dinsdag 9 augustus 2016

Een gouden wielrenner. Brief aan Greg Van Avermaet. Brief aan een olympisch kampioen.

Beste Greg,
 
Ik zou u willen aanspreken met een adellijke titel.  Ik zou u willen aanspreken met ridder.  Maar ik kan het niet.  Hiermee zou ik vooruitlopen op de zaken.  Dat wil ik niet.  Nochtans is dat wat zal gebeuren.  U zal ontboden worden bij de koning.  Voor het oog van de camera zal hij u feliciteren.  Weg van de camera’s zal hij u bedanken.  Hij zal u uitgebreid danken.  Want u hebt het land verenigd.  U hebt datgene gedaan waarin politici maar niet slagen.  Uit onwil? Uit onmacht? Uit onkunde? Het antwoord op al die vragen is een politieke discussie.  Politiek wil ik uit deze brief weghouden.  Omdat dit niet de juiste plaats is.  Maar u hebt alle Belgen verenigd.  Dat is een feit.  U hebt het onderscheid uitgegomd.  Weggeveegd.  Er bestond geen Vlaming of Waal.  Er bestond geen rijkdom of armoede.  Er bestond geen autochtoon of allochtoon.  Wij waren Belgen.  Toch voor heel eventjes.  Om die reden zal onze koning u willen ridderen.  Want hij kan niet achterblijven.  U wordt sportman van het jaar.  U wordt flandrien van het jaar.  U wint de sportverdienste.  Dan moet u ook geridderd worden.  Dat zal onze koning beseffen.  Daarover bestaat geen twijfel.  Maar zoals ik al zei, ik loop vooruit op de dingen.
 
Ik heb niet gekeken.  Niet omdat ik het vergeten was.  Ik wist het wel degelijk.  Ik heb niet gekeken omwille van mijn bijgeloof.  Ik geloofde dat het fout zou aflopen indien ik toch zou kijken.  Dat u door mij de overwinning zou mislopen.  Daarom keek ik niet.  Ik vluchtte het huis uit.  Dat is veel beter dan niks doend mijn nagels af te bijten.  Ik haastte mij naar de zee.  Onze Belgische kust.  Aan de kust kon ik die olympische wedstijd uit mijn hoofd zetten.  Ik dacht niet aan u.  Ik dacht niet aan uw collega’s.  Ik dacht niet aan die mogelijke kans op een medaille.  Ik genoot.  Want eindelijk was het nog eens goed weer.  Zomerweer.  Dat gebeurt niet veel.  Toch niet in ons landje.  Toch niet dit jaar.  Van die zeldzame momenten moet een mens genieten.  Dat deed ik dus.  Terwijl u aan het zwoegen was.  Terwijl u één van uw beste wedstrijden reed.  Terwijl u één van uw beste momenten beleefde.  Want u had goede benen.  Dat wist ik toen allemaal niet.  U ploeterde.  Ik kuierde.  U ging diep.  Ik luierde.
 
’s Avonds kwam ik thuis.  Mijn digitale brievenbus puilde uit.  Want iedereen wou mij dat ene nieuwsfeit melden.  Dat u die felbegeerde gouden medaille had weggekaapt.  U deed Nibali, dé titelkandidaat, in het stof bijten.  U was die dag de onklopbare heer en meester op de weg.  Iedereen moest wijken.  Op uw vakmanschap stond geen maat.  U leek te tappen uit een onuitputtelijk vat energie.  U brandde niet op.  Integendeel, u bleef gaan.  U bleef trappen.  Om aan de meet uiteindelijk iedereen het nakijken te geven.  U kwam alleen over de meet.  Als eerste.  België had een olympisch kampioen.
 
Ik vatte onmiddellijk post voor de televisie.  Al het andere moest wijken.  Ik wou u zien.  Ik wou die wedstrijd zien.  Of toch zeker een samenvatting.  Een samenvatting van de beslissende momenten.  Ik moest even wachten.  Op het laatavondjournaal.  Intussen ging ik op internet.  Las ik alle commentaren.  Die commentaren waren eensgezind.  Vol lof.  U had een slimme wedstrijd gereden.  Een tactische wedstrijd.  U had op het juiste moment de juiste beslissing genomen.  Dat kan enkel als het in uw hoofd goed zit.  Dat scheen zo te zijn.  U geloofde in uw kansen.  U was overtuigd van uw kansen.
 
Ik keek.  In uitgesteld relais.  Ik keek en lachte.  Want ik was gelukkig.  Intens gelukkig.  Om die gouden medaille.  Maar meer nog dan die gouden medaille was ik gelukkig om u.  Voor u.  Want niemand meer dan u verdiende die medaille.  Althans, dat is wat ik dacht.  U beseft wat het vak van wielrenner inhoudt.  U doet wat het ambacht vraagt.  U rekent niet.  U rijdt.  Hard.  Voluit.  U wacht niet af.  U valt aan.  Eén enkele keer als het kan.  Twee, drie, vier of meer keren als het moet.  U geeft niet op.  Nooit.  U blijft gaan.  Omdat het wielrennen dat van u vraagt.  Van u verlangt.  Omdat u beseft dat die ingesteldheid de essentie is van het wielrennen.
 
Ondanks het feit dat ik de uitslag kende, keek ik intens.  Alsof ik twijfelde dat u ook in de herhaling zou winnen.  Ik riep u toe.  Ik supporterde net zo hard.  Ik beet nog op mijn nagels.  Jawel, de zenuwen gierden doorheen mijn hele lichaam.  Het lijkt gek.  Maar zo was het.  Die laatste kilometers stond ik recht.  Toen u over de meet reed, plofte ik in de zetel.  Want pas nu drong het echt tot mij door.  Pas nu leek het onherroepelijk vast te staan.  U was de winnaar.  U was olympisch kampioen.  Tranen welden in mij op.  Maar ik hield ze in.  Liet ze niet de vrije loop.  Ik ben een man.  Echte mannen huilen niet.  Dat wordt gezegd.  Soms gedraag ik mij naar algemene dwaasheden.  Daarom huilde ik niet.
 
Met u wil ik nu al een afspraak maken.  Op zestien oktober zal ik geen televisie kijken.  Ik zorg dat ik die dag andere afspraken heb.  Zodat u wereldkampioen kan worden.  Mij lijkt het een heldere afspraak.  Een afspraak, waarvan ik meen dat u zich hierin kan vinden.  Ik zal mijn deel van de afspraak nakomen.  Akkoord, ik heb het gemakkelijker.  Voor u ligt het iets moeilijker.  Maar u kan het.  Met diezelfde inzet moet u ook dat varkentje kunnen wassen.  Ik wens het u toe.
 
Niet enkel wens ik u de titel van wereldkampioen toe.  Ik wens u tevens een fantastisch volksfeest bij thuiskomst.  Ik wens u een fijne babbel met de koning.  Ik hoop dat u hem kan zeggen dat het niet uw taak is te verenigen.  Dat u slechts een wielrenner bent.  Dat de kracht van verenigen bij eenieder ligt.  Niet enkel bij u.  Maar dat is dan weer politiek.  Dat hoort hier niet.  Niet in deze brief.  Ik wens u nog vele, succesvolle jaren.  Jaren, waarin u ons dat heerlijke, fantastische en warme supportersplezier gunt.  Dat alles wens ik u toe.
 
Beste Greg, dank u wel.
 
Met vriendelijke groeten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen