donderdag 16 februari 2017

Uitgelezen: Lijkententoonstelling. Brief aan Hassan Blasim.

Beste Hassan,
 
Wij kennen elkaar niet.  Heel waarschijnlijk zou dat zo gebleven zijn.  Heel waarschijnlijk zouden onze levens elkaar nooit gekruist hebben.  Elkeen zouden wij ons levenspad bewandeld hebben.  Los van elkaar.  U zonder mij.  Ik zonder u.  U zou in Finland blijven.  Het land, waar u heen bent gevlucht.  Ik zou in België blijven.  Het land, waar ik geboren ben.  Zo zou het gebleven zijn.  Tot in de eeuwigheid.  Indien die eeuwigheid al zou bestaan.
 
Maar dan gebeurde dat ene ding.  Dat ene ding waardoor alles plots veranderde.  Waardoor wij elkaar toch ontmoetten.  Niet in levende lijve.  Dat was het niet.  Ondanks die lijfelijke afwezigheid durf ik toch van een ontmoeting te spreken.  Hoe dat dan wel komt? U schreef een boek.  Met dat boek prikkelde u mijn nieuwsgierigheid.  Dat prikkelen gebeurde niet zomaar.  Dat had een reden.  In The Guardian werd u misschien wel de beste Arabische schrijver van dit moment genoemd.  Dat is een compliment dat mag tellen.  Mijn moeder zou u zeggen dat u moet opletten met complimenten.  Dat is zo.  Daarom was ik voorzichtig.  Daarom wou ik dat compliment aan een nader onderzoek onderwerpen.  Door uw boek te lezen.  Dat zou moeten bewijzen of het compliment enige gegrondheid heeft.
 
Aan uw boek beginnen, was geen evidentie.  Ik sta eerder weigerachtig tegenover kortverhalen.  Ik nestel mij graag in een verhaal.  Met plezier graaf ik mij in.  Ik wil mij verliezen in een verhaal.  Ik wil meegenomen worden.  Al die wensen worden bij een kortverhaal te vroeg afgebroken.  Telkens weer moet ik mij opladen voor het volgende verhaal.  Dat is vermoeiend.  Daarom wandel ik in een wijde boog omheen die verhalenbundels.  Ik laat die bundels aan mij voorbijgaan.  Tot nu.  Nu maakte ik die uitzondering.  Omwille van dat ene compliment.  Nieuwsgierigheid doet wat met een mens.
 
Bij het lezen van uw twaalf verhalen doe ik die ene ontdekking.  Ondanks de verscheidenheid aan onderwerpen is er toch die eenheid.  Als die twaalf puzzelstukjes worden samengelegd wordt een duidelijke en heldere puzzel blootgelegd.  Aan de lezer wordt duidelijk gemaakt wat oorlog betekent.  Wat oorlog betekent voor de eigenlijke ingezetenen, die geklemd zitten tussen twee strijdende partijen.  De beklemming, die de ingezetenen moeten ervaren, wordt bijna tastbaar.  Ik proef de constante twijfel.  De onzekerheid.  Constant wordt getwijfeld of iets echt is of slechts fantasie.  Die twijfel voedt de angst.  Dwingt om steeds achterom te kijken.  Want het gevaar is overal.  Is alomtegenwoordig.  Het kan u plots bespringen.  Het kan heel sluipend binnendringen.  Maar het is er.  Nooit gaat dat gevaar weg.
 
Die angst blijft hangen.  Gaat niet weg.  Blijft zelfs hangen als iemand besluit de oorlog te ontvluchten.  Als hij of zij besluit vluchteling te worden.  Op dat moment moet hij zijn lot in andermans handen leggen.  Iemand anders zal beslissen.  De onzekerheid blijft knagen.  Dan moet nagedacht worden hoe het verhaal zal verteld worden.  Want dat verhaal bepaalt alles.  Blijven of terugkeren.  Moet een nuchter verslag verteld worden? Moet het verhaal uitgebreid verteld worden? Of moet het net kort gehouden worden? Moet die twijfel en angst duidelijk gemaakt worden? Of zijn die persoonlijke gevoelens overbodig?
 
Niet enkel de verhalen voeden die beklemmende sfeer bij de lezer.  Grote verantwoordelijke daarvoor is bovenal de taal, die u hanteert.  Uw taal is hard.  Slaat de lezer in het gezicht.  Onverbiddelijk hard.  Niet omfloerst.  U bent niet echt bezorgd om uw lezers.  Voorzichtigheid en omzichtigheid zijn niet uw betrachting.  U wil niemand sparen.  U wil wakker schudden.  Om dat te bereiken trekt u de taal bokshandschoenen aan.  Om continu in te beuken op de lezer.  Want die moet incasseren.  In zijn comfortabel zithoekje wordt de lezer belaagd.  De lezer wordt in de loopgraven gedwongen.  Om te schuilen.
 
Niet enkel is er die rauwheid.  Er is ook humor.  Zwarte humor.  Nu was er onlangs heel wat te doen om een onderzoek.  Een onderzoek dat een verband aantoont tussen zwarte humor en een hogere intelligentie.  Ik heb uw boek gelezen.  Ik heb mogen proeven van uw humor.  Ik kan enkel zeggen dat u een hoog IQ moet hebben.  Toch volgens dat recente onderzoek.  De humor versterkt de rauwheid.  Doet de lezer onwennig lachen.  De humor draagt de onzekerheid bij uw personages over op de lezer.
 
Beste Hassan.  Uw boek is een bom.  Een bom, dat twaalf keer ontploft in de handen van de lezer.  In het gezicht van de lezer.  Ik heb uw boek gelezen.  Het ligt nu aan de kant.  Maar de impact van uw boek blijft groot.  Zelfs vanuit mijn boekenkast belaagt uw boek mij.  Zelfs nadat ik het gelezen heb.  Ik kijk naar uw boek en voel opnieuw die beklemming.  Dat gaat niet weg.  Die blijft.  Een boek, dat zoiets kan bewerkstelligen, moet goed zijn.  Steengoed.  Dat kan niet anders.
 
Bent u nu de beste Arabische schrijver van het moment? Op die vraag kan ik niet antwoorden.  U moet het mij vergeven.  Ik ben geen autoriteit op het domein van de Arabische literatuur.  Ik kan nauwelijks vergelijken.  Mijn kennis is daartoe te beperkt.  Wat ik wel durf te zeggen, is dat u een groot schrijver bent.  Een hele grote.  U hebt mij met Lijkententoonstelling overtuigd van uw vakmanschap.  Want dat is wat u bent.  U bent een literair vakman.  Een tovenaar met woorden.
 
Ik wil u danken voor deze ontmoeting.  Die was kort maar bijzonder intens.  Ik wens u het allerbeste.  Heel misschien tot een volgende keer.
 
Met vriendelijke groeten.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen