donderdag 5 oktober 2017

Uitgelezen: Een Duits leven. Brief aan Brunhilde Pomsel en Thore D. Hansen.

Beste Brunhilde,
 
Het zou niet mogen.  Omdat het mij zo steeds werd gezegd.  Mij werd verteld het grootste respect te hebben voor boeken.  Boeken moesten omzichtig behandeld worden.  Voorzichtig.  Dat alles wist ik.  Dat alles deed ik.  Toch moest ik bij het lezen van uw getuigenis vaak de neiging onderdrukken het boek woest dicht te klappen en woedend van mij weg te gooien.  Dat lijkt nogal gewelddadig, hoor ik u denken.  Ik ben een vredelievende jongen.  Woede-uitbarstingen tracht ik te onderdrukken.  Dat lukt mij doorgaans.  Dat lukte mij niet bij u.  Een verklaring lijkt mij op zijn plaats.
 
U was secretaresse.  Dat is op zich niks indrukwekkends.  Toch is het dat wel.  Want u was secretaresse in historisch woelige tijden.  U was secretaresse van Joseph Goebbels.  Die naam verandert alles.  De naam van die oorlogsmisdadiger maakt uw functie plots wel interessant.  U hebt een verhaal dat mag verteld worden.  U hebt een verhaal dat moet verklaard worden.  Vertellen en verklaren in de hoop tot begrip te komen.
 
U koos vrijwillig voor die functie.  U zelf noemt het geen keuze.  U zegt er in gerold te zijn.  Als bij toeval kwam u op de stoel van secretaresse van dhr. Goebbels.  Die nuance lijkt op het zoeken naar een verontschuldiging.  Dat zoeken naar excuses zal niet stoppen tijdens uw getuigenissen.  U hebt meerdere excuses.  Geen enkele laat u onvermeld.  Politiek interesseerde u niet.  Uw broertjes waren bij het Jungvolk en bij de bruine hemden.  Dat was nu eenmaal zo, zegt u verontschuldigend.  U was dom en oppervlakkig.  Die oppervlakkige domheid herhaalt u vaak als excuus.  Dat lees ik meermaals.  U wijst met een beschuldigende vinger naar uw strenge opvoeding.  U erkent dat het tijd vraagt over dingen na te denken maar tezelfdertijd beweert u dat die broodnodige tijd er niet was.
 
In het zoeken naar verontschuldigingen komt u uit bij een tweetal verschoningsgronden, die we al vele keren hebben gehoord.  Uw functie bij het Ministerie van Propaganda zou een opdracht geweest zijn.  Een dienstbevel.  Daarom kan u niet schuldig zijn.  Befehl ist Befehl, daarop lijkt het.  Dat lijkt u te suggereren.  U kon niet weigeren.  Een tweede verschoningsgrond lijkt veel op die ene dooddoener: wir haben es nicht gewuβt.  U zou niks geweten hebben van de Jodenvervolging.  De Endlösung zou u totaal onbekend zijn geweest.  Van de rassenwetten had u niks gehoord noch gelezen.  
 
Met dat laatste heb ik het bijzonder moeilijk.  U zou het niet geweten hebben.  Laat mij toe hierbij de nodige vraagtekens te plaatsen.  U had een joodse vriendin.  U geeft toe met haar vertrouwd te zijn.  Uw joodse vriendin had een relatie met een half-jood.  Zij kende dus de impact van de strenge rassenwetten op het dagelijkse leven.  Dat zij daarover nooit met u gepraat zou hebben, lijkt mij moeilijk te geloven.  Bovendien zetelde u binnen de hofhouding van één van de belangrijkste nazileiders.  U bevond zich in het machtscentrum van nazi-Duitsland.  Dat u in die functie niks zou gehoord of gelezen hebben, lijkt mij alweer moeilijk te geloven.
 
U lijkt alles aan te grijpen om toch geen schuld te moeten bekennen.  U grijpt alles aan om u vrij te pleiten.  Over de ganse lijn.  De hand in eigen boezem steken doet u niet.  Die onwil maakt mij woedend.  U bent een opportunist.  Uw angst voor moeilijke tijden en uw hang naar luxe doet u de ogen sluiten.  Doet u wegkijken.  Dat is de echte grond voor uw handelen.  Niet uw domheid.  Niet uw politieke desinteresse.  U deed wat u deed omdat u er zelf beter van werd.  Over dat opportunisme schrijft u niks.  U blijft steken in een falende zoektocht.
 
Ik las uw getuigenis.  Ik durf het te omschrijven als een gemiste kans.  U had moedig kunnen zijn.  Dat had gekund.  Ik denk aan de het boek Ik niet van Joachim Fest.  In dat boek toont de auteur dat andere keuzes mogelijk waren.  U ontbeerde die moed.  U was laf.  Dat geeft u toe.  Die bekentenis kan als een schrale troost dienen.
 
 
Beste Thore,
 
Ik was boos.  Boos om wat ik gelezen had.  U mildert die boosheid.  U tempert die.  U kadert het verhaal van Brunhilde Pomsel.  U vertaalt haar verhaal naar de huidige tijden.  Die denkoefening is best wel confronterend.  Maar in die confrontatie schuilt misschien de mogelijkheid om tot begrip te komen voor het handelen van Brunhilde.
 
U schrijft dat het misschien te gemakkelijk is om te veroordelen.  Omdat u in onze huidige tijden ook passiviteit, onwetendheid en desinteresse bemerkt.  Net zoals ten tijde van Pomsel.  Vandaag keren vele mensen zich af van democratische systemen.  Zij stellen zich nauwelijks of geen vragen bij dingen die de menselijke en maatschappelijke solidariteit ondergraven.  U merkt op hoe rechts-populisten opnieuw de laagste driften bij mensen naar boven halen door bepaalde groepen te devalueren.  U ziet een bedreiging voor de democratie.  U bemerkt nauwelijks een bereidheid zich in te zetten voor een open samenleving en tegelijk bemerkt u een onvermogen bij de democratische elite om tijdig te reageren op verkeerde ontwikkelingen.  
 
U laakt die passiviteit.  U vraagt om engagement.  De stille meerderheid moet rechtop staan.  Gebeurt dat niet, zal een radicale minderheid de democratie gijzelen.  Wat u van de lezer vraagt is engagement.  In uw pleidooi lees ik echo’s van Stéphane Hessels Engagez-vous.  U vraagt ons alert te zijn.  U vraagt ons niet aan de zijkant te staan.  U vraagt ons opnieuw te laten leiden door feiten.  Want al te zeer blijkt dat grote delen van de bevolking enkel via emoties kunnen bereikt worden.  U wijst op de gevaren van die evolutie.  U wijst op gevaarlijke tendensen, waarbij een leugenachtige pers en nepnieuws de voeders van haat worden.  U verwijst hierbij naar een studie waaruit blijkt dat jongeren een wantrouwen hebben tegenover de traditionele media.  Jongeren blijken een groot deel van hun informatie te betrekken via sociale media.  Tegen die betreurenswaardige evoluties moeten wij ons verzetten.  Omdat het moet.  Omdat het noodzakelijk is.
 
U blijft niet enkel stilstaan bij bovenvermelde evoluties.  U schrijft tevens over de globalisering.  U merkt terecht op dat politiek links schuld heeft aan de huidige malaise.  Clinton, Blair, Schröder en in hun kielzog vele linkse partijen capituleerden voor de wetten van neoliberale globalisering.  U toont aan hoe zij een groot deel van hun kiezers hebben verraden.  Kiezers die vatbaar werden voor radicalisering.  Die radicaliserende angst steekt ook stilaan de middenklasse aan.  U laat zien hoe zij de sociale markteconomie lieten verworden tot een neoliberale markteconomie.
 
Tegelijk toont u hoe de hoogopgeleiden neerkijken op die lagere klassen.  Al te vaak horen wij bij de analyse van verkiezingsresultaten dat het klootjesvolk het niet begrepen heeft.  Al te vaak geven die hoogopgeleiden af op de domheid van datzelfde klootjesvolk.  Daarmee ontlopen zij hun eigen verantwoordelijkheid.  Hiermee ontkennen zij de mogelijkheid iets te veranderen aan de huidige situatie.
 
U ontkent die mogelijkheid tot veranderen niet.  Integendeel.  U reikt oplossingen aan.  Ik som ze kort op.  U vraagt om een hervorming van de globalisering.  U vraagt om een ontwerp van een betrouwbaar ordeningskader.  U vraagt irreële beloftes en leugens te ontmaskeren.  U vraagt om een diepgaand onderzoek waarom de kiezer zich van de democratie afkeert.
 
Nog ingrijpender is uw vraag om te stoppen met de onrechtvaardigheid van een economisch systeem te blijven vergoelijken.  U vraagt met klem dat de democratie voortaan niet meer zou buigen voor de economie.
 
U laakt de stilte.  U laakt de passiviteit.  Met uw pleidooi toont u aan dat in elk van ons een Brunhilde Pomsel schuilt.  In grote mate.  In kleine mate.  U vraagt die Pomsel in ons binnenste weg te gommen en eindelijk rechtop te staan.  Zodat we straks niet hoeven te zeggen dat we het niet geweten hebben.  Want wij weten het wel.  Wij weten wat er rondom ons gebeurt.  Maar het laat ons onverschillig.  Wij verkiezen te zwijgen.  Die vaststelling doet pijn.
 
 
Beste Brunhilde,
Beste Thore,
 
Samen schreef u een prachtig boek.  Samen doen jullie een oproep niet te vervallen in dezelfde fouten.  U, Brunhilde, toont aan tot wat verkeerde keuzes kunnen leiden.  U, Thore, bewijst dat verzet mogelijk is.  Dat verandering mogelijk is.  Samen schreven jullie een overtuigend pleidooi.  Een krachtig statement.
 
Beste Brunhilde.  Beste Thore.  Ik zal het boek niet meer ver weg gooien.  Dat zal ik niet doen.  Ik zal dat andere doen.  Ik zal iedereen overtuigen dit boek te lezen.  Omdat het nodig is.  Nu meer dan ooit.
 
Met vriendelijke groeten.

woensdag 4 oktober 2017

Guido Belcanto, gezien in de Roma. Brief aan Guido, Geert, Lieven, Nicolas, Maarten en Andries.

Beste Guido,
Beste Geert, Lieven, Nicolas, Maarten, Andries,
 
Bijna nooit krijg ik het schaamrood op de wangen.  Dat was vrijdagavond wel even anders.  Die avond kleurden mijn kaken felrood.  Dat zat zo.  Wij hadden een ticket voor uw concert in de Antwerpse Roma.  Omdat het wel zou kunnen gebeuren dat wij een pintje dronken voor, tijdens en na het concert hadden wij uit voorzorg een hotel geboekt.  Ik had uw laatste album al gehoord.  Ik herinnerde mij die waarschuwing uit Meneer de Politieman.  Die waarschuwing sloeg ik niet in de wind.  Nam ik ernstig.  Daarom een hotelletje dus.
 
In de lobby van het hotel moesten we even wachten om in te checken.  Een Nederlands koppeltje stond aan de incheckbalie.  Ik hoorde hen vragen of de Roma in de buurt was.  Of zij er te voet heen konden.  U zou mij kunnen terechtwijzen.  U zou kunnen zeggen dat luistervinken niet mag.  Maar het gebeurde gewoon.  Ik deed het niet bewust.  Door die ene vraag wist ik dat het koppeltje ook naar u ging zien.
 
Wij namen samen de lift.  Wij en dat Nederlandse koppeltje.  Wij raakten aan de praat.  Wij hadden het over u.  Zij waren fan.  Al bijna dertig jaar.  Zij hadden al uw platen.  Verschillende keren hadden zij u live aan het werk gezien.  Op dat moment kleurde ik rood.  Ik kon niks zeggen.  Een fan kon ik mij niet noemen.  Een plaat had ik niet.  Een concert had ik nooit bijgewoond.  Ik was geen fan.  Ik volgde u.  ik wist wat u deed.  In die woorden zat een zekere voorwaardelijkheid verborgen.  Een voorwaardelijkheid, die een fan volledig vreemd is.  Heel stilletjes zei ik dat het die avond mijn eerste keer zou zijn.  Mijn eerste keer dat ik Guido Belcanto live aan het werk zou zien.  Zij waren enthousiast.  Vlogen mij bijna om de hals.  Zij zeiden dat ik niet zou worden teleurgesteld.  Zij garandeerden mij een fantastische avond.
 
Gerustgesteld stapte ik naar de Roma.  Stapte ik de Roma binnen.  Ik zou niet nagewezen worden.  Ik zou niet uitgejouwd worden.  Uw fans zijn vredelievend.  Vergevingsgezind.  Dat mocht ik ervaren in de lift.  Ik koos mijn plekje.  Mijn stoel.  Ik kon niet wachten.  Ik wilde eindelijk dat zien wat ik al veel te lang had uitgesteld.
 
Vaak moet een mens zich aanpassen.  Moet hij zich een juiste houding weten aan te meten.  Dat probleem stelde zich nu niet.  Dat bleek niet nodig te zijn.  Wij vonden mekaar bijna meteen.  Geen bang aftasten.  Geen aarzelend zoeken.  Geen twijfelend vinden.  U stond nog maar net op het podium maar ik was bij de les.  Onmiddellijk zat ik in het verhaal.  In uw verhaal.  Eén avond lang nam u mij bij de hand.  Eén avond lang was u mijn gids.  Mijn gids doorheen uw wereld.  Met u ging ik langs bij Anna.  Met u wachtte ik bij de dokter.  Met u zwierf ik één nacht lang doorheen Rome.  Met u verlangde ik naar dat zeildoek op de botsauto’s.  Met u zocht ik naar die vele liefdes.  Verloren liefdes.  Nieuwe liefdes.  Hopeloze liefdes.  Met u verwonderde ik mij over de wereld.  Een droevige wereld.  Een gebroken wereld.  Een hoopvolle wereld.  Een verdwenen wereld.  Met u ontmoette ik mensen.  Mensen met dromen.  Mensen met verlangens.  Mensen met kwetsuren.
 
Al die verhalen hadden dat ene gemeenschappelijk.  Pure emotie.  Er mocht al eens gelachen worden.  Er mocht al eens gehuild worden.  Ik hing aan uw lippen.  Geen enkel woord wilde ik missen.  Dat deed ik niet.  Ik nam elk woord in mij op.  Dat luisteren bleef niet zonder gevolgen.  U drukte mij neer op mijn stoeltje.  Met de krop in de keel zat ik daar.  Al te zeer voelde ik mij verwant met de door u gecreëerde personages.  Ik wilde hen troosten.  Ik wilde hen toespreken.  Ik wilde hen zeggen dat het wel nog goed zou komen.  Uiteindelijk.  Ik wilde hen bemoedigend op de schouder kloppen.
 
Ik luisterde niet enkel naar u.  Ik keek ook naar u.  Ik zag niet enkel Guido Belcanto.  Ik zag Bruce Springsteen.  Nick Cave.  Ik zag Leonard Cohen.  Bob Dylan.  Ik zag niet enkel die helden.  Ik hoorde ook die helden.  In uw muziek hoorde ik hun echo’s.  Vaak evenaarde u hen.  Even vaak overtrof u hen.
 
Ik zag en hoorde The E Street Band.  Ik zag en hoorde The Bad Seeds.  Ik zag en hoorde de Broederschap, uw begeleidingsband.  Een begeleidingsband? Dat klinkt wat oneerbiedig.  Wat minnetjes.  Alsof zij enkel dat doen, begeleiden.  Zij doen veel meer.  Zij zijn de motor.  Uw motor.  Zij zijn de hartslag.  Uw hartslag.  Zij bepalen, samen met uw teksten, wanneer er uitzinnig moet gefeest worden.  Zij bepalen, samen met uw teksten, wanneer stilletjes moet geluisterd worden.  Zij laten de tranen lopen.  Zij laten de lach rollen.  Over die lach en traan zijn zij heer en meester.  De kleur van hun klank bepaalt de emotie.  Zij stuwen u voort.  U die vooraan staat.  Die ons begeestert.  Die ons bekoort.
 
Bij het begin van de avond ging ik op de knieën zitten.  Alsof u bijstand van hogere machten leek af te smeken.  Aan het eind van de avond moest ik op de knieën.  Om u te danken.  Voor een bijna unieke avond.  Eindelijk kan ik zeggen dat ik u live aan het werk zag.  Eindelijk kan ik zeggen dat ik u nog zal weerzien.  Bij een volgend concert.  Want dat staat vast.  Als een paal boven water.  Vrijdagavond kwam ik.  Vrijdagavond zag ik.  Maar niet ik overwon.  Dat deed u.  Met verve.  Op een niet te evenaren wijze.  Ik zag en hoorde de koning van het Vlaamse lied.  De keizer van het levenslied.  Ik zag en hoorde een artiest.  Een kunstenaar.
 
Beste Guido.  Ik wil u danken voor een onvergetelijke avond.  Vol passie.  Vol emotie.  Vol eerlijke warmte.  Vrijdagavond zal ik niet vergeten.  Die vrijdagavond zal ik mij blijvend herinneren als een muzikaal feest.  Als een heerlijke avond.  Van harte bedankt.
 
Met vriendelijke groeten.

Setlist:
Guide Belcanto – De Roma, Antwerpen.

Speellijst:
Guido Belcanto – Liefde & devotie.

 

dinsdag 3 oktober 2017

Mijn reisverhaal Rusland. Dag 6: Novgorod - Moskou.

Volgens A-ha zou de zon altijd schijnen op televisie.  Dat zou best kunnen.  Maar vandaag schijnt diezelfde zon ook in Novgorod.  Weg is die vervloekte regen van gisteren.  In de plaats meldt zich een zonnige warmte.  Wij omarmen die met plezier.  Novgorod krijgt een herkansing.  Dat denken wij.  De weergoden zijn met ons.  Ook dat denken wij.
 
Vandaag gaan we naar het Joerievklooster.  Eén van de oudste, nog steeds actieve mannenkloosters in Rusland.  Gebouwd in de twaalfde eeuw.  Gelegen op de linkeroever van de Volchov, bij het Ilmenmeer.  Wij nemen het openbaar vervoer.  De bus.  Geduld moeten we wel hebben.  Er is slechts één bus om het uur.  Terwijl de trein een beetje reizen is, is de bus een beetje geduld hebben.  Het maakt niet uit.  We zijn op vakantie.  Tijd is aan onze kant.  The Rolling Stones wisten dat al.  Wij ervaren het nu.  We wachten en wachten en wachten.  Tot de bus komt.  Dan stappen we op.
 


 
Slechts één bus om het uur heeft zo zijn gevolgen.  Al snel is het busje vol.  Overvol.  Wij zitten en staan dicht op elkaar.  Opeengepakt.  Als sardines in een blik.  We laten het niet aan ons hart komen.  Integendeel.  Het brengt mensen dichterbij.  Zo blijkt al snel.  Eén Russin ontdekt tijdens die busrit haar roeping.  Diep in haar ontdekt zij haar talent als gids.  Dat talent moet altijd al aanwezig geweest zijn.  Wij wekken dat talent.  Maken het talent in haar wakker.  Zij begint een monoloog.  Over de streek.  Over het meer.  In het Russisch.  Wij zijn haar publiek.  Haar dankbare publiek, dat toch op een taalbarrière botst.  Wij doen ons best.  Ons uiterste best.  Wij menen te begrijpen dat het meer zestig kilometer lang is.  Zestig meter diep.  Ons begrip van het Russisch blijkt sterk te verschillen met de realiteit.  Ik heb het even gecheckt.  Het meer blijkt maximaal vijfenveertig kilometer te zijn en maximum tien meter diep.  Er moet nog gewerkt worden aan onze kennis van het Russisch.  
 
Als zij ons duidelijk maakt dat wij moeten afstappen, begrijpen wij het wel.  Deze keer doet zij het met handen en voeten.  Gebarentaal, dat blijkt dan toch duidelijker te zijn.  We stappen af en denken vanwaar die vreemde vooronderstelling komt dat alle Russen onvriendelijk zouden zijn.  Dit madammetje op de bus bewijst het tegendeel.  Het zal nog gebeuren op onze reis.  Elk onvriendelijk woord zal gecounterd worden door een vriendelijk gebaar.  Om aan het eind tot de slotsom te komen dat er van die vooronderstelling helemaal niks aan is.
 
In het Joerievklooster wandelen we naar de Kathedraal van de Heilige Georgius.  Bovenop de kathedraal prijken drie koepels.  Dat is licht afwijkend van de norm.  De meeste Russische kerken hebben er vijf.  Zoals de Kathedraal van de Kruisverheffing binnen hetzelfde kloostercomplex.  De grootste koepel verwijst daarbij naar Jezus Christus terwijl de andere vier de evangelisten vertegenwoordigen.  Waarom voor die ene kerk een uitzondering op de regel? Zou het een manier kunnen zijn om de eigenzinnigheid van de kloosterorde te benadrukken? Om aan te geven dat zij toch enigszins afwijken van de geldende norm binnen het geloof? Zou het een bewijs kunnen zijn dat de orde lak heeft aan al die regeltjes en dat zij willen focussen op het eigenlijke geloof? Vele vragen.  Helaas geen antwoorden.
 
 
Binnen de muren van het klooster is het rustig.  Nauwelijks of geen volk.  Ik zet me heel even aan de kant.  De aanwezige rust doet mij dagdromen.  Doet mij dromen van een leven als monnik.  Ik zou het kunnen.  Met een beetje verbeelding zie ik mij binnen dit klooster als tuinier aan het werk.  Als schrijnwerker.  Het dromen gaat een tijdje door.  Ik raak overtuigd van die mogelijkheid.  Maar dan komt mijn nuchtere geest doorheen die droom gefietst.  Ik heb geen groene vingers.  Mijn kennis over bloemen en planten is nihil.  Ik ben geen handige jongen.  Klusjes zijn niet aan mij besteed.  Mijn zelfkennis verjaagt de droom.  Veegt die uit.  Met beide voeten sta ik opnieuw in de realiteit.  Ik stap weg van het klooster.  Weg van mijn droom.  Ik stap naar het Ilmenmeer.  Zet mij eventjes neer aan het water.  Op een bankje.  Naast een vrouwtje met een hond.  Wij knikken.  Kijken elkaar aan.  Wij spreken elkaars taal niet.  Ik geen Russisch.  Zij geen Engels.  Desondanks is er toch connectie.  Wij lachen.  Alweer blijkt maar eens dat de lach een universele taal is.  Iedereen beheerst die taal.  Iedereen spreekt die taal.  Ik lach.  Zij lacht.  In die lach vinden wij begrip.  Onuitgesproken begrip.  Een mens hoeft geen talenknobbel te zijn.  Het kan helpen.  Maar heel soms volstaat een lach.  Heel soms zegt een lach meer dan duizend woorden.

 
Aan datzelfde meer passeert de figuur van Oblomov, de hoofdpersoon uit de gelijknamige roman van Ivan Gontsarov, door mijn gedachten.  Ik zit hier te niksen.  Gewoonweg te luieren.  Ik zou Oblomov kunnen zijn.  Voorwaar een zware beschuldiging.  Maar dan denk ik aan dat boek van Alicja Gescinska, De verovering van de vrijheid.  Daarin vertelt zij dat een tijdelijke vorm van luiheid mijlenver af staat van oblomovisme.  Dit tijdelijke mijmeren aan het meer mag geenszins verward worden met een ziekelijk onvermogen tot handelen.  Daaraan lijd ik geenszins.  Ik zet mij even luierend aan de kant.  Zelfs in die luiheid doe ik nog iets.  Ik kijk.  Ik observeer.  Ik geniet van de dingen rondom mij.  Ik mag opgelucht ademhalen.  In mij schuilt geen Oblomov.  Ondanks die korte en aanvankelijke vrees.  Ik doe gewoon verder.  Bevrijd van die oorspronkelijke beschuldiging.  Ik heb mijzelf vrijgepleit.
 
 
Van het Ilmenmeer wandelen wij door naar het houtmuseum.  Dat ligt op wandelafstand.  Ik kan het niet helpen.  Het komt zomaar bij mij op.  Ik moet denken aan Bokrijk.  Ik denk aan de gemaakte schoolreizen.  Ik denk aan boterhammen met ei, klaargemaakt door moeder.  Want dat nam ik altijd mee op schoolreis.  Ik denk aan zakgeld.  Om iets te kopen.  Een souvenir.  Een herinnering aan verveling.  Want dat was hoe ik die verplichte uitstappen ervaarde.  Vervelende verplichtingen.  Die zijn niet mijn favoriet.  Toen niet en vandaag niet.  Laat mij maar zelf doen.  Laat mij maar zelf ontdekken.  Zonder een vooraf uitgeschreven agenda.  Dat is vrijheid.  Dat is genieten.  Dat is hét middel tegen verveling.  Op schoolreis kon dat niet.  Op die reizen moesten wij in het voetspoor blijven van de schoolmeester.  Afwijken was geen optie.  
 
 
Nu ben ik uit vrije wil naar het houtmuseum gekomen.  Geen verplichting.  Ik had de bus kunnen nemen naar de stad.  Ik deed het niet.  Ik gun het museum een eerlijke kans.  Bij de ingang worden we verwittigd.  Reeds bij voorbaat wenst het museum zich te verontschuldigen.  Er wordt volop gerenoveerd.  Daardoor zijn vele dingen niet toegankelijk.  Maar in die beperktheid zie ik toch huizen, boerderijen, kerken, … Ik ben verrast.  Door het vakmanschap.  In al dat houtwerk wordt bewijs geleverd van het stielwerk.  Stielwerk uit vorige eeuwen.  Vreemd hoe zelfs een museumbezoek bevestigt dat vrije wil veruit te verkiezen is boven verplichting.  Reizen bevestigen indrukken.  Bevestigen denkbeelden.
 
 
We keren terug naar Novgorod.  De stad verdient een herkansing.  Gisteren verdronk de stad.  Regen verstikte de stad in weinig opbeurende grijsheid.  Vandaag was de zon van de partij.  Die zon doet wonderen.  De zon doet niet enkel een mens heropleven.  Hetzelfde doet de zon met een stad.  De zon doet een stad glinsteren.  Geeft een stad geschiedenis.  Het kan eigenaardig klinken maar regen verhult diezelfde geschiedenis.  Omdat we nauwelijks opkijken.  Omdat we meer met de kop in de grond lopen.  Als bescherming tegen al te zware regendruppels.  Vandaag is het anders.  De zon maakt ons ontvankelijk.  Pas nu lezen we de geschiedenis.  Pas nu stellen we ons open.  We lopen rechtop.  Kijken rond.  Nemen op.


 
We kijken niet enkel rond.  Heel soms gaan we ook even zitten.  Om te verpozen.  Om uit te blazen.  Dat doen we op het grote plein in Novgorod.  In de schaduw van Lenin.  Aan dat standbeeld nestelen wij ons.  Hier kan ik voelen wat vakantie precies betekent.  Vakantie is niet meer dan dit.  Meer heeft het echt niet nodig om het in zijn volle intensiteit te beleven.  Gewoon op een pleintje zitten.  Ergens in een dorp, dat mij voorheen totaal onbekend was.  Zitten en kijken.  Kijken naar de mensen rondom mij.  Mensen die op alle mogelijke manieren langs mij voorbij gaan.  Te voet.  Op de fiets.  Met rolschaatsen.  Op de autoped.  Met skeelers.  Op de gocart.  Iedereen lijkt gelukkig.  Geen triestige gezichten.  Ik leun achterover.  Adem diep.  Mijn vakantiegevoel is totaal.
 
 
Ik zei het al, vandaag zijn wij alert.  Wij snuiven de geschiedenis van de stad op.  Met dank aan de zon.  Dat alles had ik verteld.  Maar ik had nog niet verteld wat wij precies opsnuiven.  Het Kremlin hadden we gisteren al ontdekt.  Daar lopen we vandaag wat sneller doorheen.  Maar er zijn ook schatten te ontdekken buiten de muren van het Kremlin.  Daarvoor moet wel wat gestapt worden.  Onze benen zijn nog jong.  Zij dragen ons nog.  Vele en lange kilometers.  Voorlopig maakt het geen verschil.  Aan dat grote stadsplein waren wij binnengesprongen in het informatiecentrum van de stad.  Hier leren we de waarde van een dergelijk centrum kennen.  De mevrouw van het centrum maakt ons attent op een kerkje.  Net buiten het toeristisch gebied.  Een kerkje met fresco’s.  Bijna uniek in de wereld.  Althans, zo omschrijft de mevrouw het.  Maar die omschrijving drijft ons naar die kerk.  Wij willen dat unieke karakter aanschouwen.  De mevrouw had het ons goed uitgelegd.  Wij lopen recht op ons doel af.  Komen uit bij een vervallen kerkje.  Fresco’s zijn net nog te onderscheiden.  Zij schijnen doorheen de vergetelheid.  Een kerk in vervallen staat.  Wij zouden kunnen lachen om dat unieke karakter.  Dat doen wij niet.  Omdat wij beseffen dat net in die vervallen staat een enorme schoonheid schuilt.  Een schoonheid, waar tristesse doorheen sijpelt.  Die combinatie doet ons verstillen.  Wij denken aan die mevrouw van het informatiecentrum.  Vanop afstand zeggen wij haar dat zij gelijk heeft.  Dat wij dat unieke karakter hebben ervaren.
 

 

Net vóór we de nachttrein naar Moskou opstappen, passeren wij nog snel even langs Rachmaninov.  Langs het standbeeld van de beroemdste inwoner van Novgorod.  Op die grote bank gezeten, net naast Sergej Rachmaninov, moet ik denken aan de film Shine.  Met Geoffrey Rush in de hoofdrol.  In mijn hoofd hoor ik opnieuw die muziek.  Ik zie opnieuw die gekke pianist.  Ik hoor opnieuw dat wonderlijke Pianoconcert nr. 3.  Ik kijk omhoog naar die gebeeldhouwde grootheid en beloof hem dat ik heel binnenkort nog eens naar die film zal kijken.  Ik weet, beloftes maken schuld.  Maar geldt dat ook voor beloftes, gemaakt aan standbeelden? Daar heb ik zo mijn twijfels over.  Het lijkt alsof ik mij al bij voorbaat indek tegen gebroken beloftes.
 
 
We hebben alles gezien in Novgorod.  Dat denken wij toch.  Met die zekerheid verlaten wij de stad.  We vertrekken naar Moskou.  Met de nachttrein.  Reizen met een nachttrein is altijd een avontuur.  Een aan te bevelen avontuur.  Vooreerst vraagt het heel wat werk om onze coupé op orde te krijgen.  Bedden moeten opgemaakt worden.  Voor de koffers moet de juiste plaats gezocht worden.  Eens die plaats gevonden is, moeten de koffers geschikt worden.  Dat vraagt het nodige gesleur en getrek.  Maar het lukt.  Alles valt op zijn plaats.  Wij gooien ons op het bed.  Om uit te rusten.  Om te pogen toch een beetje te slapen.  Want morgen staan wij in Moskou.  De grote stad.  De hoofdstad.  Maar eerst nog de nachttrein.  Kedeng, kedeng, kedeng, kedeng kedeng, kedeng, kedeng, kedeng.  Oe, oe.  En kilometers spoor schieten onder mij door.  Ik ben op weg naar jou, want ik ben weg van jou.  Met dank aan Guus Meeuwis.

 
Mijn reisverhaal Rusland.  Dag 7: Moskou.  Te lezen op dinsdag 10/10/2017.