maandag 11 april 2016

Mijn reisverhaal Myanmar. Dag 20: Mandalay.

Ai, ai, ai, … ’s Morgens word ik wakker met een houten kop.  Neen, ik heb geen kater.  Laat mij hierover duidelijk zijn.  Ik ben een brave jongen.  Ik laat mij weleens verleiden tot alcohol maar ik heb mate.  Toch meestal.  Ik heb dus geen kater.  Wel heb ik een houten kop.  Omdat ik besef dat dit onze laatste dag wordt in Myanmar.  Dat doet pijn.  Veel pijn.
 
Wij ontbijten.  Hoog boven in het hotel.  We kijken uit over Mandalay.  Of toch over een deel van Mandalay.  Een klein deeltje.  Maar zelfs in dat kleine deeltje zien wij de stad ontwaken.  Zien wij de inwoners aan hun dag beginnen.  Zelf aan de rand staan en dat zachte, ochtendlijke begin gadeslaan is een heerlijk gevoel.  Voor heel eventjes beseffen wij niet te hoeven meelopen in die doldraaiende, dagelijkse race.  Wij zijn op vakantie.  Dan schakelen we een versnelling lager.  Zelfs enkele versnellingen lager.
 
Beneden in de straat lopen monniken.  Net begonnen aan hun dagelijkse bedeltocht.  Bedelen zou ik het niet noemen.  Schooien, zo zou ik het eerder omschrijven.  Alle deuren aflopen, overal aanbellen of aankloppen.  Wij ontbijten en zien het gebeuren.  Ik moet denken aan de getuigen van Jehova.  Zij doen net hetzelfde.  Met dat ene verschil dat zij niet dagelijks aan de deur staan.  Ik zou ook kunnen denken aan de maffia.  Dat zou ik kunnen doen als ik die monniken in winkels zie binnengaan.  Eenzelfde werkwijze als de maffia.  De maffia eist geld in ruil voor bescherming.  De monniken doen eenzelfde ruil.  Terwijl de Italiaanse winkelier hoopt met rust gelaten te worden in ruil voor geld, hoopt de Birmese winkelier de gunst van Boeddha af te kopen via een geldelijke bijdrage of een portie rijst.  Mag ik deze parallel trekken? Mag ik deze gelijkenis maken? Of is het nog te vroeg op de morgen om dergelijke vragen toe te laten? Ik laat die vragen toe.  Met die vragen dringt twijfel binnen.  Twijfel over het verheffende, positieve karakter van het boeddhisme.  Of kijk ik toch te veel doorheen een westerse bril?
 
 

 
Onze laatste dag in Myanmar.  In Mandalay.  Hebben wij alles gezien in deze stad? Kunnen wij kiezen voor een rustig dagje in het hotel? Hoeven we nog buiten te komen? Wij zouden het kunnen denken als wij terugblikken op de voorbije, drukke dagen in Mandalay.  Toch is er dat ene nog.  Dat ene, dat wij nog echt moeten zien.  Wij moeten de stad nog in.  Om kennis te maken.  Om de eigenlijke stad te ontdekken.  Want dat hebben we nog niet gedaan.  Dat zullen wij vandaag goedmaken.  Dat foutje zullen wij vandaag rechtzetten.
 
We beginnen aan de Zeigyo markt.  Dit is een modern warenhuis.  Het belangrijkste winkelcentrum van Mandalay.  Elke mogelijke vergelijking met een Europees grootwarenhuis is onterecht.  Vergelijken kan niet.  Omdat deze markt uniek is.  Terwijl in de Europese warenhuizen ordelijke netheid regeert, heerst hier op deze markt een chaotische gekte.  Maar die gekte maakt niet ziek.  Integendeel.  Dit is een gezonde gekte.  Een gezonde vrolijkheid.  Eddy Wally zou zeggen dat het geweldig is.  Dat alles hier geweldig is.  Dat is ook zo.  Hier is het heerlijk om te vertoeven.  Om in rond te dwalen.  Om de weg kwijt te raken en opnieuw die juiste weg te vinden.
 


 
Even buiten de Zeigyo markt passeren wij een private high school.  Jongens in hun nette schooluniform staan aan de poort.  Net toegekomen met een busje.  Wij trachten een gesprek aan te knopen met die jongens.  Benieuwd als wij zijn naar het Birmese schoolsysteem.  Wij hebben al gezien dat vele schoolboeken in het Engels zijn opgesteld.  Dan moeten die jongens toch Engels praten.  Dat denken wij.  Maar alles blijkt moeilijker dan wij hadden verwacht.  Op onze vraag wie het best Engels praat, wordt één iemand naar voor geschoven.  De slimste van de klas? Of de meest vlotte jongen?  Wij stellen vele vragen.  Maar het enige antwoord, dat wij op onze vele vragen krijgen, is ‘yes’.  Niks meer.  Enkel ‘yes’.  En daarbovenop veel verlegen gegiechel.  Wij worden niks wijzer.  Het Birmese schoolsysteem blijft één groot mysterie.  Toch hopen we op antwoorden als wat later de leerkrachten arriveren.  Nu zullen wij antwoorden krijgen, denken wij.  Maar alweer blijft het stil.  Zelfs de leerkrachten lijken de taal van Shakespeare niet machtig te zijn.  Ook zij stotteren en stamelen.  Ik begrijp het niet.  De taal van het onderwijs is Engels.  Maar niemand die het spreekt.  Alle leerboeken in het Engels opgesteld maar niemand die het begrijpt.  Rare jongens, die Birmezen.
 
 
Enkele dagen terug las ik in de krant een artikel over de Birmese leerkrachten.  Leerkrachten zijn ambtenaren en verdienen ongeveer honderd euro per maand.  Dat is alles.  Voor hen geen extra voordelen.  Terwijl andere ambtenaren soms aanspraak kunnen maken op gratis huisvesting, kunnen de leerkrachten dat niet.  Zij gaan daarom op zoek naar andere mogelijkheden om hun spaarpotje te spijzen.  Andere, minder legale mogelijkheden.  Leerkrachten laten zich omkopen.  In ruil voor positieve studieresultaten.  Corruptie is wijdverspreid in het Birmese onderwijs.  Pogingen worden ondernomen om dit tegen te gaan.  Maar de lonen blijven laag.  Corruptie blijft dus voortwoekeren.  Studieresultaten blijven gekocht worden.  Tot spijt van wie het benijdt.  Tot spijt bij degene, die hoopt op een eerlijk systeem.
 
Wij nemen afscheid van de studerende jeugd.  Trekken verder doorheen de stad.  Op weg naar Diamond Plaza, één van de grotere shoppingcenters, passeren wij aan het spoorwegstation.  Wij wandelen doorheen een verpauperde buurt.  Weg is alle luxe.  Hier heerst enkel armoede.  Miserie.  Wij zien krotten, die de naam huis niet waard zijn.  Bouwvallige constructies.  Over badkamers lijken die krotten niet te beschikken.  Dat blijkt al snel.  Zich wassen gebeurt aan een gemeenschappelijke waterput.  Wij zien het.  Wij zijn getuige.  Ik dacht dat wij in de stad waren.  Deze buurt doet mij twijfelen.  Wat een tegenstelling.  Even verderop ligt het shoppingcenter.  Waar brillen van Ray Ban worden verkocht.  Honderd euro voor één brilletje.  Wat een wrede wereld, denk ik.  Wat een ongelijke wereld, denk ik.  Mandalay toont zijn ware gelaat.  De maskers vallen af.
 
De voorbije dagen hadden wij het bijna elke dag gedaan.  Onze schoenen en kousen uittrekken.  Vandaag waren wij het niet van plan.  Deze keer zouden wij onze schoenen en kousen aanhouden.  Dat dachten wij.  Wij gingen geen stoepa’s zien.  Geen Boeddha’s.  Toch doen wij het.  Wij gaan langs in een schoonheidssalon.  Voor een pedicure.  Onze voeten moeten verwend worden.  De voorbije weken hebben ze heel wat te lijden gehad.  Op blote voeten op audiëntie bij Boeddha.  Elke keer weer.  Geen enkele uitzondering.  Niet altijd op de meest propere vloeren.  Dan mag verwennerij wel eens.  Dat denken wij toch.  Dat doen wij toch.  Nu, op deze laatste dag, mogen onze voeten zich even ontspannen.  Terwijl mijn voeten ingewreven worden met allerhande zalfjes lees ik de krant.  Ik lees over de vredesgesprekken terwijl mijn voeten gemasseerd en gescrubd worden.  Ik lees over een mogelijke wapenstilstand.  Met daarin een stappenplan naar vrede.  Pas nu lees ik dat niet alle gewapende groepen het akkoord ondertekend hebben.  Dit zal één van de uitdagingen zijn voor de nieuwe regering.  De pacificatie van Myanmar is nog niet voltooid.  Er is nog werk aan de winkel.  Maar ik laat het niet aan mijn hart komen.  Ik geniet van die verwennerij.
 
Er wordt mij een koffie aangeboden.  Ik aanvaard.  Een koffie en de krant, kan het nog beter? De klant blijkt hier toch koning te zijn.  Het is de laatste dag.  Toch blijf ik lezen over dit verbluffende land.  Dit verbazende land.  Ik wil zo veel mogelijk informatie verzamelen.  Gebeten om te weten.  Dat was vroeger ooit de slogan van een krant.  Ik ben nu gebeten.  Gebeten om zo veel mogelijk te weten.  Ik verbroeder dus niet met de dame, die mijn voeten verwent.  Dat doe ik niet.  Waardoor ik heel misschien een beetje asociaal ben.  Een gesprek uit de weg gaan, het oogt niet mooi.  Ik verberg mij achter de krant.  Lees over het moeilijke gevecht tegen de betelnoot.  In Myanmar wordt deze noot vaak gekauwd.  Op grote schaal.  Iedereen lijkt het wel te doen.  De noot wordt in kleine brokjes gehakt en ingepakt in een stuk betelblad.  Vervolgens wordt het vermengd met wat ongebluste kalk, kruidnagel en pruimtabak.  Nu kan het kauwen beginnen.  Bij het mengen ontstaat een rode pasta die het speeksel vuurrood kleurt.  Dat kauwen kan best wel een tijdje doorgaan maar aan het eind van de rit worden de smakeloos geworden resten uitgespuwd.  Lukraak.  Op elk moment.  Ongeacht de plaats.  Die uitgespuwde resten laten rode plekken achter op de grond.  Daarom dat de overheid ingrijpt.  Of tracht in te grijpen.  De strijd tegen de betelnoot is moeilijk.
 
Er werd geprobeerd de spuwers te beboeten.  Tot 150.000 kyat of zelfs één jaar opsluiting.  De dader moest evenwel op heterdaad betrapt worden.  Net daar wringt het schoentje.  Want waar is de politie? Op de luchthaven zag ik enkele agenten.  In Mandalay op enkele kruispunten.  Om het verkeer te regelen.  Dat was het zo wat.  Meer niet.  Verder zag ik geen enkele.  Myanmar wordt wel het veiligste land ter wereld genoemd.  Misschien maakt die titel politie overbodig.  Het zou kunnen.  Feit blijft dat het spuwen aanhoudt.  
 
Andere pogingen werden ondernomen.  Aan busstations en op kruispunten werden zandbakken geplaatst.  Bedoeling was dat deze zandbakjes vergaarbakken zouden worden van uitgespuwde betelnoot.  Het plan mislukte.  Een nieuw plan werd uitgedokterd.  Herbruikbare zakjes werden onder de bevolking uitgedeeld.  Hierin kon het spuugsel verzameld worden.  Die zakjes werden voor alles en nog wat gebruikt.  Maar niet voor de betelnoot.
 
Myanmar blijft maar doorspuwen.  Misschien moet het land de Olympische Spelen organiseren.  In China waren die Spelen immers de perfecte aanzet om het probleem van spuwen nationaal aan te pakken en te bannen.  De campagne had succes.  Het plan werkte.  Misschien dat daarin dus een oplossing kan gevonden worden.
 
Mijn krant is uit.  Net als deze dag bijna uit is.  Mijn voetjes zijn gedaan.  Net als deze dag bijna gedaan is.  Maar wij gaan niet huilen.  We laten onszelf niet toe emotioneel te worden.  Dat kan morgen nog.  Morgen kunnen we nog een potje huilen.  Vanavond niet.  Vanavond gaan we er nog voluit voor.  We gaan nog heel even naar een massagesalon.  Dat lijkt ons een mooi afscheid.  Een juist afscheid.  Nog heel even genieten.  Op onze laatste avond.
 
Mijn reisverhaal Myanmar.  Dag 21: Mandalay – Bangkok – Abu Dhabi - Brussel.  Het besluit.  Te lezen op maandag 18 april.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen