dinsdag 24 januari 2017

Mijn reisverhaal Japan. Dag 10: Kyoto.

Ik weet niet wat het was gisteren.  Kyoto voelde niet vertrouwd aan.  De stad stond te ver van mijn bijeen gefantaseerde perceptie.  Daarom voelde de stad vreemd aan.  Alsof we niet welkom waren.  Alsof Kyoto een nors gezicht had opgezet.
 
Vandaag zal het misschien anders worden.  Heel misschien zal Kyoto vandaag een happy face opzetten.  Vooralsnog weten we niet welke kant het uit zal gaan.  Zullen de eerste indrukken bevestigd worden? Zullen we onze mening dienen te herzien? Het wordt afwachten.
 
De ronde van de tempels staat vandaag op het programma.  Dat wordt niet eenvoudig.  Kyoto telt 1.600 boeddhistische tempels en 400 Shinto-heiligdommen.  Dat alles kan niet op één dag gezien worden.  Er zal moeten gekozen worden.  Kiezen is verliezen, zo is het altijd geweest.  We hebben gekozen.  We hebben verloren.  Een lijst van te bezoeken tempels werd opgemaakt.  Om de geselecteerde tempels te kunnen zien, nemen we de bus.  De belangrijkste tempels liggen aan de rand van de stad, tegen de bergen aan.  Bovendien liggen die tempels te ver uiteen.  Lopen blijkt geen optie te zijn.  De bus lijkt ons een waardig alternatief.
 
We starten bij Kinkaku-ji, het Gouden Paviljoen.  Met de start van het Gouden Paviljoen werd gestart in de veertiende eeuw.  Aanvankelijk deed het dienst als huis en toevluchtsoord voor de shogun.  Na de dood van de shogun veranderde het Paviljoen van bestemming.  Het kreeg een andere functie.  Het Gouden Paviljoen werd een tempel.  Volgens de laatste wilsbeschikking van de shogun.  Diezelfde shogun was tijdens zijn leven een enthousiast volgeling van de zenmonnik Siseko.  Diezelfde monnik komt bij de dood van de shogun aan het hoofd te staan van de tempel.  Siseko bleek niet alles op een rijtje te hebben.  Grootheidswaanzin was hem niet vreemd.  Om die grootheidswaanzin te etaleren, geeft hij opdracht het dak van de tempel met bladgoud te bekleden.  Maar hij was niet de enige gekke monnik.  De tempel kende in zijn geschiedenis nog andere, vreemde monniken.  Zoals die ene monnik, die de tempel in 1950 in brand stak.  De tempel had de Tweede Wereldoorlog zonder brokken doorstaan.  Maar tegen een gekke, pyromane monnik had het geen verweer.  In 1955 werd de tempel heropgebouwd, waarbij de bedekking met goud werd uitgebreid tot de onderste verdiepingen.  Grootheidswaanzin blijkt van alle tijden te zijn.
 
Aan dit Paviljoen merken we onmiddellijk dat de rustige dagen voorbij zijn.  Terwijl wij de vorige dagen nog konden denken dat wij de enige toeristen waren, is die gedachte nu ver weg.  Aan de ingang braken bussen hun lading uit.  Honderden toeristen.  Duizenden toeristen.  De massa.  Het wordt aanschuiven.  Dringen en wringen.
 
 
We laten ons opnemen in de stroom toeristen.  Laten ons meedrijven.  Gewillig gaan we mee in de flow.  Zich hiertegen verzetten heeft geen enkele zin.  Verzet kan nuttig zijn.  Maar dan enkel op de juiste plaats.  Enkel op het juiste moment.  Die juiste plaats is niet hier.  Dat juiste moment is niet nu.  We doen dus wat de andere toeristen doen.  Als een kuddedier trekken we foto’s op momenten dat de anderen foto’s trekken.  We stappen door als de anderen doorstappen.  Het lijkt wel alsof we geprogrammeerd zijn.  Het lijkt niet alleen zo.  Het is ook zo.  Het voelt ook zo.  Dat meedrijven verhindert de totaalervaring.  Daarom besluiten we uit die stroom te stappen.  We zetten ons aan de kant.  Keren terug.  Naar het beginpunt.  Om alles opnieuw te doen.  Maar nu doen we het rustig.  Zonder die lichte, aanwezige dwang mee te stappen in de stroom.  We zoeken ons eigen tempo.  Enkel op die manier worden we terug meester over ons eigen handelen.  Pas nu slagen we er in het totaalplaatje te zien.  We zien paviljoen en omgeving.  De tempel en de tuin.  We zien de tempel en het water.  We zien de details, die we voordien niet zagen.  Deze les nemen we mee voor de rest van de dag.  We laten ons niet meer opjagen.  Zen wordt het codewoord voor vandaag.
 

 
Wij hebben de juiste instelling gevonden voor het volgende bezoek.  Net op tijd.  Wij gaan naar Ryoan-ji.  Een tempel met zentuin.  Of droge tuin, zo wordt die ook wel genoemd.  In die droge tuin van vijfentwintig op tien meter liggen vijftien stenen.  Rotsstenen.  Die zijn daar niet zomaar gelegd.  Dat aantal is niet zomaar gekozen.  Alles heeft een betekenis.  Het getal vijftien staat voor perfectie.  Wie die vijftien stenen zittend kan onderscheiden, mag zich perfect noemen.  Dat zou niet lukken.  Niemand zou het kunnen.  Dat hoeft u niet te verbazen.  Een gewone sterveling kan nooit perfect zijn.  Voorwaar een wijze les.  Een ontnuchterende les.  Enkel Boeddha is perfect, de mens niet.  Ondanks die wetenschap geen we toch de uitdaging aan.  Altijd is er wel die ene uitzondering.  Ik kan enkel hopen dat ik die uitzondering ben.  Ik ga dus tellen.  Het wonder geschiedt.  Ik tel vijftien rotsen.  Perfectie lijkt mijn deel te zijn.  Toch moet ik iets bekennen.  Ik kwam niet zomaar tot dat resultaat.  Ik stond rechtop.  Had dus een mooi overzicht.  Ik speelde vals.  Met dat valsspelen erken ik meteen imperfect te zijn.  Boeddha houdt mij een spiegel voor.  Ik buig het hoofd.
 
Er blijkt heel wat discussie te bestaan over de betekenis van deze zentuin.  Velen menen dat het zoeken naar een betekenis het zengevoel verstoort.  Velen beweren dat de tuin enkel moet beleefd worden.  Zonder die noodzakelijke zoektocht naar mogelijke perfectie.  De tuin moet gelezen worden.  Moet gevoeld worden.  Meer niet.  Dat is alles.  Dat zou best wel kunnen.  Want wat is een tuin met enkel kiezelstenen en vijftien rotsen? Kan dat wel een tuin genoemd worden? In die tuin vindt de bezoeker geen enkele afleiding.  Hij of zij gaat de confrontatie aan met zichzelf.  In die confrontatie vindt de bezoeker rust.  Of tracht diezelfde bezoeker rust te vinden.  Daarmee lijkt een antwoord gegeven te zijn op de vraag of deze droge tuin wel een tuin kan genoemd worden.  Want is rust niet één van de bestaansredenen van een tuin.  Ik dacht het wel.  Kiezelstenen en rotsen, het kan een tuin genoemd worden.
 
 
Voor het volgende bezoek wijken we even af van het drukke toeristenpad.  We maken een zijsprongetje.  We hoeven daarvoor niet de bus op.  Het kan te voet.  Beide bezienswaardigheden liggen op wandelafstand van elkaar.  In tegenstelling tot de vorige twee attracties staat de Toji In tempel niet op de Unesco-lijst van werelderfgoed.  Dat is een niet onbelangrijk verschil.  Deze tempel is niet terug te vinden in de diverse lijstjes van absolute aanraders in Kyoto.  Onbekend maakt onbemind.  Een waarheid als een koe.  Dat merken we ook bij deze tempel.  Wij zijn hier alleen.  Of toch bijna.  Geen bussen.  Geen (wacht)rijen.  Optimaal genieten.  Wandelend in de tuin.  Liggend op een tatami in één van de bijhuisjes.  We ademen de rust in.  Met onze ogen dicht.  Want wij beseffen dat wij na dit bezoek opnieuw de drukte moeten induiken.  Dus, nog even.  Nog heel even die rust aanhouden.
 

 
De rust is voorbij.  Wij gaan naar het Fushimi Inari heiligdom, even buiten de stad.  Dit heiligdom is gewijd aan Inari, de god van de rijst en de sake.  Hoofdattractie van deze plek zijn de duizend torii waarlangs wij heen moeten om het heiligdom te bereiken.  Elk van deze torii wordt gesponsord door een firma.  In ruil voor deze dotatie wordt op de torii de naam van de sponsor gezet.  Handel en religie lijken hier wonderwel samen te gaan.  Geld lijkt ook hier een toegangsticket tot de hemel te zijn.  Dat wordt toch gehoopt.  Er wordt gehoopt dat die dotatie recht geeft op voorspraak bij de allerhoogste.  Toch zijn er niet enkel die duizend torii.  Er zijn ook die vele vossenbeelden.  Vossen met in hun bek een sleutel.  Die vossen staan er niet zomaar.  Die sleutels klemmen ze niet zomaar in hun muil.  Die vossen zijn de wachters.  De wakers.  Die vossen waken over de rijstschuren.  Vrijwaren die schuren van alle mogelijke gevaren.  
 
 

 
Dit heiligdom is misschien wel de populairste bestemming in en rond Kyoto.  Een ware volkstoeloop zien wij hier.  Dan volgt dat onvermijdelijke.  Waar veel mensen zijn, volgt de commercie.  Dat is een eeuwenoude wetmatigheid.  Kyoto vormt hierop geen uitzondering.  Op de weg naar de ingang tot het heiligdom staan allerlei kraampjes.  Eetkraampjes.  Souvenirkraampjes.  Net zoals in Lourdes.  Een bezoeker moet aan al die verleidingen weerstaan om tot contemplatie te komen.  Die tocht langs al die kraampjes kan gezien worden als een oefening in onthouding.  Niet toegeven aan die commerciële verlokkingen.  Verleidingen.  Wij kijken niet om ons heen.  Niet links.  Niet rechts.  Wij kijken vooruit.  Wenden ons af van het wereldse.  Wij gaan naar die andere wereld.  Het bovenwereldse.  Dat lijkt ons de juiste ingesteldheid om te verzaken aan al die kraampjes.  Nu niet.  Misschien wel op de terugweg.  Heel misschien.  Om zo opnieuw neer te dalen naar het wereldse.
 
 
Hier beleven we opnieuw dat fenomeen.  Het fenomeen van de prachtlocatie.  Die prachtige locatie om dé vakantiefoto te nemen.  Alweer wordt het een uitdaging een fotootje te nemen zonder één vervelende toerist op de achtergrond.  Soms kunnen toeristen echt een pest zijn.  Althans, dat is wat wij vinden van die andere toeristen.  Enkel die andere toeristen zijn een storende factor.  Wij niet.  Enkel die andere toeristen zijn een verstorende factor.  Wij niet.  
 
 
Ondanks de aanwezigheid van die massa gaan we toch de uitdaging aan.  Wij moeten engelengeduld hebben.  Wachten, wachten en nog eens wachten.  Tot dat ene moment dat de door ons gekozen locatie volledig vrij is.  Vrij van stoorzenders.  Dan gaan we aan de slag.  Bliksemsnel.  De camera klikt.  Flitst.  In enkele seconden tijd worden vele foto’s genomen.  We leven in het digitale tijdperk.  Het tijdperk van een overload aan foto’s.  Heel soms verlang ik naar die tijd van het filmrolletje.  Maar die tijd is voorbij.  Ver voorbij.
 
Allerlei poses nemen wij aan.  Grappige.  Ernstige.  Een combinatie van beide.  We wanen ons vedetten.  Popsterren.  Op de hielen gezeten door paparazzi.  Maar we verhullen ons niet.  We verbergen ons niet.  We werken mee.  Gewillig en spontaan.  Hopend op die ene prachtfoto.  Een samenspel van zon en oranje torii.  Daaraan toegevoegd twee enthousiastelingen.  Dat moet het geslaagde recept zijn van de ideale vakantiefoto.  Geen enkele twijfel.  Succes gegarandeerd.
 
De laatste halte van de dag is de Sanjusangen-do-tempel, gewijd aan Kannon, de god van de genade.  In dit houten paviljoen, het grootste ter wereld, staan duizend en één beelden van Kannon.  Duizend identieke.  Kleinere.  Eén grote.  Supergrote.  Zeventig kunstenaars hebben gedurende honderd jaar aan deze beelden gewerkt.  Pas na honderd jaar was de collectie compleet.  Rome werd niet op één dag gebouwd.  Van deze tempel kan hetzelfde gezegd worden.  Schoonheid vraagt geduld.  Net als vakmanschap.
 
Het grote beeld werd gesneden door een tweeëntachtigjarige kunstenaar.  Het beeld stelt een duizend-armige Kannon voor.  Duizend armen snijden zou net iets te moeilijk zijn.  Een iets te grote uitdaging.  Zelfs voor een ervaren beeldhouwer.  Daarom kwam men tot die ene oplossing.  In dat alternatief zouden slechts veertig armen gesneden worden.  Elke arm zou vijfentwintig werelden vertegenwoordigen.  Veertig maal vijfentwintig is duizend.  Via een omweggetje kwam men ook tot dat grote aantal.  Inventiviteit kan soms handig zijn.  Wiskunde kan soms handig zijn.  Het aangenomen en gerealiseerde alternatief betekende een besparing in arbeidstijd.  Enkel de gidsen, die vandaag de toeristen rondleiden, moeten net iets meer tijd investeren in een acceptabele verklaring.  Want waar zijn toch die duizend armen gebleven?
 
Nog één dingetje wil ik vertellen over deze tempel.  Want deze tempel is de houder van een wel heel bijzonder record.  Elk jaar wordt op deze plek een boogschietwedstrijd gehouden.  Van de ene kant van de hoofdzaal worden pijlen geschoten.  Naar de andere kant van de hoofdzaal.  Vierentwintig uur lang.  Non-stop.  Dat ene, fameuze record werd gevestigd in de zeventiende eeuw.  Sindsdien werd het nog niet verbeterd.  Dat record blijft overeind.  Omwille van die unieke, niet te evenaren prestatie.  Op die ene dag in de zeventiende eeuw werden door één persoon dertienduizend pijlen afgeschoten.  Op vierentwintig uur.  Van die pijlen troffen achtduizend pijlen doel.  Ik heb het even nagerekend.  Dat is bijna zes pijlen per minuut.  Zes pijlen die doel troffen.  Het is bijna niet te geloven.  Zou het een fabeltje zijn? Of zou die ene schutter ook de beschikking gehad hebben over duizend armen? Net als Kannon? Je zou het bijna denken.
 

 
Om de dag te eindigen, gaan we naar een theeceremonie.  Japan bezoeken zonder een dergelijke ceremonie, het zou niet mogen.  Wij doen het.  Thee drinken doe je niet zomaar.  Dat merken we meteen.  Dat horen we meteen.  Want voor het eigenlijke proeven, krijgen wij een hele uiteenzetting.  Over het verloop.  Want dat ligt vast.  Over de regeltjes.  Want die zijn er.  
 
Een gast komt niet zomaar binnengewandeld.  Die gast moet voorbereid zijn.  Die voorbereiding eist dat hij bij zich drie benodigdheden heeft.  Verplicht.  Hierover valt niet te onderhandelen.  Het is niet zoals bij Bart Peeters in zijn Gamma-sketches uit het Peulengaleis.  Geen hamertje.  Geen beiteltje.  Geen zaagsken.  Wel een waaiertje, een papiertje (voor aangeboden zoetigheden) en een mesje.  Dat waaiertje heeft een specifieke functie.  Het doet dienst als een figuurlijke barrière.  Als een barrière wordt het tussen de gast en de gastheer geplaatst.  Pas na het groeten wordt het waaiertje weggenomen.  Dan zijn er geen obstakels meer.  Geen grenzen.  Vanaf dat moment is er connectie.
 
Pas als er connectie is, kan er gedronken worden.  Maar dat kan niet zomaar.  Snel, snel het bekertje aan de mond en drinken, zo werkt het niet.  Alles moet gebeuren volgens de regeltjes.  Om de vier eigenschappen, die een theeceremonie maken tot wat het vandaag nog altijd is, te garanderen.  Die vier eigenschappen zijn: harmonie, respect, zuiverheid en rust.  Om dat te kunnen waarborgen, zijn regels bijna noodzakelijk.  We nemen het kommetje aan met de rechterhand.  Pas dan in beide handen.  We brengen het kommetje iets omhoog en groeten nogmaals de gastheer.  Als dank voor al het goede.  Het kommetje draaien we dan 180 graden.  De thee drinken we uit in drie teugen waarbij de laatste teug gepaard gaat met een luide slurp.
 

 
Tot slot nog dit.  U kan niet om het even waar zitten.  De plaatsen bij een theeceremonie hebben een betekenis.  Dichtst bij de gastheer zit de belangrijkste gast.  Hoe verder van de gastheer, hoe minder belangrijk u wordt geacht.  Dat kan best confronterend werken.  Het kan gebeuren dat uw ego niet ongeschonden een theeceremonie buiten stapt. 
 
Een gezellige babbel wordt het ook niet meteen.  Alles verloopt via die belangrijkste gast.  Rechtstreeks vragen stellen, is bijna niet mogelijk.  Vragen moeten stilletjes worden doorgegeven tot bij die VIP-gast, die dan luidop de betreffende vraag kan stellen.  Een behoorlijke poespas.  Een hele rompslomp.  Maar respect moet er zijn.  Respect moet betuigd worden.
 
Nu zou u kunnen denken dat een theeceremonie heel wat stress veroorzaakt bij de gasten.  Omdat die gasten bang zijn tegen één of meerdere regeltjes te zondigen.  Dat gebeurt niet.  Net het omgekeerde gebeurt.  Al die regeltjes zorgen voor een zekere rust.  Zorgen voor een zeker evenwicht.  Er wordt niet door elkaar gepraat.  Er wordt niet geroepen.  Een serene stilte heerst.  Een sereniteit, die zich overzet op de gasten.  Ik kijk om mij heen.  Naar dat schouwspel.  Ik ben geboeid.  Gefascineerd.
 
De theeceremonie was een perfecte afsluiter.  Wij houden die rust aan voor de rest van de avond.  Volledig tot rust gekomen, kruipen wij in ons bedje.  Dromen wij van de volgende dag.  Van de volgende avonturen.  Nog één dag in Kyoto.

Mijn reisverhaal Japan.  Dag 11: Kyoto.  Te lezen op dinsdag 31/01/2017.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen