dinsdag 7 februari 2017

Mijn reisverhaal Japan. Dag 12: Kyoto - Tokyo.

Deze morgen vertrekken we naar de laatste halte op onze reis.  Tokyo.  De hoofdstad van het land.  We weten niet wat te verwachten.  Wel hopen we dat ene ding.  Dat de rust, die we al de hele reis mogen ervaren, met ons zal meereizen.  Dat ook in de hoofdstad diezelfde rust aanwezig zal zijn.  We weten het niet.  We hopen het.
 
Deze morgen moet ik mij buigen over een moeilijk vraagstuk.  Vóór ik afreis, moet ik een antwoord vinden op een dilemma.  Al enkele dagen verdiep ik mij in de leer van Boeddha.  Het is begonnen in Kyoto.  Elke avond lees ik op mijn hotelkamer enkele bladzijden uit het boek van Boeddha.  Lezen met de uiteindelijke bedoeling zachtjes aan in te slapen.  Het hielp.  Ik genoot van zorgeloze nachten.  Nu verlaat ik Kyoto.  Terwijl ik mijn koffers pak, stel ik mij die ene vraag.  Zal ik dat boek in mijn koffer wegbergen of zal ik het toch op mijn kamer achterlaten.  Ik aarzel.  Ik twijfel.  Het boek gaat de koffer in.  Gaat de koffer uit.  Dan weer in.  Dan weer uit.  Als ik het boek zou meenemen, zou ik mij bezondigen aan diefstal.  Stelen mag niet.  Dat weet ik.  Dat besef ik.  Ik herinner mij wat ik de voorbije nachten heb gelezen.  Daarbij zegt Boeddha dat stelen niet mag.  Hij ontraadt het mij.  Ik luister.  Ik laat het boek achter.  Op de juiste plaats.  Op de enig mogelijke plaats.  Op mijn hotelkamer.  Want hoe zou ik mij verder kunnen verdiepen in het boeddhisme als alles wat ik lees gebouwd is op diefstal.  Al van bij de start zou ik zwaar uit de bocht gaan.  Dat kan niet.  Dat mag niet.
 
Bij het ontbijt kijk ik nog snel even naar het nieuws.  Het is sterker dan mijzelf.  Maar het televisiescherm eist mijn aandacht op.  Ik wil contact houden met de wereld.  Zelfs op reis besef ik dat de wereld groter is dan mijn tijdelijke gastland.  Diezelfde grote wereld beweegt.  Terwijl ik eet, voel ik de schokgolven van die continue beweging.  Ik hoor van die uitzonderlijke prestatie.  Van die unieke prestatie.  Een zanger wint de Nobelprijs voor Literatuur.  Het is niet zomaar een zanger.  Bob Dylan wint de prijs.  De neuzelaar.  De protestzanger.  De winnaar is nog maar net bekendgemaakt maar het debat is al springlevend.  Er zijn pro’s.  Er zijn contra’s.  Zo is het altijd al geweest.  Eén ding is evenwel zeker.  Songschrijven zal nooit meer hetzelfde zijn.  Deze prijs tilt de stiel van songschrijven op een hoger niveau.  Voortaan zal iets meer mogen verwacht worden dan enkel het rijmen en dichten.  In tijden van tienduizend luchtballonnen kan deze vaststelling een verademing genoemd worden.
 
Er is nog ander nieuws.  Een echte verrassing is het niet.  Het stond te gebeuren.  Deze morgen is het dan gebeurd.  De achtentachtigjarige Bhumibol, president van Thailand, is overleden.  Een overlijden met grote politieke gevolgen.  Deze president wist het land te verenigen.  Hoge leeftijd dwingt respect af.  Hoge leeftijd verbindt.  Vandaag dreigen instabiliteit en onrust.  Thailand gaat een onzekere toekomst tegemoet.  Niemand durft te voorspellen wat het zal worden.  Welke richting het zal uitgaan.
 
Het rommelt nog in de wereld.  Niet figuurlijk.  Wel letterlijk.  Ergens op de wereld heeft de aarde gebeefd.  Getrild.  Op televisie zie ik de gevolgen.  Ik kan niet achterhalen waar het zich afspeelt.  Het is alleszins niet in Tokyo.  Dat kan ik wel achterhalen.  Het zou nochtans kunnen.  De stad ligt op een breuklijn.  De Pacific Ring of Fire.  Alleen al in de naam van die breuklijn schuilt een potentiële verwoesting.  Veel wetenschappers denken dat de stad in de komende honderd jaar opnieuw zal getroffen worden door een grote aardbeving.  De stad is hierop voorbereid.  Via allerhande campagnes en oefeningen houdt men de bevolking alert.  Een verwittigd man is er twee waard.  Dat moet men denken in Japan.  Toch oordeelde het Japanse Central Disaster Management Council in 2008 dat enkel chaos zal overblijven als de stad getroffen wordt door een aardbeving met een kracht van zeven op de schaal van Richter.  Niet de aardbeving zelf zal dodelijk zijn.  Wel de paniek die uitbreekt.  Mensen zullen vertrapt worden.  Het dagelijkse leven zal lang verstoord zijn.  Ik geloof niet in rampscenario’s.  Rampenfilms zijn niet aan mij besteed.  Maar dat ene rapport doet mij heel even stilstaan.  Maakt mij heel even stil.  Maar dat duurt niet lang.  Het zou toch moeten lukken dat de aarde in Tokyo in die periode van honderd jaar beslist net deze week te gaan beven.  Ik geloof het niet.  Met een gerust gemoed neem ik afscheid van Kyoto.  Met datzelfde gemoed neem ik de trein naar Tokyo.
 
We nemen niet zomaar de trein.  We gaan met de Shinkansen.  De Japanse hogesnelheidstrein.  We konden ook kiezen de verplaatsing te maken met de bus.  Maar dan zouden wij acht uur onderweg zijn.  Zouden wij pas laat arriveren in Tokyo.  Dat scenario willen wij vermijden.  We willen zo lang mogelijk in Tokyo verblijven.  Alle kleine beetjes helpen dan.  
 

Wij reizen comfortabel.  Hebben een gereserveerd zitje.  We hebben meer dan genoeg beenruimte.  We kunnen onze beentjes uitstrekken.  Zonder tegen de zetel vóór ons te stoten.  Op deze trein zijn burenruzies onbestaande.  Op deze trein geldt die ene stelregel: sit back and enjoy.  Wij zijn nog maar net opgestapt en toch beseffen we het meteen.  Dit wordt geen gewoon treinreisje.  Dit wordt een luxecruise.  Op sporen.
 
We zitten op de hoge snelheidstrein.  Dan nestelt zich automatisch die ene vraag in mijn hoofd.  Hoe snel gaat die trein? Op een meldingsbord in onze wagon zie ik tussen allerlei Japanse tekens een melding verschijnen van 443 km./u.  Ik vermoed dat zij hiermee de topsnelheid van deze trein willen weergeven.  Is dit de snelheid waarmee wij naar Tokyo razen? Of is het enkel de snelheid, die slechts onder optimale omstandigheden en daarom nooit kan gehaald worden? Het laatste blijkt het geval te zijn.  In 1996 werd deze snelheid gemeten in een testrit.  Daarna werd die snelheid nooit meer gehaald.  In functie haalt de trein een maximale snelheid van driehonderd kilometer per uur.  Daarmee blijft de Shinkansen onder de topsnelheid van de Europese TGV.
 
 
Vol lof ben ik over de Shinkansen.  Dat maakt dat ik dat ene extraatje zou vergeten.  Bijna zou ik vergeten te schrijven dat we op deze treinrit passeren langs de hoogste berg van Japan.  Fuji-san.  Wij zijn alert.  Ik vrees tegen deze hoge snelheid slechts een flits te zien van deze berg.  Maar een flits wordt het niet.  We zien de berg duidelijk.  Lange tijd hebben we één van de drie heilige bergen in het vizier.  We stoppen niet.  We stappen niet uit.  We gaan niet naar de top.  Dat zou nochtans een mogelijkheid zijn.  Maar niet in deze periode.  Enkel in juli en augustus is de top van de krater te voet bereikbaar.  Niet in de andere maanden.  In de andere maanden moet Zijne Heiligheid rusten.  We zijn niet tot bij de krater geraakt.  Wel waren wij getuige van de uitzonderlijke pracht.  Vanuit ons passagierszitje kijken wij lui naar deze schoonheid.  Schoonheid hoeft niet altijd te vermoeien.
 
 
Kort op de middag komen wij aan in Tokyo.  De eindhalte van de Shinkansen.  De eindhalte van onze reis.  Thuis heb ik nachten lang wakker gelegen als ik dacht aan Tokyo.  Die stad leek mij te groot.  Leek mij niet te bevatten.  Het angstzweet brak mij uit.  Ik wist niet waar te beginnen.  Ik wist niet waar te eindigen.  Om toch optimaal te kunnen genieten van het bezoek aan deze stad, was ik thuis al begonnen met enig voorbereidend werk.  Hoe kon ik inschatten wat op één dag haalbaar zou zijn? Hoe kon ik de wens om alles in deze stad te zien combineren met een verblijf van slechts twee dagen? Een antwoord op die vragen werd mij aangereikt door Soulwax.  Op de boekvoorstelling van het laatste boek van Zaki (Ondeugender Ouder Worden) raakten wij aan de praat met de zoons van Zaki.  De Dewaele broertjes wisten ons gerust te stellen.  Zij gaven ons de raad gewoon buiten te komen en rond te kijken.  Zonder al te veel voorbereiding.  Tokyo verbaast en verrast op elk moment.  Maar die broertjes hadden gemakkelijk praten.  Zij waren al meerdere malen te gast in Tokyo.  Voor ons is het de eerste keer.  Een eerste keer houdt altijd risico’s en gevaren in.  Daarvan zijn wij ons bewust als wij het treinstation buitenstappen.
 
Ondanks eerdere geruststellingen doet de eerste kennismaking met Tokyo mij toch weer twijfelen.  Ik voel mij onzeker.  Nog niet begonnen en ik weet het niet meer.  Nog niet aan de start gekomen en toch voel ik mij al verloren.  Dat is wat Tokyo doet met een reiziger, denk ik dan.  Die twijfel blijft niet lang hangen.  Ik weet mij te herpakken.  Ik moet vooruit.  Dat besef ik.  Een eerste verkennende ronde doorheen de stad lijkt mij op zijn plaats.  Ik zal moeten te werk gaan zoals ik dat doe bij een zwempartijtje.  Eerst met de voet de temperatuur van het water meten.  Om daarna in het water te springen.  Met het volle geweld.  Dat zullen we ook met Tokyo moeten doen.  Zachtjes aftasten.  Afwachten.  Rondkijken en zien.  De stad de gelegenheid geven aan ons te wennen.  En andersom.  Uiteraard.
 
De beste manier om de stad te leren kennen is het openbaar vervoer.  Voor deze eerste kennismaking maar ook voor de volgende dagen zullen wij gebruik maken van de SUICA kaart.  Deze kaart kan in Tokyo gebruikt worden op alle lijnen van JR East (in de metro, in de bussen en in de Tokyo Monorail die het vliegveld Haneda verbindt met het centrum van Tokyo).
 
Voor onze rondrit zullen wij ons beperken tot de Yamanote-lijn.  Deze lijn is één van de drukste en belangrijkste spoorlijnen van Tokyo.  De ringlijn vormt een cirkel rond het stadscentrum en bevat alle belangrijke wijken.  Yamanote bedient alle belangrijke stations van Tokyo.  Op twee na hebben alle negenentwintig stations van Yamanote een verbinding met andere spoor- of metrolijnen.
 
Genoeg over de lijnen.  Genoeg over de sporen.  We vertrekken.  We stappen uit in Akibara.  In Tokyo.  In Shibuya.  In Shinjuku.  Wij rijden rond.  Stappen uit als wij het nodig achten.  Dit werkt makkelijk.  Terwijl wij op de metro rondrijden smelt onze angst voor deze grootstad.  Niet langer zijn wij bang.  Integendeel.  We popelen om morgen opnieuw de stad in te duiken.  We hebben kennisgemaakt.   Op één dag hebben we Tokyo gezien.  Snel.  Oppervlakkig.  We hebben kennisgemaakt met een stad, die gemakkelijk vergeleken kan worden met New York.  Enkel met dat kleine verschil.  Deze stad is nog overdadiger.  Nog overweldigender.  Nog bruisender.  Maar New York is dan weer de ‘city that never sleeps’.  Dat doet Tokyo wel.  Tokyo gaat wel slapen.  Deze stad heeft rust nodig.  Dat zullen we de volgende dagen ondervinden.
 
Mijn reisverhaal Japan.  Dag 13: Tokyo.  Te lezen op dinsdag 14/02/2017.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen