dinsdag 31 januari 2017

Mijn reisverhaal Japan. Dag 11: Kyoto.

We worden wakker.  Met die ene vraag.  Wat zullen we vandaag doen? We kunnen naar Osaka met de trein.  Om toch al even te proeven van Tokyo.  Om ons toch al even een beeld te kunnen vormen van wat Tokyo zou kunnen zijn.  We kunnen naar Nara.  Eveneens met de trein.  Om nog andere tempels te spotten.  Om het tempelcomplex Todai-ji te zien, het grootste houten bouwwerk ter wereld.  Lange tijd hebben we getwijfeld.  De ene keer zouden we naar Osaka gaan.  De andere keer zouden we dan toch naar Nara trekken.  Deze morgen hakken we de knoop door.  We blijven in Kyoto.  Zelfs in Japan loopt de derde hond met het been weg.  Toch als twee andere om datzelfde been vechten.  Kyoto heeft te veel in de aanbieding.  Zelfs aan het eind van de dag zullen wij moeten vaststellen dat we nog niet alles gezien hebben in de stad.  
 
We beginnen met de filosofenwandeling.  Een taxi brengt ons naar Ginkaku-ji, het Zilveren Paviljoen.  Dat is het vertrekpunt van de wandeling.  Terwijl het Gouden Paviljoen zijn naam alle eer aandoet en zijn goud laat schitteren in het omliggende water, doen wij bij het Zilveren Paviljoen die ene vreemde vaststelling.  Nergens bespeuren we ook maar iets van zilver.  Nochtans was het de bedoeling.  De tempel zou bedekt worden met zilver.  Maar de Orinoorlog stak daar een stokje voor.  Geen zilver dus.  De tempel staat te schitteren in zijn naaktheid.
 
 
Niet enkel in de aanbekleding is er een verschil tussen beide tempels.  Ook in volkstoeloop merken we een verschil.  Aan en rond deze tempel is het rustiger.  Goud gaat boven zilver.  Voor een atleet/sportman is de zilveren medaille slechts een troostprijs.  Voor de sportman geld enkel het goud.  Dat is het doel.  Al wat minder is, voldoet niet.  Dat lijkt niet enkel te gelden voor atleten.  Ook toeristen laten zich door deze gedachtegang leiden.  Ook voor de toerist(e) geldt enkel het goud.  Enkel als er nog tijd resteert, zal hij of zij oog hebben voor het zilver.  Voor de tweede plaats.  Enkel dan kan het zilver hem of haar bekoren.  Veel volk, weinig volk, ons maakt het niks uit.  Wij lopen rond.  Laten ons verbazen door de sobere schoonheid.
 
 
De filosofenwandeling dankt zijn naam aan Nishida Kitaro, een professor in de filosofie.  Dagelijks deed hij deze wandeling.  Om zijn gezondheid op peil te houden.  Het moet goed gesteld zijn met de gezondheid van Japanners en toeristen.  Op onze tocht ontmoeten we weinig of geen volk.  Bijna zijn wij alleen op de wereld.  Wij treuren niet om deze eenzaamheid.  Integendeel, we omarmen de ons geboden rust.  In die aangename rust slenteren wij doorheen tempels, langs onze wandelroute.  Veel van die tempeltjes staan niet vermeld in de reisgids.  Toch springen we telkens even binnen.  We kunnen het niet laten.  Het is alsof die tempeltjes ons roepen.  Ons verleiden tot een kort bezoekje.  We kunnen niet weerstaan aan hun lokroep.  Welopgevoed als we zijn, aanvaarden we telkens die stille uitnodiging. 
 

 
Aan het eind van de filosofenwandeling worden we geconfronteerd met die typische moeheid.  Een tempelmoeheid overvalt ons.  Dat merken we aan de Nanzen-ji tempel.  Aan die tempel merken we dat onze aandacht verslapt.  Deze tempel wordt ons aanbevolen in de reisgids.  We willen dus nog heel even binnen.  Als laatste.  Als allerlaatste.  Maar we maken dat ene foutje.  We betalen voor een toegangsticketje aan de Nanzen-in.  De tuinen.  Niet aan de Nanzen-ji.  De tempel.  In en ji, telkens slechts twee letters.  Toch schuilt daarin een wereld van verschil.  We wandelen doorheen de tuinen.  We missen de tempel.  Maar we treuren niet om dat foutje.  Daarvoor hebben we geen tijd.  We moeten verder.  We moeten voort.  Het volgende staat al op ons te wachten.
 

 
Net voor we willen vertrekken aan de tuinen, worden wij even aangeklampt door twee meisjes.  Zij vragen of zij een interview mogen doen met ons.  Het is een schoolopdracht.  Een manier om het Engels te oefenen.  Daartoe moeten zij op toeristen afstappen.  Een klein vraaggesprekje met hen beginnen.  Wij nemen de uitnodiging aan.  Alles voor de schoolgaande jeugd.  Als wij kunnen helpen, doen wij het.  Bovendien oefenen ook wij graag ons Engels.  Want ook in ons Engels schuilt een zekere imperfectie.  Wij gaan aan de slag.  Beginnen het vraaggesprek.  Waar komen wij vandaan? Wat deden wij de voorbije dagen? Wat hebben wij allemaal bezocht? Wij antwoorden op elke gestelde vraag.  Soms worden we te enthousiast.  Gaan we net iets te snel.  In de ogen van onze gesprekspartners kunnen wij lezen dat zij ons even kwijt zijn.  Vertwijfeld grijpen ze dan naar hun papieren.  Bladeren in hun boekje om dan die ene vraag te stellen.  In hun boekje vinden zij dat ene, voorgedrukte verzoek: please, one more time.  Ik vind het grappig.  Charmant.  In alle eerlijkheid antwoord ik dan ook op die laatste vraag.  Wat ik het meest inspirerende vond? Twee meisjes, die ons vragen of ze een interview mogen afnemen.  Ik zeg het hen.  Zij begrijpen het.  Want zij lachen.  Heel verlegen.  Thank you, zeggen zij.  No thanks, zeggen wij.  Wij gaan verder.  Onze wegen scheiden.
 
We gaan naar het Giondistrict.  Dit is de bekendste geishawijk van Kyoto.  Hier kunnen geisha’s gespot worden.  Hier moeten geisha’s gespot worden.  Kyoto verlaten zonder deze gezelschapsdames gezien te hebben, zou immers kunnen beschouwd worden als een mislukking.  Net alsof je de Eifeltoren in Parijs niet zou gezien hebben.  Toch stel ik mij de vraag of wij in deze termen mogen denken.  Door Kyoto terug te brengen tot enkel die geisha’s zouden wij deze stad oneer aandoen.  De stad heeft zo veel meer te bieden.  Zo veel verleidelijke en fantastische dingen, waarvan de geisha’s slechts één element zijn.
 
 
Toch willen wij er eentje zien.  Wij kunnen aan de lokroep niet weerstaan.  Wij kunnen onze nieuwsgierigheid niet onderdrukken.  Wij willen een ontmoeting.  Een toevallige ontmoeting.  Afspraakjes maken we niet.  Het toeval moet ons toelachen.  Dat toeval kan een moment tot iets moois maken.  Tot iets unieks.  We zijn dus klaar.  Klaar voor onze zoektocht.  Onze ‘jacht’ op geisha’s.
 
We starten aan het Yasaka-heiligdom.  Hier resideren goden, die de mensheid zouden beschermen tegen ziekten.  Geloven, ik doe er niet aan mee.  Ooit heb ik het gedaan.  Nu weet ik het niet meer.  Toch stap ik deze tempel snel binnen.  Even kort binnenwippen.  Ter wille van mijn gezondheid.  Het kan geen kwaad, denk ik dan maar.  Na het tempelbezoek beginnen we door het Giondistrict te lopen.  Zonder een vooropgesteld plan.  Zonder één bepaalde bestemming.  Wij kiezen willekeurig straatjes.  Nu eens gaan we links.  Dan weer rechts.  Wij slenteren.  Laten ons verrassen.
 
Dan gebeurt het.  Dat ene moment waarop we zo hadden gehoopt.  In één van de straatjes zien wij een geisha lopen.  We haasten ons.  Voor die ene foto.  We komen bij haar.  Van ver had het allemaal echt geleken.  Van dichtbij gaan wij twijfelen.  Twijfelen aan de echtheid.  Te veel details lijken ons fout te zijn.  De betreffende dame draagt een pruik.  We merken tatoeages op de rug.  Bovendien staan wij bijna alleen met deze geisha.  Dat is heel abnormaal.  In de onmiddellijke nabijheid zien wij nauwelijks of geen toeristen met flitsende camera’s.  Dat kan niet.  Want dat is wat wij later zullen merken.  Geisha’s trekken camera’s aan.  Vele camera’s.  Daarom komen wij tot dat ene besluit.  Dat juiste besluit.  Deze geisha is fake.  Nep.  Onder de schmink en pruik vermoeden wij een toeriste.  Een vrouw, die even wil ervaren wat het moet betekenen een geisha te zijn.  Dat kan.  Verschillende winkels in Kyoto bieden die mogelijkheid aan.
 
 
Die keer was het vals alarm.  Maar wij zijn alert.  Wij houden die alertheid aan.  Onze aandacht verslapt niet.  Deze avond mogen wij ervaren dat de aanhouder wint.  Volharding loont.  Net vóór wij het theater willen binnenstappen, zien wij een geisha.  Een echte.  Dat merken wij al snel aan die enorme volkstoeloop.  Wij reageren te laat.  Zien haar nog net de voordeur dichttrekken.  Wij blijven nog even aan deze deur wachten.  Om te bekomen van deze verkeken kans.  Wij raken aan de praat met een andere toeriste.  Zij was wel op tijd.  Heeft prachtige foto’s genomen.  Een zekere jaloezie sluipt bij ons binnen.  Beleefd als wij zijn, feliciteren wij die toeriste.  Toch kunnen we een zekere afgunst niet onderdrukken.  Wij hoeven niet lang te treuren.  Plots gaat de deur opnieuw open.  De geisha stapt naar buiten.  Ik raap al mijn moed bijeen.  Stap op haar af en vraag of wij enkele foto’s mogen nemen.  Zij stemt toe.  Zij neemt haar tijd.  Laat zich verschillende malen fotograferen.  Om dan weer voort te schrijden.  Want dat is wat ik ook zie.  Geisha’s stappen niet.  Zij schrijden.  Vol waardigheid.  Bijna is het alsof zij de grond niet raken.  Zij lijken te zweven.  Maar die indruk kan versterkt worden door dat nogal eigenaardige schoeisel.
 

 
Zoals ik al schreef, vanavond gaan wij naar het theater.  Vanavond zullen wij kennismaken met een aantal facetten van het traditioneel Japans theater.  Dat doen wij in de Gion Corner.  Hier kunnen wij kijken en luisteren.  Naar Koto muziek.  Naar kyogen, komisch theater.  Naar kyomai, dans.  Naar bunraku, poppenspel.  We hadden een taalbarrière verwacht.  We hadden verwacht dat die taalbarrière al snel tot verveling zou leiden.  Toch gebeurde dat niet.  Telkens weer werden we gegrepen door die overgave.  Die eerlijkheid.  Die eenvoud.  Die eerlijke eenvoud liet ons toe in het verhaal binnen te glijden.  Maakte ons onderdeel van het gebeuren.  Taal is belangrijk.  Maar heel soms kan sfeer meer teweegbrengen dan duizenden woorden.  Dat hebben wij vanavond kunnen ervaren.  De Japanse taal zijn wij niet machtig.  Toch slaagden wij er in ons op sleeptouw te laten nemen.  Wij stelden ons open.  Raakten gecharmeerd door het wonderlijke spel.  Wij hadden er niet op gehoopt.  Toch beleefden wij een fijne theateravond.
 
De avond zit er op.  Of toch bijna.  We willen nog even stoppen in een restaurant.  Voor nog snel een kleine versnapering.  Een restaurant waar de sushitrein doorheen dendert.  Het restaurant wordt aanbevolen in Trip Advisor.  Wij willen dit ook zien.  Wij willen dit ook ervaren.  Binnen is het behoorlijk druk.  We kunnen niet meteen aan een tafeltje.  Eventjes moeten wij wachten.  Op een bank.  Net zoals in het voetbal.  Toch mogen we al snel invallen.  Zij sturen ons naar de eerste verdieping.  Daar mogen wij genieten van het wonderlijke spel van de sushitrein.  Wij kiezen de volgens ons smakelijkste sushischotels.  Die rijden aan ons voorbij.  Op een lopende band.  Wij hoeven enkel maar te kiezen.  En te eten.  Wij houden de lege schoteltjes bij.  Want die worden aan het eind geteld.  Elk schoteltje heeft zijn eigen prijs.  De kleur van het schoteltje bepaalt de prijs.  Een eenvoudig rekensommetje.  De sushitrein.  Heerlijk om te zien.  Maar net zo heerlijk om te proeven.  Dit is een goed adresje.  Aanraden, dat is wat wij doen.  Sushinomusashi, met zijn allen daarheen.
 
 
We slaan de deur van het restaurant achter ons dicht.  Met die dichtvallende deur beseffen wij dat het onze laatste avond is in Kyoto.  Morgen vertrekken we naar Tokyo.  We kunnen de stad verlaten zonder ook maar één boete te moeten betalen.  Maar wij hebben het gemakkelijk.  Wij roken niet.  Wij riskeren dus geen tien euro als wij een sigaretje opsteken in één van de rookvrije openbare plaatsen.  Wij zijn nette toeristen.  Laten geen afval achter.  Wij zouden het ook niet durven in het nette Japan.  Zo hoeven wij geen boete te vrezen van tweehonderd vijftig euro voor achtergelaten vuilnis.  Wij hebben niet gefietst.  Wij hebben niet dronken een fiets bestuurd.  Voor ons dus geen gevangenisstraf van vijf jaar of een boete van achtduizend euro.  Al die mogelijke boetes hebben wij kunnen ontlopen.  Als het moet, kunnen wij echt wel een voorbeeld voor anderen zijn.  Dat strekt ons tot eer.  Maar pleegt bovendien geen aanslag op onze portefeuille.

Mijn reisverhaal Japan.  Dag 12: Kyoto – Tokyo.  Te lezen op dinsdag 07/02/2017.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen