dinsdag 16 januari 2018

Mooie liedjes: Amenra. Brief aan Colin, Bjorn, Mathieu, Lennart, Levy, Maarten en Femke.

Beste Colin,
Beste Bjorn,
Beste Mathieu,
Beste Lennart,
Beste Levy,
Beste Maarten,
Beste Femke,
 
Metal! Metal? Jawel, metal.  Dat ene woord zou vroeger volstaan hebben om met een grote boog om die muziek heen te wandelen.  Ik bleef weg van dat soort muziek.  Dat soort muziek viel buiten mijn bereik.  Ik moet denken aan de woorden van mijn vader.  Telkens hij Raymond van het Groenewoud op de radio hoort, maakt hij die ene opmerking.  Telkens merkt hij op dat Raymond een roeper is.  Een schreeuwer.  Een zanger zal hij Raymond nooit noemen.  We moeten telkens lachen om die opmerking.  Wij oordelen anders.  Hebben een andere mening over Raymond.  Toch gebruik ik zelf die woorden.  Zonder enig voorbehoud.  Zonder schroom.  Ik gebruik die woorden om metal te duiden.  Ik kom niet verder in een poging die muziek te omschrijven.  Lawaai, zo omschrijf ik het.  
 
Ik zou mij kunnen opsluiten in mijn grote gelijk.  Maar soms wordt een mens gedwongen buiten zijn comfortzone te treden.  Door omstandigheden kan dat wel eens gebeuren.  Ik zelf werd onlangs ook gedwongen die confrontatie aan te gaan.  Nieuwgierigheid was mijn drijfveer.  Ik las de commentaren over uw nieuwste album.  Die waren unaniem lovend.  De Morgen.  Humo.  De Standaard.  Dansende beren.  Enola.  Cutting Edge.  In geen van die recensies las ik één negatief woord.  Integendeel.  Uw nieuwste album werd door één ieder beschouwd als een van de betere albums van het voorbije jaar.  Het betere album kan ik niet zomaar links laten liggen.  Dat moet gehoord worden.  Dat moet beluisterd worden.  Ik moest aan de slag.  Aan het werk.  Ik zou naar Mass VI luisteren.
 
Die eerste luisterbeurt was niet evident.  Ik moest een drempel over.  Ik moest de muur, die ik had opgetrokken tussen mij en metal, slopen.  Een stevige sloophamer was hiervoor noodzakelijk.  Ik luisterde.  De aanvankelijke neiging uw muziek te omschrijven als lawaai diende ik te onderdrukken.  Dat had ik in het verleden gedaan.  Dat mocht ik nu niet doen.  Ik moest mij openstellen.  Enkel dan zou ik kunnen oordelen.  Gebeurde dat niet, dan zou ik verstikt raken in mijn vooringenomenheid.  Gebeurde dat niet, dan zou ik blijven steken in veralgemeningen.  Dat mocht niet gebeuren.  Dat wilde ik niet.  Ik deed een inspanning.  Een zware inspanning.  Die zware inspanningen waren noodzakelijk om mij uit mijn comfortzone te halen.  Zonder inspanningen geen mooiere wereld.  Dat is wat ik dacht.
 
Het gebeurde niet meteen.  Het gebeurde slechts heel geleidelijk.  Heel geleidelijk ging ik uw muziek begrijpen.  Lawaai werd muziek.  Ik schermde mij niet meer af.  Ik liet alles binnenkomen.  Binnenstromen.  Lange tijd had ik gedacht dat enkel in stilte en ingetogenheid de grootste schoonheid kan schuilen.  Dat is niet zo.  Dat maakte u duidelijk.  In uw muziek ging ik een emotionele gelaagdheid ontwaren.  U deed mij van hoop naar wanhoop hollen.  Van licht naar donkerte.  Ik ontdekte dat er zelfs in schreeuwen schoonheid kan schuilen.  Dat er in die schreeuwerige schoonheid gradaties schuilen.  Die liet u mij ontdekken.
 
Ik stapte door de door u gecreëerde wall of sound.  Ik stapte uw wereld binnen.  Ik ontdekte een wereld, waarin onzekerheid heerst.  Eenzaamheid.  Pijn.  U stelt zich kwetsbaar op.  Dat voelde ik.  Dat hoorde ik.  Een dergelijke ervaring had ik niet verwacht.  Diepzinnigheid had ik niet verwacht.  Toch was het dat wat ik ervaarde.  Geen stoere manneputtertjes.  Wel onzekere zoekers.  Ik ontdekte muzikanten, die via hun muziek antwoorden zochten op eigen onzekerheden. 
 
Ik luisterde één keer.  Twee keer.  Drie keer.  Vele malen luisterde ik.  Ik kon uw muziek niet meer loslaten.  Ik ging mij schamen voor mijn vooroordelen.  Om mijn vooringenomenheid.  Ik liet uw muziek knallen.  Schallen.  Niet stilletjes luisterde ik.  Stilte is niet wat uw muziek vraagt.  Ik draaide de volumeknop open.  Met een lach op mijn gezicht.  Met tintelende oogjes.  Want intussen wist ik het.  Dit was geen lawaai.  Dit was muziek.  Een symfonie. 
 
U bracht mij naar een genre, waarvan ik voordien ver weg bleef.  Ik achtte mij een te brave jongen.  Ik achtte mij een jongen, waarvoor die muziek niet gemaakt was.  Ik was niet ruig.  Ik was niet stoer.  Ik was niks van dat alles.  Daarom bleef ik weg.  Tot enkele weken terug.  Dan heeft dat brave jongetje een grote stap gezet.  Dat brave jongetje heeft zijn zevenmijlslaarzen aangetrokken.  Om een meesterwerk te ontdekken.  Een meesterwerk.  Een bron van energie.
 
Beste Colin.  Beste Bjorn.  Beste Mathieu.  Beste Lennart.  Beste Levy.  Beste Maarten.  Beste Femke.  Ik keer vaak terug.  Vaak reis ik naar uw wereld.  Om daarin een tijdje te vertoeven.  Om daarin nog maar eens te beseffen dat er slechts één soort muziek bestaat.  Goede muziek.  Zoals de uwe.
 
Ik wens jullie alle succes.
 
Met vriendelijke groeten.
 
Videoclip:


donderdag 11 januari 2018

Uitgelezen: Vertel me het einde. Brief aan Valeria Luiselli.

Beste Valeria,
 
De redenen waarom een boek moet gelezen worden kunnen zeer divers zijn.  De Volkskrant heeft het bij uw boek over een voelbare verontwaardiging.  De Standaard noemt uw boek een mokerslag.  De Correspondent houdt het zeer kort bij steengoed.  Dat zijn drie redenen waarom uw boek zou moeten gelezen worden.  Ik kan er nog een vierde reden aan toevoegen.  Knack spoorde elke potentiële lezer aan dit boek te lezen en balde hun aansporing samen tot een sloganeske oneliner: Lees.Dit.Boek.
 
Ik zelf wil op zoek gaan naar een vijfde reden.  Omdat vijf redenen om een boek te lezen zo veel beter zijn dan slechts vier.  U moet weten, ik hou van ronde getallen.  Dat staat mooier.  Bovendien heb ik de neiging om steeds te zoeken naar een motivatie.  Een motivatie, die andere lezers zou moeten aanzetten tot het lezen van het desbetreffende boek.  Dat zoeken en graven naar een motivatie doe ik enkel bij een goed boek.  Bij een slecht boek zwijg ik.  Bij u wil ik praten.  Wil ik schrijven.  Een vijfde reden zou mooi zijn.  Op die manier zou elke reden staan voor één ster.  Vijf redenen, vijf sterren.  Want dat is wat uw boek is.  Laat daarover geen misverstand bestaan.  Uw essay is een vijfsterrenboek.
 
Mijn zoektocht duurde niet lang.  Ik hoefde niet diep te graven.  Ik hoefde enkel uw boek te lezen.  Want daarin staat waarom uw boek moet gelezen worden.  Daarin staat letterlijk die vijfde reden.  Ik kan het enkel herhalen.  Dit boek is noodzakelijk omdat we allemaal ter verantwoording kunnen worden geroepen als er iets onder onze neus gebeurt en we niet eens durven te kijken.  U schudt ons wakker.  U dwingt ons om niet weg te kijken.  Zodat wij later niet kunnen zeggen dat wij het niet geweten hebben.  Na het lezen van uw boek kunnen wij ons geweten niet meer sussen met dat al te gemakkelijke excuus.
 
Ik lees uw boek en ik moet denken aan die ene hit van Noordkaap, Het zou niet mogen zijn.  Ik denk niet enkel aan die ene hit.  Ik zing die hit luidop.  Telkens als het mij te machtig wordt, zing ik die ene zin.  Met volle kracht.  Telkens als het mij te moeilijk wordt, zing ik die ene zin.  Met volle overtuiging.  Het zou niet mogen zijn.  Het zou niet mogen zijn.  Het zingen verhindert dat ik begin te huilen.  Ik ben een man.  Ik kan geen twee dingen tegelijk.  Het zingen verdringt de tranen.  Tranen zouden mijn zicht vertroebelen.  Zouden mij het lezen onmogelijk maken.  Dat wil ik niet.  Ik wil blijven lezen.  Zelfs als het mij diep raakt.  Zelfs als uw woorden pijn doen.
 
U dwingt mij te lezen over coyotes.  Ik weet nu wie zij zijn.  U dwingt mij te lezen over La Bestia.  Ik weet nu wat het is.  Ik lees niet enkel verhalen.  Ik lees niet enkel getuigenissen.  Ik lees niet enkel hoe u tracht een steen te verleggen in een rivier op aarde.  Ik lees meer.  Ik lees ontstellende cijfers.  Verontrustende cijfers.  Zo mag ik lezen dat tachtig procent van de vrouwen die Mexico doorkruisen worden verkracht.  Zo lees ik dat op zes maanden elfduizend migranten werden ontvoerd.  Ik weet nu dat de werkelijkheid van de niet begeleide minderjarige immigrant duister en zwart is.  Dat in die vele werkelijkheden mishandeling, dood en honger de plak zwaaien.  Een boek neigt naar overdrijving.  Bij zo vele verschrikkingen, zou een mens dat kunnen denken.  Als troost.  Overdrijven is nochtans niet wat u doet.  U blijft zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid.  Omdat u die kent.  Als tolk aan de rechtbank voor immigratiezaken in New York.  Uw taakomschrijving lijkt duidelijk.  Maar dat is het niet.  Geenszins.  De praktijk is heel moeilijk en divers.  U werkt met kinderen.  Kinderen, die zonder ouders de Amerikaanse grens zijn overgestoken.  Er heerst wantrouwen.  Angst.  Al snel merkt u dat er verschillende verhaallijnen zijn.  Nooit is er een begin.  Nooit is er een midden.  Nooit is er een eind.  Dit zijn geen kinderen.  Dit zijn verwoeste levens.
 
Eén vraag waarop u een antwoord moet trachten te vinden is waarom die kinderen naar de Verenigde Staten komen.  Al die kinderen hopen te ontwaken uit de nachtmerrie waarin zij geboren zijn.  Al die kinderen jagen het leven na, zelfs als dat hun dood kan betekenen.  Maar die antwoorden zijn te vaag.  Uw regering heeft nood aan details.  Enkel zeggen dat zij naar de Verenigde Staten kwamen omdat zij ergens wilden aankomen, volstaat niet.  Die vaststelling leidde tot iets pervers.  U ging bijna wensen de ergste verhalen te horen.  Omdat u wist dat enkel dat kans gaf op een verblijfsvergunning.  Behoorlijk ontnuchterend.
 
Als lezer zou ik kunnen denken dat de situatie in Amerika verschilt van de situatie in Europa.  Die gedachte zou als een milde troost kunnen dienen.  Toch weet ik dat die gedachte niet opgaat.  Omdat ik ten volle besef dat de situatie aan beide kanten van de oceaan gelijkaardig is.  Gelijklopend.  Aan beide kanten van de oceaan draait de migratiecrisis rond die ene vraag: hoe krijgen wij ze zover dat ze niet meer komen.  Nooit wordt die crisis benaderd vanuit het standpunt van de vluchteling.  Dat zou het debat belasten.  Bezwaren.  Het zou te moeilijk worden.  Nu kunnen wij het houden bij dat gemakkelijke excuus: we kunnen niet iedereen opvangen.  Dat excuus blijven we maar herhalen en intussen kijken we de andere kant uit.  Om heel even op te springen als er een kinderlijkje aanspoelt.  Om dan snel weer te gaan zitten.
 
Vertel me het einde.  Die vraag stelt uw dochter.  Telkens stelt zij die vraag als u haar nog maar eens een verhaal vertelt.  Een verhaal, dat u meebrengt uit de rechtbank.  Ik wil u ook die vraag stellen.  Ik las uw boek.  Ik las geen einde.  Dat hebt u niet.  U hebt geen happy end.  U kan uw boek niet eindigen zoals alles sprookjes doen.  In uw boek leefden zij niet lang en gelukkig.  Omdat uw boek in de realiteit staat.  In een harde realiteit.  In een realiteit, waar veel mensen te onverschillig tegenover staan en daardoor kan gebeuren wat nu gebeurt.
 
Beste Valeria, ik wil u danken voor dit boek.  Een dun boekje.  Dat bedoel ik zeker niet minachtend.  Want nog nooit heb ik zo wakker gelegen van een boekje.  Het blijft rondtollen in mijn hoofd.  Telkens als ik aan uw boek denk, hoop ik dat het ooit nog goed zal komen.  Dat regeringsleiders eindelijk het licht zullen zien.  Dat hoop ik echt.  Misschien dat uw boek aan deze levensreddende ommezwaai een bijdrage kan leveren.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 9 januari 2018

Mooie liedjes: Falling Man. Brief aan Lode Sileghem, Paul Van De Velde, Sander Van den Broecke en Sven De Potter.

Beste Lode,
Beste Paul,
Beste Sander,
Beste Sven,
 
Wat moet een mens doen op de terugvlucht naar Brussel als alle vakantielectuur gelezen is? Met die vraag zat ik op het vliegtuig vanuit Verona.  Mijn gekozen vakantieboek, Vertel me het einde van Valeria Luiselli, had ik uit.  Die enkele artikels uit Knack had ik allemaal gelezen en verwerkt.  Mijn leesvoer was verorberd.  Dat hoeft niet te verbazen.  Ik was vertrokken met een grote leeshonger.  Dan kan het snel gaan.  Zelfs zo snel dat ik op de terugvlucht niks meer te lezen had.  Verveling dreigde.  Anderhalf uur knikkebollen, een weinig vreugdevol vooruitzicht.  Gelukkig was er mijn vriendin.  Zij bracht redding.  Zij bracht de oplossing.  Zoals wel vaker gebeurt.  Van verveling zou geen sprake zijn.  Ik zou niet knikkebollen.  Zij gaf mij de Humo.  Ik kon aan het werk.
 
Ik deed wat ik altijd doe met een weekblad of krant.  Ik bladerde.  Ik zocht de dingen die ik wilde lezen.  De dingen, die ik zou kunnen lezen.  Indien ik nog tijd had.  Zo gaat het altijd.  Enkel zo kan ik een inschatting maken van wat mij te wachten staat.  Het maakt mij rustig.  Ik las de dingen die ik wilde lezen.  Ik had nog tijd.  We waren nog niet geland.  We hingen nog in de lucht.  Ik begon aan de rest.  Die dingen, die ik zou kunnen lezen.  Ik botste op een artikeltje.  Een heel kort interview, waarin een muzikant gevraagd wordt naar zijn favoriete muziek.  De favoriete muziek voor een zaterdagavond.  Voor een zondagmorgen.  De favoriete muziek onder de douche.  Dat lees ik graag.  Omdat ik altijd wel op zoek ben naar muzikale ontdekkingen.  Ontdekkingen, die mij vaak wegvoeren van de platgetreden paden.  Dat maakt muziek interessant.  Boeiend.
 
In dat artikel werd aan één van jullie gevraagd naar zijn favorieten.  Ik weet niet meer wie het was.  Dat kan ik u niet meer zeggen.  Jullie zullen het wel nog weten.  Wat ik wel nog weet, is de naam van jullie groep.  Falling Man.  Die naam bleef hangen bij mij.  Om meerdere redenen.  U werd een Gentse groep genoemd.  Ik ben van Gent.  Dat schept een band.  Wat mij nog nieuwsgieriger maakte, was die bekentenis van de Humo redacteur.  In dat artikel schreef hij ter inleiding dat hij nu al drie weken lang naar slechts één album luisterde.  Eén album had zijn volle aandacht.  Dat was uw meest recente album, Ghost.
 
Ik sloeg die gegevens op in mijn hoofd.  Regelmatig herhaalde ik die gegevens in mijn hoofd.  Ik mocht het niet vergeten.  Dat mocht geenszins gebeuren.  Falling Man uit Gent.  Dat herhaalde ik vele keren.  Als een mantra.  Bijna raakte ik in trance.  Enkel de landing haalde mij terug naar de realiteit.  Toen het vliegtuig de Brusselse tarmac raakte, schrok ik wakker.  Ik was in Brussel.  Ik moest naar huis.  Naar Gent.  Ik moest op onderzoek.  Ik moest kennismaken met uw groep.  Dat is wat ik wilde.  Toch moest die kennismaking even wachten.  Het nieuwe jaar was net begonnen.  Dan moet ik naar familie.  Naar vader en moeder.  Naar broers en zus.  Naar tante.  Die dag moest ik hen het beste wensen.
 
De wensen waren overgebracht.  Ik kon voor mijn computer gaan zitten.  Wat ik daar zag, heeft mij blij gemaakt.  Wat ik daar zag, heeft mij diep geraakt.  Ik zag niet de grootvader van Prince die ergens een kerkdienst leidde.  Ik zag en hoorde de kleinzonen van Hank Williams.  Van David Bowie.  Van Captain Beefheart.  Van Wire.  Van Smokey Robinson.  Van The Fall.  Van Sonic Youth.  Vergeef mij deze stamboom.  Ik heb deze van uw website geplukt.  U zou mij kunnen verdenken van gemakzucht.  Dat is het niet.  Ik wil enkel aangeven waar u de mosterd vandaan haalt.  Waar u uw inspiratie vindt of hebt gevonden.  
 
Ik raakte onder de indruk van uw verslavende beat.  Mij overkwam wat de Humo redacteur is overkomen.  Ik luisterde enkel en alleen naar Ghost.  Uw album werd mijn metgezel.  Mijn reisgezel.  Uw muziek bepaalde mijn hartslag.  Bepaalde mijn ritme.  Mijn levensritme.
 
Ik luisterde.  Ik luisterde opnieuw.  En opnieuw.  En opnieuw.  En …In mij groeide dat verlangen.  Dat intense verlangen.  Ik wil jullie live aan het werk zien.  Want dat is waar jullie muziek om vraagt.  Een podium.  Een publiek.  Uw muziek moet bulderen.  Razen.  Jullie moeten stormen.  Schreeuwen.  Wij moeten springen.  Stampen en duwen.  Al die dingen moeten samenkomen op een concert.  Op een festival.  Daar wil ik heen.  Daar moet ik heen.  Het kan.  Dat heb ik gezien.  Op zestien maart staan jullie in het Gentse Trefpunt.  Ik wil er zijn.
 
Nog één ding moet ik jullie bekennen.  Zelden of nooit lees ik de Humo.  Wat ben ik blij dat mij op het vliegtuig die ene Humo werd aangereikt.  Door mijn vriendin.  Zij zette mij op weg naar jullie.  Voortaan zal ik jullie volgen.  Ik heb jullie ontdekt.  Nooit nog zal ik jullie lossen.
 
Beste Lode.  Beste Paul.  Beste Sander.  Beste Sven.  Ik weet niet precies wat ik jullie moet wensen maar ik wens het jullie allemaal.  In overvloed.  Het gaat jullie goed.
 
Met vriendelijke groeten.


donderdag 4 januari 2018

Uitgelezen: De maakbare baby. Brief aan Petra De Sutter en Eline Delrue.

Beste Petra,
Beste Eline,
 
Ik wil eerlijk zijn met jullie.  Brieven vragen om eerlijkheid.  Brieven bieden die vertrouwelijkheid.  Vertrouwelijkheid kan enkel gedijen in een eerlijke sfeer.  Vandaar.  Vrienden zullen vreemd opkijken als ik hen vertel dat ik De maakbare baby heb gelezen.  Het zijn vrienden.  Zij kennen mij.  Zij kennen mij goed.  Zij weten dat ik geen kinderen heb.  Zij kennen mijn beweegredenen.  Bij hen hoef ik mij niet te verschonen.  Bij hen hoef ik niet te zoeken naar excuses.  Zij begrijpen mij.  Net daarom zijn het vrienden.  Zoals ik al zei, ik heb geen kinderen.  Ik zou dus buiten het doelpubliek vallen van jullie boek.  U zou mij als een outsider kunnen beschouwen.  Toch ben ik dat niet.  Ik had zo mijn redenen om uw boek te lezen.  Ik had er drie.
 
Vooreerst is er mijn kinderwens.  Of juist het gebrek aan die kinderwens.  U zou zich de vraag kunnen stellen of ik ooit die vraag naar kinderen bij mijzelf heb gesteld.  Dat heb ik gedaan.  Mijn zoektocht was kort.  Al snel kwam ik er achter dat ik geen kinderen wou.  Om vele redenen.  Die zal ik niet vertellen.  Het zou ons te ver brengen.  Ik wil bij jullie boek blijven.  Dat is het onderwerp van de brief.  Niet ik.  Mijn snelheid van antwoord maakte mij nieuwsgierig naar de zoektocht van anderen.  Bij anderen is er juist wel die wens maar is net het realiseren van die wens een hobbelige weg.  Soms zijn zoektochten niet altijd helder en duidelijk.  
 
Dan was er dat artikel in De Standaard.  Onlangs las ik dat in een lab huidcellen van een man of vrouw kunnen uitgroeien tot zaad- of eicellen waarmee zijn of haar kinderen kunnen verwekt worden.  Datzelfde artikel ging dieper in op dat onderzoek en belichtte de ethische vraagstukken hieromtrent.  Ik las dat artikel.  Ik fronste met de wenkbrauwen.  Dit onderzoek maakt deel uit van het maatschappelijk debat.  Het blijft niet beperkt tot de labo’s.  Tot de interne kring van wetenschappers.  Het staat middenin de maatschappij.  De maatschappij moet hierover nadenken.  Diezelfde maatschappij moet deel hebben aan dit debat.  Ik dus ook.  Maar om deel te hebben, moet een lid van de maatschappij geïnformeerd zijn.  Ik moest dus aan de slag.
 
Toen ik mijn moeder vertelde over uw boek gaf zij die ene opmerking.  Zij stelde zich de vraag hoe ver de wetenschappers zullen gaan.  Het schrikbeeld van blauwe ogen en blond haar volgde op die ene vraag.  Ik kon haar angst niet wegnemen.  Ik kon haar niet geruststellen.  Nog niet.  Ik was nog niet onderlegd in de materie.  Ik zat nog zelf met vragen.  Vragen die voorlopig onbeantwoord bleven.  Alweer besefte ik dat ik op zoek moest.  Op zoek naar antwoorden.
 
Bovenstaande redenen brachten mij naar uw boek.  Ik las uw boek.  Ik las over geassisteerde voortplanting.  Over oogsten en plukken.  Ik las over draagmoederschap.  Over baarmoedertransplantatie.  Ik las over nieuwe gezinsvormen.  Over het recht op voortplanting.  Ik las over eicellen invriezen en over embryoselectie.  Ik las vele en moeilijke woorden.  Woorden, die ik voordien nauwelijks gehoord had.  Ik ontdekte een nieuw vocabularium.  Ik stapte een nieuwe wereld binnen.  Ik stapte een nieuw debat binnen.  Een debat, waar ik voordien buiten stond.  Waar ik geen deel in had.  Ik ontdekte dat het debat volop woedde.  Dat vele stemmen een aandeel hadden in dat debat.  Niet enkel wetenschappers.  Ook ethici.  Ook politici.  Ook filosofen.  Al die stemmen hoorde ik in uw boek.  Maar niet enkel die stemmen hoorde ik.  Ik hoorde stemmen van vaders en moeders.  Van mensen die op zoek waren of zijn naar een mogelijkheid hun kinderwens te realiseren.  Ik hoorde Eva en Bas.  Ik hoorde Linda, Lieke en Gijs.  Ik hoorde Lies, Wout en Inge.  Lindsay en Filip.  Elisa en Lili.  Daniëlla.  Miek en Peter.  Ik hoorde Indra en Christoff.  Die stemmen vertaalden de theorie naar de praktijk.  Zij concretiseerden het debat.  Zij maakten het debat tastbaar.
 
Ik besef nu hoe mooi een kinderwens kan zijn.  Hoeveel pijn het kan doen als die wens enkel een wens blijft.  Als die wens geen realiteit wordt.  Ik begrijp nu hoe wetenschappers de vragen van al die (wens)ouders trachten te beantwoorden.  Net omdat zij zich ten volle bewust zijn van die pijn.  Van dat gemis.  Ik besef nu dat zij in hun zoektocht naar antwoorden steeds werken binnen een streng, ethisch kader.  Dat zij zich ten volle bewust zijn dat iets niet noodzakelijk moet omdat het ook kan.  Dat zij zelf vragende partij zijn naar internationale richtlijnen.  Naar wetgeving.  Ik besef dat er een spanningsboog bestaat tussen voorzichtige en enthousiaste wetenschappers.  Maar dat net die spanning zorgt dat de wetenschap traag vooruitgaat.  Met kleine stapjes.  Niet met rasse schreden.
 
Ik las een interessant boek.  Bovenal las ik een warm boek.  Een geruststellend boek.  Ik las een boek waarin menselijke warmte en wetenschappelijke kennis en inzicht op een voortreffelijke manier worden gecombineerd.  Ik las een boek, waarvan ik nu weet dat mijn moeder het ook zou moeten lezen.  Omdat het haar angst zal wegnemen.  Omdat het haar schrikbeeld zal uitvagen.  Ik las een boek over wetenschappers, die zichzelf vragen stellen.  De nodige vragen.  De juiste vragen.  Ik zag hoe nu algemeen aanvaarde behandelingen eenzelfde proces van verzet en tegenstand moesten doorlopen als de nieuwe innovaties, die zich nu reeds aandienen of waarmee men nu experimenteert.  Innovaties, die nu misschien controversieel klinken maar later ook als evident zullen beschouwd worden.  Dat proces van controversieel naar evident moet begeleid worden.  Ik besef nu dat dit gebeurt.  In een helder proces.  In een duidelijk debat.  Met aandacht voor het kind.  Voor het belang van het kind.  Met respect voor de (wens)ouders.  Ik besef nu dat niet elke vraag naar een kind ook eindigt met een kind.  Net dat besef doet mij stilstaan bij de bestaande pijn en vaak ook teleurstelling.  Dat besef beroert mij.  Ontroert mij.
 
Beste Petra.  Beste Eline.  Jullie schreven een boek, dat ik heel waarschijnlijk nooit zou gelezen hebben.  Toch heb ik het gedaan.  Omdat ik zo mijn redenen had.  Ik weet nu dat ik blij ben dat ik het toch gedaan heb.  Omdat het, zoals ik al zei, een warm en menselijk boek is.  Met die prestatie wil ik jullie feliciteren.  Voor dit boek wil ik jullie bedanken.  Omdat ik besef dat ik een rijker mens ben.  Een begrijpender mens.
 
Daarom, van harte bedankt.
 
Met vriendelijke groeten.

Info:
Afwerking: Paperback
Aantal pagina's: 240
Afmetingen: 240x170
Verschijningsdatum: 13/09/2017
EAN: 9789401443432
Nur-code: Specialistische geneeskunde: algemeen
Uitgever: Academia Press
Druk: 1