donderdag 17 augustus 2017

Uitgelezen: Passendale - Ieper 1917. Brief aan Nick Lloyd.

Beste Nick,
 
Gevallen voor allen, door allen geprezen, door ’t vallen gerezen hoog boven allen! Oei, dat moet u denken.  Wat een vreemd begin voor een brief, dat zal u heel waarschijnlijk ook denken.  Maar wees gerust, ik kan het verklaren.  Dat zal blijken.  U hoeft zich geen zorgen te maken over mijn geestelijke gezondheid.  Daarover wil ik u geruststellen.  Ik ben in orde.  Althans, zo meen ik persoonlijk te mogen oordelen over mijzelf.  Genoeg nu.  Laat ons tot de kern van de zaak komen.  Laat mij een verklaring bieden voor die vreemde woorden bij het begin van mijn brief.
 
Ik stond op het marktplein van Watou.  Ik had een uitnodiging voor een feestje.  Voor een feestje ben ik steeds te vinden.  Zelfs al is het in Watou.  Dan nog zal ik gaan.  Ik schrijf u evenwel niet om het over feestjes te hebben.  Woorden zijn duur.  Die moeten gebruikt worden om de juiste zaak te dienen.  Die juiste zaak is uw boek.  Die had ik in mijn koffer.  Nog enkele bladzijden moest ik lezen.  Dat zou hier gebeuren.  Hier zou ik uw boek lezen.  Dicht bij de plaatsen die in uw boek genoemd worden.
 
Zonnebeke.  Poelkapelle.  Geluveld.  Broodseinde.  Sint-Juliaan.  Langemark.  Passendale.  Over dat laatste dorpje gaat uw boek.  Over de slag bij Passendale.  Dat blijkt niet de juiste naam te zijn van dat offensief.  De Derde Slag bij Ieper.  Zo noemen de Britten die slag officieel.  De Duitsers hebben het dan weer over de Flandernschlacht.  Die naam is minder belangrijk.  De historische betekenis van die slag is dat veel meer.
 
Die slag, die uiteindelijk vijfhonderdduizend slachtoffers zal eisen, zaait nu nog steeds verdeeldheid.  Het ene kamp zal de slag omschrijven als militair nuttig en nodig.  Het andere kamp zal diezelfde slag beschouwen als een zinloze campagne.  U zelf kiest geen partij.  U doet onderzoek.  U brengt het verhaal.  Het totale verhaal.  U vertelt niet enkel het verhaal aan het front.  U vertelt tevens het verhaal in de hoofdkwartieren.  Aan het thuisfront.  U toont ons de visies van de opperbevelhebbers en ondergeschikten.  U toont ons de twijfels en opinies van regeringsleiders en parlementsleden.  U focust niet enkel op Passendale.  U zoomt uit op het totale front en toont aan hoe dat totale front zijn invloed heeft op Passendale en de hoofdrolspelers in die slag.
 
Wij zien hoe opperbevelhebbers niet terecht worden gewezen door de politiek.  Wij zien hoe premiers nalaten in te grijpen.  Wij worden geconfronteerd met de koppigheid van de bevelhebbers.  Met de trots van diezelfde bevelhebbers en hun weigering om eigen fouten te onderkennen en in te zien.  Wij voelen de onenigheid over de gevoerde en de te kiezen strategie.  Moet gekozen worden voor een ambitieuze doorbraak? Of moet eerder gekozen worden voor kleinschalige aanvallen, de zogenaamde bite-and-hold? U wijst ons op misrekeningen bij het opperbevel.  Op verkeerde inschattingen.  Al die elementen duwen de soldaten dieper de modder in.  Duwen diezelfde soldaten een hel in, die niet te beschrijven valt.  U doet een poging.  Een opperbeste poging.  
 
Maar u eindigt uw boek met de woorden van een Brits oorlogsverslaggever.  Als getuige van die Derde Slag bij Ieper schrijft hij dat alles wat geschreven is slechts een zwakke weergave is van de verschrikking van die slagvelden.  Zelfs de woorden van soldaten brengen geen soelaas.  In getuigenissen erkennen zij dat Passendale door de omstandigheden het ergste van het ergste is.  Maar wat is het ergste? Ik vrees dat ik mij dit nauwelijks kan voorstellen.  Ik heb een rijke fantasie maar zelfs die fantasie schiet tekort.  Vanuit mijn veilige cocon lukt het mij niet die verschrikkingen voor te stellen.  Ondanks uw trefzekere beschrijvingen.  Wat ik wel kan, is het voelen van weerzin.  Van afkeer.  Weerzin en afkeer voor een dolgedraaide mensheid.  Weerzin en afkeer voor regeringsleiders, die het nu nog aandurven om oorlog te schreeuwen.  Ik huil om de slachtoffers van een dwaze oorlog.  Ik huil om de domheid van de huidige regeringsleiders.
 
Het lijkt vreemd.  Bijna niet te geloven.  Terwijl ik uw boek lees, voelt het alsof ik naast die jonge mannen in de loopgraven sta.  Mannen? Neen, jongens zijn het nog.  Ik storm met hen mee.  Uit de loopgraven.  De vijand tegemoet.  Het spervuur tegemoet.  Ik strijd met hen mee bij de Slag bij de Meenseweg.  Bij de Slag om Polygon Wood.  Bij de Slag bij Broodseinde.  Bij de slag bij Poelkapelle.  Bij de Eerste en Tweede Slag bij Passendale.  Ik loop.  Ik schuil.  Ik duik weg in granaattrechters.  Dat alles doe ik.  Lijk ik te doen.  Wat ik niet doe, is luisteren.  Wat ik niet doe, is horen.  Dat kan ik niet.  Ik hoor de artilleriebeschietingen niet.  Ik hoor niet het gehuil en getier van de slachtoffers.  Ik hoor niet het geratel van mitrailleurvuur.  Ik hoor niet de laatste woorden van stervenden.  Ik hoor hun gebeden niet.  Ik hoor hen niet schreeuwen om moeder.  Dat alles hoor ik niet.  Maar ik voel het.  Terwijl ik uw boek lees.  Terwijl ik nu deze brief tik.  Dat geschreeuw bezorgt mij koude rillingen.
 
Die koude rillingen heb ik als ik bij dat monument sta op het marktplein van Watou.  Die koude rillingen heb ik als ik de volgende dag in Poperinge bij de executieplaats en de dodencellen sta.  Ik word stil.  Omdat ik niet de juiste woorden vind.  Omdat ik, na het lezen van uw boek, besef dat de juiste woorden nog niet bestaan.  Dat die juiste woorden buiten ons vocabularium vallen.
 
Beste Nick.  Ik wil u danken.  Voor een schitterend boek.  Voor een helder en duidelijk boek.  Voor een boek dat eer betuigt aan de moed van vele, naamloze soldaten.  Voor hen is dit boek een monument.  Een monument van woorden.  Ik ben blij het mogen gelezen te hebben.
 
Met vriendelijke groeten.

donderdag 10 augustus 2017

Tjens Matic, gezien op de Lokerse Feesten. Brief aan Arno (en bandleden).

Beste Arno,
 
Ik had een brief kunnen schrijven aan John.  U weet wel, de frontman van Fischer Z.  Ik heb het niet gedaan.  Te wisselvallig.  Concertgewijze wisselvalligheid, bedoel ik dan.  Ik had een brief kunnen schrijven aan Suggs.  U weet wel, de frontman van Madness.  Ik heb het niet gedaan.  Te vanzelfsprekend.  Concertgewijze vanzelfsprekendheid, bedoel ik dan.
 
Rest mij nog één iemand aan wie ik een brief zou kunnen schrijven.  Die ene iemand bent u.  Want ook u stond op het podium van de Lokerse Feesten.  U vermeed de wisselvalligheid.  U vermeed de vanzelfsprekendheid.  U koos voor gebalde uitmuntendheid.  Die keuze rechtvaardigt een brief.  Die keuze doet mij in de pen kruipen.  Waarbij u pen evenwel dient te vervangen door klavier.  Ik kruip dus in mijn klavier.  Of op mijn klavier.  Ik schrijf een brief.  Ik tokkel een brief.  Dat wou ik zeggen.
 
Negenenvijftig minuten.  Net geen uur.  Uit uw concert had u alle mogelijke rustpunten geschrapt.  Geen onnodige adempauzes, zo moet u gedacht hebben.  In de plaats van een rustig voortkabbelend concert met slechts heel af en toe een donderslag kregen wij een storm over ons heen.  Een orkaan.  Een tsunami.  Schuilen konden wij niet.  U hield ons bij de les.  Nauwelijks had u tijd voor enige bindteksten.  Alsof u dat niet wou.  Alsof u schrik had dat die orkaan zou gaan liggen.  Dat wou u vermijden.  Daarom enkel maar ‘merci, godverdomme’.  Dat zei u enkele keren.  Maar dat was meer dan genoeg.  Ik voelde wat u wou zeggen.  In die korte krachtterm zat die aansporing.  Want u wou dat het vuur, dat diep in u wakkerde, overging op het publiek.  Een vloek kan dat bewerkstelligen.  Een vloek kan dat realiseren.  Toch bij mij.  Diep in mij voelde ik een vuur branden.  Het vuur van die godverdomse rock and roll.  Door u aangestoken.  Door uw band aangestoken.
 
U stond op het podium.  U bewoog.  Met veel lef zou ik het dansen durven noemen.  Dat was al een tijdje geleden dat ik u dat zien doen had.  Maar deze keer gooide u zich.  U schokte.  U schudde.  U schokschouderde.  U ging maar door.  U danste met de ogen dichtgeknepen.  Alsof u in trance was.  U trok grimassen.  Gekke bekken.  Om het kort te zeggen, u was Arno.  De gekke Arno.  U was de charlatan.  De clown.  Ik keek.  Ik lachte.  Want ik keek naar iemand die ik zou willen zijn op achtenzestigjarige leeftijd.  Ik keek naar iemand, die mij toonde wat de toekomst voor mij nog in petto had.  Gekke feestjes.  Zware feestjes.  Waarop mag gedanst worden.  Geen stijldansen.  Wel vrij dansen.  Volgens eigen inspiratie.  Volgens eigen ingevingen van het moment.  Dat is wat ik zag als ik naar u keek.
 
U zong.  Alsof elk lied in zich een toverformule droeg.  Een bezweringsformule.  Gericht aan de weergoden.  De muziekgoden.  Aan alle goden.  U vroeg hen zich rustig te houden.  Zich gedeisd te houden.  U maakte hen duidelijk dat er die avond in Lokeren slechts één god was.  Die god was u.  Dat klinkt misschien een beetje buitenmaats.  Een heel klein beetje ‘over the top’.  Maar dat is het niet.  U duldde geen concurrentie.  Van niemand.  Dus ging u hard.  Voluit.  Met de voeten vooruit.  
 
U zong Que pasa.  Oh la la la.  U zong Putain putain.  The parrot brigade.  U zong Give me what I need.  The milkcow.  U zong Viva boema.  Middle class and blue eyes.  U zong datgene wat ik verwachtte adt u zou zingen.  Daarmee maakte u mij gelukkig.  Nooit had ik TC Matic live aan het werk gezien.  Ik was te jong.  Neen, ik was niet te jong.  Ik was te braaf.  In die dagen had ik schrik van rock and roll.  Dat is nu veranderd.  Ik ben veranderd.  Nu zweer ik bij rock and roll.  Ik zou mij niks anders kunnen indenken.  Maar toen was het anders.  Toen bleef ik weg van TC Matic.  Nu gaf u mij een inkijk in wat het ooit moet geweest zijn.  Neen, op podium stond niet de oorspronkelijke band.  Daarvoor waren uw bandleden te jong.  Maar zij benaderden het origineel.  Zij kwamen heel dicht in de buurt.  Ik zou kunnen treuren om wat ik gemist heb.  Maar dat deed ik niet.  Ik prees mij gelukkig om wat u mij schonk.  U deelde met mij die passie voor muziek.  Muziek, gedrenkt in een ver maar roemrijk verleden.
 
Het was niet enkel Tjens Couter.  Het was niet enkel TC Matic.  U rekte het concept uit.  U bracht The Subrovnicks binnen.  Met Meet the Freaks.  U bracht The White Trash European Blues Connection binnen.  Met No job no rock.  Wij kregen meer dan enkel Tjens Matic.  Wij kregen meerdere van uw gezichten te zien.  Om zo tot een vollediger beeld te komen.  Een vollediger beeld van u als muzikant.  Om zo deelgenoot te worden van de weg die u hebt afgelegd.  Hebt afgereisd.
 
Een gouden medaille in de zevenkamp zal u nooit winnen.  Dat zeg ik niet enkel omdat u geen vrouw bent.  Dat zeg ik ook omdat ik meen dat het u ontbreekt aan de juiste conditie.  Van u hoeft Nafi Thiam geen concurrentie te verwachten.  U zou om dat gemis kunnen treuren.  Ik kan u zeggen, dat hoeft niet.  Want maandagavond behaalde u in een andere discipline een gouden medaille.  U overtuigde.  U overwon.  U won de prijs van de jury.  U won de prijs van het publiek.  U won alle mogelijke prijzen.  Hoe dat te meten is? Hoe ik dat zo zeker weet? Ik keek om mij heen.  Ik zag enkel lachende gezichten.  Gezichten, waarin ik tevredenheid las.  Die gezichten zijn voor een artiest de gouden medaille in zijn discipline.
 
Beste Arno.  Ik wil u danken.  Voor een prachtig concert.  Ik wil u feliciteren.  Met uw prachtige performance.  Nog voor een laatste keer: godverdomme.  Godverdomme (en dat is echt de laatste keer), u deed het weer.  Alweer zegevierde u als hofnar van de rock and roll.
 
Met vriendelijke groeten.


dinsdag 8 augustus 2017

Uitgelezen: Filosofie van geweld. Brief aan Lode Lauwaert.

Beste Lode,
 
Geweld? Het zou een uiting zijn van macht.  Van kracht.  Het zou een kracht zijn die met hevigheid, onstuimigheid wordt uitgeoefend.  Tegelijk kan het begrepen worden als misbruik van macht.  Als toepassing van het recht van de sterkste.  Voorgaande definities zijn niet van mijn hand.  Ik munt niet uit in heldere bondigheid.  Vaak heb ik meer woorden nodig.  Ik schreef het al, voorgaande definities zijn dan ook niet van mijn hand.  Daarvoor ging ik te rade bij de heer Van Dale.  Vaak wordt hij ook wel aangesproken met ‘de dikke Van Dale’.  Uit deze gemakzucht zou u kunnen afleiden dat ik weinig of niet nadenk over geweld.  Dat ik uw boek nodig had om daarover te gaan peinzen.  Dat is niet zo.  Bij uitbarstingen of uitingen van geweld durf ik mijn verontwaardiging te uiten.  In algemene termen.  Algemeenheid is vaagheid.  Dat weet ik nu.  Na het lezen van uw boek.
 
U kijkt voorbij die algemeenheden.  U ontleedt het fenomeen.  Dat doet u niet alleen.  U vraagt hulp aan vrienden/collega’s.  Samen kijkt u naar het fenomeen, dat wij geweld noemen.  In uw boek lees ik dat het publiek bij gewelddelicten al te vaak de neiging heeft om het geweld te veroordelen.  Zondermeer.  Als voorbeeld haalt u de marsen aan tegen zinloos geweld.  Of u verwijst naar Anders Breivik om uw stelling duidelijk te maken.  Het publiek veroordeelt die vormen van geweld.  Zonder zich de moeite te getroosten om een verklaring te vinden voor dat geweld.  Omdat datzelfde publiek verkeerdelijk veronderstelt met die zoektocht begrip te tonen voor de daad op zich.  Voor de dader.  U trapt niet in die val.  U ontwijkt die.  
 
Het publiek blijkt al te vaak enkel stil te staan bij zichtbare vormen van geweld.  Daarmee lijkt het voorbij te gaan aan het feit dat vele vormen van geweld zich verbergen.  Zich verhullen.  Waardoor ze niet waarneembaar zijn met het blote oog.  Ook blijkt geweld vaak gelinkt te zijn aan houdingen en standpunten.  Een bestaan waarvan wij ons helemaal niet bewust blijken te zijn.
 
In vele maatschappelijke domeinen is geweld actief.  Ik had uw boek nodig om hierbij stil te staan.  Bij het lezen van uw boek betrapte ik mij op die ene fout.  Op die ene neiging.  Dat is de neiging om aan alles snel voorbij te gaan.  De neiging om onvoldoende tijd te nemen om te overschouwen.  Te overpeinzen.  Dat toont u aan.  Zo bemerk ik dat ik al te gemakkelijk voorbij ga aan het geweld, dat zich manifesteert in het economisch handelen.  Dat is er nochtans.  Mechanismen als uitbuiting, uitsluiting, vervreemding of discriminatie kunnen in deze misschien niet begrepen worden als uitingen van geweld.  Toch is het zo.  U documenteert dit rijkelijk.
 
Onze houding tegenover vluchtelingen kan evenzo geïnterpreteerd worden als een vorm van geweld.  Het gemaakte onderscheid tussen economische en politieke vluchteling is artificieel.  Want wordt een economische vluchteling ook niet belaagd door geweld? Is hongersnood, armoede en werkloosheid ook geen vorm van geweld? Het gemaakte onderscheid lijkt resultaat te zijn van politieke keuzes.  Het gevolg van een politiek compromis.  De een laten we binnen.  De ander weigeren we de toegang.  Kunnen deze afwegingen niet als een vorm van geweld beschouwd worden?
 
U blijft stilstaan bij onze poging om een internationale vrede te bewerkstelligen door internationaal recht.  U stelt dat de vooruitzichten op een dergelijke vrede weinig bemoedigend zijn.  Het project van internationale eenheid door het recht staat in spanning met de autonomie van de afzonderlijke natiestaten, die ook elk afzonderlijk het potentiële geweld met kracht van wet pogen te bezweren.  Ik meen te mogen stellen dat het falen in deze poging het geweld bestendigt.  Of ga ik hier al te kort door de bocht? Ik meen in uw boek hiervoor argumenten te vinden.
 
Een zelfde denkoefening maakt u met religie.  Met de blik van de ander.  Met liefde.  Juist die domeinen, waarin vrede en rust mag verwacht worden, toont u aan dat een link met geweld aanwezig is.
 
Ik moet bekennen.  Dit boek heb ik niet gelezen in de tuin.  Niet in de zetel.  Dit boek heb ik niet gelezen met de radio aan.  Ik heb mij afgezonderd.  Ik heb mij teruggetrokken in mijn bureau.  Aan de bureautafel ging ik lezen.  Zonder radio.  Die stilte vraagt uw boek.  Eist uw boek.  Mogelijke afleiding moet voorkomen worden.  Op die manier kon ik bij de les blijven.  Enkel op die manier kon ik de geponeerde stellingen helder volgen.  Op die manier liep ik niet verloren.
 
Aan mijn tafeltje las ik over Montesquieu.  Over Adam Smith.  Over Jacques Derrida.  Over Thomas Hobbes.  Over Aristoteles.  Over Hannah Arendt.  Over Freud.  Over Sartre.  Over Lacan.  Over Foucault.  Zelfs over de Makkabeeën wist u mij te onderhouden.  Ik moet bekennen, uw boek was een uitdaging voor mij.  Ik ben een eenvoudige jongen, die gemakkelijk verdwaalt in veel van die theorieën.  Maar ik hield vol.  Ik bleef lezen.  Tot aan het einde.  Ik las uw boek.  Van begin tot einde.
 
Nu mag ik het boek definitief dichtklappen.  Maar in mijn hoofd blijft uw boek rare dingen met mij doen.  Het boek blijft spoken in mijn hoofd.  Ik blijf op zoek gaan naar antwoorden.  Naar een juiste houding tegenover uw stellingen in het boek.  Dat proces zal nog een tijdje doorgaan.  Dat hoef ik niet erg te vinden.  Integendeel.  Ik vind het fijn.  Omdat het mij scherp houdt.
 
Beste Lode.  Ik wil u danken voor deze uitdaging.  Voor deze denkoefening.  Ik wil u danken voor deze boeiende en intense reis.  Ik wil u danken voor een boek, dat mij nog enige tijd in zijn greep zal houden.
 
Met vriendelijke groeten.

donderdag 3 augustus 2017

The Joshua Tree Tour 2017 van U2, gezien in het Koning Boudewijnstadion. Brief aan Paul, David, Larry en Adam.

Beste Paul (aka Bono),
Beste David (aka The Edge),
Beste Larry,
Beste Adam,
 
Ik wil jullie mijn verhaal vertellen.  Het verhaal van jullie concert.  Maar dan moet ik beginnen bij het begin.  Dat is zo met een verhaal.  Zelfs met een brief.  Elk verhaal heeft een begin.  Een midden.  Een eind.  We moeten dus even terug in de tijd.  Naar de aankoop van het ticket.  Dat had wat voeten in de aarde.  Aanvankelijk was het ons niet gelukt.  We hadden geen kaartje.  We konden niet gaan.  We waren teleurgesteld.  Verdrietig, dat waren wij.  Maar dan was er plots dat moment.  Dat moment, waarop wij gaan twijfelen of God dan toch niet zou kunnen bestaan.  We zaten in een restaurant.  In Novgorod.  Op doorreis doorheen Rusland.  In dat restaurant kregen we een mailtje.  Dat er toch nog plaatsen voor het concert beschikbaar waren.  Wij stonden op de wachtlijst.  Wij hadden voorrang.  Wij twijfelden niet.  Wij kochten een ticket.  De aanvankelijke teleurstelling was weg.  Nu waren we euforisch.  Brussels, here we come.  Dat dachten wij in Novgorod.
 
Het begin is verteld.  Ik kan beginnen aan jullie concert.  Maar dan zou ik afbreuk doen aan die ene.  Die ene uit het voorprogramma.  Hem mag ik niet vergeten.  Want u koos Noel Gallagher, de ene helft van Oasis, als opener.  Ik kan dan twee dingen denken.  Ik zou die keuze kunnen wijten aan enige arrogantie van uwentwege.  Of ik zou die keuze kunnen wijten aan het respect van Noel voor uw lange en succesvolle bestaan.  Ik gok op het laatste.  Want van enige arrogantie durf ik jullie niet te verdenken.  Jullie zijn nuchtere Ieren.  Met beide voetjes op de grond.  
 
Noel Gallagher mocht dus openen.  Dat deed hij met verve.  Hij, samen met zijn High Flying Birds, overtuigde.  Hij bracht nummers van Oasis.  Uiteraard.  Dat hadden we gehoopt.  Dat hadden we verwacht.  Champagne supernova.  Wonderwall.  Don’t look back in anger.  Blij deze klassiekers live te mogen horen.  Maar het was niet enkel dat.  Ook zijn eigen nummers bleven live overeind.  Dit was al een feestje.  Dan moest het grote, eigenlijke feest nog beginnen.  Dit zou een onvergetelijke avond worden.  Dat wisten we nu al.
 
The whole of the moon.  Dat liedje van The Waterboys gebruikten jullie om ons te melden dat het eigenlijke concert zou beginnen.  Heel waarschijnlijk was het niet jullie bedoeling.  Jullie katapulteerden mij terug naar mijn slaapkamer.  Mijn slaapkamer in het ouderlijke huis.  Op die kamer luisterde ik ontelbare keren naar die plaat.  Net als ik op die kamer luisterde naar The Joshua Tree.  Eveneens ontelbare keren.  Tijdens het hele concert zou het voelen alsof ik op mijn slaapkamer zat.  Lijfelijk was ik in Brussel.  Geestelijk keerde ik terug naar mijn jeugd.  Ik dacht aan mijn jeugdvrienden.  Mijn buren.  Ik dacht terug aan een heerlijke tijd.  Samen met jullie muziek bezorgden die herinneringen mij kippenvel.  Van kop tot teen.  Het zou niet weggaan.  Geen enkel moment.
 
Jullie weten hoe een concert op te bouwen.  Jullie weten hoe een stadion in te palmen.  Jullie weten hoe een publiek een onvergetelijke avond te bezorgen.  Dat bleek alweer gisteren.  Jullie startten sterk met een aantal klassiekers.  Wij hadden een zitplaats.  Maar van bij de start beseften we dat ons stoeltje enkel zou gebruikt worden als bergplaats voor onze trui.  Wij gingen rechtop staan.  Om mee te zingen.  Op de juiste momenten.  Om mee te neuriën.  Op de juiste momenten.  Ik kon wel huilen.  Van pure emotie.  Want dat is wat muziek in de eerste plaats is.  Emotie.  Jullie beseffen dat meer dan goed.
 
Dan begonnen jullie aan datgene waarvoor jullie eigenlijk gekomen waren.  Aan datgene waarnaar jullie tournee vernoemd was.  Jullie begonnen aan dat bijna epische album.  The Joshua Tree.  Van begin tot einde.  Geen enkel nummer sloegen jullie over.  Van Where the streets have no name tot Mothers of the disappeared.  Nu zou een mens kunnen denken dat het na Bullet the blue sky zou stilvallen.  Omdat die nummers minder bekend zijn.  Omdat die nummers slechts weinig worden gespeeld op jullie concerten.  Omdat het herkenbare meezinggehalte minder is.  Indien iemand dat zou hebben gedacht, dan hebben jullie die persoon alleszins overtuigd van het tegendeel.  Want het concert zakte niet in.  Integendeel.  Jullie bleven acteren op hoogstaand niveau.  Gisteren bleek dat die ‘mindere’ nummers van het album live meer dan overeind bleven.  Muzikaal wisten zij te overtuigen.  Maar bij die nummers vijzelde u ook het showgedeelte wat meer op.  Het breedste ledscherm ter wereld toonde beelden die, samen met de muziek, een wondermooi geheel vormden.
 
The Joshua Tree is voorbij.  Slotfeestje? Eerst nog even Miss Sarajevo.  Een politiek statement.  Bijna vijfentwintig jaar na deze song moeten we vaststellen dat de wereld nog steeds geen vreedzame wereld is.  Nog steeds woedt oorlog.  De song herinnert ons aan het Syrische conflict.  Aan de vluchtelingencrisis.  Een concert van U2 zonder politieke, humanitaire boodschap bestaat niet.  Ik kan het enkel toejuichen.  Even stilstaan bij onrecht, het moet kunnen.  Zelfs op een concert.
 
Dan was het tijd voor het slotakkoord.  U bracht die nummers, die niet vragen om een dansvloer.  U bracht die nummers, geschreven voor een stadion.  Geschreven voor de massa.  Geschreven om te schreeuwen.  Geschreven om te springen.  Dit wordt de finale.  Die mogen wij niet vergeten.  Nooit.  Nimmer.  Dit moet ons bijblijven.  Wij voelen dat het einde dichterbij komt.  Daarom zingen we nog iets luider.  Daarom klappen we nog feller met de handen.  Om jullie te overtuigen nog langer bij ons te blijven.
 
Maar aan alle mooie dingen komt een eind.  Na iets meer dan twee uur komt dat varkentje met een lange snuit en is het vertellingsken uit.  Maar dat gebeurt niet zomaar.  Eerst wenst u de Belgen nog even te bedanken.  Want in dit landje zijn jullie groot geworden.  Daar willen jullie nog even blijven bij stilstaan.  Dat doen jullie met I will follow.  Uit het album Boy.  Ik verhuis van mijn slaapkamer naar de slaapkamer van mijn broer.  Aan hem denk ik.  Ik denk aan dat ene moment waarop hij mij naar zijn kamer riep.  Hij had net jullie debuutalbum gekocht.  Hij had een muzikale ontdekking gedaan.  Die mokerslag wilde hij met mij delen.  Die dag zag ik het licht.  Dat licht is sindsdien niet meer gedoofd.  Het bleef branden.  
 
Gisterenavond ging dat licht nog net iets feller branden.  Het Koning Boudewijnstadion baadde in een fel, niet te doven licht.  Dat licht werd gevoed door een gevoel.  Het U2 gevoel.  Een gevoel, dat niet kan beschreven worden.  Het kan enkel beleefd worden.  Dat heb ik gisteren mogen doen.  Daarvoor wil ik jullie danken.  Uitgebreid.  Welgemeend.
 
Met vriendelijke groeten.
 
Setlist:
New year’s day.
Bad.
Pride (in the name of love).
I still haven’t found what I’m looking for.
With or without you.
Bullet the blue sky.
Running to stand still.
Red hill mining town.
In God’s country.
Trip through your wires.
One tree hill.
Mothers of the disappeared.
Miss Sarajevo.
Beautiful day.
Vertigo.
Ultraviolet (light my way).
One.

 
 

dinsdag 1 augustus 2017

Uitgelezen: Mazzel Tov. Brief aan Margot Vanderstraeten.

Beste Margot,
 
Zes jaar lang was u werkstudente.  Het doet mij denken aan mijn jeugdjaren.  In die jaren was ik jobstudent.  Telkens was ik tijdelijk werknemer in de zomervakantie.  Elke vakantie werd ik wel ergens tewerkgesteld.  Een zuivelfabriek.  Een doe-het-zelfzaak.  Een boomkweker.  Het maakte mij niet uit.  Het spijzen van mijn magere studentenportefeuille was mijn voornaamste drijfveer.  Het opbouwen van een aantrekkelijk curriculum, met het oog op een uitdagende en interessante professionele carrière, was het minst van mijn zorgen.  Ik werkte.  Ik verdiende een loon.  Dat was voldoende.  Ik deed het elk jaar slechts één maand.  U werkte het hele jaar door.  Daarin ligt het verschil tussen werkstudent en jobstudent, meen ik.  Maar genoeg over mijn leven als zwoegende en wroetende werker.  Daarover wil ik het niet hebben.  Ik wil het hebben over uw boek.  Dat is de reden van mijn brief.
 
U werkte zes jaar langs als werkstudente bij een orthodox-joodse familie.  Over die jaren schreef u een boek.  Ik kwam niet verder dan pijpenkrullen en keppeltjes als ik dacht aan orthodoxe joden.  Dat moest ik tot mijn scha en schande vaststellen toen ik aan uw boek begon.  In een voorwoord bij het boek van Hans Vandecandelaere, In Molenbeek, schreef Phara de Aguirre dat wij veralgemenen bij wat wij niet kennen.  Dat wij nuanceren bij wat wij wel kennen.  Uw boek leek mij daarom een goede opstap om tot enige nuance te komen.  Om mijn kennis bij te spijkeren.
 
Eén ding maakte u vrij vroeg duidelijk in uw boek.  Onderscheid moet gemaakt worden.  Voor alle duidelijkheid.  Binnen het grote geheel moet onderscheid gemaakt worden tussen ultraorthodox en modern orthodox.  Uw werkgever/familie beschouwde zichzelf als modern orthodox.  Dat onderscheid was mij voorheen onbekend.  U kent wel die uitdrukking.  Dat gezegde met diezelfde kam en dat scheren.  Mogelijke misverstanden waren daarmee van de baan.  U had scherpte gebracht in het verhaal.  
 
Bij aanvang was u onwetend.  U wist niks.  Maar dat verandert.  Niet eensklaps.  Wel heel geleidelijk.  Via de kinderen wordt u wegwijs gemaakt in een wereld, waarin eeuwenoude tradities gelden.  Waarin geleefd wordt volgens eeuwenoude wetten.  Die kinderen worden uw gids.  Zij vullen het gat in uw kennis over hun gemeenschap.  Zij leiden u doorheen een voordien ongekend landschap.  Bar mitswa.  Koosjer.  Eroev.  Sjabbat.  Sjabbes.  Sjadchen.  In persoonlijke gesprekken en kleine discussies wordt u alles uitgelegd.  U opent uw blik.  Uw wereld wordt ruimer.
 
Niet enkel uw wereld wordt ruimer.  Want ook het omgekeerde gebeurt.  U trekt de kinderen mee in uw wereld.  In uw leefomgeving.  U vertelt hen van kerstmis.  Van pannenkoeken.  U geeft hen mode- en stijladvies.  U leert één van de kinderen fietsen.  U discussieert met hen over homoseksualiteit.  Op wandeltochten met de hond gaat u buiten de platgetreden paden.  U stapt met hen buiten het te enge wereldje.
 
Die wederkerigheid en confrontatie leidt tot respect.  Respect en begrip.  Dat opent dan weer andere deuren.  Maakt andere dingen bespreekbaar.  In gesprekken met de vader van de familie kan u spreken over het Palestijnse conflict.  Duidelijk wordt dat er binnen de gemeenschap verschillende opinies zijn.  Dat er geen unanimiteit heerst over dit conflict.  Net zomin als iedereen hetzelfde denkt over de verrechtsing in het politieke leven van Israël.  Niet iedereen juicht die evolutie toe.
 
Aangrijpend zijn de gesprekken over de holocaust.  Daarover zegt de vader dat er twee soorten verdriet zijn.  Eén dat verdraagt gekieteld te worden.  Eén dat zo groot is dat men ervan af moet blijven.  Enkel zwijgen lijkt een juiste houding.  Omdat de taal tekort schiet.  Omdat geen woorden kunnen beschrijven wat er toen gebeurd is.  Daarom zwijgt men.  Daarom blijft men ervan af.  Dat stilzwijgen doet pijn.  Die onmacht tot beschrijven doet pijn.  Ik proef de pijn als ik de vader hoor getuigen van die strijd.  Die dagelijkse strijd.  Die telkens weer moet bevochten worden.
 
In het verhaal van die orthodox-joodse familie sluipt ook uw verhaal.  U maakt u zelf deelgenoot van het verhaal.  Dat mag niet verbazen.  U schrijft over uw leven.  Dan kan u niet aan de kant blijven.  Dan moet u bereid zijn uw handen vuil te maken en de lezer toe te laten in uw leefwereld.  U vertelt over Nima, uw partner.  Over de moeilijkheden met uw schoonzus Marjane.  Nima is een vluchteling uit Iran.  U confronteert ons met de moeilijke omgang met woorden.  Woorden als vluchteling, Arabier, moslim, … Woorden kunnen vooroordelen uitlokken.  Dat toont u.  Dat bewijst u.  Samenleven is geen evidentie.  Daarvoor moet gevochten worden.  Elke dag weer.
 
Uw verhaal is niet enkel een getuigenis.  Het is meer dan dat.  Het is een pleidooi.  Heel misschien is het wel een politiek pamflet.  Dat laatste is waarschijnlijk een tikkeltje overdreven.  Alhoewel.  Ik denk het niet.  In uw verhaal lees ik een oproep niet opgesloten te blijven zitten in het eigen wereldje.  U vraagt de lezer de muren van dat eigen wereldje te slopen en naar buiten te treden.  Om elkaar te ontmoeten.  Weg van het eigen, grote gelijk.  Om op die manier onze eigen vooroordelen te counteren.  Wij moeten elkaar open in de ogen kijken.  In plaats van ons op te sluiten en onze eigen frustraties te voeden.  Dat is wat ik onderliggend doorheen uw boek voel stromen.  Die stroming kan begrepen worden als een politiek statement.
 
Herhaaldelijk moest ik lachen.  Niet luidop.  Dat is verdacht.  Ik let wel op.  Daarom lach ik stilletjes.  Ingehouden.  Ik lach om het onbegrip.  Om de onwetendheid.  Om misverstanden.  Om het stuntelen.  Om het aftasten.  Ernst en humor moeten in balans zijn.  Het één kan niet zonder het ander.  Dat lijkt u te beseffen.  Als lezer kan ik het enkel dankbaar aanvaarden.  
 
Beste Margot, ik wil u danken.  Voor het boek zelf.  Voor de aangereikte nuance.  Want enkel nuance kan leiden tot een uitgebalanceerd denken.  Dat is nodig.  Ik meen dat u een bijdrage hebt geleverd in dat streven.  Ook daarvoor wil ik u danken.  De pijpenkrullen en de keppeltjes waren verdwenen.  Weg.  Ik zag Elzira.  Ik zag Jakov.  Ik zag Simon.  Ik zag Sara.  Ik zag kinderen.  Ik zag volwassenen.  Elk met hun eigen wensen.  Dromen.  Verlangens.  Ik keek verder.  Ik zette een stap vooruit.  Niet achteruit.  In de toekomst zal ik misschien wel nog scheren.  Maar nooit meer over dezelfde kam.
 
Met vriendelijke groeten.
 
PS: Ik neem het advies van Nima ter harte.  In één van de discussies tussen u en Nima zei hij dat u misschien eens één van de politieke boeken en essays van Noam Chomsky zou moeten lezen.  Binnenkort begin ik aan de Chomsky Papers.

donderdag 6 juli 2017

Uitgelezen: De overloper. Brief aan Siegfried Lenz.

Beste Siegfried,
 
Alweer een boek over de Tweede Wereldoorlog.  Die oorlog lijkt een onuitputtelijke bron te zijn voor romans.  In mij kwam spontaan de vraag op of uw boek zich voldoende zou kunnen onderscheiden van de andere boeken met diezelfde oorlog als onderwerp.
 
Uit mijn inleidende woorden tot deze brief zou u enige terughoudendheid kunnen afleiden tegenover uw boek.  Een zekere gereserveerdheid.  Dat klopt misschien.  Ik kan het niet ontkennen.  Maar een lezer moet verder kijken dan die terughoudendheid.  Het boek zomaar aan de kant leggen, kan niet.  Een boek moet gelezen worden.  Dat is net het wonder van boeken.  Bij het lezen van een boek kan datzelfde boek groeien.  Bloeien.  Men moet verder kijken dan de neus lang is.  Zoals in het echte leven.  In dat echte leven moet men ook verder kijken.  Om schoonheid te ontdekken.  Om waarheid te ontdekken.  Ik wist wat gedaan.  Ik moest aan de slag.  Ik ging lezen.  Ik ging uw boek lezen.
 
Al vrij snel mocht ik datgene ervaren wat bij het lezen van een boek vaak gebeurt.  Het boek opende zich voor mij.  Het boek onthulde aan mij zijn schoonheid.  Het openbaarde zich.  Ik kon enkel dankbaar aanvaarden.  Vaak wordt gezegd dat schoonheid relatief is.  Maar in deze niet.  In deze was de schoonheid absoluut.  Die schoonheid openbaarde zich op vele domeinen.  Niet slechts op één.  Die schoonheid maakte het boek tot een unicum.  Tot een boek, dat zich onderscheidde van zijn collega-boeken.
 
De wereld, die door de schrijver wordt geschetst, straalt eenzaamheid uit.  Angst.  Twijfel.  Uitzichtloosheid.  De wereld, waarin de personages vertoeven, is een wrede wereld.  Een gekke wereld.  Tegenover die wereld plaatst de schrijver een taal, die alles nog zwarter kleurt.  De taal is te mooi.  De taal is te poëtisch.  Op die manier diept de schrijver het contrast verder uit.  Het contrast tussen de gebruikte taal en de geschetste wereld.  Het lijkt alsof de schrijver met zijn gekozen stijl en taal een brug te ver gaat.  Oorlog vraagt niet om dichterlijkheid.  Oorlog vraagt nuchterheid.  Door die welgekozen woorden lijken bombardementen bijna symfonieën.  Doodslag en moord lijken door die woorden ouvertures geworden.  Symfonieën en ouvertures die vragen om gehoord te worden.  Dat mag niet.  Dat lijkt niet juist.  Toch is het dat wel.  Want net door die welgekozen woorden wordt de oorlog nog gruwelijker.  Nog gewelddadiger.  Nog wreder.
 
In het boek lijkt enkel plaats te zijn voor kommer en kwel.  Toch is het niet zo.  De schrijver laat licht schijnen in het boek.  Weinig licht.  Slechts een sprankeltje.  Maar dat volstaat om te hopen.  Hoop kan redding brengen in die uitzichtloze dagen.  In die bijna verloren situatie.  Wanda moet die hoop verzinnebeelden.  Liefde overwint alles.  Dat wordt gezegd.  Maar geldt die waarheid ook in tijden van oorlog.  Ik weet het niet.  Heel misschien kan het een reden zijn om te overleven.  Om te willen overleven.  Liefde kan een tegengif zijn.  Een heilzaam tegengif.  Liefde kan het verlangen voeden.  Het verlangen naar een betere toekomst.  Een mooiere toekomst.  Vrij van oorlog en geweld.  Liefde maakt zacht.  Dat is misschien nodig om zichzelf niet te verliezen in die constante hardheid.  Enige zachtheid in een te ruw geworden wereld, het kan helend werken.
 
Bij die passages met Wanda moet ik denken aan die ene film van Steven Spielberg.  Schindler’s List.  In één fragment komt een meisje gewandeld.  Dat meisje heeft een rood kleedje aan.  Dat rood is de enige kleur in de anders volledig zwart-witfilm.  Dat rood kleedje heeft hetzelfde effect als Wanda.  Beide beogen hetzelfde effect.  Net zoals de gebruikte taal in het boek moet Wanda het contrast met de wrede oorlog scherp stellen.  Liefde tegenover oorlog.  Hoop tegenover uitzichtloosheid.
 
In het boek worden ook allerlei vragen gesteld.  De auteur legt die vragen in de mond van zijn personages.  Zo stelt Walter Proska, het hoofdpersonage, zich de vraag of er in tijden van oorlog wel plaats kan zijn voor pacifisme.  Hij weet het niet.  Hij twijfelt.  Toch meent hij dat aan de kant blijven staan geen optie kan zijn.  Er moet iets ondernomen worden om de oorlog uit te roeien.  Te beëindigen.  Die gedachtegang brengt hem tot een bijzonder besluit.  Hij loopt over.  Naar de andere kant.  Omdat hij meent dat die andere kant die oorlog daadwerkelijk kan uitroeien.  Door in hetzelfde kamp te blijven zou hij enkel de oorlog verlengen.  Dat overlopen beschouwt hij als een daad van pacifisme.  Maar zou die gedachtegang geen mooie verpakking kunnen zijn voor lafheid.  Per slot van rekening laat hij zijn strijdmakkers in de steek.  Kiest hij voor het winnende kamp.  Walter Proska lijkt zeker van zijn stuk.  Hij lijkt niet te twijfelen.  Ik, als lezer, weet het niet zo goed.  Ik maak voorbehoud.
 
De oorlog eindigt.  Stopt.  Er zijn winnaars.  Er zijn verliezers.  Nieuwe tijden breken aan.  Het zwart/grijze van de oorlog gaat liggen.  Verdampt.  De nieuwe tijden lijken zich te hullen in frisse kleuren.  In heldere kleuren.  Althans, dat is wat wordt verwacht.  Toch lijkt dat niet te gebeuren.  Er zijn nog te veel onzekerheden.  Wat is er intact gebleven van de dromen? Dromen, die men in oorlogstijd gekoesterd heeft.  Blijven die dromen overeind? Hoe realistisch blijken diezelfde dromen te zijn? 
 
Boven al die onzekerheden drijft die ene vraag.  De schuldvraag.  Walter Proska heeft een geheim.  Een geheim, dat hij met niemand kan delen.  Hij doodde iemand.  Iemand die hem genegen was.  In tijden van oorlog gebeuren dingen.  Dingen, die op het moment heel misschien te begrijpen zijn.  Te verklaren zijn.  Maar blijft dat begrip ook overeind in vredestijd? Kan die verklaring ook in vredestijd gelden? Walter Proska twijfelt.  Daarom zwijgt hij.  Daarom zal hij nooit een vrij mens zijn.  Te zeer gevangen in die schuldvraag.
 
Beste Siegfried.  Ik wil mij verontschuldigen.  Omdat ik aanvankelijk twijfelde.  Dat bleek niet nodig te zijn.  Daarvoor mijn excuses.  Ik wil u ook danken.  Voor dat prachtige boek.  Voor die wonderlijke taal.  U schreef een meesterwerk.  Dat zijn niet mijn woorden.  Die woorden gebruikte Frankfurter Allgemeine Zeitung.  Ik las uw boek.  Ik durf die woorden nu te herhalen.  Die woorden van FAZ worden ook mijn woorden.  Want u overtuigde mij.  Op meesterlijke wijze.  Op betoverende wijze.
 
Beste Siegfried.  Van harte dank.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 4 juli 2017

Mooie liedjes: Helsinki. Brief aan Thomas Vanelslander (en bij uitbreiding aan Pim De Wolf, Ace Zec en Joos Houwen).

Beste Thomas,
 
Het kan soms raar lopen in een mensenleven.  Een samenloop van omstandigheden kan tot verrassende resultaten leiden.  Zo las ik onlangs Vos van Leon Verdonschot.  Een boek over Luc De Vos.  Hij was de frontman van Gorki.  Die band zal u niet vreemd zijn.  U was gitarist in die Gentse groep.  Het lijkt vreemd dat ik dit allemaal herhaal voor u.  Alsof u hiervan niet op de hoogte zou zijn.  Toch wil ik dit omweggetje maken.  Soms is een kromme lijn te verkiezen boven een rechte lijn.  Die omweg heb ik nodig om aan te tonen dat wij ooit iets hebben gedeeld.  Wij deelden Luc De Vos.  Voor u was hij een vriend.  Voor mij was hij een idool.  Ik moet toegeven, idool is misschien een te groot woord.  Maar ik had het volle respect voor Luc.  De manier waarop hij zich presenteerde naar de buitenwereld toe kon op mijn goedkeuring rekenen.  Grappig.  Steeds met een kwinkslag.  Het jongetje, dat weigerde volwassen te worden.  Jawel, hij had mijn volle sympathie.
 
Over het boek schreef ik een stukje op mijn blog.  In de vorm van een brief gericht aan de auteur.  Omdat wij dat ene gemeenschappelijke hadden, meende ik dat ik die brief ook aan u mocht doorsturen.  Ik dacht dat het u wel zou kunnen interesseren.  Omwille van uw verleden, dat deels in Gorki lag.  Corresponderen met om het even wie is deze dagen geen enkel probleem meer.  Vroeger was het anders.  Toen moesten brieven geschreven worden.  Met pen.  Brieven moesten verstuurd worden per post.  Indien het thuisadres van de bestemmeling niet gekend was, kon de brief niet verstuurd worden.  Zo eenvoudig was het toen.  Nu is het anders.  Nu hebben we Facebook.  Facebook verving de postbode.  Facebook maakt iedereen bereikbaar.  Of toch bijna iedereen.  U was bereikbaar.  Ik zond u de brief.
 
Die brief kreeg een vervolg.  Wij werden vrienden.  Op Facebook.  Dat maakt een verschil.  Tussen een vriend op Facebook en een vriend in de echte wereld gaapt een kloof.  Een kloof, die nooit of toch heel zelden kan overbrugd worden.  Ik ben mij daarvan bewust.  Maar het geeft wel aan dat ik een gezonde interesse betoon in wat u doet.  Beroepsmatig.  Het interesseert mij te weten wat u muzikaalgewijs nog doet.  Ik wilde weten of er nog leven was na Gorki.
 
Dat leven bleek er te zijn.  Dat stelde ik al snel vast.  U zond mij een uitnodiging.  U vroeg mij de FB-pagina van Helsinki leuk te vinden.  Helsinki? Dat bleek uw nieuwe project te zijn.  U had mij nieuwsgierig gemaakt.  Ik ging op onderzoek.  Het eerste, dat ik opmerkte, was dat het begrip nieuw in ‘nieuwe project’ relatief was.  Eind 2015 bracht u een EP uit: The Band Not The City.  U draait dus al een tijdje mee.
 
Helsinki blijkt een groep te zijn met als thuisbasis Gent.  U verzamelde rond u een aantal collega-muzikanten.  Pim De Wolf van Thou.  Van Lords of Acid.  Ace Zec van Nailpins.  Van Customs.  Joos Houwen van DVKES.  Van The Tellers.  Samen vormen jullie Helsinki.  Nu zou u kunnen denken dat ik enkel over uw band gelezen heb.  Dat is niet zo.  Ik deed meer.  Ik ging ook luisteren.  De mogelijkheden om nieuwe muziek te leren kennen, zijn in deze moderne tijden velerlei.  Een tastbaar schijfje is niet echt meer nodig.  Andere oplossingen zijn mogelijk.  Eén van die oplossingen bracht mij naar The Band Not The City, uw debuut EP.
 
Vettig.  Dat is het eerste woord, dat in mij opkomt als mij zou gevraagd worden uw muziek te omschrijven.  In kringen van dieetgoeroes zou dat woord allerlei alarmlichtjes doen knipperen.  Dat is niet zo in de wereld van muziek.  Bij vettige rock gaan muziekliefhebbers op de rand van hun stoel zitten.  Ik luister en denk aan The Black Keys.  Die link moet aantonen dat uw muziek niet kan ingeperkt worden door Belgische grenzen.  U klinkt internationaal.  Om aan te tonen dat u gegroeid bent uit goede, Belgische potgrond kan ik u ook nationaal linken.  Ik zou u dan willen koppelen aan Triggerfinger.  Aan hun debuutwerk.  Die klinkt meer rechttoe rechtaan.  Minder gepolijst dan hun latere werk.  Aan die heerlijke begindagen doet uw muziek denken.
 
Aan het eind van uw EP kwam u met een aangename verrassing.  U kwam met een cover.  Een cover van één van mijn helden.  U bracht Red Right Hand van Nick Cave.  Ik zag het staan.  Ik dacht aan een gewaagde gok.  Aan het werk van Nick Cave raakt men niet ongestraft.  Dat kan enkel uitdraaien in het nadeel van degene, die covert.  Mijn held kan niet geëvenaard worden.  Kan niet overtroffen worden.  Maar dan hoorde ik uw versie.  U overtuigde mij van het tegendeel.  U bracht een eigen versie.  Een versie, die op zichzelf kan staan.  Ik dacht niet langer aan Nick Cave.  Ik dacht aan Helsinki, die lefgozers uit Gent.  Die lefgozers, die het aandurfden te raken aan Nick Cave.  Die lefgozers, die slaagden in hun opzet om een meesterwerk op een waardige wijze eer te betuigen.
 
Nu zou u kunnen denken dat enkel die ene cover mij overtuigde.  Dat enkel de interpretatie van andermans werk mij kan overtuigen van uw vakmanschap.  Zo is het niet.  Uw eigen werk bevestigt en onderstreept datzelfde vakmanschap.  Better way.  Fire, fire, fire.  Restless.  Heerlijk.  Ik luister en denk aan een podium.  Want dat is waar uw muziek om vraagt.  Waar uw muziek om schreeuwt.  Dat is ook waar ik naar uitkijk.  Naar een concert.  Ik wil jullie live aan het werk zien.  Want deze muziek moet gespeeld worden.  Moet luid gespeeld worden.  Als dat gebeurt, zal er gesprongen worden.  Zal er gedanst worden.  Helsinki op een podium.  Dat moet echte rock-’n-roll zijn.  Dat moet een feestje zijn.  Dat kan niet anders.  Daar wil ik bij zijn.  Ook dat kan niet anders.
 
Beste Thomas.  Het heeft lang geduurd.  Heel misschien te lang.  Maar nu heb ik jullie ontdekt.  Nu zal ik jullie volgen.  Nu zal ik uitkijken naar jullie volwaardige debuutalbum.  Want dat komt er aan.  Dat heb ik gelezen.  Helsinki, ik heb de band ontdekt.  Niks zal ooit nog hetzelfde zijn.
 
Ik wens jullie veel succes.
 
Met vriendelijke groeten.