dinsdag 8 augustus 2017

Uitgelezen: Filosofie van geweld. Brief aan Lode Lauwaert.

Beste Lode,
 
Geweld? Het zou een uiting zijn van macht.  Van kracht.  Het zou een kracht zijn die met hevigheid, onstuimigheid wordt uitgeoefend.  Tegelijk kan het begrepen worden als misbruik van macht.  Als toepassing van het recht van de sterkste.  Voorgaande definities zijn niet van mijn hand.  Ik munt niet uit in heldere bondigheid.  Vaak heb ik meer woorden nodig.  Ik schreef het al, voorgaande definities zijn dan ook niet van mijn hand.  Daarvoor ging ik te rade bij de heer Van Dale.  Vaak wordt hij ook wel aangesproken met ‘de dikke Van Dale’.  Uit deze gemakzucht zou u kunnen afleiden dat ik weinig of niet nadenk over geweld.  Dat ik uw boek nodig had om daarover te gaan peinzen.  Dat is niet zo.  Bij uitbarstingen of uitingen van geweld durf ik mijn verontwaardiging te uiten.  In algemene termen.  Algemeenheid is vaagheid.  Dat weet ik nu.  Na het lezen van uw boek.
 
U kijkt voorbij die algemeenheden.  U ontleedt het fenomeen.  Dat doet u niet alleen.  U vraagt hulp aan vrienden/collega’s.  Samen kijkt u naar het fenomeen, dat wij geweld noemen.  In uw boek lees ik dat het publiek bij gewelddelicten al te vaak de neiging heeft om het geweld te veroordelen.  Zondermeer.  Als voorbeeld haalt u de marsen aan tegen zinloos geweld.  Of u verwijst naar Anders Breivik om uw stelling duidelijk te maken.  Het publiek veroordeelt die vormen van geweld.  Zonder zich de moeite te getroosten om een verklaring te vinden voor dat geweld.  Omdat datzelfde publiek verkeerdelijk veronderstelt met die zoektocht begrip te tonen voor de daad op zich.  Voor de dader.  U trapt niet in die val.  U ontwijkt die.  
 
Het publiek blijkt al te vaak enkel stil te staan bij zichtbare vormen van geweld.  Daarmee lijkt het voorbij te gaan aan het feit dat vele vormen van geweld zich verbergen.  Zich verhullen.  Waardoor ze niet waarneembaar zijn met het blote oog.  Ook blijkt geweld vaak gelinkt te zijn aan houdingen en standpunten.  Een bestaan waarvan wij ons helemaal niet bewust blijken te zijn.
 
In vele maatschappelijke domeinen is geweld actief.  Ik had uw boek nodig om hierbij stil te staan.  Bij het lezen van uw boek betrapte ik mij op die ene fout.  Op die ene neiging.  Dat is de neiging om aan alles snel voorbij te gaan.  De neiging om onvoldoende tijd te nemen om te overschouwen.  Te overpeinzen.  Dat toont u aan.  Zo bemerk ik dat ik al te gemakkelijk voorbij ga aan het geweld, dat zich manifesteert in het economisch handelen.  Dat is er nochtans.  Mechanismen als uitbuiting, uitsluiting, vervreemding of discriminatie kunnen in deze misschien niet begrepen worden als uitingen van geweld.  Toch is het zo.  U documenteert dit rijkelijk.
 
Onze houding tegenover vluchtelingen kan evenzo geïnterpreteerd worden als een vorm van geweld.  Het gemaakte onderscheid tussen economische en politieke vluchteling is artificieel.  Want wordt een economische vluchteling ook niet belaagd door geweld? Is hongersnood, armoede en werkloosheid ook geen vorm van geweld? Het gemaakte onderscheid lijkt resultaat te zijn van politieke keuzes.  Het gevolg van een politiek compromis.  De een laten we binnen.  De ander weigeren we de toegang.  Kunnen deze afwegingen niet als een vorm van geweld beschouwd worden?
 
U blijft stilstaan bij onze poging om een internationale vrede te bewerkstelligen door internationaal recht.  U stelt dat de vooruitzichten op een dergelijke vrede weinig bemoedigend zijn.  Het project van internationale eenheid door het recht staat in spanning met de autonomie van de afzonderlijke natiestaten, die ook elk afzonderlijk het potentiële geweld met kracht van wet pogen te bezweren.  Ik meen te mogen stellen dat het falen in deze poging het geweld bestendigt.  Of ga ik hier al te kort door de bocht? Ik meen in uw boek hiervoor argumenten te vinden.
 
Een zelfde denkoefening maakt u met religie.  Met de blik van de ander.  Met liefde.  Juist die domeinen, waarin vrede en rust mag verwacht worden, toont u aan dat een link met geweld aanwezig is.
 
Ik moet bekennen.  Dit boek heb ik niet gelezen in de tuin.  Niet in de zetel.  Dit boek heb ik niet gelezen met de radio aan.  Ik heb mij afgezonderd.  Ik heb mij teruggetrokken in mijn bureau.  Aan de bureautafel ging ik lezen.  Zonder radio.  Die stilte vraagt uw boek.  Eist uw boek.  Mogelijke afleiding moet voorkomen worden.  Op die manier kon ik bij de les blijven.  Enkel op die manier kon ik de geponeerde stellingen helder volgen.  Op die manier liep ik niet verloren.
 
Aan mijn tafeltje las ik over Montesquieu.  Over Adam Smith.  Over Jacques Derrida.  Over Thomas Hobbes.  Over Aristoteles.  Over Hannah Arendt.  Over Freud.  Over Sartre.  Over Lacan.  Over Foucault.  Zelfs over de Makkabeeën wist u mij te onderhouden.  Ik moet bekennen, uw boek was een uitdaging voor mij.  Ik ben een eenvoudige jongen, die gemakkelijk verdwaalt in veel van die theorieën.  Maar ik hield vol.  Ik bleef lezen.  Tot aan het einde.  Ik las uw boek.  Van begin tot einde.
 
Nu mag ik het boek definitief dichtklappen.  Maar in mijn hoofd blijft uw boek rare dingen met mij doen.  Het boek blijft spoken in mijn hoofd.  Ik blijf op zoek gaan naar antwoorden.  Naar een juiste houding tegenover uw stellingen in het boek.  Dat proces zal nog een tijdje doorgaan.  Dat hoef ik niet erg te vinden.  Integendeel.  Ik vind het fijn.  Omdat het mij scherp houdt.
 
Beste Lode.  Ik wil u danken voor deze uitdaging.  Voor deze denkoefening.  Ik wil u danken voor deze boeiende en intense reis.  Ik wil u danken voor een boek, dat mij nog enige tijd in zijn greep zal houden.
 
Met vriendelijke groeten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen