dinsdag 27 december 2016

Mijn reisverhaal Japan. Dag 6: Hiroshima.

Het zal een lange dag worden.  Dat weten we nog niet bij het ontwaken.  Bij het ontwaken is elke dag een onbeschreven blad.  Een leeg blad, dat hopelijk volgeschreven wordt.  Vol gekladderd met grote en kleine avonturen.  Bij het begin van de dag een blanco blad dus.  Aan het eind van diezelfde dag een nieuw hoofdstuk in het boek van het leven.  Van uw leven.  Van mijn leven.  Geschreven door mezelf.  Want ik zelf ben de auteur.
 
Om half negen staan we in het Vredespark.  Dat is behoorlijk vroeg.  Toch op vakantie.  Uitslapen zou een mogelijkheid kunnen zijn.  Maar dat willen we niet.  We komen van ver.  Dan willen we iets zien.  Elke dag weer.  Geen uitslapen dus.  Vroeg uit de veren.  Zo hoort het.
 
We gaan naar het Vredespark.  Houden kort halt bij de cenotaaf.  Op dit grafteken staan de namen van alle slachtoffers.  Niet enkel staan op dit teken de namen gegrift.  Het bevat ook die ene inscriptie: ‘Rust in vrede.  We zullen deze fout nooit meer maken.’  Ik lees die tekst.  Ik herhaal hem in mijn hoofd.  Terwijl ik die woorden herhaal, kijk ik naar de Vredesvlam.  Die brandt nog steeds.  Zal blijven branden tot alle nucleaire wapens uit de wereld verbannen zijn.  Dat is nog niet gebeurd.  De mogelijkheid van een herhaling blijft bestaan.  De geschiedenis heeft vele gekken gekend.  We weten dat slechts één gek volstaat om de hele wereld in brand te zetten.  Het zou dus kunnen.  Helaas! Die woorden op de cenotaaf kunnen gekraakt worden.  Verpulverd.  Voorlopig blijven ze overeind.
 
 
De halte bij de cenotaaf is van korte duur.  Stille momenten hoeven niet lang te duren.  Ingetogenheid behoeft geen grote sier.  Is het best gediend met soberheid.  Niet met grote gebaren.  Daarom slechts een kort moment.  We gaan door naar het museum.  Daar willen we vroeg zijn.  Om al te lange wachtrijen te vermijden.  Want die rijen verwachten wij.  Bij de ingang van het museum is het rustig.  We zijn de stormloop voor.  In alle rust kunnen we doorheen het museum wandelen.  Want vroeg in de morgen is er nog niet te veel volk.  Dat is goed.
 

 
In het museum krijgen we het hele verhaal.  Via getuigenissen en persoonlijke bezittingen van slachtoffers.  Via foto’s en video’s.  Het is intens.  Aangrijpend.  Dit alles komt hard binnen.  Terwijl ik rondom mij kijk, hoor ik in mijn hoofd constant dat ene liedje.  Terwijl ik kijk en lees, hoor ik dat ene liedje van Orchestral Manoeuvres in the Dark.  Enola Gay.  Genoemd naar de B-29 bommenwerper, die de atoombom boven Hiroshima dropte.  Ik denk aan die vele feestjes.  Waarop ik wild stond te dansen op die hit van OMD.  Nooit luisterde ik naar de tekst.  Ik danste.  Ik amuseerde mij.  Nu, hier in Hiroshima, vind ik dat vreemd.  Hiroshima en dansen? Atoombom en dansen? Het kan niet samen gaan.  Volgende keer blijf ik aan de kant.  Weg van de dansvloer.
 
 
Ik zie al dat menselijke leed.  Ik zie wat mensen elkaar kunnen aandoen.  Dan denk ik aan de woorden van mijn moeder.  Dat de mens slechts een heel dun laagje beschaving heeft.  Dat vertelde mijn moeder.  Heel even krassen, zei zij.  Slechts heel even dat dun laagje weg krassen en we zien een hongerig dier.  Een wreed dier.  Dat enkel slaat.  Nooit zalft.  Als kind vond ik dat wrede woorden.  Ik keek om mij heen.  Ik zag enkel goedheid.  Mijn moeder wist beter.  Wist wat voorbij was.  Zij kende de geschiedenis.  Niet enkel haar geschiedenis.  Ook de geschiedenis van de wereld.  Die kennis bracht haar tot die zware woorden.  In dit museum kijk ik dat hongerige dier recht in de ogen.  Dit museum lijkt haar gelijk te geven.  En toch.  Toch weiger ik zelf die woorden te spreken.  Omdat in die woorden te veel pessimisme weergalmt.  Dat pessimisme weiger ik te aanvaarden.  Ik blijf geloven dat alles toch nog goed komt.  Ondanks alle slagen.  Boven en onder de gordel.  Vrede op aarde.  Ik geef mijn geloof niet op.
 
Ik denk niet enkel aan mijn moeder.  Ik denk aan die wetenschappers.  Aan die slimme koppen, die de atoombom ontwierpen.  Die dat verschrikkelijke wapen realiseerden.  Ik denk aan al die mensen en kan niet begrijpen dat niemand ooit die ene vraag stelde.  Dat niemand tijdens het hele ontwikkelingsproces die ene vraag stelde.  Kunnen we dit wel doen? Kunnen we hiermee doorgaan? Niemand stelde blijkbaar die ene vraag.  Of toch.  Na de eerste atoomtest ondertekenden zeventig wetenschappers een petitie, waarin zij vroegen de atoombom niet te gebruiken.  Slechts zeventig wetenschappers.  Niemand luisterde.  Iedereen deed maar door.  Leverde zijn stukje in het leggen van die wrede puzzel.  Ik kan niet begrijpen dat niemand op de rem ging staan.  Dat niemand besefte dat, als hiermee zou doorgegaan worden, de mensheid zou falen.  Want dat is wat gebeurd is.  De mensheid faalde.  
 
Jawel, ik weet het.  Ik ken de verschoningsgronden.  De excuses.  Er moesten afwegingen gemaakt worden.  Politieke en militaire.  Toch blijf ik er bij.  Die bom mocht niet gegooid worden.  Nooit.  Dat was een stap te ver.  Dat besef ik nu.  Meer dan ooit.  We zullen deze fout nooit meer maken.  Die woorden staan op de cenotaaf.  Een atoombom droppen, dat hebben we nog niet opnieuw gedaan.  Dat is waar.  Toch blijven we onmenselijke fouten maken.  Blijven we inhumane daden stellen.  Ik lees die onmenselijkheid vandaag af in onze houding tegenover de vluchtelingen.  In ons falen een humaan beleid te voeren.  Gebaseerd op respect en niet op angst.  Hiroshima herinnert ons aan de boodschap van vrede.  Van humaniteit.  Het wordt hoogtijd dat die boodschap doordringt in het handelen van onze politieke leiders.  Vele wereldleiders kwamen naar Hiroshima.  Zij spraken grote woorden.  Maar het blijven woorden.  Woorden, die snel vervagen als diezelfde wereldleiders op het vliegtuig stappen.  Naar hun land.  Wij hebben geen woorden nodig.  Geen vage beloftes.  Daden hebben wij nodig.  Hoogdringende en overtuigende daden.  Maar die blijven uit.  Voorlopig toch.  Intussen blijft de wapenwedloop doorgaan.  Want eenieder wil de grootste zijn.  De sterkste zijn.  Eenieder wil voorbereid zijn.  Intussen blijven wapenfabrieken doen wat zij moeten doen.  Wapens produceren.  Wapens verkopen.  Die fabrieken sluiten zal nooit lukken.  Omwille van de werkgelegenheid.  Dat moeten we toch begrijpen.  Overal in de wereld is er vraag.  Die fabrieken leveren het aanbod.  Het verfoeilijke spel van vraag en aanbod gaat maar door.  Alweer die excuses.  Excuses om aan de kant te blijven staan.  Om niet te hoeven handelen.
 
Ondanks alle miserie en ellende om mij heen hou ik mijn ogen droog.  Ik huil niet.  Ik werp mij niet op de grond.  Ik hef mijn armen niet ten hemel uit onmacht.  Ik ga gewoon door.  Verder.  Tracht alles om mij heen te begrijpen.  Die zoektocht naar begrip om wat gebeurd is, leidt mij af.  Houdt mij in zijn greep.  Krijgt de bovenhand op het emotionele.  Begrip vind ik niet.  Tranen heb ik niet.  Ik kom aan de uitgang.  Kijk nog heel even achterom.  Naar al die herinneringen aan de zesde augustus.  Naar al die bewijzen van de zesde augustus.  Ik schud met mijn hoofd.  Ik kan het niet begrijpen.  Wil het niet begrijpen.  Nog één maal kijk ik achterom.  Ik kijk naar die ene stap, die de mensheid zette.  Die ene stap, die een einde maakte aan een oorlog.  Die ene stap, die de wereld voorgoed onveilig zou maken.  Want sindsdien bestaat die onzekerheid.  Die twijfel.  Dat het ooit nog eens zou kunnen gebeuren.
 
Ik stap nog even de museumshop binnen.  Eén boekje koop ik.  Hiroshima van John Hersey.  Ik moet betalen.  Dat doe ik.  Uiteraard.  Ik ben een nette jongen.  Welopgevoed.  Ik ga met mijn boekje naar de kassa.  Ik betaal.  Ik kijk de winkeljuffrouw in de ogen.  Dan gebeurt datgene wat voordien niet gebeurde.  Ik moet vechten tegen mijn tranen.  In de ogen van dat vriendelijke verkoopstertje zie ik alles opnieuw.  Alles wat ik voordien heb gezien.  In haar ogen zie ik de slachtoffers.  Ik zie Sadako Sasaki.  Ik zie de kraanvogels.  Ik breek.  Ik wil dat Japanse mevrouwtje in mijn armen sluiten.  Verlate troost.  Verlate excuses.  Ik voel de onmacht.  Het onrecht.  De onschuld.  Ik wil iets zeggen.  Weet niet wat.  Daarom zwijg ik maar.  Ik neem mijn boekje.  Haast mij naar buiten.  Moet even gaan zitten.  Duw op de pauzeknop.  Stilte.  Dat is wat ik nodig heb.  Ik moet alles laten bezinken.  Even niet bewegen.  Tot alle indrukken vastliggen.  Niet meer kunnen schuiven.  Hiroshima? Het doet wat met een mens.
 
Troost heb ik niet kunnen bieden.  Zelfs niet in uitgesteld relais.  Wel heb ik de boodschap kunnen verkondigen.  De blijde, naïeve boodschap.  In het Vredespark heb ik de Vredesklok geluid.  Dat was het enige wat ik kon doen.  Dat was mijn enige, kleine bijdrage.  Mijn bijdrage aan de wereldvrede.  Ik luidde de klok.  Niet hard.  Niet wild.  Wel kort en stil.  Mijn roep om vrede trilt na.  In Hiroshima.  Zindert na.  In de wereld.  Mijn roep galmt na.  Versterkt zich.  Wordt gehoord.  Niet enkel door mij.  Door iedereen.  U noemt mij naïef.  Dat stoort mij niet.  Ingrijpende hervormingen of veranderingen begonnen vaak vanuit een zekere naïviteit.  Vele hervormers begonnen vaak vanuit een droom.  Een droom, die door anderen werd weggelachen.  Als onrealistisch.  Zij verweten die ene hervormer het contact met de echte wereld verloren te hebben.  Maar die verwijten deden hem of haar niet twijfelen.  Hij of zij zette door.  Realiseerde de droom.  De droom werd werkelijkheid.  Een betere werkelijkheid.  Een mooiere en meer rechtvaardige werkelijkheid.  Dromen zijn niet altijd bedrog.  Heel vaak zijn zij de kiem tot iets moois.  Tot iets groots.
 
We hebben de klok geluid.  In het Vredespark hebben we nagedacht over de waanzinnige onzin van oorlog.  Hebben we de absolute noodzaak aan een wereldvrede begrepen.  Een wereldvrede, die evenwel al te vaak geschonden wordt.  Op vele plaatsen.  In vele landen.  Die wereldvrede moet constant zijn.  Moet alomtegenwoordig zijn.  Voor die wereldvrede hebben we misschien andere wereldleiders nodig.  Grote vragen.  Geen antwoorden.  Tijd om het Vredespark te verlaten.  Of wij worden gek.
 
Wij gaan naar de volgende halte.  De volgende stop.  We gaan naar Miyajima.  Daarvoor nemen we de tram.  Vanuit het Vredespark is dat een ritje van vijfenveertig minuten.  Dan nog kort met de ferry.  Schipper, mag ik overvaren? Die vraag hoeven we niet te stellen.  Hoeven we zelfs niet te zingen.  Gewoon een ticketje nemen, aanschuiven en de ferry opstappen.  Alweer mogen we ervaren dat het openbaar vervoer meer dan goed georganiseerd is.  Nooit wachten.  Altijd op tijd.  Een heel regelmatige verbinding.  Terwijl ik op tram en ferry zit, denk ik dat het misschien goed zou zijn om enkele Japanners te droppen op het kabinet van de Vlaamse Minister van Mobiliteit.  Misschien zouden zij een einde kunnen stellen aan de stiefmoederlijke behandeling van het openbaar vervoer.  Misschien zouden zij het beleid kunnen opfrissen.  Kunnen updaten.  Kunnen optillen naar een beleid van deze eeuw.  Naar een beleid voor de volgende eeuw.  Want hier in Japan blijken ze toch visie te hebben.  Blijken ze toch zicht te hebben welke richting het uit moet.  Dat in België kunnen realiseren, het zou mooi zijn.  Maar voorlopig dus niet.  
 
Miyajima.  Heiligdomeiland.  Dit eiland in de Japanse Binnenzee doet ons de macht ervaren van een foto.  Tot vandaag had ik Miyajima altijd vereenzelvigd met die Otorii.  Een vermiljoenrode poort, die bij eb uit zee oprijst.  Op elke toeristische folder prijkt die ene toegangspoort.  Niks anders.  Enkel dat.  Dat is wat ik dacht dat Miyajima was.  Een poort.  Meer niet.  De fotografische waarde en kracht van die ene torii had mij tot die verenging gebracht.  Een zware denkfout, dat moet ik vandaag vaststellen.  Een ontkenning van al het andere.  Want het heiligdomeiland is zo veel meer.
 
Wij zijn niet alleen op het eiland.  Iedereen komt kijken naar de drijvende torii.  Naar het Itsukushimaheiligdom.  Naar de pagode met vijf verdiepingen.  Naar de tamme herten.  Japan lijkt het fenomeen van massatoerisme ook te kennen.  Dat stellen wij hier vast.  Wij stappen snel door.  Laten de massa achter ons en haasten ons naar de kabeltjesbaan.  Wij gaan de berg Misen op.  Naar de top.  Via een tussenstation komen we boven aan.  Op het observatieplatform.  Met uitzicht op de Japanse Binnenzee.  Daar beginnen we aan onze wandeling.
 

 
Aan dat platform is het nog behoorlijk druk.  Maar dan beginnen we te stappen.  Naar ons uiteindelijke doel.  De Daisho-intempel.  Daar moeten we heen.  Geleidelijk aan laten we iedereen achter ons.  Tot wij bijna alleen zijn.  Alleen op de wereld.  Zo voelt het.  Zo lijkt het.  Toch zijn wij niet alleen.  Er blijken nog andere wezentjes te zijn.  Enge wezens.  Gevaarlijke wezens.  Daarvoor waarschuwen borden langs het wandelpad.  We moeten uitkijken voor mamushi’s.  Dat zijn giftige slangen.  Zij bijten.  Elk jaar worden in Japan twee- tot drieduizend mensen gebeten door deze slang.  Elk jaar sterven enkele mensen aan deze slangenbeten.  We moeten dus uitkijken.  Willen niet eindigen als toetje voor een hongerige mamushi.
 
Heelhuids bereiken we de Daisho-intempel.  Onderweg hebben we geen strijd moeten leveren met mamushi’s.  Wij stonden niet op de menukaart.  Die Japanse slangen hadden blijkbaar net hun buikje rond gegeten als wij passeerden.  Hadden blijkbaar andere dingen te doen dan die enkele Belgen lastig te vallen.  Zonder ook maar één schrammetje stappen wij het Daisho-in complex binnen.  
 
 
Het regent vandaag.  Toeristen blijken allergisch te zijn aan regen.  Zij gaan schuilen.  Kruipen binnen.  Wachten tot de bui overwaait.  Wij doen hier niet aan mee.  Wij gaan verder.  Lopen van de ene naar de andere bezienswaardigheid.  Want hier valt wat te beleven.  Wij zien Tengu.  Een figuur met lange neus en vleugels.  Zij zouden bovennatuurlijke krachten hebben en zouden fungeren als een soort van beschermheer.  Wij zien vijfhonderd Rakan beeldjes.  Elk met een unieke gelaatsuitdrukking.  Wij zien het beeld van Kannon.  Met elf hoofden.  Bedoeld om elk levend wezen te zien en te behoeden.  Kannon waakt over elk levend wezen.  Enkele hoofden extra kunnen dan best wel nuttig zijn.  Langsheen de hoofdtrap zien wij gebedswielen.  Die draaien wij rond.  Want dat zou geluk brengen.  Vele toeristen komen niet tot hier.  Te ver.  Uit de baan.  Dat is jammer.  Want dit complex is meer dan de moeite waard.  Hier mag wat voor gestapt worden.  Hier mag wat voor gezweet worden.  De beloning is immens groot.
 


 

 
Wij kunnen ons wel een tijdje zoet houden in de Daisho-intempel.  Maar we moeten verder.  Het is bijna sluitingstijd en we moeten nog langs het Itsukushimaheiligdom.  De massa is intussen al behoorlijk uitgedund.  We moeten nog even wachten.  Dan zijn wij bijna alleen.  Pas dan kunnen we ongehinderd foto’s nemen van de grote Otorii.  Dat is bijna een verplichting.  Kunnen we niet zomaar voorbij wandelen.  Door Japanners wordt deze torii alom bejubeld als één van de drie mooiste panorama’s.  Foto’s moeten dus genomen worden.  Dat doen wij.  Uiteraard.  Wij zijn toeristen.  Toeristen nemen foto’s.  Dat is al jaren zo.  Vroeger niet.  Vroeger was het anders.  Dan schreven zij brieven.  Of boeken.  Nu niet meer.  Foto’s zijn gebalde samenvattingen.  Eén groot verhaal, teruggebracht in die ene, enkele foto.
 
 
We hebben die ene, noodzakelijke foto.  De grote Otorii.  Bij valavond.  Wij hebben die ene, noodzakelijke foto maar weten nu dat Miyajima zo veel meer te bieden heeft.  Zo veel meer dan enkel die toegangspoort.  Nu weten we dat foto’s niet altijd het volledige verhaal vertellen.  Soms verhullen zij dingen.  Laten zij dingen achterwege.  Die achterwege gelaten dingen zelf gaan ontdekken is deel van het reizen.  Die ontdekkingen maken reizen tot iets moois.
 
 
Het eiland sluit.  De tamme herten worden opnieuw heer en meester van het eiland.  Wij moeten weg.  Moeten de ferry en de tram halen.  Maar dat gaat makkelijk nu.  We weten hoe het moet.  Wij zijn ervaringsdeskundigen.  Het nemen van een ticketje voor de ferry aan de automaat gaat vlotjes.  Geen enkel probleem.  Nu toch niet.  Op de heenweg was het wat anders.  Dan stonden we te stuntelen.  Te zoeken en te proberen.  Nu niet meer.  Nu lukt alles bij de eerste keer.  Net zoals op de tram.  We weten nu dat we de tram gewoon kunnen opstappen.  Dat we pas moeten betalen bij het uitstappen.  Hoe die conducteur weet waar wij precies opgestapt zijn, weet ik niet.  Alles lijkt gebaseerd op vertrouwen.  Op dat heldere geloof dat elke burger doodeerlijk is.  Dat geloof in het goede zien en ervaren, is ontroerend.
 
Het was een zware dag.  Mijn hoofd zit nog vol.  Hiroshima houdt mij bezig.  Heeft mij in zijn houdgreep.  Zelfs als ik ga slapen en mijn ogen sluit, blijft alles natollen.  Vele vragen flitsen door mijn hoofd.  Ik zoek antwoorden.  Soms vind ik die.  Soms niet.  Dan blijf ik zoeken.  Al zoekend val ik in slaap.  Klaar voor de volgende dag.
 
Mijn reisverhaal Japan.  Dag 7: Hiroshima – Onomichi.  Te lezen op dinsdag 03/01/2017.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen