dinsdag 10 januari 2017

Mijn reisverhaal Japan. Dag 8: Onomichi - Okayama.

Wat we gisteren dachten te hebben maar niet kregen, zullen we vandaag hebben en krijgen.  Een rustige dag.  Jawel, we zullen dingen zien.  Uiteraard.  Daarvoor zijn we naar Japan gekomen.  Om dingen te zien.  Toch zullen we het kalmpjes aan doen.  We zullen niet rennen en lopen.  Dat zullen we niet doen.  We zullen slenteren.  Van hier naar daar.  Om zo op adem te komen.  Om zo onze batterijen op te laden.  Zodat we klaar zijn voor de volgende dagen.  Want dan wacht ons Kyoto en Tokyo.
 
We beginnen met een Japanse tuin.  De wandeltuin Koraku-en in Okayama.  Op wandelafstand van ons hotel.  Geen tram.  Geen bus.  Geen trein.  Gewoon te voet.  Wij vermoeden dat het vandaag een feestdag is.  Of het werkelijk zo is, weten wij niet.  Wel valt er vandaag iets te vieren.  Dat merken we aan de vele eetkraampjes.  Die staan opgesteld langs de toegangsweg naar de tuin.  We laten ons niet verleiden.  We stappen door.  Naar de tuinen.  Die willen we zien.
 
 
We hadden al enkele tuinen gezien.  Toch verveelt het nooit.  Altijd weer valt mijn mond open van verbazing.  Dit is kunst.  Dit is vakmanschap.  Niet enkel kijken wij, bijna verdwaasd, naar die prachtige tuinen.  Net zozeer vergapen wij ons aan die vele koppeltjes.  Verloofde koppeltjes of pas getrouwde koppeltjes.  Zij komen naar hier voor een uitgebreide fotoreportage.  Uitgedost in traditionele klederdracht laten zij zich fotograferen.  Langs alle kanten.  Gewillig.  Zonder tegenstribbelen.  Heerlijk om te zien.  Vertederd word ik door die prille liefde.  Elke keer ik een koppeltje tegenkom, blijf ik even staan.  Niet om te kijken naar de aangenomen poses, waartoe zij gedwongen worden door hun fotograaf.  Wel om te kijken naar die ogen.  Om te kijken in die ogen.  Want die ogen blinken.  Schitteren.  Volglanzend.  Bijna zijn die ogen diamanten.  Dat glinsterende spel is heerlijk om te zien.  Daarvan wordt een mens stil.  Zouden mijn ogen nog fonkelen? Zouden mijn ogen nog schitteren? Die vraag stel ik mij in de tuin van Okayama.  Ik hoef niet lang na te denken.  Ik weet het zeker.  Nog steeds is dat het geval.  Mijn ogen zijn achttienkaraatse parels als ik kijk naar mijn vriendin.  Achttienkaraatse parels, waaruit puur geluk opborrelt.
 


 
Vanuit de tuin hadden we het al gezien.  Je kan er niet naast kijken.  Het torent boven alles uit.  We moeten er heen.  Het roept ons.  Vanuit de tuin stappen we dus naar het Kraaienkasteel.  Het kasteel kreeg deze bijnaam omwille van zijn zwarte muren.  Soms moet niet ver gezocht worden naar een passend ‘troetelnaampje’.  
 
 
Vanop afstand leek het kasteel prachtig.  Hoe dichter we komen, hoe meer het kasteel evenwel van zijn schoonheid verliest.  In de Tweede Wereldoorlog werd het kasteel verwoest.  Niet een beetje.  Wel volledig.  Bijna niks bleef overeind.  In 1966 werd het kasteel dan gereconstrueerd.  Exact gereconstrueerd.  Het leek wel een kopie.  Naar die kopie kijken wij nu.  Het voelt niet echt.  Het kasteel is misschien dan wel net hetzelfde als het originele uit de zestiende eeuw.  Toch ademen die stenen niet dezelfde geschiedenis.  Die geschiedenis voelen we niet meer.  Is definitief weg.  Die geschiedenis werd neergehaald met de bommen.  Verdwenen zijn die historische verhalen niet.  Heel waarschijnlijk zijn zij neergeschreven.  Maar daarvoor moeten we in boeken duiken.  Ernaar kijken kan niet meer.  Daarvoor is het te laat.  Het Kraaienkasteel is enkel een Bokrijkse versie.  Neergezet om te herinneren aan die grootse periode.  Wij kijken naar herinneringen.  Naar vermoedens.  Niet naar de originele verhalen.  Niet naar de echte getuigen.
 
We verlaten Okayama.  Nemen de trein naar Kurashiki.  Letterlijk vertaald betekent de stadsnaam ‘dorp van opslaghuizen’.  Het verwijst naar de tientallen opslagplaatsen.  Ten tijde van de Edoperiode.  Die tijd is nu ver voorbij.  Opslaghuizen zijn er niet meer te vinden.  Kurashiki heeft zich aangepast aan de nieuwe tijden.  Aan de moderne tijden.  De stad heeft voor zichzelf een nieuwe bestemming gezocht.  Die nieuwe bestaansreden heeft de stad gevonden.  De vroegere opslaghuizen werden behouden.  Werden gerestaureerd.  Werden omgetoverd tot winkeltjes.  Tot restaurants.  Tot galeries.  Tot cafeetjes.  De stad veroverde een blijvende plaats op de toeristische kaart van Japan.
 


 
Charmant? Ik twijfel.  Ik zou dat kunnen denken als ik slenter langsheen het kanaal met wilgen.  Als ik kijk naar de bootjes op datzelfde kanaal.  Ik zou kunnen denken dat dit plaatsje charmant is.  Toch weet ik het niet.  Ik denk aan Venetië.  Ik denk aan Brugge.  Maar in tegenstelling tot die steden bekruipt mij hier dat akelige gevoel.  Dat gevoel dat het niet echt lijkt.  Want wat moet je denken van al die aaneengeschakelde winkeltjes? Niks fraais.  Ik denk er het mijne van.  Ik denk dat alles werd geslachtofferd op het altaar van de commercie.  Dat is nooit goed.  Want het betekent een verlies aan eigenheid.  Aan echtheid.  Dat is jammer.  Maar ik treur niet.  Ik jammer niet.  Het is rustdag.  Dan hoeft dat geweeklaag niet.  Ik loop dus rond.  Ik kijk en tracht te genieten.  Dat lukt.  Zelfs met dat valse gevoel.
 
 
We keren terug.  Naar Okayama.  Het is al avond.  Boven de grond zijn de meeste winkels gesloten.  Onder de grond gaat het feest gewoon door.  Onder het treinstation blijven alle winkels open.  We gaan nog niet naar ons hotel.  Hier blijven we nog even hangen.  Trachten we nog iets op de kop te tikken.  Om te eten.  Het lukt.
 
De hongerigen spijzen.  Dat hebben we gedaan.  Ons dagje zit er op.  Het was een rustige dag.  Een overgangsdag.  Zoals in de Ronde van Frankrijk.  Een rustige, vlakke rit tussen twee bergritten in.  Om even op adem te komen.  Dat is wat we gedaan hebben.  Reculer pour mieux sauter.  Een stapje terugzetten om beter te kunnen springen.  Soms klinkt het in het Frans mooier.  Compacter.  We zijn klaar om de volgende dagen te springen.  Maar nu gaan we slapen.  Het bed in.
 
Slapen lukt niet meteen.  Japan blijft nog even natollen in mijn hoofd.  Het lijkt misschien vreemd maar in bed denk ik aan openbare toiletten.  Ik ben al op vele plaatsen geweest.  Vaak zijn die openbare toiletten een uitdaging.  Op die toiletten is vaak een moedige daad.  Waaruit lef en onverschrokkenheid spreekt.  Hier, in Japan, is het anders.  Heel wat anders.  Zelfs de grootste angsthaas kan hier zonder rillingen het toilet op.  Zelfs degene met de grootste smetvrees kan hier zonder enige terughoudendheid het toilet op.  Terwijl in vele landen een bezoek aan het publiek toilet een waagstuk is, primeert in Japan de netheid.  Alles is spic en span.  Terwijl bij ons een toiletbezoek veeleer constiperend werkt, werkt het hier laxerend.  Hier is het een verademing als je dringend moet en de deuren van het toilet opentrekt.  Voorwaar, je kan zo maar gaan zitten.  Waar is dat nog mogelijk? In Japan.  Ik heb het mogen ervaren.  Meerdere keren.
 
Ik denk niet enkel aan openbare toiletten.  U mag gerust zijn.  Ik denk ook aan andere dingen.  Aan het verzamelen van stempels.  Dat spookt ook door mijn hoofd.  Japan lijkt wel het land van de stempels te zijn.  Hier weet een verzamelaar zich gewaardeerd.  Aan de drang van de verzamelaar om dingen bijeen te sprokkelen wordt hier ruimschoots tegemoet gekomen.  Zoals ik al zei, die collectioneur kan stempels verzamelen.  Dat kan overal.  Bij elke tempel.  Aan elk treinstation.  In elk museum.  Bij elke toeristische bezienswaardigheid staat dat stempelkussentje.  Met bijhorende stempel.  De een al mooier dan de ander.  De een al fraaier dan de ander.  Al die stempels kan hij verzamelen in een boekje.  Wij hebben het gedaan.  Onze reisgids zit onder de stempels.  Elk blanco blad hebben we benut.  Voortijdig zijn we moeten stoppen.  Bij gebrek aan lege bladen.  Ik kan u slechts één goede raad meegeven.  Neem voldoende schriftjes mee.  Schriftjes die kunnen vol gestempeld worden.  Want er zijn er veel.  Heel veel.  Bijna niet te tellen.
 
Maar u kan nog andere dingen verzamelen.  Dingen, die in andere landen vaak hetzelfde zijn.  Maar niet in Japan.  In Japan is dat ene ding steeds weer verschillend.  Elke stad heeft zijn eigen ontwerp.  Binnen één stad zijn er vaak nog verschillende.  Waarover ik het heb? Over putdeksels.  Er zijn mooie.  Er zijn minder mooie.  Er zijn lelijke.  Maar telkens is er die persoonlijke toets.  Een toets, die het ene deksel onderscheidt van het andere.  Die verscheidenheid kan een uitdaging zijn voor de verzamelaar.
 
Die putdeksels moeten mijn laatste gedachte zijn.  Denk ik toch.  Ik val in slaap.  Morgen naar Kyoto.  Ik ben er klaar voor.  Het rustdagje heeft deugd gedaan.
 
Mijn reisverhaal Japan.  Dag 9: Okayama – Kyoto.  Te lezen op dinsdag 17/01/2017.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen