dinsdag 6 december 2016

Mijn reisverhaal Japan. Dag 3: Fukuoka.

Gisteren werd een tyfoon voorspeld.  Die zouden we vandaag over ons heen krijgen.  Vandaag zouden wij kennismaken met Chaba.  Dat is de lieflijke naam van deze tyfoon.  Het lijkt bizar, wreedheid benoemen.  Alsof dat weerfenomeen kan en moet gekoesterd worden.  Alsof het allemaal minder erg wordt als het ding een naam heeft.

Wat zal het worden? Dat weten we niet.  Dat gaat zo met voorspellingen.  Het is geen exacte wetenschap.  Het kan alle kanten uit.  De tyfoon kan van richting veranderen.  Kan in kracht afnemen.  Kan toch niet over de stad maar langs de stad gaan.  Dat is wat gebeurt.  Het regent niet.  Geen hevige windstoten.  Het blijft droog.  Gans de dag.  Vandaag zullen wij niet kennismaken met de destructieve krachten van een tyfoon.  Slechts één korte, harde windstoot wordt ons geserveerd.  Om toch even te proeven.  Wij zijn verwittigd.  Wij zijn in Japan.  Het land waar de natuurkrachten vaak en fel spelen.  Tyfoons en aardbevingen, het behoort altijd tot de mogelijkheden.  Een verwittigd man is er twee waard.  Wij kijken uit.

Omdat het dan toch niet regent, trekken wij opnieuw de stad in.  Dingen moeten nog ontdekt worden.  Wij gaan eerst langs de winkelgalerij, Canal City.  Alweer.  Maar galerijen zijn bijna niet te vermijden in deze stad.  Er zijn er heel wat.  Het lijkt wel alsof deze stad één grote winkelgalerij is.  Ik denk dat het mogelijk moet zijn om bij felle regen de volledige stad te doorkruisen zonder ook maar één druppel te voelen.  Van de ene galerij naar de andere.  Dat laatste is bij wijze van spreken.  Een zekere mate van overdrijven is mij niet vreemd.  Soms is het nodig.  Om het verhaal een beetje te kruiden.  Om een boodschap ingang te doen krijgen.  Zo werkt het.  Soms.  Niet altijd.

We stoppen bij een winkeltje.  In Canal City.  Niet enkel stoppen we, we gaan het winkeltje ook binnen.  De winkel staat volgepakt met poppetjes.  In alle maten.  In alle gewichten.  Wij zijn op reis.  Op vakantie.  Dan hoeven we dat kind in ons niet in te tomen.  Dan mogen we het loslaten.  Dat doen we dan ook.  Met alle plezier.  Met volle overtuiging.  Ons niet in te tomen enthousiasme trekt de aandacht van de verkoopster.  Zij merkt ons op.  Zij meent in die gekke, enthousiaste westerlingen potentiële klanten te herkennen.  Zij gaat dus niet met het vingertje wijzen.  Gaat niet vermanend zeggen dat de uitgestalde koopwaar niet mag aangeraakt worden.  Zij doet dat niet.  Integendeel.  Zij gaat mee in ons enthousiasme.  Meer nog, zij voedt ons enthousiasme.  De lichten worden gedoofd.  Een muziekje wordt opgezet.  Discolichten gaan knipperen.  Als de beste marktkraamster prijst zij haar waren aan.  Wij begrijpen niks van wat ze zegt.  Maar in haar stem herkennen wij een gedrevenheid.  Wij zijn onder de indruk van dit staaltje ondernemerschap.  Toch kopen wij niks.  Wij gaan door.  Verder.  Soms kan het leven hard zijn.  Zelfs voor een overenthousiast Japans verkoopstertje.


Wij staan opnieuw buiten.  Aan een kruispunt.  Aan verkeerslichten.  Daar hoor ik dat muziekje.  Zo lang het groen blijft voor de voetgangers, weerklinkt een muziekje.  Geen grote compositie.  Wel een heel bescheiden muziekstukje.  In die enkele geluiden hoor ik dat ene rijmpje: pak me dan als je kan.  Elke keer ik een straat of kruispunt oversteek en die klanken hoor, hoor ik dat rijmpje in mijn hoofd.  Elke keer weer.  Geen uitzonderingen.  Heel soms zing ik het luidop mee.  Niet al te luid.  Ik wil niet bekeken worden.  Ik wil niet gek verklaard worden.  

Pak me dan als je kan.  Pak me dan als je kan.  Het deuntje blijft in mijn hoofd hangen.  Een vervelende oorwurm.  Eindeloos herhalen die enkele woorden zich.  Pas als wij die ene speelhal binnenstappen, lukt het mij dat deuntje uit mijn hoofd te bannen.  Het wordt uitgevaagd.  Omdat het overstemd wordt door andere geluiden.

Overal op onze reis zullen wij die speeltenten zien.  In elke stad.  In elk dorp.  Hoe ontiegelijk klein dat dorpje ook mag zijn, toch zal er altijd minstens één speeltent zijn.  Japanners lijken verslaafd te zijn aan spelletjes.  Aan die verslaving wordt ruimschoots tegemoetgekomen.  De pachinko’s (speeltenten) zijn alomtegenwoordig.  Er valt niet aan te ontsnappen.


Binnen die speeltenten kan de Japanner zijn geld kwijt aan de flipperkast.  Aan de eenarmige bandiet.  Aan de slotmachine.  Ik weet niet hoe ik die machines moet noemen.  Net zomin als ik de spelregels ken.  Ik zie Japanners naar balletjes kijken.  Naar omhoog springende balletjes.  De bedoeling van het spel kan ik niet achterhalen.  Ik vermoed dat het leuk moet zijn.  In die speeltenten zit geen eenzame Japanner.  Neen, meerdere Japanners spelen het spelletje.  Niet enkele seconden.  Maar minutenlang kijken zij gebiologeerd naar die balletjes.  Zij kijken voor zich uit.  Laten zich niet afleiden.  Sociaal contact is er nauwelijks.  Dat kan ook niet.  Al die machines samen maken een oorverdovend lawaai.  Een hels kabaal.  Om iets te kunnen zeggen, zou men moeten roepen.  Daarom doet men het niet.  Er moet gespeeld worden.  Er moet gewonnen worden.  Geen geld.  Geldprijzen mag niet van de overheid.  Enkel gekke, nutteloze prijzen, die later dan toch kunnen omgeruild worden tegen geld.  Niet enkel de Belg blijkt handig te zijn in het omzeilen van de wetgeving.  Ook de Japanner is hierin bijzonder inventief.

Wij hebben nood aan rust.  We vluchten weg uit de pachinko.  Haasten ons naar de Tochoji tempel.  Hier vinden wij die broodnodige rust.  Hier kunnen wij afkicken van de spelstress.  Die kleine oases van contemplatieve rust, het is een verademing.  Buiten de tempel razen de wagens voorbij.  Haasten de mensen zich van hot naar her.  Binnen de omheiningen van de tempel lijkt alles stil te staan.  Hier heerst absolute stilte.  Wij wentelen ons in de luxueuze stilte.  Nemen die op.  Zuigen die op.  Bijna vergeten we naar dat Boeddhabeeld te gaan zien.  Die grote Boeddha.



Die grote Boeddha is tien meter groot.  Weegt dertig ton.  Dat is behoorlijk wat.  Vier jaar lang werd aan dat beeld gekapt.  Pas in 1992 werd het beeld voltooid.  Dat is heel recent.  Net geen vijfentwintig jaar oud.  Dat is nog piep.  Toch als wij dat afmeten aan de wereldgeschiedenis.  De tempel zelf is een heel ander verhaal.  Die werd gebouwd in de negende eeuw.  Dat is al iets heel anders.  Dat beseffen ook de Japanners.  De tempel maakt deel uit van het nationale culturele erfgoed.  De geloofsbrieven van de tempel overtuigen.  Die tempel heeft een verhaal te vertellen.  Zijn bouwstenen ademen geschiedenis.  Die geschiedenis moet ook blijken uit de graven, dichtbij de tempel.  In deze graven liggen de feodale heren van Fukuoka uit de Edo periode.  Het is altijd vreemd om te lezen over die historische periodes in verre landen.  Die periodes zijn ons totaal vreemd.  Hier, dicht bij ons, is het makkelijk.  De middeleeuwen.  De renaissance.  Dat kennen wij.  Dat kregen wij mee op de schoolbanken.  Maar de Japanse Edo periode? Het doet geen belletje rinkelen.  Ik heb het opgezocht.  Ik wil het u makkelijk maken.  Zodat u vlot kan doorlezen.  Die periode liep van begin zeventiende eeuw tot de helft van de negentiende eeuw.  Die kennis maakt alles toch een beetje meer tastbaarder.  Japan heeft alweer een tipje van zijn historische sluier opgelicht.

Er is nog iets eigenaardigs aan die Boeddha.  Die zit bovenop de hel.  Door de toerist te bereiken via een gangetje, links van de Boeddha.  In dat gangetje hangen aan de muur een hele reeks schilderijen.  Elk schilderij beeldt een specifiek aspect van die hel uit.  Van die tekeningen wordt een mens niet vrolijk.  Duivels en monsters zijn bezig met weinig fraaie praktijken.  Martelpraktijken.  Het lijkt wel alsof CIA-agenten hier de mosterd gehaald hebben.  Voor hun ‘feestjes’ in Abu Ghraib.  Waterboarden in de hel, het bestaat.  Ik heb het gezien.

Het lijkt mij vreemd, Boeddha en de hel broederlijk naast elkaar.  Of beter, op elkaar.  Blijkbaar moet men om de verlichting te kunnen bereiken eerst door de hel.  Dat die tocht doorheen de hel geen walk in the park is, bewijzen die tekeningen.  Ik weet het nu al.  Voor mij hoeft die verlichting niet.  Ik kies voor de hemel.  Geef mij maar rijstpap met gouden lepeltjes.  Elke dag.  Dat lijkt mij leuker.  Veel leuker.  Die rijstpap zal geen verlichting brengen.  Daarvan ben ik vrij zeker.  Verzwaring, dat zal het brengen.  Maar die extra kilo’s spelen in het leven na de dood geen enkele rol meer.  Daar zijn geen idealen.  Geen schoonheidsidealen.  Geen rolmodellen.  Iedereen is gelijk.  Het hemelse communisme.  Dus, laat die rijstpap maar komen.  Ik zal smullen.  Likkebaarden.  Maar niet nu.  Dat feestje stel ik nog even uit.  Ik moet nog te veel doen in deze wereld.  Te veel zien.  In diezelfde wereld.

Van de ene tempel wandelen we naar de andere.  De tempels liggen op die spreekwoordelijke boogscheut.  Het is maar even stappen.  De Shofukiji tempel is de oudste zenboedhistische tempel van Japan.  Die kunnen we niet zomaar voorbij wandelen.  Records kunnen niet zomaar aan de kant gezet worden.  Daarvoor moeten we het diepste respect hebben.  Met een bezoekje aan ‘der alte’ betuigen wij dat nodige respect.



Niet enkel mensen krimpen als zij ouder worden.  Het kan ook gebeuren met gebouwen en sites.  De geschiedenis kan rare dingen doen.  Diezelfde geschiedenis kan soms diep snijden in afmetingen en oppervlaktes.  Zoals met deze tempel.  Niet de tempel is gekrompen.  Wel de grond waarop die tempel staat.  De gronden zijn tot één vierde van de oorspronkelijke oppervlakte gekrompen.  Een gevolg van de Tweede Wereldoorlog.  Die oorlog heeft zijn sporen nagelaten.  Zwaar beschadigd kwam deze site uit de oorlog.  Kleiner geworden.  Maar nog altijd de oudste.  Daaraan kon de oorlog niks veranderen.  De geschiedenis heeft zo zijn rechten.  Zelfs onder hevige bombardementen blijft de geschiedenis overeind.

Nog maar net in Japan en nu al onder de indruk van die goed onderhouden tuinen.  In beide tempels hebben wij een heel beperkt staaltje kunnen zien van dat wonderlijke tuinonderhoud.  In dit land wordt tuinonderhoud verheven tot kunst.  In het onderhouden van tuinen vindt men rust.  Die fraai bijgeknipte boompjes, die geleide en gestutte bomen en die netjes geknipte struiken dragen die rust over op de bezoeker.  Die kunst en wisselwerking beperkt zich niet enkel tot tempels.  Ook parken en perkjes worden onderhouden door mensen, die de kunst van het tuinieren begrijpen.  Tot in de diepste kern.  Zij begrijpen die kunst niet alleen.  Zij kunnen diezelfde kennis ook vertalen naar de praktijk.  Naar de werkelijkheid.
  
Ik ben nu al behoorlijk onder de indruk.  Wat ik nog niet weet of besef, is dat ik het bewijs van waar vakmanschap nog moet aanschouwen.  Dat staat mij nog te wachten.  Dit was enkel een voorsmaakje.  Een proevertje.  Fukuoka heeft ons even laten proeven om ons zo te doen verlangen naar het echte werk.  Het grote werk.  De Japanse tuinen.  Daar moeten we nog heen.  Maar nog even wachten.  Het mag niet te snel gaan.  Wij moeten onze tijd nemen.

Voorlopig hebben we voldoende rust en stilte tot ons genomen.  Het mag opnieuw wat harder.  Gebalder en luider.  We gaan naar het Hard Rock Café.  Gisteren hadden we afscheid genomen van een meisje, dat werkte in de shop van het café.  Haar zouden we niet meer zien.  Van haar zouden we niet meer horen.  Dat dachten we.  Maar dat was buiten de waard gerekend.  Zij had ons een briefje achtergelaten.  In dat briefje wenste zij ons het beste.  Als afscheid had zij een kleine verrassing voor ons.  Wij waren ontroerd.  Nog maar enkele dagen in Japan en één klein, jong meisje weet ons te raken.  Weet door te dringen tot ons hart.  Met juiste en mooie woorden.

Aan het eind van haar brief laat zij ons nog weten dat zij een beginnend singer-songwriter is.  Zij vraagt even binnen te wippen op haar website.  Dat doen we.  Later op onze hotelkamer.  Het meisje heeft een stem.  Uiteraard, als singer-songwriter is dat een vereiste.  Maar het is meer.  Zij zingt als een nachtegaal.  Ik luister naar de nieuwste Voice of Japan, dat denk ik.  Haar stem is mooi.  Helder.  Ik besef dat ik niet langer onpartijdig ben.  Ik ben niet langer onbevooroordeeld.  Ik ben betrokken partij.  Sinds gisterenavond zou u mij fan kunnen noemen.  Sinds die eerste ontmoeting.  Ik ben in de ban van dat frêle meisje, dat een weg zoekt naar de podia.  Ik zeg het dus luidop.  Onze nieuwe Japanse vriendin kan zingen.  Iedereen mag het weten.  Moet het weten.  Ik kijk nu al uit naar dat ene moment.  Dat moment waarop zij op wereldtournee vertrekt.  Dat zij passeert langs België.  Wij kopen een kaartje.  De meest dromen zijn bedrog.  Maar heel soms komen dromen uit.  Wie weet.  Wij kopen dus een kaartje.  Staan vooraan.  Dichtbij het podium.  Zij komt het podium op.  Ziet ons staan.  Kijkt ons in de ogen.  Beiden denken terug aan die ene avond.  Die ene avond in het Hard Rock Café.  Het zou kunnen.

Om de dag te eindigen, lopen we nog even langs het station.  In vele landen zijn stationsbuurten best te mijden.  Vaak zijn in die buurten de verkeerde cafés en de huisjes van plezier geconcentreerd.  Niet zo in Japan.  In, rond en onder het station zijn vele winkels gevestigd.  Hier is de trein echt meer dan een beetje reizen.  Hier is de trein ook een beetje winkelen.  Hier zou u bijna wensen dat de trein vertraging heeft.  Zodat u nog wat kan winkelen.  Zodat u die noodzakelijke aankopen nog kan doen.  Zodat u ideetjes kan opdoen voor het komende verjaardagsfeestje.  Zodat u snel even kan checken wat nu weer de nieuwste wintermode zal zijn.  Alles is mogelijk in dit winkelparadijs.  Hier hoeft de treinreiziger niet ongedurig te wachten op het perron.  Geen nagelbijten voor deze reiziger.  In de Japanse stations vindt deze reiziger voldoende alternatieven om de tijd aangenaam door te brengen.  Zonder enige stress.

Vanavond hoeven we de trein niet te nemen.  Wel willen we winkelen.  Dat doen we.  Alweer doen we een verrassende ontdekking.  In het food-department merken we dat stilstaan bij een eetkraampje aangename gevolgen heeft.  Even stilstaan en meteen komt een verkoopstertje op u afgestapt.  Zij vraagt of u even wil proeven.  U schrikt.  Want u vreest dat een positief antwoord op die vraag meteen een aankoopverplichting inhoudt.  U draalt.  U weet niet wat te zeggen.  Het verkoopstertje verdwijnt.  Keert terug met een bordje.  Met daarop een proevertje.  U proeft.  U stamelt dat u toch maar niks koopt.  Zij lacht verlegen.  U en zij knikken.  Wensen elkaar nog een fijne avond.  Nu weet u hoe het moet.  Proeven hoeft niet noodzakelijkerwijs uit te lopen op een aankoop.  U behoudt uw vrijheid.  U beslist: kopen of verder stappen.
  

Wij hebben meerdere keren stilgestaan.  Hebben meerdere keren mogen proeven.  Ik moet denken aan de slager.  Die slager, waarbij mijn tante en ik gingen voor de inkopen als ik bij mijn tante bleef slapen.  Telkens stelde hij mij die ene vraag.  Of ik een balletje gehakt wou.  Telkens zei ik ja.  Uiteraard.  Dat balletje was per slot van rekening de reden waarom ik meeging.  Dat balletje en mijn tante.  Die slager was die ene uitzondering.  Nergens anders kreeg ik die vraag.  In Japan is het anders.  Daar moeten we proeven.  Overal.  Zonder enige uitzondering.  Jawel, winkelen in Japan heeft dat ene extraatje.

Mijn reisverhaal Japan.  Dag 4: Fukuoka – Kumamoto – Beppu   Te lezen op dinsdag 13/12/2016.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen