dinsdag 23 mei 2017

St. Grandson, gezien in N.E.S.T. Brief aan Benjamin, Klaas, Stéphane, Jolien en Koen.

Beste Benjamin,
Beste Klaas,
Beste Stéphane,
Beste Jolien,
Beste Koen,
 
Het was woensdagavond.  Die avond stonden jullie in Gent.  Pas nu schrijf ik een brief.  Eén week later.  Ik heb naar excuses gezocht.  Ik heb er geen.  Of toch.  Ik kan mij beroepen op die ene dooddoener.  De tijd vliegt.  De tijd gaat zo snel dat mijn voornemen een brief te schrijven bijna uitdoofde.  Het feit dat ik nu aan het schrijven ben, bewijst dat het uitdoofscenario net vermeden werd.  Mijn brief wordt een feit.  Daarvoor heb ik mijn redenen.  Dat zal u dra lezen.
 
In 2015 won u De Nieuwe Lichting.  U was niet alleen.  U won samen met Zinger en I Will, I Swear.  Intussen is er al heel wat gebeurd.  Niet enkel op wereldvlak.  Ook in uw persoonlijke leven.  Uw persoonlijke leven als artiest.  U stond in New York.  U scoorde in De Afrekening op Studio Brussel.  In Vox op Radio 1.  U stond in New York.  Op een podium.  Dit jaar bracht u uw debuutalbum uit, Wildfire.
 
Ik meende voldoende redenen te hebben naar één van uw concerten te gaan.  U kwam naar Gent.  Mijn stad.  Ik zou u aan het werk zien.  Mijn nieuwsgierigheid was dubbel.  Ik was curieus naar uw live performance.  Ik was curieus naar de plek waar u zou optreden.  Democrazy had u geprogrammeerd in Nest.  De oude bibliotheek aan het Zuid.  Ik was in dat gebouw nog nooit geweest.  Niet in zijn oude hoedanigheid.  Niet in zijn nieuwe hoedanigheid.  Een zonde, ik weet het.  Zeker voor een Gentenaar.  Maar u zou hierin verandering brengen.  Eindelijk zou gerechtigheid geschieden.
 
Ik was ruim op tijd.  Zelfs in die mate dat ik ook het voorprogramma kon zien.  Vaak laat ik dat aan mij voorbijgaan.  Vaak kom ik pas naar de zaal voor de eigenlijke hoofdact.  Dat deed ik die woensdag niet.  Het werd meteen mijn eerste verrassing voor die avond.  Uncle Wellington deed het meer dan goed.  De rol van voorprogramma is weinig benijdenswaardig.  Maar deze groep wist het moment te grijpen.  Ik was in de ban.  Van de groep.  Van de zangeres.  Portishead had ik nooit live aan het werk gezien.  Maar de muziek van Uncle Wellington gaf mij een voorsmaakje.  Liet mij horen wat het kan geweest zijn.  Want in hun muziek hoorde ik echo’s van die Britse triphopband.  Klasse! Zo kan ik het samenvatten.
 
We werden muzikaal verwend.  Dan moest u nog komen.  Dit zou een fijne avond worden, dacht ik zo.  Ik kende uw debuutalbum.  Ik had geluisterd.  Meermaals.  Dromerige pop, zo zou ik het durven omschrijven.  Wat u op het podium bracht, verschilde van het album.  U klonk feller.  Minder dromerig.  Minder breekbaar.  Dat pleit in uw voordeel.  Ik hou niet van een letterlijke vertaling van het album.  Een andere artistieke invulling op het podium kan ik enkel waarderen. 
 
Zonet zei ik dat de muziek minder breekbaar klonk.  Maar dan ga ik voorbij aan die twee momenten dat u alleen op het podium stond.  Dat uw muzikanten u alleen achterlieten.  Niet uit onvrede.  Zij deden geen Daantje.  Het was zo bedoeld.  U bracht twee nummers.  Alleen.  Akoestisch.  Het werd intiemer.  Het publiek leek hetzelfde te denken.  Het werd stil.  Muisstil.  In die stilte klonk enkel uw stem.  Uw loepzuivere stem.  Een kippenvelmoment, zo kan en mag het genoemd worden.
 
Ik zei ook dat het feller klonk.  Die felheid brak zwaar door aan het eind van het concert.  Bij Lady Gold.  Dan gingen alle remmen los.  Het werd hevig.  Ruig.  Dit moment maakte van een finale wat een finale moet zijn.  Een finale moet spetteren.  Moet knallen.  Dat gebeurde.  Dit was een feestje.  Een muzikaal feestje.  Waarop de muzikanten heerlijk uit de bol gingen.  Dit kunnen zien is heerlijk.
 
Ik keek naar jullie.  Uiteraard.  Dat hoort zo bij een concert.  Ik keek en wil de woorden van Raymond van het Groenewoud gebruiken.  Citeren uit één van zijn liedjes.  Die woorden zijn de volgende: wat ik daar zag, heeft mij blij gemaakt, wat ik daar zag, heeft mij diep geraakt.  Ik zag geestdrift.  Ik zag goesting.  Veel goesting.  Dat zag ik in jullie ogen.  In de manier waarop jullie naar elkaar keken.  Jullie lachten.  In die lach meende ik te mogen lezen wat ik die avond zag en hoorde.  In die lach las ik plezier.  Las ik goedkeuring.  Las ik tevredenheid.
 
St. Grandson.  U verraste mij een tweede maal die avond.  Eerst Uncle Wellington.  Dan u.  U schonk mij een fijne, muzikale avond.  U deed mij ontdekken.  Want u liet mij kennismaken met een groep aan het begin van het grote avontuur.  Dat grote avontuur wens ik u.  Grote podia.  In België en ver daarbuiten.  Meer albums.  Waarbij u erin slaagt dat fellere live geluid nog beter te integreren in de opnames.  
 
Beste Benjamin.  Beste Klaas.  Beste Stéphane.  Beste Jolien.  Beste Koen.  Voor die fijne woensdagavond in het Gentse N.E.S.T. wil ik u danken.
 
Met vriendelijke groeten.

 
 

donderdag 18 mei 2017

Uitgelezen: De ondergrondse spoorweg. Brief aan Colson Whitehead.

Beste Colson,
 
Barack Obama noemde uw boek fantastisch.  Aangrijpend, dat zei hij ook.  Oprah Winfrey is ook een fan.  In haar commentaar erkende zij dat uw boek tot in het merg van de botten doordringt.  Dat uw boek zich nestelt en voor altijd blijft.  Dat zijn zware woorden.  Woorden, die niet courant worden gebruikt.  Dat mag ook niet.  Enkel in uitzonderlijke omstandigheden mag men zich tot die woorden wenden.  Doet men dat niet, worden die woorden uitgehold.  Doet men dat niet, leidt dat veelvuldige gebruik tot een devaluatie van die termen.  Barack Obama en Oprah Winfrey menen dat uw boek van een dergelijke uitzonderlijkheid getuigt.  Daarom dus die zware woorden.  Die terechte woorden.  Graag had ik ook enkele woorden tot u gericht.  Maar ik twijfel.  Want welke woorden kan ik als eenvoudige jongen uit Gent tegenover die grootheden stellen.  Ik weet het niet.  Toch wil ik het proberen.  Ter wille van uw boek.
 
Ik heb uw boek gelezen.  Net zoals Barack.  Net zoals Oprah.  Bij het lezen van uw boek moest ik aan vele dingen denken.  Ik dacht aan Roots.  Een Amerikaanse televisieserie uit de jaren zeventig.  Van de voorgaande eeuw.  Als negenjarig jongetje keek ik naar die serie.  Ik huilde dikke tranen.  Omwille van die pijn.  Omwille van die harde lijfstraffen.  Omwille van die onrechtvaardigheid.  Omwille van die ontmenselijking van een medemens.  Ik dacht aan Django Unchained.  Aan die film van Quentin Tarantino dacht ik als ik las over slavendrijvers.  Over slavenjagers.  Ik dacht aan de bruutheid.  Aan de hardheid.  Aan die vreemde evidentie dat het jagen op mensen ooit een eerbaar beroep was.  Bij het lezen van uw boek dacht ik aan nog één iets.  Ik dacht aan Vluchtroute.  Alweer een televisieserie uit de jaren zeventig.  Ik dacht aan die serie als ik las over het clandestiene netwerk van antislavernijactivisten.  Die activisten brachten weggevluchte slaven veilig naar het Noorden.  In hun engagement las ik eenzelfde gedrevenheid als bij de leden van de Belgische verzetsorganisatie uit Vluchtroute.  Ik las eenzelfde moed.  Een moed, die mensen doet verenigen rond eenzelfde ideaal.  Rond een rechtvaardige zaak.
 
Het volgende zal u vreemd in de oren klinken.  Toch wil ik het u niet onthouden.  Omdat ik meen gelijkenissen te zien.  Ik dacht aan Harry Potter.  Ik dacht aan de Zweinsteinexpress, de schooltrein uit de Harry Potter boekenreeks.  Het kan oneerbiedig klinken.  Dat is nochtans niet mijn bedoeling.  Voor uw werk heb ik het grootste respect.  Laat daarover geen misverstanden bestaan.  Toch hebt u de hand in mijn vreemde hersenkronkel.  U neemt het begrip van de Ondergrondse Spoorweg letterlijk.  Onder de grond creëert u een netwerk van spoorlijnen.  Van stations.  Van locomotieven en wagons.  Onder de grond denderen treinen naar de vrijheid.  Naar veiliger oorden.  Met aan boord van diezelfde treinen slaven, die hopen aan de andere kant van de lijn een nieuw leven op te bouwen.  Een beter leven.
 
Roots.  Django Unchained.  Vluchtroute.  Zweinsteinexpress.  Uw boek brengt dat alles in mij naar boven.  Indien uw boek enkel dat zou doen, zou ik het wat minnetjes vinden.  Gelukkig doet uw boek meer.  Veel meer.  Uw boek schopt mij een geweten.  Voert mij terug naar een tijd, die geweest is.  Naar een tijd, die kan zijn.  U toont mij de vele gezichten van racisme.  Van zacht naar hard.  Van openlijk naar latent.  Van actief naar passief.  Van openlijke goedkeuring van dat racisme naar stilzwijgend tolereren van datzelfde racisme.  
 
Uw boekt toont tot wat een verfoeilijk wij-zij denken kan leiden.  U toont hoe dat denken mensen degradeert tot dingen.  Tot koopwaar.  Tot eigendom.  U toont hoe dat denken de andere ontmenselijkt.  U legt het mechanisme bloot.  Een mechanisme, waarbij de huidskleur bepaalt aan welke kant men staat.  Een noodzakelijk mechanisme, dat onontbeerlijk wordt geacht.  Want op dat mechanisme draait de economie van het land.  Daarom wordt het door niemand in vraag gesteld.  Of toch door bijna niemand.  Slechts enkelen staan op.  Om zich te verzetten.  Om dat onmenselijke systeem omver te duwen.  Dat toont u ook.
 
U toont mij de angst.  Meer nog, u doet mij die angst voelen.  Ik voel die constante angst.  De angst van de zwarte op de plantages.  De angst van de zwarte op de vlucht.  De angst van de zwarte in vrijheid.  Ik voel die constante angst om straffen.  Ophanging.  Brandstapel.  Afranselingen.  Verminkingen.  Ik voel hoe die constante angst het verlangen naar vrijheid verlamt.  Ik voel hoe die constante angst tot onderdanigheid dwingt.  Gekende angst weegt minder zwaar dan ongekende angst.  De gekende angst van de plantage tegenover de ongekende angst van die grote wereld buiten de plantage.
 
Ik las uw boek.  Opnieuw weende ik dikke tranen.  Net als toen bij Roots.  Ik weende om Cora, de centrale figuur in uw boek.  Omdat ik wou dat zij slaagde.  Dat zij slaagde in haar zoektocht.  Haar zoektocht naar vrijheid.  Naar liefde.  Liefde voor een moeder.  Liefde voor een man.  Ik heb haar moed ingesproken.  Ik heb haar toegeschreeuwd dat zij moest doorzetten.  Niet opgeven.  Wel doorgaan.  Blijven doorgaan.  Ik heb haar schouderklopjes gegeven.  Ik heb haar in mijn armen gehouden en getroost.  Samen met haar heb ik gehuild.  Om tegenslag.  Om verlies.  Aan het eind heb ik haar toegeknikt.  Bevestigend toegeknikt.  Dat zij moest opstappen.  Dat haar leven kon beginnen.  Dat zij vanop die koets kon rijden naar het eindelijke begin van haar leven.  
 
Beste Colson.  Ik wil u danken.  Voor dit boek.  Dit zware boek.  Dit juiste boek.  Dit nodige boek.  Dit fantastische boek.  Want met dat ene woord van Barack Obama wil ik eindigen.  Omdat Barack Obama de juiste persoon is voor het einde van uw boek.  Voor het einde van mijn brief.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 16 mei 2017

Gert Late Night, gezien op Vier. Brief aan James Cooke en Gert Verhulst.

Beste James,
Beste Gert,
 
Ik moet u iets bekennen.  Dat wil ik meteen doen.  Omdat het deze brief niet zou verzwaren.  Omdat deze brief niet zou kreunen onder dat kleine geheimpje.  Openheid, dat is waar het om draait.  Dat is wat vrienden tot echte vrienden maakt.  Begrijp mij niet verkeerd.  Wij zijn geen vrienden.  Nog niet.  Wat niet is, kan nog komen.  Dat zei mijn moeder altijd.  Zij is een wijze vrouw.  Laat mij daarom open zijn.  Laat mij daarom met de deur in huis vallen.
 
Ik had gehoord van uw nieuwe programma.  Over dat nieuwe programma had ik gelezen.  U zou een talkshow brengen.  Vanop een boot.  Uw boot.  Vier dagen lang.  Met telkens drie gasten.  Die gasten zouden vier dagen lang op uw boot verblijven.  De gasten zouden samen ontbijten met jullie.  Zouden samen dineren met jullie.  Gedurende de dag zou het moeilijker lukken samen te zijn.  Sommige gasten hebben verplichtingen.  Professionele verplichtingen.  Dat was het uitgangspunt.  Dat zou het worden.  Ik had het gelezen.  Ik had het niet enkel gelezen.  Meteen had ik een besluit genomen.  Ik zou niet kijken.  Dat hoeft u niet persoonlijk te nemen.  Ik kijk en keek niet naar Van Gils & Gasten.  Ik keek niet naar Villa Vanthilt.  Ik keek niet naar Café Corsari.  Ik keek niet naar Cath & Gasten.  Ik kan nog vele voorbeelden aanhalen.  Ik doe het niet.  Ik meen dat u wel begrepen hebt dat ik het zo niet heb begrepen op talkshows.
 
Waarom dan toch deze brief? Dat hoor ik u zeggen.  Die vraag hoor ik u opwerpen.  Laat mij kort zijn.  Een mens neemt zich soms iets voor.  Heel soms komt van dat voornemen niks in huis.  Zoals nu.  Ik heb een vriendin.  Ook zij is een wijze vrouw.  Net als mijn moeder.  Het lijkt wel alsof ik enkel omringd word door wijze vrouwen.  Dat zou best wel eens kunnen.  Maar dat is heel misschien een onderwerp voor een andere brief.  Ik heb een vriendin.  Dat schreef ik zonet.  Zij had ook gehoord van uw nieuwe programma.  Zij stelde voor toch eens te kijken.  Om zo te zien wat het zou worden.  Wij leven samen.  Wij leven democratisch samen.  Elk heeft een gelijke stem.  Debat leidt tot een oplossing.  Heel even bleef ik op mijn standpunt.  Maar zij wist mij te overtuigen.  Dat doet zij wel vaker.  Haar overtuigingskracht heeft mij al mooie avonturen doen beleven.  Heeft mij al mooie dingen doen zien.  Zij wist haar nieuwsgierig enthousiasme op mij over te zetten.  Zij stak mij aan.
 
Wij leven in België.  Het land van het compromis.  Wij kwamen tot een compromis.  In de week zouden wij niet kijken.  Wij zouden het opnemen.  In de nacht van zaterdag op zondag wordt uw programma heruitgezonden.  Dan zouden wij het opnemen om dan zondagmiddag te kijken.  Dat lijkt bijzonder goed te werken.  Zondag heeft nood aan een zekere lichtvoetigheid.  Om de zwaarte van de voorbije week te verteren.  Om zo klaar te staan voor een nieuwe week.  Uw programma schenkt die gezochte lichtvoetigheid.  Op een aangename manier.  Op een warme manier.
 
Elke zondagmiddag schepen wij in.  Elke zondagmiddag kijken wij naar dat bijzondere fenomeen.  Hoe gasten, die elkaar weinig of niet kennen, toch kunnen samenleven.  Hoe gasten op een bijzondere manier toch slagen in het creëren van een groepsgevoel.  U bent de architect van dat groepsgevoel.  De bouwheer van dat gevoel.  Door uw spontaniteit.  Door uw humor.  Door uw lichtheid.  Door uw oprechtheid.  Ik moet eerlijk zijn, de ene keer lukt het beter dan de andere keer.  Maar elke keer is er toch die poging.  Ik wentel mij in dat opbloeiende groepsgevoel.  In die mate zelfs dat ik mij deel voel van de groep.  Het voelt alsof ik op uw boot zit.  Alsof ik één van uw gasten ben.  Dat gevoel versterkt mijn betrokkenheid.  Versterkt mijn beleving.  Net als de gasten voel ik mij op mijn gemak bij u.  U bent de perfecte gastheer.  Uw gastvrijheid lijkt oprecht.  Neen, uw gastvrijheid is oprecht.
 
Aanvankelijk stond ik weigerachtig tegenover uw programma.  Dat schreef ik in de inleiding.  Nu is het anders.  Aan het eind van uw programma kom ik telkens weer tot datzelfde besluit.  Elke keer weer spreek ik diezelfde woorden.  Dat ik graag één van uw gasten zou zijn.  Dat ik graag zou aanschuiven bij uw ontbijt.  Dat ik zou willen meebouwen aan dat groepsgevoel.  Met plezier zou ik in bed kruipen bij u.  Ik zou mijn ziel blootleggen.  Want dat is een bijzondere gave van u.  U doet mensen praten.  Niet over koetjes en kalfjes.  Wel over gevoelens.  Ik zou mij als een vis in het water voelen.  Dat denk ik.  Omdat ik mij bij u welkom zou voelen.  Want dat is wat u telkens opnieuw uitstraalt.  Een warm welkom.
 
Wie weet, misschien zien wij elkaar op de boot.  Indien niet, blijf ik kijken vanop de wal.  Naast de beste stuurlui.  Want die staan ook aan wal.  Vanop de oever zal ik elke zondag kijken naar jullie.  Elke zondag zal ik de door u geschonken lichtvoetigheid met plezier in ontvangst nemen.
 
Beste James.  Beste Gert.  Voor dat warme, zondagse gevoel wil ik u danken.  Uitgebreid en welgemeend.  Ik wens u veel succes en nog meer plezier op uw boot.

Met vriendelijke groeten.

donderdag 11 mei 2017

Uitgelezen: Schone kunsten. Brief aan Kurt Van Eeghem.

Beste Kurt,
 
Slaapcoaches zullen niet graag lezen of horen wat ik straks zal schrijven.  Al jaren raden zij aan de slaapkamer enkel voor te behouden voor slaap en liefde.  Al de rest moet buiten de slaapkamer gehouden worden.  Omdat het onze nachtrust zou verstoren.  Een slechte nachtrust kan een negatieve impact hebben op ons humeur.  Humeurige mensen zijn vaak minder gezellige mensen.  Om die mindere humeurtjes te vermijden, dienen we enkel te slapen in de slaapkamer.  Of dienen we de liefde te bedrijven om daarna zalig in te slapen.  Ik kan hen begrijpen.  Ik kan hen volgen in die gedachtegang.  Maar ondanks mijn begrip durf ik die wijze raad toch in de wind te slaan.  Niet altijd.  Wel soms.  Heel soms neem ik een boek mee naar bed.  Dat deed ik ook met uw nieuwste boek.  Ik ging slapen met Schone Kunsten.
 
Uw boek is de geschikte nachtlectuur.  De juiste slaaplectuur.  Nu zou u hieruit kunnen afleiden dat uw boek slaapverwekkend is.  Indien u dat zou denken, kan ik enkel zeggen dat u een beetje te voorbarig bent.  Dat u te snel verkeerde conclusies trekt.  Want zo heb ik het helemaal niet bedoeld.  Kwetsen, het ligt niet in mijn aard.  Met die woorden had ik iets anders voor ogen.  Iets meer verheffend.  Uw stukjes zijn de ideale intro op een zalige nachtrust.  Ik laat mij hierbij niet leiden door enige mate van overdrijving.  Geenszins.  Uw stukjes vulden mijn hoofd met schoonheid.  Schoonheid, zo veel beter dan om het even welke slaappil.
 
Elke avond las ik een kort stukje.  Een Kurt stukje.  Vergeef mij deze woordspeling.  Het was een open doelkans.  Die bal moest binnengetrapt worden.  Dat heb ik gedaan.  De woordspeling is gemaakt.  De open doelkans is benut.  Ik kan verder.  Elke avond las ik uw woorden.  Die woorden deden mij dromen.  Deden mij verlangen.  Deden mij terugdenken.  Deden mij mijmeren.
 
U leidde mij binnen in werelden, die mij voordien onbekend waren.  U bracht mij in contact met opera.  Een muziekvorm, waarmee ik niet vertrouwd ben.  Dat contact schrikt mij niet af.  Integendeel.  In uw woorden lees ik een uitnodiging.  Een uitnodiging om die reis te maken.  Die reis naar de wereld van tenors, baritons, alten en sopranen.  Het schrikt mij niet af.  Omdat u in uw stukjes overtuigt.  Niet dwingend.  Wel enthousiasmerend.  Mijn onwetendheid in deze zal verlicht worden.  Omdat u mij aanspoort te gaan zoeken naar The Demon van Rubinstein.  Naar La forza del destino van Verdi.  Naar L’Orfeo van Monteverdi.  Naar La Bohème van Puccini.  Ik zal zoeken.  Ik zal luisteren.  Ik zal genieten.  Daarvan ben ik overtuigd.  Want in uw stukjes proef ik genot.  Neem ik een voorafname op dat genot.
 
Er zit niet enkel opera in uw boek.  Er schuilt jazz in uw boek.  Art Blakey.  Ik ontdek klassieke muziek in uw boek.  Winterreise van Franz Schubert, de vierentwintig liederige cyclus.  Ik smaak de Zuid-Amerikaanse tango in uw boek.  Tango Nuevo van Astor Piazzolla.  In bed komt die muziek naar mij toegeslopen.  Het slaat zijn armen om mij heen.  Het fluistert in mijn oren dat ik al die muziekjes moet ontmoeten.  Dat in die ontmoetingen nieuw plezier zal schuilen.  Zij fluisteren in mijn oren en blijgezind vallen mijn oogjes dicht.
 
U spoort mij niet enkel aan nieuwe dingen te ontdekken.  U doet mij ook terugdenken.  U voert mij terug in de tijd.  Naar heerlijke momenten.  Met uw stukjes over Rinus Van de Velde en Berlinde De Bruyckere brengt u mij opnieuw naar Gent.  Naar het Smak.  Opnieuw loop ik door de expo’s van deze hooggewaardeerde kunstenaars.  Opnieuw lees ik hun verhalen.  Eerst voel ik die onzekerheid.  Die onzekerheid hun taal niet te kunnen begrijpen.  Dan herbeleef ik dat moment.  Dat moment waarop ik hun code breek.  Waarop ik de sleutel tot hun aparte taal vind.  Opnieuw voel ik diezelfde verwondering en bewondering.  
 
U vertelt over Damiaan De Schrijver.  Ik denk aan My dinner with André.  Spontaan begin ik te lachen.  Ik zie Damiaan wild gesticuleren.  Ik hoor Damiaan oreren.  De voorstelling speelt opnieuw door mijn hoofd.  U vertelt over Arne Sierens.  Ik denk aan Bernadetje.  In bed beginnen mijn voeten te bewegen.  Bijna zou ik gaan dansen.  Bijna zou ik op die autoscooter springen.  Ik denk aan mijn jeugd en krijg het warm.  Warme herinneringen komen in mij naar boven.  Herinneringen aan mijn jeugd.  Aan vrienden.  Aan familie.  In bed besef ik een zondagskind te zijn.  Dat alles vertelt uw stukje over Arne Sierens aan mij.
 
U herinnert mij aan boeken die ik gelezen heb.  Ik herbeleef die heerlijke sensatie bij het lezen van Alles in het klein.  Van Eriek Verpale.  Een literair pareltje.  U schrijft over één van mijn favoriete auteurs.  U schrijft over Ian McEwen.  Ik denk aan Amsterdam.  Aan Het boetekleed.  Aan Zaterdag.  Aan elk van die boeken heb ik mooie herinneringen.  Ik kan mij de omstandigheden waarin ik die boeken las voor de geest halen.  U doet mij achteromkijken.  In die achteruitblik val ik warm in slaap.
 
In bed dwingt u mij de wereld te overschouwen.  Want doorheen uw stukjes over Schone Kunsten sijpelt uw wereldbeeld.  U neemt stelling in.  De wereld laat u niet onberoerd.  U hebt een mening.  Die wil u niet onderdrukken.  U laat die toe in uw stukjes binnen te dringen.  Ik lees dat de vluchtelingenproblematiek u wakker houdt.  Dat lees ik in uw stukje over Marc Chagall.  Over Victor Hugo.  Over Red Star Line.  In uw stukjes voel ik uw ergernis over onze te angstige houding tegenover de vluchtelingen.  Over onze inhumane politieke stellingname tegenover diezelfde vluchtelingen.  Niet enkel de vluchtelingen beroeren u.  Dat doet ook de ongelijke verdeling van de welvaart.  Ook dat thema houdt u bezig.  Dat ontwar ik in uw stukje over der König Kandaules.  In bed tracht ik mijn hoofd helder te krijgen.  Mijn gedachten over die thema’s klaar te ordenen.  Het lukt.  Met uitzicht op een betere wereld val ik in slaap.
 
Ik ben bijna vijftig.  Ik heb al heel wat mogen zien.  Al heel wat mogen horen.  Mooie dingen.  Ontroerende dingen.  Beklijvende dingen.  Maar in uw boek toont u mij dat de reis nooit stopt.  De ontdekkingsreis, dat het eigenlijke leven is, gaat maar door.  U geeft mij voorzetten.  U geeft mij ideeën.  Dat alles hou ik in mij achterhoofd.  Ik weet dat ik ooit nog het atelier van Sam Dillemans in de Antwerpse Eggestraat zal binnenstappen.  Dat ik in Death Valley naar Popestone van Albert Szukalski zal kijken.  Zal staren.  Ik weet dat ik Het hout van Jeroen Brouwers nog zal lezen.  Net zoals ik Zwijgen van Ingrid Vander Veken nog zal lezen.  Of Arm Wallonië van Pascal Verbeken.  U doet mij uitkijken naar Sint-Petersburg.  U maant mij aan terug te keren naar Rotterdam.  Naar de Markthal.  Ik weet dat ik de auto zal nemen naar Le Grand Hornu.  Naar Parijs.  Voor een bezoek aan La Bourse de Commerce.  Uw boek stelt mij nog zoveel schoonheid in het vooruitzicht.  Dat is een geruststelling.  Te weten dat het leven nog vele mooie verrassingen in petto heeft voor mij.  Die geruststelling doet mij slapen.  Doet mij vast slapen.
 
U vertelt over het leven.  Heel even zelfs vertelt u over het einde van het leven.  Van uw leven.  In een stukje openbaart u reeds de muziek gekozen te hebben voor uw begrafenis.  Geheel in uw stijl.  De keuze sluit aan bij uw manier van leven.  Bij uw beleving van de Schone Kunsten.  U kiest voor Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit.  Van J.S. Bach.  In bed maak ik dezelfde oefening.  Ik ga op zoek naar een begrafenismuziekje, dat op mijn lijf geschreven staat.  Dat zou kunnen gebruikt worden bij mijn uitvaart.  Ik denk en vind.  Death of a clown.  Niet in de versie van The Kinks.  Wel in de versie van Arno.  Dat moeten ze spelen.  Dat is een zekerheid.  Alweer een zorg minder.  Met die geruststellende vaststelling val ik in slaap.
 
Elke avond nam ik uw boek mee naar bed.  Elke avond las ik een wiegeliedje.  Door u geschreven.  Voor mij.  Bijna leek het alsof u aan mijn bed zat.  Alsof u mij voorlas.  Bijna hoorde ik uw stem.  Ik hoorde uw heldere stem.  Ik hoorde u fluisteren als u moest fluisteren.  Ik hoorde u zingen als u moest zingen.  Ik hoorde u razen als u moest razen.  Telkens weer vond u de juiste intonatie.  Telkens weer legde u de juiste klemtoon.  Met uw ingebeelde aanwezigheid ging ik slapen.  Met uw verhalen ging ik slapen.  Nooit had ik onrustige nachten.  Dat kon ook niet.  U gaf mij schoonheid.  Schoonheid in vele kunsten.  Want uw reis doorheen die kunsten was divers.
 
Beste Kurt.  Ik wil u danken voor uw boek.  Voor de herinneringen aan mooie dingen.  Voor het vooruitzicht op mooie dingen.  Met een niet te stoppen enthousiasme toonde u aan dat ontroerende schoonheid één van de motoren kan zijn van een mooi en vol leven.  Dat die ontroerende schoonheid in vele dingen te vinden is.  Op die ene voorwaarde.  Dat we ons openstellen.  Dat we ons ontvankelijk verklaren.  Voor dat alles wil ik u danken.

Met vriendelijke groeten.





dinsdag 9 mei 2017

Uitgelezen: De vorm van ruïnes. Brief aan Juan Gabriel Vasquez.

Beste Juan Gabriel,
 
Colombia.  Het staat op ons lijstje.  Ons verlanglijstje met landen waar we absoluut heen willen.  De Colombianen zouden het sympathiekste volkje zijn.  Zo wordt beweerd.  Ik weet het, met dergelijke beweringen moet ik opletten.  Het wordt ook gezegd van Myanmar.  Van Iran.  Wij moeten ter plaatse gaan om het te weten.  Te ervaren.  Te voelen.  Ik zal dus naar Colombia moeten.  Net zoals u.  U keerde ook terug.  Niet om uit te zoeken of Colombia nu inderdaad de meest sympathieke bevolking heeft.  Dat weet u.  U bent zelf een Colombiaan.  U ging om andere redenen.  Want u wil Colombia begrijpen.  U onderneemt een zoektocht naar begrip.  U doet het voor u zelf.  Voor uw kinderen.
 
Centraal in die zoektocht staan twee samenzweringstheorieën.  Opgebouwd rond twee politieke moorden.  De moord op Jorge Eliécer Gaitán.  Gepleegd in 1948.  De moord op Rafael Uribe Uribe.  Gepleegd in 1914.  In beide gevallen luidt de officiële versie dat de moordenaars werden opgepakt.  De moordenaars van Uribe Uribe werden voor de rechtbank veroordeeld.  De moordenaar van Gaitán werd onmiddellijk na de aanslag gelyncht door een woedende menigte.  Die officiële versie sluipt binnen in de geschiedenis van Colombia.  Wordt deel van de historie van uw land.
 
Ondanks die officiële versie sluimeren doorheen het land kritische klanken.  Op het gevoerde onderzoek.  Op de veroordeelde schuldigen.  Zij hebben twijfels bij de vaststellingen.  Bij de besluiten.  Zij botsen op ongerijmdheden.  Op niet onderzochte sporen.  In beide gevallen komen zij uit bij een andere versie.  Een versie, waarbij meerdere personen betrokken zijn.  Personen, die buiten het gevoerde onderzoek bleven.  Die personen hoefden niet terecht te staan.  Al te zeer verweven met het Systeem.  Met de Macht.  Zij werden beschermd.
 
U doet het verhaal van die theorieën.  Van de moorden.  Van de onderzoeken.  U laat zien waar het wringt.  U wijst de lezer op de gaten in het onderzoek.  U zoomt in op het grotere geheel, waarin de eigenlijke aanslag slechts een klein deeltje is.  U laat ons achter de schermen kijken.  U leidt ons binnen bij de machthebbers en de intieme kring rond diezelfde machthebbers.  Bij het lezen van uw boek moet ik denken aan dat ene boek, JFK van Jim Garrison.  Ik moet denken aan die ene film, JFK van Oliver Stone.
 
Toch is er een verschil met dat ene boek.  Met die ene film.  U schreef fictie.  Jawel, u bent de hoofdrolspeler in het verhaal.  Dat zou de lezer kunnen doen besluiten dat uw boek mag ingedeeld worden bij de non-fictie.  Dat uw verhaal het verslag is van uw zoektocht.  Ik twijfel aan de echtheid van die andere personen.  Uw compagnons in het zoeken naar de waarheid lijken mij fictief.  Een product van uw fantasie.  Carballo en Benavides maken deel uit van uw verhaal.  Die onzekerheid doet de lezer continu twijfelen.  De lezer weet niet wat echt is.  Wat onecht is.  Jawel, die aanslagen zijn echt.  Zijn gebeurd.  Maar al de rest? Onzekerheid is troef.  Die onzekerheid voedt u ook op een andere manier.  U laat ons binnenkijken in uw privé leven.  Wij zijn getuige van de geboorte van uw dochters.  Wij volgen u in uw eigenlijke leven.  Zo sluipt de echte wereld binnen in uw boek.
 
Die gecreëerde verwarring is bewust.  Want centraal in uw roman staat die ene vraag.  Wat is geschiedenis? Wat is waarheid? Wie bepaalt welke waarheid uiteindelijk geschiedenis wordt? Waarom blijven al die kleine waarheden onder de oppervlakte? Waarom worden die kleine waarheden nooit opgepikt? Waarom botsen de vertellers van die kleine waarheden met de grote geschiedenis? Al die vragen vertaalt u in die gecreëerde verwarring.  De lezer moet zelf op zoek naar de waarheid.  Moet zelf het onderscheid maken tussen fictie en non-fictie.  Net zoals dat moet gebeuren in het echte verhaal van de moorden.  Net zoals dat moet gebeuren in andere samenzweringstheorieën.  Zoals de dood van prinses Diana.  Zoals het torpederen van de Lusitania.  Zoals 9/11.  Wat is waarheid? Wat is onzin? Die vragen moeten gesteld worden.  Elke keer weer.
 
U schrijft dit verhaal om twee redenen.  U beseft dat een land gekwetst blijft zolang vragen omtrent schuld blijven opborrelen.  Zolang het gevoel overheerst dat het eigenlijke verhaal niet werd verteld.  Een land moet de plicht hebben en voelen om op zoek te gaan naar het grote verhaal.  Om alles uit te spitten.  Tot op het bot.  Zodat alle schuldigen terechtstaan.  Zonder enige uitzondering.  Pas als dat gebeurd is, kan een land zich genezen verklaren.  Pas als die open wonden gedicht zijn, kan een land verder.  Pas dan kan het land opstaan.  Pas dan zal iedereen zich veilig voelen.  Omdat het besef aanwezig is dat recht zal gesproken worden.  Zonder inmenging.  Omdat mogelijke coupplegers zullen beseffen dat zij tot het eind der dagen zullen vervolgd worden.  Uw boek wil een bijdrage leveren in die poging.
 
Maar u schrijft dit verhaal evenzeer om de kleine man in de grote geschiedenis een stem te geven.  Om de geschiedenis vollediger te maken.  Om enkele, kleinere waarheden te onthullen.  Aan het licht te brengen.  Om aan te tonen dat geschiedenis niet enkel wordt geschreven door grootheden en beroemdheden.  Dat diezelfde geschiedenis ook mee vorm wordt gegeven door vele, ontelbare naamlozen.  Eén van die naamlozen geeft u een stem.  Geeft u eindelijk een naam.
 
Ik wil JFK van Jim Garrison herlezen.  Ik wil opnieuw grijpen naar Het Feest van de Bok.  Eén van de boeken van Mario Vargas Llosa.  Ik wil Het Geluid van Vallende Dingen lezen.  Ik wil De Informanten  herlezen.  Beide boeken werden door u geschreven.  U geeft mij opnieuw zin om het werk van Gabriel Garcia Marquez te herlezen.  Ik wil op zoek gaan naar werk van Miguel Torres.  Ik wil dat boek van Senka Marnikovic, Spoken van Sarajevo, vinden en lezen.  Maar bovenal wil ik naar Colombia.  Naar Bogota.  Ik wil uw land ontdekken.  Dat is wat ik wil.  Dat is wat ik zeker zal doen.
 
Beste Juan Gabriel.  U schreef een schitterend boek.  Een roman in de vorm van een thriller.  Een thriller in de vorm van een roman.  In dat boek stelt u pertinente vragen.  Alle antwoorden heb ik nog niet gevonden.  Maar ik blijf zoeken.  Naar die kleine waarheden, die de geschiedenis vollediger kunnen maken.  Voortaan zal ik alerter zijn.  Attenter.  Zonder geesten te zien.  Of spoken.  Daarvoor zal ik mij hoeden.  Daarvoor zal ik uitkijken.
 
Voor dat verwarrende maar oh zo schitterende boek wil ik u danken.  Voor die aangewakkerde alertheid wil ik u danken.  Van ganser harte.
 
Met vriendelijke groeten.
 

donderdag 4 mei 2017

Liefde voor Muziek, gezien op VTM. Brief aan Isabelle, Josje, Linn, Natalia, Bart, Gers, Koen en Kris.

Beste Isabelle,
Beste Josje,
Beste Linn,
Beste Natalia,
Beste Bart,
Beste Gers,
Beste Koen,
Beste Kris,
 
Enkele avonden terug zat ik op café.  Met een vriend.  In Gent.  U leest deze eerste woorden en fronst de wenkbrauwen.  U stelt zich die ene vraag.  Verbaasd vraagt u zich af wat mijn cafébezoek en u zelf met elkaar gemeen hebben.  Even geduld.  Geduld is een mooie deugd en wordt bovendien vaak beloond.  Dat zal ook in deze gebeuren.  Maar laten we stap voor stap gaan.  Op ’t gemakje.  Op café hadden we het over de wereldproblemen.  Ergernissen en oplossingen vloeiden vlotjes door elkaar heen.  Laat in de avond kwamen de koetjes en de kalfjes.  We verlieten de wereldpolitiek.  Richtten ons op de kleine dingen des levens.  
 
We kwamen uit bij Liefde voor Muziek.  Ik had dat onderwerp aangesneden.  Die avond verklaarde ik mij fan van het programma.  Dat was ik al een tijdje.  Tegenover vrienden had ik het evenwel weinig of niet opgebiecht.  Dat deed ik nu wel.  Mijn vriend keek op.  Verrast.  Ik meende mij nader te moeten verklaren.  Ik moest op zoek naar redenen om mijn kijkgedrag te verklaren.  Om te verklaren waarom ik elke maandag uitkeek naar mijn televisieavond.
 
Ik wist waarom ik keek.  Dat vertelde ik hem.  Ik zei dat het programma schoon was.  Ik zei niet mooi.  Dat deed ik bewust.  Mooi is enkel maar mooi.  In dat ene woordje ‘schoon’ schuilt zo veel meer.  In dat woord proef ik warme, oprechte gezelligheid.  Mooi is te gekunsteld.  Schoon is echt.  Is puur.  Om al die redenen zei ik dat Liefde voor Muziek schoon is.  Dat ene woordje deed mijn vriend twijfelen.  Maar hij was nog niet overtuigd.  Overtuiging was nochtans niet mijn voornaamste betrachting.  Ik wou enkel dat het programma recht werd gedaan.  Dat wou ik.
 
Ik ging verder.  Met nog meer enthousiasme.  Met nog meer overtuiging.  Ik schakelde een versnelling hoger.  In dat hoger schakelen viel ik terug op die ene stijlfiguur.  De overdrijving.  Ik zocht naar de overtreffende trap.  De overtreffende trap, die alles duidelijk moest maken.  Dan neigt men al snel tot overdrijving.  Maar zo voelde ik het niet.  Ik vertelde gewoon hoe het programma bij mij binnenkwam.
 
Ik vertelde mijn vriend een verhaaltje.  Indien ooit buitenaardse wezens op onze planeet zouden landen en ik hen zou moeten uitleggen wat muziek is, dan zou ik hen naar uw programma laten kijken.  Ik zou geen woordenboek gebruiken.  Ik zou mij niet naar Wikipedia haasten.  Ik zou die vredelievende wezens (want zij kwamen in vrede) laten voelen wat ik voelde.  Het zou een fijne avond worden.  Daarvan ben ik meer dan overtuigd.  Aan het einde van de avond zouden zij begrijpen wat muziek betekent.  Wat muziek is.  Ook daarvan ben ik overtuigd.
 
Zij zouden terugkeren naar hun planeet.  Ergens in het melkwegstelsel.  Daar zouden zij vertellen over hun ervaringen.  Over hun ontmoetingen.  Maar bovenal zouden zij vertellen over dat ene.  Dat ene, dat wij hier muziek noemen.  Zij zouden vertellen dat muziek de mens kan doen lachen.  Kan doen huilen.  Dat muziek mensen kan verenigen.  Niet enkel muzikanten.  Ook het publiek.  Zij zouden vertellen dat tussen muzikanten en publiek iets magisch kan ontstaan.  Verder zouden zij vertellen dat muziek de hoop op een ideale wereld in zich draagt.  Een wereld zonder grenzen.  Geen buitengrenzen.  Geen binnengrenzen.  Een wereld, waarin geen onderscheid wordt gemaakt.  Waarin hokjesdenken volledig afwezig is.  Zij zouden vertellen dat muziek een emotie is, waaraan iedereen zich kan warmen.  Waardoor het in koude, eenzame nachten toch nog warm kan zijn.  Waardoor het op hete, zotte avonden nog heter kan zijn.
 
Dat verhaal vertelde ik mijn vriend.  Nog één element voegde ik toe aan mijn pleidooi.  Ik zei hem dat ik elke maandagavond met een glimlach op mijn gezicht naar uw programma keek.  Ik lachte niet enkel om uw grappen en grollen.  Ik lachte ook elke keer als elk van u een interpretatie bracht van iemand anders werk.  Een interpretatie waaruit vakmanschap sprak.  Waaruit respect sprak.  Waaruit uw liefde voor muziek sprak.  Mijn lach was een lach vol van geluk.  Dat alles vertelde ik ook aan mijn vriend.  Om mijn pleidooi toch weer opnieuw van deze binnenaardse wereld te maken.
 
Wij bestelden nog enkele pintjes.  Tot wij beseften dat het de volgende dag werkendag was.  Dat wij toch ook wat dienden te slapen.  Wij betaalden onze rekening.  Verlieten het café.  Namen afscheid van elkaar.  Aan de hoek van de straat, vóór mijn vriend uit mijn gezichtsveld zou verdwijnen, keerde hij zich nog snel om naar mij.  Hij riep mij toe.  Dat hij de volgende keer zou kijken.  Ik had hem overtuigd.  Beter nog, de buitenaardse wezens hadden dat gedaan.
 
Blij fietste ik naar huis.  Blij dat mijn vriend ook dat wonderlijke gevoel zou mogen ervaren.  Blij dat het heel binnenkort alweer maandag is.
 
Beste Isabelle.  Beste Josje.  Beste Linn.  Beste Natalia.  Beste Bart.  Beste Gers.  Beste Koen.  Beste Kris.  Ik wil u danken.  Om mij elke maandagavond te doen inzien waarrond het in de muziek draait.  Waarrond het in de grote wereld buiten de muziek zou kunnen draaien.
 
Met vriendelijke groeten.
 

dinsdag 2 mei 2017

Het verlangen naar Frankrijk, gezien in de Gentse Sint-Baafsabdij. Brief aan Michiel Hendryckx.

Beste Michiel,
 
We zouden het snel even doen.  Snel even binnenspringen.  Dat zouden we doen.  Dat was de aanvankelijke intentie.  Dat was het plan.  Het klinkt weinig respectvol maar we zouden snel langs uw foto’s lopen.  Om zo toch een indruk te hebben.  Maar tussen plannen en de eigenlijke realiteit kan er heel wat gebeuren.  Omstandigheden kunnen zo hun stempel drukken.  Ik wist het nog niet.  Ik weet het nog niet.  Willem Elsschot wist het wel.  Hij wist dat tussen droom en daad wetten en praktische bezwaren in de weg staan.  Dat zou ook ik heel snel ondervinden.
 
De omstandigheden zouden ons dwingen ons geplande tempo te temperen.  De omstandigheden zouden ons dwingen een versnelling lager te schakelen.  Ik moet zeggen, daar had u de hand in.  U koos de plek voor uw fototentoonstelling.  U wou tentoonstellen in de Gentse Sint-Baafsabdij.  Met die locatie koos u voor het onaffe.  Voor het authentieke.  Voor het feit dat de abdij niet kapot gerestaureerd is.  Die redenen deden u kiezen voor deze locatie.
 
De abdij doet iets met gejaagde mensen.  Met mensen, die van plan zijn snel even binnen te springen.  Wij hebben het mogen ervaren.  Aan den lijve ondervonden wij hoe de abdij vertraagt.  Hoe de abdij dwingt tot slow motion.  Het gebeurde spontaan.  Wij zelf hoefden daarvoor niks te doen.  De omgeving maant u aan traag te gaan.  Wij luisteren.  Zo zijn wij.  Volgzaam.  Dat zijn wij.  
 
Stapvoets gingen wij.  Omdat het zo hoorde.  We wilden alle dingen in ons opnemen.  Het leek alsof wij dat onaffe verhaal van de abdij wilden vervolledigen.  Onze fantasie werd gevoed.  Wij voelden ons niet meteen ridders.  Edellieden waren we niet meteen.  Maar toch.  Wij waanden ons in een andere tijd.
 
Wij waren nog niet gearriveerd aan de refter.  De plaats voor uw tentoonstelling.  Maar toch hadden we reeds gevonden wat nodig is om die refter binnen te treden.  Innerlijke rust, dat hadden wij gevonden.  Zen zou ik het niet noemen.  Dat zou alles een beetje te zweverig maken.  Maar de aanvankelijke gehaastheid was uit ons gevloeid.  Rustige bezoekers, dat waren wij geworden.
 
Wij stapten de refter binnen.  Nog nooit waren wij hier binnengetreden.  Wij kenden deze plek niet.  Wij wisten niet wat te verwachten.  Net zomin wisten wij iets van de door u gekozen foto’s.  Ook dat was een onbekende.  Wij sprongen in het ongewisse.  In het ongekende.  Maar die sprong bleek mee te vallen.  Meer dan mee te vallen.  Meteen hadden wij het gevoel dat wij hier iets fantastisch moois mochten aanschouwen.  Onmiddellijk voelden wij ons welkom.  Uw foto’s waren de gastheer.  De gastvrouw.  Zij riepen ons toe.  Vroegen ons dichterbij te komen.  Bijna omarmden zij ons.  Zo voelde het.
 
Zich welkom voelen, altijd een heerlijk gevoel.  Wij maakten kennis.  Met de zaal.  Met de foto’s.  Eerst een snelle kennismaking.  Onmiddellijk gevolgd door een verkenning in de diepte.  Eén voor één.  Elke foto onderwierpen wij aan een grondige inspectie.  Elke foto had dat ene ding gemeenschappelijk.  Schoonheid.  Pracht.  Maar elke foto verschilde ook in dat ene.  Elke foto vertelde een ander verhaal.  Een verhaal dat wij mochten zoeken.  Dat wij mochten schrijven.  Met de nog niet geschreven woorden, die elke foto ons aanreikt.
 
Ik las vele verhalen.  Met één hoofdrolspeler.  Frankrijk.  Ik zag wat Frankrijk was.  Wat Frankrijk is.  Ik zag oorlog.  Technisch vernuft.  Ik zag menselijke warmte.  Religieuze grootheidswaanzin.  Ik zag feesten.  Uitgestrekte natuurpracht.  Ik zag tot cruisen uitnodigende rechte wegen.  Terrasjes, waar halt moest gehouden worden.  Ik zag bergen met namen.  Mont Ventoux.  Tourmalet.  Ik zag …
 
Ik zag niet alleen.  Ik voelde ook.  Nostalgie, dat voelde ik.  Dat heb ik wel meer.  Dat gevoel overvalt mij wel meer.  Maar ik voelde nog meer.  Een verlangen borrelde in mij op.  Niet enkel een verlangen naar Frankrijk.  Dat ook.  Bovenal verlangde ik naar vakantie.  Naar ontdekken.  Naar ontmoeten.  Want dat is wat ik voelde.  Uw foto’s overstijgen Frankrijk.  Jawel, dat land is het onderwerp van de tentoonstelling.  Maar uw foto’s tonen wat vakantie kan doen.  Wat reizen kan doen.  Ongeacht de bestemming.  Uw foto’s tonen dat wij ook kunnen thuiskomen in een ander land, dat niet het onze is.
 
Het werd niet snel, snel, snel.  Het werd geen fast watching.  Het werd slow watching.  Omdat de locatie dat vroeg.  Omdat de foto’s dat vroegen.  Omdat u dat vroeg.
 
Beste Michiel.  Ik wil u danken.  Omdat u dat verlangen naar Frankrijk met ons wilde delen.  Ik dank u voor die wonderlijke reis.  Want die heb ik gemaakt.  In mijn hoofd.  Ik had zo gehoopt dat bij buitenkomst een wagen stond te wachten.  Dat wij mochten instappen.  Dat die wagen ons naar ongekende bestemming zou brengen.  Dat had ik gehoopt.  Het gebeurde niet.  Dat was het enige minpuntje.  Al het andere was meer dan geweldig.  Daarvoor, nog eens bedankt.
 
Met vriendelijke groeten.