wij voegen ons in de rij.  Op zoek naar de beste plaats.
 
Maar wat is die beste plaats? Dat valt niet te zeggen.  De beste plaats is die plaats waar condors te spotten vallen.  Maar dat is niet vooraf te bepalen.  Het blijft een gok waar ons te stellen.  Een wilde gok.  Aan de rand van de kloof wringen wij ons tussen het volk.  Het vele volk.  Wij kijken en hopen.  Hopen dat wij één van die prachtige, grote vogels kunnen zien.  Wij wachten.  Wachten.  Wachten.  Wij blijven wachten.  Wij geven niet op.  Wij blijven waakzaam.  Die waakzaamheid wordt beloond.  Of toch een beetje.  In de verte kunnen wij drie condors zien.  Maar wij willen meer.  In onze dromen konden wij die vogels aanraken.  Dat is wat wij willen.
 
Maar het zal niet gebeuren.  Toch niet vandaag.  Een beetje teleurgesteld keren wij terug naar de bus.  Wij vertrekken niet onmiddellijk.  Aan de bus blijven wij nog een beetje hangen.  Wat napraten, zoals dat heet.  Dan gebeurt het.  Dan gebeurt datgene waarvoor wij gekomen zijn.  Plots duikt een condor op.  Boven onze hoofden.  Die vogel lijkt alle tijd te hebben.  Cirkelt lange tijd rond.  Alsof hij ons wil danken voor onze komst.  Alsof hij ons wil belonen voor onze komst.  De fotocamera’s, die wij al weggeborgen hadden, worden snel weer bovengehaald.  Want dit vliegende fotomodel willen wij op foto vastleggen.  Niet één maal.  Maar vele malen.  Het klikken van de camera’s lijkt bijna niet te stoppen.  Iedereen doet maar door.  Tot hij voorgoed weg is.  Op weg naar andere blij te maken toeristen.
 

Teleurstelling slaat om in euforie.  Het wisselen van stemmingen kan snel gaan.  Dat hebben wij hier kunnen vaststellen.  Enkel nog lachende gezichten.  Let op, wij zijn geen verwaande toeristen.  Eén condor beslist niet over het welslagen van onze reis.  Net zoals één zwaluw de lente niet maakt.  Meer en andere factoren hebben een invloed op de reis.  Dat erkennen wij.  Dat weten wij.  Toch zijn wij blij met die ene condor.  Bijzonder blij.
 
Wij stappen de bus op.  Wij keren terug.  Op weg naar Puno.  Wij moeten opnieuw de Patapampa-pas over.  Net als gisteren.  Maar deze keer houden wij geen halt.  Wij stoppen niet om vulkanen te kijken.  Geen fotootje als bewijs dat wij op het hoogste punt waren.  Dat hebben wij al gedaan.  Nu razen wij voort.  Het lijkt wel alsof alles went.  Hier hebben wij al gestaan.  Wij hebben alles al gezien.  Daarom, vooruit met de geit, dat lijken wij te denken.  Maar dat is het niet.  Wij hebben een afspraak met Puno.  Afspraken moeten nagekomen worden.  Zelfs op reis.  
 
Net één condor gezien en wij gaan op zoek naar alweer een nieuw diertje.  Wij zitten op de bus.  Een mens moet toch iets doen om zijn tijd nuttig te besteden.  Wij zoeken de Andesflamingo.  Deze flamingo houdt zijn residentie in Reserva Nacional de Salinas y Aguada Blanca.  Maar deze keer vergaat het ons slechter.  Geen troostprijs op het allerlaatste moment zoals bij La Cruz del Condor.  Wij kijken intens.  Wij speuren grondig.  In de hoop luid te kunnen juichen.  Maar die juichende kreten komen niet.  De Andesflamingo zien wij niet.  Een simpele les leren wij.  Dat de natuur niet kan gedwongen worden.  Die natuur kan men niet naar zijn hand zetten.  Of toch niet helemaal.  Heel vaak ontglipt de natuur aan de leidende hand van de mens.  Dat kan een troost heten.  Weten dat de almacht van de mens toch begrensd kan worden.  Dat leert ons de condor.  Dat leert ons de Andesflamingo.  In afwezigheid of bijna afwezigheid schuilen wijze lessen.
 
Reserva Nacional de Salinas y Aguada Blanca
 
Wij komen aan in Puno.  Na Lima en Arequipa is dit een lichte teleurstelling.  De buitenwijken van de stad zijn vuil.  Verwaarloosd.  Niks doet vermoeden dat Puno ooit één van de rijkste steden van het continent was in de koloniale periode.  Die rijkdom had de stad te danken aan de vele zilvermijnen in de omgeving.  Van die rijkdom blijft niet veel meer overeind.  Alle glitter en glamour lijkt vergaan.  Toch tracht het centrum van de stad dat verlies enigszins te compenseren.  Aan een verzorgd en net Plaza de Armas staat de achttiende-eeuwse kathedraal, een combinatie van Spaanse barok en elementen uit de Andes.  Die kathedraal laat een vermoeden van enig historisch belang over de markt waaien.  Laat vermoeden dat Puno ooit welvarend moet geweest zijn.  
 
Niet enkel het marktplein geeft een schijn van heropleving.  Een snelle, onderzoekende blik laat zien dat er volop wordt gerenoveerd.  Hoop schemert door.  Niet alles lijkt verloren.  Om het met de woorden van Wilfried Martens te zeggen: er schijnt licht aan het eind van de tunnel.  Er kan gediscussieerd worden over de felheid van dat licht maar er brandt licht.  Dat is al een begin.  Volhouden, dat is wat Puno moet doen.  Net zoals Wilfried Martens ons vroeg te doen.
 
Behalve die renovatieprojecten springen ook andere dingen in het oog.  In het straatbeeld valt mij het hoge aantal politieagenten op.  Hoe meer politieagenten, hoe groter de onveiligheid.  Het een voedt het ander.  Nooit had ik enig onveiligheidsgevoel in Peru maar hier lijkt het anders.  Het blauw op straat lijkt die indruk te bevestigen.  Maar is het een juiste indruk? Voedt die sterke, politionele aanwezigheid het subjectief gevoel van onveiligheid? Ik zou het durven denken.  ’s Avonds loop ik in die ene verkeersvrije winkelstraat.  Op geen enkel moment voel ik mij onveilig.  Nooit hoef ik over mijn schouders te kijken.  Nooit voel ik mij bedreigd.  Dit is een stad.  Zoals zovele andere.  
 
De kennismaking met Puno verliep niet vlotjes.  De eerste indruk was niet positief te noemen.  Die eerste indruk deed mij zelfs wegkijken van Puno.  Maar nooit mag men zich verlaten op een eerste indruk.  Eerste indrukken zijn meestal fout.  Zoals dat ook het geval is met Puno.  Een verdere kennismaking met Puno doet mij bijdraaien.  Puno heeft zijn eigen, aparte charme.  Die pas te ontdekken is als men zich kan ontdoen van die eerste indruk.  Ik ben daarin geslaagd.  Puno zal ik niet meteen mijn favoriete stad noemen maar ik zal die stad zeker niet mijn rug toekeren.
 
Liedje:
 
 
Volgende aflevering (dag 10) op woensdag 14/01.

woensdag 7 januari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 8: Arequipa - Coporaque.

Arequipa verlaten zonder het Monasterio de Santa Catalina te zien? Dat kan niet.  Dat mag niet.  Voor een toerist zou het doodzonde zijn.  Een onvergeeflijke fout.  Ik wil geen fouten maken.  Ik wil niet dat mij fouten worden aangewreven.  Daarom ben ik gisterenmiddag gegaan.  Om mij niet te laten ontmaskeren als mislukt toerist.  Als cultuurbarbaar.  Onterecht beschuldigd worden van allerlei lelijke dingen, dat wil ik vermijden.  Zelfs op reis waak ik over mijn imago.  Zelfs op reis wens ik mogelijke imagoschade te voorkomen.  IJdel? Jawel, toch een beetje.
 
Het klooster vormt een stad binnen de stad.  Dat dit klooster met een oppervlakte van bijna twintigduizend vierkante meter het grootste ter wereld is, hoeft niet te verbazen.  Verdwalen in de diverse straatjes, genoemd naar Spaanse steden, is een reële mogelijkheid.  Daarvoor hoeven we niet echt ons best te doen.  Alert blijven lijkt aangewezen.  Een kaartje kan handig zijn.
 
Het klooster werd gesticht in 1580.  Het kloosterleven stellen wij gelijk aan een leven in soberheid.  Een leven, gewijd aan onthechting en bezinning.  Maar zo was het niet in den beginne.  De jaren tot 1871 vertellen ons een ander verhaal.  Dochters van de meest vooraanstaande families traden binnen in het klooster.  Om een toegangsticket tot het klooster te bemachtigen, diende de familie een bruidsschat te betalen.  Enkel rijkere families konden die bruidsschat betalen.  Binnen de kloostermuren deden deze zusters geen afstand van hun hang naar rijkdom en weelde.  Dat rijkeluisleventje, waaraan zij gewend waren, werd binnen de muren gewoon verdergezet.  De zusters hadden elk hun eigen appartementje, volgens eigen smaak ingericht.  Zij konden beschikken over dienstpersoneel en slavinnen.  Zij organiseerden feestjes.  Jawel, zelfs de nieuwste mode was hen niet onbekend.  Wij kunnen de zusters niet beschuldigen van losbandigheid.  Maar van een strikt kloosterleven was helemaal geen sprake.  Dat moet ook paus Pius IX gedacht hebben.  Hem kwamen al die verhalen van luxueuze weldaad ter ore.  Hij moest ingrijpen.  Om de zusters opnieuw op het juiste spoor te zetten.  De maatregelen waren behoorlijk ingrijpend voor de aanwezige nonnen.  Veel van de rijke nonnen werden aan de deur gezet.  Aan het dienstpersoneel en de slavinnen werd de keuze gelaten als non te blijven of te vertrekken.  Appartementen werden gesloten en werden sindsdien enkel gebruikt als stapelplaats.  Soberheid werd eindelijk realiteit.  Veel ruimtes zoals keuken, eetzaal en slaapkamer werden gemeenschappelijk.  
 


Monasterio de Santa Catalina
 
Ondanks die ingrijpende wijzigingen van het huisreglement bleef het klooster toch een grote aantrekkingskracht uitoefenen op de vrouwen uit de regio.  Binnen de kloostermuren kregen de nonnen een degelijke opleiding.  Zij leerden lezen en schrijven.  Een heel verschil met het leven van een vrouw buiten de muren.  Buiten de muren was de enige carrièremogelijkheid die van huismoeder en echtgenote.  Zwijgen, luisteren en gewillig ja knikken, dat was kort samengevat het leven van de vrouw aan de zijde van haar echtgenoot.  Echt uitdagend kan een dergelijk leven niet genoemd worden.  Daartegenover leek het leven als non een heerlijk alternatief.
 
Jonge meisjes, vanaf vijf jaar, kregen binnen de kloostermuren een opleiding.  Nonnen traden hierbij op als lesgeefster.  Op de leeftijd van twaalf jaar konden de kinderen kiezen.  Ofwel kozen zij non te worden, ofwel kozen zij er voor door hun ouders uitgehuwelijkt te worden.  Indien zij beslisten non te worden, begon een opleiding van vier jaar, het zogenaamde noviciaat.  Aan het einde van die proeftijd werd aan de kandidaat-nonnen die ene vraag gesteld.  Aan hen werd gevraagd of zij vastbesloten waren non te worden.  Dit was eigenlijk een vraag voor de schone schijn.  Een retorische vraag.  Een vraag, waarop nauwelijks neen kon geantwoord worden.  Omwille van de sociale druk.  Want die was hoog.  Bijzonder hoog.  In die dagen stond het ambt van kloosterzuster nog in hoog aanzien.  Het straalde af op de hele familie.  Vandaag wordt het eerder beschouwd als een teken van wereldvreemdheid.  Het kan verkeren.  Althans, dat zei Bredero.
 
Het monasterio de Santa Catalina, dat was gisteren.  Wij keren terug naar vandaag.  Wij moeten vroeg op.  Om 7.30 uur nemen wij de bus.  Vandaag wordt een dagje, waarvoor velen vrezen.  Wij gaan de hoogte in.  Wij rijden over de Patapampa pas naar de Colca vallei.  Om dat te doen, moeten wij over het hoogste punt van de hele reis.  Dat hoogste punt ligt op bijna vijfduizend meter.  Hiervoor werd uitvoerig gewaarschuwd.  Als de gevreesde hoogteziekte de kop zou opsteken, zou het wel eens vandaag kunnen worden.
 
Wij beginnen de dag met een stevig ontbijt.  Niet uit goesting, wel uit noodzaak.  Een uitvoerig ontbijt is één van de wapenen tegen de hoogteziekte.  Ik wil die ziekte ver van mij weghouden.  De broodjes gaan dan ook vlot binnen.  Bij het ontbijt begin ik ook al stevig te drinken.  Dat moet.  Toch als wij geloof hechten aan die stelling dat één liter water moet gedronken worden per duizend meter hoogte.  Omgerekend naar vandaag zullen wij vijf liter water of andere niet-alcoholische drankjes tot ons moeten nemen.  Eten en drinken, het is een dagelijkse noodzaak.  Maar nu is het dat nog meer dan anders.
 
Tijdens de rit zullen wij nog andere middeltjes uitproberen tegen de hoogteziekte.  Alles of toch bijna alles zullen wij doen vanuit die aloude zegswijze: baat het niet, dan schaadt het niet.  Op die rit beginnen wij met het kauwen van cocabladeren.  Deze zijn vrij verkrijgbaar in de handel.  Voor het aankopen hoeft u zich niet in de illegaliteit te begeven.  Geen halsbrekende toeren of waaghalzerij voor enkele bladeren.  Enkel een winkeltje binnenstappen.  Dat volstaat.
Ongeveer acht cocabladeren worden tot een spekje gerold.  In dat spekje wordt een katalysator gewikkeld.  Dat is bedoeld om die bittere smaak van coca enigszins te milderen.  De katalysator wordt ondermeer gemaakt van gedroogde bananen.  Het cocapakje met katalysator wordt in de mond tussen tanden en kaken geplaatst.  Daar laten wij het een tijdje zodat het pakje kan weken.  Vervolgens laten wij het pakje doorheen de mond rollen en kauwen wij af en toe eens.  Coca kan helemaal geen kwaad.  Toch niet in deze geringe dosis.  Wij gaan niet hallucineren.  Wij gaan niet trippen.  Wij zien geen roze olifanten.  Wij hebben geen last van beestjes, die over ons heen lopen.  Geen enkele van die vervelende neveneffecten ervaren wij bij het kauwen van die bladeren.  Als er dan toch iets zou zijn, is het misschien die lichte gevoelloosheid van de tong en kaken.  Alsof wij net terug zijn van een bezoekje aan de tandarts.
 
Een ander middeltje is de yoga-ademhaling.  Dat wordt ons aangebracht door onze reisbegeleidster.  Tot voor deze reis had ik hiervan nog nooit gehoord.  Ik ben niet echt een yoga-type.  Stilte en innerlijke rust, vaak verlang ik er naar maar bijna nooit bereik ik dat stadium.  Mijn gebrek aan kennis weerhoudt mij niet deze vorm van ademhaling toch eens uit te proberen.  Alweer vanuit mijn vastbesloten wil de hoogteziekte voor mij uit te drijven.  Ik adem via de neus drie tellen in, houdt mijn adem drie tellen binnen om dan via de mond in drie tellen uit te ademen.  Of het helpt? Ik weet het niet.  Toch doe ik het.  Ik ben een volgzame jongen.
 
Ik ben nog jong.  Althans dat geloof ik toch.  Vrij gemakkelijk zelfs.  Ik ben nog sportief.  Ook dat geloof ik alweer vrij gemakkelijk.  Een jong en sportief iemand moet toch gevrijwaard blijven van hoogteziekte.  Dat zou ik kunnen denken.  Maar zo werkt het niet.  Hoogteziekte is één van de meest democratische ziekten.  Het maakt geen onderscheid.  Man of vrouw, jong of oud, sportief of niet, hartlijder of niet, het maakt niet uit.  Iedereen kan geveld worden.  Maar aan het eind van de dag zal ik kunnen vaststellen dat ik gevrijwaard bleef.  Ik heb niet moeten kotsen.  Ik heb geen last gehad van maag- en/of hoofdpijn.  Ik was niet duizelig of draaierig.  Neen, ik bleef gezond.  Ik bleef fit.  De hoogteziekte kreeg mij niet in zijn greep.  Opgelucht haal ik adem.  Want ziek zijn op reis, het is niet onmiddellijk mijn ideaalbeeld van een geslaagde vakantie.
 
 
 
Tijdens de busrit rijden wij doorheen Reserva Nacional Salinas y Aguada Blanca.  Een hele mond vol om aan te geven dat het hier een reservaat betreft.  Ondanks die ronkende naam vermoed ik dat het leven in deze streken behoorlijk zwaar moet zijn.  Niet onmiddellijk een omgeving waarin men spontaan blij wordt.  De jeugd lijkt het hier niet echt leuk te vinden en trekt weg.  Naar de steden.  Naar die plaatsen waar wordt geleefd.  Hard geleefd.  Jeugd brengt men niet door in eenzaamheid.  Dat moeten die jongeren denken.  Dus, op naar de stad.  Om de ontwikkeling van die dorpen in stand te houden, is men begonnen met het fokken van lama’s, alpaca’s en vicuñas.  De mensen uit die dorpen kunnen zo in hun levensonderhoud voorzien.  Of dit schijnt te lukken? Ik kan het u niet vertellen.  Maar de harde boerenstiel tegenover het bruisende stadsleven plaatsen, mij lijkt het niet echt een keuze.
 
Vicuñas zijn mooie, lieve beestjes.  Maar schoonheid is geen zekerheid.  Schoonheid is geen garantie voor een veilig en lang leven.  Lange tijd werden vicuñas met uitsterven bedreigd.  In 1970 waren er nog maar vijfduizend.  Ter bescherming van die lieve diertjes werden maatregelen genomen.  Zo mag er niet meer gejaagd worden op deze beesten.  Ook de chauffeurs worden aangemaand tot voorzichtigheid.  Want botsingen met auto’s bleken één van de grootste doodsoorzaken bij deze vicuñas.  Wanneer vicuñas nu aangereden worden, moet de chauffeur een boete betalen van drieduizend sol.  Dat is ongeveer zevenhonderd vijftig euro.  Ik kan al denken dat een zo hoog bedrag wel tot enige voorzichtigheid noopt.
 
Bij de lama’s valt het mij op dat die beestjes vaak rode draadjes door de oren dragen.  Dat doen die boeren niet zomaar.  Dat heeft een functie.  Of dat denken die boeren toch.  Zij geloven dat dit kracht en vruchtbaarheid brengt en beschermt tegen ziekten.  Bijgeloof, zo kunnen wij dit noemen.  Zoals een profvoetballer gelooft dat hij bij elke belangrijke wedstrijd dezelfde onderbroek moet dragen.  Zoiets moet het zijn.  Omwille van dat bijgeloof lopen de lama’s te pronken met al dat rood op het hoofd.  IK vind het grappig.  Heel even overweeg ik rode draden door mijn oren te brengen.  Zoals bij de lama’s.  In de hoop op een gezond, lang en krachtig leven.  Maar ik ben een nuchtere jongen.  Geen bijgeloof voor mij.  Zelfs het geloof durf ik af te zweren.  Dat laatste met niet veel overtuiging.  Eerder aarzelend en twijfelend.
 
Lama's met rode oortjes
 
Het landschap is kaal.  Behalve een omschrijving is dit ook een behoorlijk understatement.  Niks of nauwelijks iets lijkt hier te groeien.  Landschapsalopetia, zo zou je het kunnen noemen.  Enkel lage struikjes en wat gras brengen een beetje kleur en enige variatie in het landschap.  Ik waan mij op de maan.  Ik ben er nog niet geweest maar ik durf te denken dat dit landschap grote gelijkenissen vertoont met een maanlandschap.  Zo stel ik mij een maanlandschap voor.  Ik geef toe, heel misschien word ik al te zeer beïnvloed door Star Trek en Battlestar Galactica.  Die televisieseries uit mijn jeugd blijven hangen in mijn hoofd.
 
 
Ik weet dat er mensen zijn die geloven dat de Amerikanen nooit op de maan zijn geland.  Alles zou in scène gezet zijn.  Een mooi toneelstukje.  Dat denken diezelfde mensen.  Als die theorie waar zou zijn, dan kan ik mij voorstellen dat die landing hier zou geënsceneerd zijn.  Dat de topacteur (want een astronaut zou hij dan niet zijn) Neil Armstrong hier die intussen wereldberoemde woorden zou uitspreken.  Een kleine stap voor de mens, een grote stap voor de mensheid.  Aan die woorden moet ik denken als ik de bus uitstap en in vertraagde minibewegingen naar mijn doel toestap.  Alsof ik doorheen het luchtledige stap.  Vanop afstand kan het best een gekke manier van stappen lijken, maar op grote hoogte is dit broodnodig.  Geen bruuske, snelle bewegingen.  Alles weloverwogen.  Alles weldoordacht.  Op grote hoogte is het beter de voorkeur te geven aan rust en bezadigdheid.  
 
Wij hebben een lange busrit achter de rug.  Wij zijn een beetje moe.  Maar toch gaan wij die avond nog naar de warmwaterbronnen.  Die bronnen liggen in de buurt van ons hotel.  Wij kunnen te voet gaan.  Een kleine wandeling van vijfenveertig minuten.  Wij passen voor dit aanbod.  Toch maar weer de bus op.  Op grote hoogte moeten wij ons sparen.  Geen grote inspanningen.  Straks moeten wij klaar zijn voor de Inca-Trail.  Nu willen wij het rustig aan doen.  Net als een topatleet bouw ik zachtjes op naar mijn topniveau.  Naar dat ene moment, waarop ik moet pieken.  Mijn piekmoment.
 
Het water van deze bronnen heeft een oorspronkelijke temperatuur van vijfentachtig graden.  Maar onderweg van de bron naar het bad koelt het water af tot een aangename temperatuur van vijfendertig à veertig graden.  Aangenaam? Zo wordt het omschreven in reisgidsen.  Maar wordt dit ook zo door mij ervaren? Niet echt.  Het water is te heet.  Veel te heet.  Heel zachtjes laat ik mij in bad.  Eens volledig in het water is het bijna onmogelijk te bewegen.  Bij elke beweging voelt het alsof ik levend verbrand.  Ik weet het, een lichte overdrijving maar heel soms moet overdreven worden.  Om het vertelde met kracht en overtuiging over te brengen.
 
Maar alles lijkt te wennen.  Wanneer ik een tweede maal het hete water instap, voelt het nu aangenamer.  Het lijkt zelfs alsof het water minder heet aanvoelt.  Plots kan ik bewegen.  Plots durf ik te bewegen.  Jawel, ik kan en durf zelfs te genieten.  
 
Dat warmwaterbad heeft deugd gedaan.  Het was deugddoend.  Bij dat woord denk ik aan die gids in Turkije.  Deugddoend, dat was zijn woordje.  Zijn favoriete woord, zo leek het wel.  Eén ding is zeker, ik ben klaar voor morgen.  Maar dan moet ik vroeg het bed in.  Morgen moet ik vroeg op.  Om half vijf in de morgen.  Dan kan ik een lange nachtrust best gebruiken.  Daarom dat bed in.  
 
Slaapwel.

Volgende aflevering (dag 9) op maandag 12/01.