donderdag 11 mei 2017

Uitgelezen: Schone kunsten. Brief aan Kurt Van Eeghem.

Beste Kurt,
 
Slaapcoaches zullen niet graag lezen of horen wat ik straks zal schrijven.  Al jaren raden zij aan de slaapkamer enkel voor te behouden voor slaap en liefde.  Al de rest moet buiten de slaapkamer gehouden worden.  Omdat het onze nachtrust zou verstoren.  Een slechte nachtrust kan een negatieve impact hebben op ons humeur.  Humeurige mensen zijn vaak minder gezellige mensen.  Om die mindere humeurtjes te vermijden, dienen we enkel te slapen in de slaapkamer.  Of dienen we de liefde te bedrijven om daarna zalig in te slapen.  Ik kan hen begrijpen.  Ik kan hen volgen in die gedachtegang.  Maar ondanks mijn begrip durf ik die wijze raad toch in de wind te slaan.  Niet altijd.  Wel soms.  Heel soms neem ik een boek mee naar bed.  Dat deed ik ook met uw nieuwste boek.  Ik ging slapen met Schone Kunsten.
 
Uw boek is de geschikte nachtlectuur.  De juiste slaaplectuur.  Nu zou u hieruit kunnen afleiden dat uw boek slaapverwekkend is.  Indien u dat zou denken, kan ik enkel zeggen dat u een beetje te voorbarig bent.  Dat u te snel verkeerde conclusies trekt.  Want zo heb ik het helemaal niet bedoeld.  Kwetsen, het ligt niet in mijn aard.  Met die woorden had ik iets anders voor ogen.  Iets meer verheffend.  Uw stukjes zijn de ideale intro op een zalige nachtrust.  Ik laat mij hierbij niet leiden door enige mate van overdrijving.  Geenszins.  Uw stukjes vulden mijn hoofd met schoonheid.  Schoonheid, zo veel beter dan om het even welke slaappil.
 
Elke avond las ik een kort stukje.  Een Kurt stukje.  Vergeef mij deze woordspeling.  Het was een open doelkans.  Die bal moest binnengetrapt worden.  Dat heb ik gedaan.  De woordspeling is gemaakt.  De open doelkans is benut.  Ik kan verder.  Elke avond las ik uw woorden.  Die woorden deden mij dromen.  Deden mij verlangen.  Deden mij terugdenken.  Deden mij mijmeren.
 
U leidde mij binnen in werelden, die mij voordien onbekend waren.  U bracht mij in contact met opera.  Een muziekvorm, waarmee ik niet vertrouwd ben.  Dat contact schrikt mij niet af.  Integendeel.  In uw woorden lees ik een uitnodiging.  Een uitnodiging om die reis te maken.  Die reis naar de wereld van tenors, baritons, alten en sopranen.  Het schrikt mij niet af.  Omdat u in uw stukjes overtuigt.  Niet dwingend.  Wel enthousiasmerend.  Mijn onwetendheid in deze zal verlicht worden.  Omdat u mij aanspoort te gaan zoeken naar The Demon van Rubinstein.  Naar La forza del destino van Verdi.  Naar L’Orfeo van Monteverdi.  Naar La Bohème van Puccini.  Ik zal zoeken.  Ik zal luisteren.  Ik zal genieten.  Daarvan ben ik overtuigd.  Want in uw stukjes proef ik genot.  Neem ik een voorafname op dat genot.
 
Er zit niet enkel opera in uw boek.  Er schuilt jazz in uw boek.  Art Blakey.  Ik ontdek klassieke muziek in uw boek.  Winterreise van Franz Schubert, de vierentwintig liederige cyclus.  Ik smaak de Zuid-Amerikaanse tango in uw boek.  Tango Nuevo van Astor Piazzolla.  In bed komt die muziek naar mij toegeslopen.  Het slaat zijn armen om mij heen.  Het fluistert in mijn oren dat ik al die muziekjes moet ontmoeten.  Dat in die ontmoetingen nieuw plezier zal schuilen.  Zij fluisteren in mijn oren en blijgezind vallen mijn oogjes dicht.
 
U spoort mij niet enkel aan nieuwe dingen te ontdekken.  U doet mij ook terugdenken.  U voert mij terug in de tijd.  Naar heerlijke momenten.  Met uw stukjes over Rinus Van de Velde en Berlinde De Bruyckere brengt u mij opnieuw naar Gent.  Naar het Smak.  Opnieuw loop ik door de expo’s van deze hooggewaardeerde kunstenaars.  Opnieuw lees ik hun verhalen.  Eerst voel ik die onzekerheid.  Die onzekerheid hun taal niet te kunnen begrijpen.  Dan herbeleef ik dat moment.  Dat moment waarop ik hun code breek.  Waarop ik de sleutel tot hun aparte taal vind.  Opnieuw voel ik diezelfde verwondering en bewondering.  
 
U vertelt over Damiaan De Schrijver.  Ik denk aan My dinner with André.  Spontaan begin ik te lachen.  Ik zie Damiaan wild gesticuleren.  Ik hoor Damiaan oreren.  De voorstelling speelt opnieuw door mijn hoofd.  U vertelt over Arne Sierens.  Ik denk aan Bernadetje.  In bed beginnen mijn voeten te bewegen.  Bijna zou ik gaan dansen.  Bijna zou ik op die autoscooter springen.  Ik denk aan mijn jeugd en krijg het warm.  Warme herinneringen komen in mij naar boven.  Herinneringen aan mijn jeugd.  Aan vrienden.  Aan familie.  In bed besef ik een zondagskind te zijn.  Dat alles vertelt uw stukje over Arne Sierens aan mij.
 
U herinnert mij aan boeken die ik gelezen heb.  Ik herbeleef die heerlijke sensatie bij het lezen van Alles in het klein.  Van Eriek Verpale.  Een literair pareltje.  U schrijft over één van mijn favoriete auteurs.  U schrijft over Ian McEwen.  Ik denk aan Amsterdam.  Aan Het boetekleed.  Aan Zaterdag.  Aan elk van die boeken heb ik mooie herinneringen.  Ik kan mij de omstandigheden waarin ik die boeken las voor de geest halen.  U doet mij achteromkijken.  In die achteruitblik val ik warm in slaap.
 
In bed dwingt u mij de wereld te overschouwen.  Want doorheen uw stukjes over Schone Kunsten sijpelt uw wereldbeeld.  U neemt stelling in.  De wereld laat u niet onberoerd.  U hebt een mening.  Die wil u niet onderdrukken.  U laat die toe in uw stukjes binnen te dringen.  Ik lees dat de vluchtelingenproblematiek u wakker houdt.  Dat lees ik in uw stukje over Marc Chagall.  Over Victor Hugo.  Over Red Star Line.  In uw stukjes voel ik uw ergernis over onze te angstige houding tegenover de vluchtelingen.  Over onze inhumane politieke stellingname tegenover diezelfde vluchtelingen.  Niet enkel de vluchtelingen beroeren u.  Dat doet ook de ongelijke verdeling van de welvaart.  Ook dat thema houdt u bezig.  Dat ontwar ik in uw stukje over der König Kandaules.  In bed tracht ik mijn hoofd helder te krijgen.  Mijn gedachten over die thema’s klaar te ordenen.  Het lukt.  Met uitzicht op een betere wereld val ik in slaap.
 
Ik ben bijna vijftig.  Ik heb al heel wat mogen zien.  Al heel wat mogen horen.  Mooie dingen.  Ontroerende dingen.  Beklijvende dingen.  Maar in uw boek toont u mij dat de reis nooit stopt.  De ontdekkingsreis, dat het eigenlijke leven is, gaat maar door.  U geeft mij voorzetten.  U geeft mij ideeën.  Dat alles hou ik in mij achterhoofd.  Ik weet dat ik ooit nog het atelier van Sam Dillemans in de Antwerpse Eggestraat zal binnenstappen.  Dat ik in Death Valley naar Popestone van Albert Szukalski zal kijken.  Zal staren.  Ik weet dat ik Het hout van Jeroen Brouwers nog zal lezen.  Net zoals ik Zwijgen van Ingrid Vander Veken nog zal lezen.  Of Arm Wallonië van Pascal Verbeken.  U doet mij uitkijken naar Sint-Petersburg.  U maant mij aan terug te keren naar Rotterdam.  Naar de Markthal.  Ik weet dat ik de auto zal nemen naar Le Grand Hornu.  Naar Parijs.  Voor een bezoek aan La Bourse de Commerce.  Uw boek stelt mij nog zoveel schoonheid in het vooruitzicht.  Dat is een geruststelling.  Te weten dat het leven nog vele mooie verrassingen in petto heeft voor mij.  Die geruststelling doet mij slapen.  Doet mij vast slapen.
 
U vertelt over het leven.  Heel even zelfs vertelt u over het einde van het leven.  Van uw leven.  In een stukje openbaart u reeds de muziek gekozen te hebben voor uw begrafenis.  Geheel in uw stijl.  De keuze sluit aan bij uw manier van leven.  Bij uw beleving van de Schone Kunsten.  U kiest voor Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit.  Van J.S. Bach.  In bed maak ik dezelfde oefening.  Ik ga op zoek naar een begrafenismuziekje, dat op mijn lijf geschreven staat.  Dat zou kunnen gebruikt worden bij mijn uitvaart.  Ik denk en vind.  Death of a clown.  Niet in de versie van The Kinks.  Wel in de versie van Arno.  Dat moeten ze spelen.  Dat is een zekerheid.  Alweer een zorg minder.  Met die geruststellende vaststelling val ik in slaap.
 
Elke avond nam ik uw boek mee naar bed.  Elke avond las ik een wiegeliedje.  Door u geschreven.  Voor mij.  Bijna leek het alsof u aan mijn bed zat.  Alsof u mij voorlas.  Bijna hoorde ik uw stem.  Ik hoorde uw heldere stem.  Ik hoorde u fluisteren als u moest fluisteren.  Ik hoorde u zingen als u moest zingen.  Ik hoorde u razen als u moest razen.  Telkens weer vond u de juiste intonatie.  Telkens weer legde u de juiste klemtoon.  Met uw ingebeelde aanwezigheid ging ik slapen.  Met uw verhalen ging ik slapen.  Nooit had ik onrustige nachten.  Dat kon ook niet.  U gaf mij schoonheid.  Schoonheid in vele kunsten.  Want uw reis doorheen die kunsten was divers.
 
Beste Kurt.  Ik wil u danken voor uw boek.  Voor de herinneringen aan mooie dingen.  Voor het vooruitzicht op mooie dingen.  Met een niet te stoppen enthousiasme toonde u aan dat ontroerende schoonheid één van de motoren kan zijn van een mooi en vol leven.  Dat die ontroerende schoonheid in vele dingen te vinden is.  Op die ene voorwaarde.  Dat we ons openstellen.  Dat we ons ontvankelijk verklaren.  Voor dat alles wil ik u danken.

Met vriendelijke groeten.





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen