vrijdag 22 november 2013

Volta. Punten van de jury?

Volta.  Dat ene woordje kan heel wat controverse uitlokken.  Iedereen heeft zo zijn mening over dat Gentse restaurant.  Sommigen noemen het een hype.  Anderen noemen het snobisme.  Enkelen durven beiden te combineren en spreken van een snobistische hype.  Deze meningen zijn niet altijd gestoeld op feitelijke kennis.  Soms getuigen deze meningen van een zekere vooringenomenheid.  Eén ding is zeker, het debat blijft woekeren.  Voor- en tegenstanders blijven op het culinaire slagveld de degens kruisen.

Ik moet bekennen, ik neigde naar de aanhangers van de snobistische beschuldigingen.  In deze neiging schuilt eveneens een zekere vooringenomenheid.  Ik laat mij nogal gemakkelijk laten meedrijven.  Ondanks dat kleine kantje, ben ik niet halsstarrig.  Ik blijf niet noodzakelijk vasthouden aan opinies of meningen.  Inzichten kunnen wijzigen.  

The proof of the pudding is in the eating.  Dat wordt wel eens gezegd.  Dat is wat wij deden.  Wij reserveerden een tafeltje bij Volta.  Want wij wilden eindelijk weten.  Niet langer wensten wij mee te praten op basis van geruchten en verdachtmakingen.  Wij wilden alles aan den lijve ondervinden.  Wij gingen ter plaatse.

’s Middags heeft Volta een interessante aanbieding: een lunchmenu aan vijfentwintig euro.  Hiervoor kregen wij een voorgerecht en een hoofdschotel.  Die vrijdag bestond het lunchmenu uit volgende gangen:
Artisjok, witloof, Brasvarham
Rode poon, bloemkool, winterpostelei

Ik ben geen culinair recensent.  Ik zal niet uitweiden over smaken, geuren en kleuren.  Hiervoor is mijn vocabularium en kennis te beperkt.  Een mens moet zijn tekortkomingen erkennen.  Diezelfde mens moet handelen naar die tekortkomingen.  Dat doe ik dus.  Wel kan ik in heel eenvoudige bewoordingen, gezuiverd van literaire protserigheid, mijn mening uiten.  Dat kan ik dan weer wel.  Ik kan proeven.  Ik kan oordelen.  Ik kan wikken en wegen.

Het eten was overheerlijk.  Het eten was verfijnd.  Meer zal en wil ik niet schrijven.  In beknoptheid schuilt de grootste duidelijkheid.  Beknoptheid leidt niet af maar leidt snel naar de kern van de zaak.  Die kern van de zaak houdt in dat Volta een culinaire ontdekking is.  Een culinaire belevenis.  Van begin tot einde.  Nooit wordt afgeweken van de hoogstaande, kwalitatieve en smakelijke norm.

Snobisme? Geenszins.  Stijl en elegantie mag niet verward worden met snobisme.  Die elegantie keert in meerdere elementen terug.  In de ontvangst.  In de inrichting.  In de gerechten.  In de bediening.  In de service.  In de vriendelijkheid.

Hype? Geenszins.  Volta is geen grilletje.  Wanneer een hype meer dan twee jaar aanhoudt, kunnen wij niet langer spreken van een hype.  Dan kunnen wij bijna spreken van een gevestigde waarde.

Ik kan maar één ding besluiten.  Ga eens langs.  Laat u verrassen.  Laat u verwennen.  Laat u overdonderen.  Want dat is wat Volta met verve doet.

Link:

donderdag 21 november 2013

DNA-analyse? Meer camera's? Neen, toch niet.

Wat is het toch met Antwerpen? Zou er iets schorten aan het Antwerpse Scheldewater? In de eerste dagen van januari pakte procureur Herman Dams uit met zijn Patser-project.  Hierbij werd het bezit van dure auto’s gelinkt aan criminele activiteiten.  Bezitters van dergelijke auto’s moesten onmiddellijk kunnen bewijzen dat de wagen werd gekocht met legaal geld.  Indien zij deze bewijzen niet konden voorleggen, zou de wagen in beslag worden genomen en zou een grondig onderzoek opgestart worden.  Met dit project gooide Dams de knuppel in het hoenderhok.  Deze door Dams voorgestelde omkering van bewijslast lokte heel wat controverse uit.  Even bepaalden de uitspraken van Dams het politieke debat om daarna ondergesneeuwd te worden door andere, nieuwere, hetere debatten.  
 
Van het Antwerpse afvalwater wordt gezegd dat het veel resten van cocaïne bevat.  In een onderzoek van hetrioolwater in eenentwintig Europese steden stond Antwerpen op de eerste plaats.  Bij de uitlatingen van procureur Dams dacht ik even dat het snuiven van dat cocaïnerijke afvalwater bij Antwerpse beleidsverantwoordelijken een goed ingeburgerd fenomeen was.  Die indruk werd nog versterkt toen ik dit weekend het interview las dat procureur-generaal Yves Liégeois weggaf aan DeStandaard.
 
Ophelderen van misdaden is voor deze man prioritair.  Dat is goed.  Dat hoort zo.  Vanuit zijn functie behoort hij een dergelijk streefdoel voor ogen te houden.  Liégeois wenst te leven in een maatschappij, waarin veiligheid en zekerheid het hoogste goed zijn.  Dat wenst hij niet enkel voor zichzelf.  Dat wenst hij ook voor alle burgers.  Maar aan die vrome wens hangt een prijskaartje.  Hij heeft hierover nagedacht.  Diep nagedacht.  Om die veiligheid en zekerheid maximaal te garanderen, heeft hij enkele voorstellen uitgewerkt.  Die voorstellen kon ik lezen in het interview.
 
Bij pasgeboren baby’s en nieuwkomers zou verplicht een DNA-analyse moeten gebeuren.  Maar dat is niet alles.  Mister 1984 heeft ook nog een ander voorstelletje.  Meer veiligheidscamera’s moeten geplaatst worden.  Deze twee voorstellen zullen volgens Liégeois resulteren in een hogere ophelderingsgraad.  Het inboeten aan privacy is dan toch maar een kleine prijs, die de burger in ruil moet betalen.
 
Om deze voorstellen aanvaard te zien door de brave burger wordt een vreemde redenering gebruikt.  Een redenering, waartegen op het eerste gezicht niks kan ingebracht worden.  Als de brave burger netjes binnen de lijntjes kleurt, hoeft diezelfde brave burger geen enkel nadeel te ondervinden van de gedane voorstellen.  Want die brave burger heeft niks te verbergen, toch? In dat geval zou hij zelfs helemaal geen probleem hebben dat al zijn telefoon- en internetverkeer wordt gestockeerd.  Dan zouden zelfs al die data netjes mogen bijgehouden worden.  Voorwaar een prachtige redenering.  Want de brave burger hoeft de gespierde arm der wet niet te vrezen.  De brave burger is de beste vriend van diezelfde arm der wet.  Bij het horen van die redenering knikt die brave burger lammetjesgewijs instemmend.  Jawel, zegt die brave burger, ik hoef niets te vrezen.
 
Ondanks dat mooie verhaaltje gaat die redenering voorbij aan één essentieel punt.  Met beide voorstellen wordt het wantrouwen in de maatschappij verankerd.  Een wantrouwen, dat ervan uitgaat dat elke burger een potentiële misdadiger is.  Dat elke burger ooit zal afwijken van het rechte, juiste pad.  Dat wantrouwen voedt de angst.  Met andere ogen kijken wij naar onze buur.  Naar onze collega.  Naar een toevallige passant.  Die wantrouwende blik zal peilen naar de veronderstelde mogelijke illegale activiteiten bij de ander.  Want boven elke burger staat plots dat waarschuwingsbord ‘potentieel gevaarlijk’ fel te knipperen.  In een dergelijke maatschappij wens ik niet te leven.  Een dergelijke maatschappij wijs ik hard en luidop af.  Ben ik dan geen brave burger? Jawel.  Heb ik dan toch iets te verbergen? Helemaal niet.  Wel ben ik behalve een brave ook een bewuste burger.  Een bewuste burger, die zijn recht op privacy opeist.  Een bewuste burger, die een plek opeist waarin de overheid niet kan binnendringen.
 
Ik wijs niet enkel af.  Ik heb een tegenvoorstel.  Vandaag lees ik in de krant dat het Ministerie van Justitie bijna zestig miljoen euro aan onbetaalde facturen heeft uitstaan.  De overheid moet nog bijna zestig miljoen euro betalen aan allerlei deskundigen.  Deskundigen, die ingeschakeld worden bij allerlei gerechtelijke onderzoeken.  Misschien zou het nuttig zijn voldoende budgetten te voorzien zodat vandaag en in de toekomst de noodzakelijke onderzoeken kunnen gevoerd worden.  Voldoende budgetten, die blijvend garanderen dat de nodige experten kunnen ingeschakeld worden.  Voldoende budgetten, die onderzoekers tot de daders kunnen brengen.
 
Met dit tegenvoorstel hou ik het geloof in stand dat de overgrote meerderheid inderdaad bestaat uit brave burgers.  Met dit tegenvoorstel breng ik een positief verhaal.

dinsdag 19 november 2013

Nick Cave & The Bad Seeds. Gezien in Lotto Arena.

Jawel, ik was helemaal alleen.  Niemand ging met mij mee.  Niemand had ik kunnen overtuigen ook een kaartje te kopen.  Mijn vrienden, die ik aanschreef, hadden een excuus.  Een geldig excuus.  Een aanvaardbaar excuus.  Geen excuus, bedoeld om af te wimpelen.  Afwimpelen doen vrienden niet.  Neen, niemand ging met mij mee.  Alleen reed ik op weg naar Antwerpen.  Dat klinkt een beetje triest.  Alsof ik helemaal alleen op de wereld was.  Maar dat was ik helemaal niet.  Dat zag ik toen ik arriveerde bij de LottoArena.  Het concert van Nick Cave &The Bad Seeds was uitverkocht.  Ik werd omringd door vrienden voor één avond.  Vrienden met dat ene ding, dat wij gemeenschappelijk hadden.  Allemaal verwachtten wij een overdonderend concert.  Allemaal hadden wij die hoge verwachtingen.  Allemaal hadden wij die ene wens dat Hij ons niet zou teleurstellen.
 
Vier jaar terug zag ik Nick Cave op Rock Werchter.  Toen was het een wervelwind.  Zonder enige rustpauze.  Toen ging het hard.  Heel hard.  Vluchten kon toen niet.  U werd ingehaald door het donderende gekletter van een dolgedraaide band.  Gisterenavond hoopte ik op rustiger vaarwater.  Ik hoopte op enkele momenten waarop ik naar adem kon happen.  Dat zou mooi zijn.  Jawel, heel af en toe wenst een mens een beetje rust.  Zelfs bij een concert.
 
Gisterenavond leek het alsof mijn gebeden werden verhoord.  Afwisseling leek het codewoord.  De stormram werd af en toe even terzijde geschoven.  De man wordt een jaartje ouder.  Zijn atletisch vermogen wordt ook aan beperkingen onderworpen.  Recuperatie is nodig.  Dat kon hij achter de piano.  Die momenten daalde rust neer over de Lotto Arena.  U zou kunnen denken dat door die rustpauzes een zekere sloomheid het concert binnensloop.  Maar dat was het niet.  Die momenten maakten alles nog intenser.  Die momenten versterkten de sfeervolle ambiance.
 
Nick Cave was gisteren de orkestmeester.  Hij was de dirigent.  Hij gaf aan wanneer de bandleden volledig los mochten gaan.  Hij gaf aan wanneer diezelfde bandleden aan de ketting moesten.  Die bandleden luisterden gedwee.  Behalve dan misschien Warren Ellis.  Deze man valt niet in te tomen.  Hem kan geen leiband aangepast worden.  Meer en meer treedt hij uit de schaduw van The Bad Seeds en komt hij naast Nick Cave te staan.  Bijna op gelijke hoogte.  Het lijkt alsof hij werd aangewezen als hofnar van de band.  Een rol, hem op het lijf geschreven.  
 
Maar niet enkel zijn bandleden bezweert Nick Cave.  Diezelfde bezwerende invloed heeft hij ook op het publiek.  Het publiek eet uit zijn hand.  Hij gaat ons voor in deze muzikale hoogmis.  Hij is de opperpriester.  De prediker.  De sjamaan.  Hij is de gebedsgenezer.  De medicijnman.  Met zijn stuiptrekkende danspasjes beklemtoont hij zijn prevelende gebeden.  Maar niet altijd prevelt hij.  Soms haalt hij fors uit.  Alsof hij ons wil wakker schudden.  Alsof hij ons bij de les wil houden.  Op die momenten lijkt hij duivels te willen uitdrijven.  Duivels die hij wegjaagt.  Doorheen de gangpaden van de Lotto Arena.  Een zuiverend ritueel, zo leek het wel.
 
Een concert, een moeilijke cocktail.  Alles moet goed zitten.  Alles moet juist gedoseerd zijn.  De muziek.  De ambiance.  Maar bovenal moet de goesting aanwezig zijn.  De goesting bij het publiek maar bovenal bij de band.  Gisteren was de cocktail perfect.  Wij hadden zin.  Nick Cave had zin.  Meerdere malen zocht hij het contact met het publiek.  Handjes werden gedrukt.  Alsof hij verworden was tot een alledaags popidool.  Maar dat was het niet.  Het voelde anders.  Handen werden opgelegd.  Alsof hij de Messias was.  De Messias van de gitzwarte rock.  
 
Gisteren was Nick Cave de alleenheerser.  De heerser over zijn tijdelijke koninkrijk, de Lotto Arena.  Hij kwam.  Hij zag.  Hij overwon.  Zonder enige moeite.  En het publiek? Het publiek keek en zag dat het goed was.  Meer dan goed.  Uitstekend.

Link:
Setlist Nick Cave –Lotto Arena, 18 november.
Nick Cave & The Bad Seeds - Weeping song (Lotto Arena).

maandag 18 november 2013

De America's. Gezien in Minard.

De America’s van Het Kip.  Een tragikomische saga over een explosieve familievete.  Zo wordt het omschreven op de site van Vooruit.  Ik had een kaartje voor de voorstelling.  Met die aankoop had ik een gokje gewaagd.  Want een komedie is toch altijd een dubbeltje op zijn kant.  Het kan twee richtingen uit.  Ofwel wordt het een wangedrocht.  Ofwel wordt het een prachtstuk.  Twee uitersten, ver verwijderd van het neutrale midden.  Welke kant zal dat dubbeltje uitrollen? Om dat te kunnen achterhalen, moest ik het huis uit.  Naar de Minard.
 
De avond begon alvast veelbelovend.  Bij het binnenkomen van de zaal blijkt dat alle stoeltjes al bezet zijn.  Eventjes denken wij dat dit deel uitmaakt van de voorstelling.  Die indruk wordt nog versterkt wanneer iemand uit de zaal zijn vinger opsteekt en heel ernstig informeert naar de implicaties hiervan op de veiligheid.  Hilarisch! Ik lig in een deuk.  Ons aanvoelen lijkt evenwel verkeerd te zijn.  Dit is bittere ernst.  Overboekingen, dat blijkt de oorzaak te zijn.  Niet langer worden enkel vliegtuigmaatschappijen en hotels met dit probleem geconfronteerd.
 
De eigenlijke voorstelling zelf dan.  Een wangedrocht? Een prachtprestatie? Laat mij kort zijn.  Dit is een (h)eerlijke prachtprestatie.  Dit is komedie zoals komedie hoort te zijn.  Bij het zien denk ik aan de gebroeders Coen, de meesters van de misdaadkomedie.  Ik denk aan Guy Ritchie.  Laten we wel wezen, ik denk aan zijn betere, eerste films uit de periode vóór zijn huwelijk met Madonna: ‘Lock, stock and two smoking barrels’ en ‘Snatch’.  Ik denk aan Man Bijt Hond.  Aan het rariteitenkabinet, dat in dat programma de revue passeerde.  Ik denk aan Romeo en Julia.  Aan de Shakespeariaanse familievete.  Maar dan de marginale versie.  
 
In die cocktail van referenties wordt het verhaal verteld.  Het verhaal van een betwist vaderschap.  Van een failliet huishouden.  Van een mislukte zangcarrière.  Van een gevecht met gerechtsdeurwaarders.  Van een plan de campagne, dat een definitief einde moet maken aan alle ellende.  Een plan, waarbij niks loopt zoals het zou moeten lopen.  Dat is het verhaal.  Meer niet.
 
U hoeft geen maatschappijkritiek te verwachten.  Geen grote politieke statements.  Geen wereldverbeterende visie.  Wat u wel mag verwachten, is bijna anderhalf uur spelplezier.  Spelplezier, dat onmiddellijk overslaat op het publiek.  Spelplezier, dat heel aanstekelijk werkt.  U zal lachen.  Grijnzen.  Glimlachen.  Gieren van het lachen.
 
U zal buitenkomen.  U zal het theater uitstappen.  De wereld zal niet veranderd zijn.  Die zal ongewijzigd blijven draaien.  Maar heel even zal u in het moment zitten.  Heel even zal u alles rondom u vergeten.  Want de familie America neemt u mee op een wonderlijke reis.  Een reis met hobbels en builen.  Een humoristische en bijzonder geestige rollercoaster.
 
U houdt van lachen? Dan heb ik één goede raad voor u.  Ga die voorstelling zien.

Link:
Het Kip – Speeldata.

vrijdag 15 november 2013

Liefde is ...

Vóór mijn vriendin vertrok, had zij het mij gevraagd.  Of ik haar kon komen halen met de wagen als het regende.  Dat was haar vraag.  Op die vraag zijn meerdere antwoorden mogelijk.  Ik zou het kunnen hebben over de ecologische voetafdruk.  Ik zou haar kunnen wijzen op de nefaste invloed van die korte verplaatsing met de wagen op het milieu.  Ik zou de noodzaak tot bewegen kunnen beklemtonen.  Ik zou kunnen zeggen dat het goed is indien wij wat meer zouden stappen.  De heilzame werking van het opsnuiven van gezonde buitenlucht zou ik ook kunnen aanhalen.  Zoals u ziet, vele mogelijke antwoorden.

Al het voorgaande had ik kunnen antwoorden.  Maar dat deed ik niet.  Liefde dreef mij naar dat ene antwoord.  Dat ene, mogelijke antwoord.  Ik antwoordde heel kort.  Maar in die beknoptheid school de ware liefde.  Ik zei enkel ja.  Meer niet.  Dat was alles.  Ik zou er zijn.  Ik zou er staan.  Zoals u ziet, liefde behoeft weinig woorden.  Liefde schuilt in de stilte.  Pas als wij de liefde hoeven te expliciteren, dienen wij ons vragen te stellen.  Pas als wij de liefde hoeven te verklaren in lange zinnen en uitgebreide brieven, dienen wij de wenkbrauwen te fronsen.

Die avond regende het.  Ik stond aan de poort.  Te wachten.  U zou dat kunnen omschrijven als tijdverlies.  Het leven is een aaneenschakeling van opeenvolgende en wegtikkende minuten.  Die minuten zijn kostbaar.  Die minuten moeten optimaal besteed worden.  Dat alles zou u kunnen denken.  Maar u hebt het verkeerd.  Om meerdere redenen.

De liefde vraagt niet enkel weinig woorden.  Liefde vraagt tevens geduld.  Wachten is een mooie oefening in het betrachten van geduld.  Dit wachten kan dus beschouwd worden als een investering in de liefde.

Het leven is een constante rush.  Alles gaat snel.  Alles moet snel.  Het inlassen van spontane rustpauzes is bijna niet mogelijk.  Dat moet ingepland worden.  Hierrond werd een heuse business gebouwd.  Wellnesscentra, schoonheidsboerderijen, yoga, … Alles is goed om toch maar tot een zenmoment te komen.  Een vetbetaald maar deugddoend moment.  Mijn wachten was een goedkoop alternatief.  In mijn wagen zakte ik lichtjes onderuit.  Zen was mijn medepassagier.

De aard van de moderne mens getrouw trachtte ik die minuten toch ook nog kostbaar te besteden.  Jawel, ik kan de aard van het beestje niet ontkennen.  Ik schakelde de radio in.  Dit leek mij een goed en juist moment.  Muziek kan het streven naar zen bevorderen.  De noodzakelijke muziek zoals klaterende watervalletjes of tsjirpende vogeltjes vond ik niet.  Ik kwam uit bij Studio Brussel.  Die zender staat ver van tsjirpende vogeltjes.  Nog maar net stond de radio op of ik spitste mijn oren.  Wat uit de radio kwam, was nieuw.  Wat uit de radio kwam, had ik nog nooit gehoord.  Maar het was goed.  Beregoed! Deap Vally knalde door de luidsprekers.  Tsjirpende vogels werden vervangen door stoute meisjesstemmen.  Klaterende watervallen werden vettige gitaren.  Dit was mijn muzikale zenmoment.  Ik genoot.  Ik kwam tot rust.  Ook al stampte ik ritmisch op het gaspedaal.  Zen vraagt niet noodzakelijk om viool, piano of sax.

Mijn vriendin kwam aangelopen.  Stapte in de wagen.  Of ik toch niet te lang had moeten wachten.  Zij is lief, zij is bezorgd.  Neen, antwoordde ik.  Soms vraagt liefde ook een heel klein leugentje.  Een liefdevol leugentje.

Clip:
Deap Vally - Baby I call hell.

woensdag 13 november 2013

Reizen met Charley. John Steinbeck.

Ik had nooit gedacht ooit een boek te lezen van John Steinbeck.  Ten oosten van Eden, De Druiven der Gramschap, Van Muizen en Mensen, … Al die boeken kende ik wel maar om een of andere redenen keerde ik mij weg van die boeken.  Een verklaring voor dit gedrag kan ik u niet geven.  Bij die titels moet ik bijna automatisch denken aan stationsromannetjes.  Die bijna automatische klik in mijn hersenen krijg ik maar niet weg.  Die negatieve connotatie houdt mij weg van die boeken.  Nochtans, John Steinbeck kan schrijven.  In 1962 won hij de Nobelprijs voor de Literatuur.  Die erkenning staat toch garant voor goed schrijverschap.  Uit die prijs spreekt toch uitmuntend vakmanschap.  Ondanks die erkenning kan deze auteur mij niet verleiden tot het lezen van één van zijn boeken.  Vooringenomenheid, het is geen mooie deugd.  In deze pleit ik schuldig.  Ik erken mijn falen.  Maar zo blijkt dan weer dat ik toch niet volmaakt ben.  Dat stemt mij dan weer gelukkig.
 
Nooit zou ik een boek lezen van John Steinbeck.  Dat had ik al gezegd.  Maar zoals steeds kan het verkeren.  Ik had de nieuwste van Geert Mak gekocht, ‘Reizen zonder John’.  Voor dat boek trekt Geert Mak naar de Verenigde Staten van Amerika.  Hij doet hierin verslag van de staat van het land.  Bij deze trektocht doorheen het uitgestrekte land laat hij zich leiden door één van de boeken van John Steinbeck, ‘Reizen met Charley’.  Hij volgt dezelfde route zoals John Steinbeck deed vijftig jaar terug.  Vijftig jaar geleden trok Steinbeck door zijn land.  Met zijn hondje Charley.  Met zijn camper Rocinante.  Hij wou zijn land leren kennen.  Hij wou de aard van zijn land ontdekken.  Het resultaat van deze zoektocht schreef hij neer in ‘Reizen met Charley’.  Geert Mark onderneemt dezelfde queeste.  Dezelfde route, andere indrukken.  Dezelfde route, andere conclusies.  Dezelfde route, andere vaststellingen.
 
Ik wou beginnen aan het boek van Geert Mak.  Maar dat kon niet zomaar.  De nodige voorkennis ontbrak.  Eerst moest ik het oerboek lezen.  Dat was noodzakelijk voor een goed begrip.  Enkele weken terug nam ik het boek van Steinbeck ter hand.  Enkele dagen terug sloeg ik ‘Reizen met Charley’ definitief dicht.  Mijn verdict?
 
Het is een bijzonder aangenaam boek.  Steinbeck doet verslag van een veranderend Amerika.  Hij geeft het begin aan van evoluties, die vijftig jaar later voltooid zijn of in volle gang.  Hij schrijft over het verdwijnen van plattelandsdorpen en de grote trek naar de stad.  Hij vertelt over het ontstaan van caravanparken.  Over de ontluikende liefde voor de stacaravan.  Het boek is meer dan een reisverslag.  De lange autoritten geven aanleiding tot nadenken.  Die overpeinzingen deelt Steinbeck met de lezer.  Hij praat over de aantrekkelijke charme van de woestijn.  Hij praat over het reizen zelf.  Over hoe mensen reizen ervaren.  Over hoe eenzelfde reis verschillende indrukken nalaat bij andere mensen.  Hij praat over eenzaamheid en het verlangen terug te keren naar zijn achtergelaten liefde.  Hij praat over roots.  Over het absurde van diezelfde roots.  Hij praat over zijn ontmoetingen met mensen.  Toevallige ontmoetingen.  Ontmoetingen met heerlijke, wonderlijke mensen.  Hij praat over racisme.  Hij praat over zijn liefde voor dieren.  Over het wederzijdse begrip tussen hond en baasje.  Over de vaak diepzinnige gesprekken tussen diezelfde hond en diezelfde baas.  Hij praat over ergernissen.  Zoals bijvoorbeeld de administratieve rompslomp in een te gereglementeerd land.  Hij praat over ..., …
 
Ik heb dat boek gelezen.  Het leek alsof ik op de passagiersstoel meereisde.  Alsof ik aanschoof bij het ontbijt.  Alsof ik meepraatte.  Alsof ik meedronk.  Alsof ik samen met John Steinbeck doorheen zijn land reisde.  Doorheen zijn Verenigde Staten van Amerika.  Hij liet mij proeven van zijn wonderbaarlijke, eigenaardige land.  Dat proeven smaakt naar meer.  Dat boek drijft mij nu al naar die nieuwste van Geert Mak.  Want ik wil de diagnose kennen van vandaag.  Ik wil weten hoe het land er vandaag voor staat.  Ik wil weten welk verhaal Geert Mak vertelt.  ‘Reizen zonder John’ heb ik ingeschreven op mijn lijstje van te lezen boeken.  Alhoewel, ik heb zo geen lijstje.  Dat lijstje zit verscholen in mijn boekenkast.  Tussen de gelezen boeken zitten die nog ongelezen parels verscholen.  Dat is de voor niet-lezers onbegrijpelijke charme van een boekenkast.  Heel binnenkort zal ik naar dat boek van Mak grijpen.  Maar niet onmiddellijk.  Eerst moet het vorige bezinken.
 
De Druiven der Gramschap? Ten Oosten van Eden? Zal ik mij er ooit aan wagen.  Een categorieke afwijzing is niet meer aan de orde.  Toch overheerst nog een zekere twijfel.  Tijd zal het uitwijzen.

Link:
Gesprek met Geert Mak – Vooruit, Gent.

 


dinsdag 12 november 2013

Trixie Whitley. Gezien in de Vooruit.

Beste Trixie,

Wij hebben een voorgeschiedenis.  Begin jaren negentig kocht ik ‘Living with the law’ van Chris Whitley.  Dat bleek uw vader te zijn.  Dat wist ik op het moment van de aankoop niet.  Van u was nog geen sprake.  Toch niet op die wijze zoals nu over u wordt gesproken.  U zat nog in de pampers.  Heel misschien zong u toen brabbelliedjes.  Enkel in privésfeer.  Voor vader en moeder.  Niet voor het grote publiek.  
 
Ik was behoorlijk onder de indruk van dat schijfje.  Die ene single ‘Big Sky Country’ heb ik grijsgedraaid.  Die single deed mij dromen.  Dromen van reizen doorheen weidse, Amerikaanse landschappen.  Met een camper in het gezelschap van mijn grote liefde.  Die grote liefde ontbrak op dat moment.  Naar die grote liefde was ik toen nog op zoek.  Maar dat ene gebrek verhindert het dromen niet.  Integendeel zelfs.  Gebreken lijken het dromen te bevorderen.
 
In 1997 stond Chris Whitley op het podium op het Gentse Sint-Pietersplein.  In het kader van het Feest van de Vlaamse Gemeenschap.  Het was de muziek dat mij naar het plein bracht.  Mijn aanwezigheid betrof geen politiek statement.  Het Vlaamse streven laat mij koud.  Vlaamse zelfbeschikking vindt in mij geen medestander.  Ik stond daar voor uw vader.  Hem wou ik aan het werk zien.  Veel herinner ik mij niet van het concert.  Ik was jong.  Jonger dan nu.  Drank kon mij nog verleiden.  Die drank vertroebelt mijn herinneringen.  Wat ik wel nog weet, is dat u op het podium stond.  Om samen enkele liedjes te zingen met uw vader.  U was toen tien jaar.  U was de pampers ontgroeid.  Daar in Gent zag ik u een eerste maal.
 
Tijd ging voorbij.  Of neen, tijd vloog voorbij.  U werd groter.  Niet enkel lichamelijk.  Ook muzikaal werd u groter.  U bracht zelf een plaat uit.  Een uitstekende plaat.  U ging op tournee.  Dat hoort bij het muzikantenbestaan.  Plaatjes maken, plaatjes promoten.  Verschillende keren kwam u naar Gent.  Maar telkens lukte het mij niet.  Het leek wel alsof ik u niet mocht zien.  Want telkens u in Gent stond, had ik een andere sociale verplichting.  Ik had mij er bijna bij neergelegd.  Wij zouden elkaar niet treffen.
 
Of God al dan niet bestaat, daar kan over gediscussieerd worden.  Daar kan heftig over geredetwist worden.  Maar muzikale goden? Die bestaan.  Geen enkele twijfel.  Want vorige zondag kwam u naar de Gentse Vooruit.  Ik had een kaartje.  Eindelijk.  Zondagavond stond ik voor het podium.  Wat ik daar zag, heeft mij blij gemaakt.  Wat ik daar zag, heeft mij diep geraakt.  Dat zijn mijn woorden niet.  Raymond van het Groenewoud zong die woorden ooit.  Ik herhaal ze enkel.  Omdat zij van toepassing zijn op uw optreden.
 
Het concert stond als een huis.  Het klopte als een bus.  Uw stem.  De muzikanten.  De ambiance.  Uw dankbaarheid tegenover ons, uw publiek.  Het was heerlijk.  Het was fantastisch.  Kracht werd afgewisseld met tederheid.  Schreeuwende gitaren werden afgewisseld met fluisterende piano.  Oude nummers werden afgewisseld met nieuwe nummers.  Die nieuwe nummers waren nog niet af.  Zij moesten nog hun weg vinden.  Hun weg naar afgewerkte volmaaktheid.  Dat vertelde u.  Bijna als verontschuldiging.  Maar u mag gerust zijn.  Die nieuwe nummers overtuigen.  Die nieuwe nummers doen mij nu al verlangen naar uw nieuwe album.
 
Zondagavond zag ik u aan het werk.  Zondagavond zag ik u terug.  Na zestien jaar.  U bent nu een volwassen vrouw.  Het kindje is weg.  U bent nu een artieste.  Een artieste met beide voetjes op de grond.  Hautaine zweverigheid is u vreemd.  Die attitude maakt u zoveel volmaakter.  Zondagavond zag ik u aan het werk.  Ik ben overtuigd.  Van uw muzikaal professionalisme.  Van uw muzikale persoonlijkheid.
 
Ik wens u het allerbeste in een fijne, muzikale toekomst.

Met vriendelijke groeten.

Links:
Trixie Whitley - website.

Clip:
Chris Whitley - Big Sky Country.