maandag 4 april 2016

Mijn reisverhaal Myanmar. Dag 19: Mandalay.

Deze morgen is het druk.  Dat lijkt het altijd te zijn in Myanmar.  Toch in de steden.  Er is al heel wat volk op de baan.  Ik zie al die mensen en vraag mij af waarheen zij op weg zijn.  Gezonde nieuwsgierigheid zal ik het maar noemen.  Interesse in de mensen om mij heen.  Ik wil weten hoe zij de dag of een deel van de dag doorkomen.  Wat ze doen.  Om dat te kunnen achterhalen, bedenk ik een app.  Een mens moet iets doen om die tijd op de bus vol te maken.  Om die tijd niet als nutteloze tijd te laten passeren.  Ik gebruik die gegeven tijd om mijn vindingrijkheid ten volle te laten spelen. 
 
In gedachten ontwerp ik een programmaatje.  Dat in real-time aangeeft wat er om je heen gebeurt.  Op het schermpje van je smartphone kan je zien wat er gebeurt.  Op dat schermpje kan je dan iemand aanklikken waarvan je graag had geweten wat die ene persoon die dag zal doen.  Na het aanklikken volgt de gevraagde informatie.  Die ene persoon is op weg naar zijn grote liefde.  Voor haar verjaardag.  Die ene persoon komt terug van werk.  Nachtdienst.  Die ene persoon is weggelopen van huis.  Na een ruzie met de ouders.  Die ene persoon vertrekt naar een pub.  Voor een laatste drankje aan het eind van een zwaar nachtje.  Geen geheimen meer.  Alles wordt verteld.  Alles wordt onthuld.  Geen vragen meer.  Geen vermoedens meer.  Geen enkele twijfel.  Zekerheid komt in de plaats.  Het zou leuk kunnen zijn.  Maar dan denk ik aan Big Brother.  Dat wordt plots realiteit.  Dan hoeft het voor mij niet meer.  Laat ons dus maar gissen.  Laat ons maar verhalen verzinnen.  Soms is giswerk zo veel mooier dan de naakte waarheid.  Omdat in dat giswerk fantasie sluipt.
 
Vandaag trekken wij naar Mingun, aan de oevers van de Ayeyarwady.  De Mingunpagode of Pahtodawgyi moet bezocht worden.  Daar kunnen wij niet omheen.  Bijna is het een must.  Wij moeten aanschouwen wat grootheidswaanzin met een mens kan doen.  De toenmalige koning wou het grootste boeddhistische heiligdom bouwen.  Volgens de plannen zou hem dat gelukt zijn.  Het bouwwerk zou honderd vijftig meter hoog zijn.  Maar tussen droom en realiteit schuilen vele obstakels.  Dat mocht de koning ervaren.  De schatkist raakte leeg.  Een tekort aan arbeiders dreigde.  De werken moesten gestopt worden.  Het bouwwerk raakte nooit voltooid.  Maar misschien waren dat slechts uitvluchten om met bouwen te stoppen.  Misschien was er wel een andere verklaring.  Een meer spirituele verklaring.  Er was die ene voorspelling.  Die stelde dat de koning zou sterven op de dag dat de stoepa klaar zou zijn.  Dat moet zelfs een koning tot enige voorzichtigheid aanmanen.  Toch maar het zekere voor het onzekere nemen.  Liever een lang leven dan een groot en hoog heiligdom.  Dat moet de koning gedacht hebben.
 
 
Onaf kon de pagode toch nog overtuigen.  Het was behoorlijk indrukwekkend.  Het geeft een voorafspiegeling van wat het zou kunnen geweest zijn.  Grootheidswaanzin moet evenwel afgestraft worden.  Dat kan geenszins getolereerd worden.  U meten met de goden, het is een onvergeeflijke fout.  Dat moeten de goden gedacht hebben.  Zij zonnen op wraak.  Om de mens een lesje te leren.  Zij brachten de natuurkrachten in stelling tegen het bouwwerk.  Een aardbeving vernielde in 1839 het hogere deel en deed het blok splijten.
 
 
Wij kunnen die gespleten blok bezichtigen.  Via een trap kunnen we vijftig meter hoog klimmen.  Ik heb het gedaan.  Toch bleef ik niet lang op die eerder bescheiden hoogte.  Hoogtevrees haalde mij snel naar beneden.  Het duizelde mij.  Ik had geen vaste voet.  Ik bleef weg van de rand.  Ik keerde mij om.  Ging snel die trap weer af.  Er zouden prachtige vergezichten zijn.  Fantastische panorama’s.  Dat wordt verteld.  Ik heb het niet gezien.  Te zeer met mijn hoofd in de grond.  Ik beken, ik ben geen held.  Toch niet in de hoogte.
 
Beneden gekomen stap ik verder.  Naar de klok van Mingun.  Mingun heeft niet alleen de grootste onafgebouwde pagode op aarde, het herbergt ook de grootste klok.  Twee wereldrecords dus.  Dat moet gezien worden.  Dat moet geverifieerd worden.  Als een ongelovige Thomas moeten wij die records aanraken.  Voelen.  Om zo te beseffen dat het geen fabeltjes zijn.  Dat die records wel degelijk bestaan.  Ik sta voor die klok.  Kan enkel besluiten dat die echt wel reëel is.  Vier meter hoog.  Negentig ton.  Onderaan een diameter van 5 meter.  Het kan tellen.  Ik kijk en het enige waaraan ik kan denken is Metallica.  Dat komt onmiddellijk bij mij op.  Ik denk aan James Hetfield.  Ik beeld mij in hoe graag hij deze klok zou laten slaan op For whom the bell tolls.
 
 
Wij houden nog even halt bij een bejaardenhuis.  Vanuit het verleden schakelen wij vlotjes over naar het heden.  Een reality-check, zo kan het beschouwd worden.  Zo mag het genoemd worden.  Slechts één dokter.  Eén dokter bereddert dit home.  Slechts enkele vrijwilligers steken een handje toe.  Die hulpjes hebben geen enkele medische scholing of training.  Crisismanagement, dat is wat wij hier zien.  Met de moed der wanhoop tracht men het hoofd boven water te houden.  Het lukt.  Moeilijk.  Het bejaardenhuis drijft voornamelijk op donaties.  Privé-giften.  Van de overheid valt niks te verwachten.  Volksgezondheid was tot voor kort geen prioriteit.  Van de nieuwe regering worden nieuwe initiatieven verwacht.  De dokter hoopt op verandering.  Op andere, meer sociale keuzes in het beleid.  The Lady heeft heel wat werk voor de boeg.  Van haar wordt de grote ommekeer verwacht.  In haar zien zij de kracht van verandering.  Dat vertelt de dokter ons.
 

 
Ik loop even rond.  Kijk in de twee slaapzalen.  Eén voor de mannen.  Eén voor de vrouwen.  Ik zie die mensjes.  Ik kan enkel het beste hopen.  Voor hen en de dokter.  Want dit is een prachtinitiatief.  Op een terrein, waar de overheid in gebreke blijft, zelf de handen uit de mouwen steken.  Het verdient het grootste respect.  Zonder enige twijfel zouden deze bejaarden op straat beland zijn indien dit initiatief niet bestond.  Want deze mensen hebben geen familie.  Geen kinderen.  Of indien zij toch kinderen hebben, zijn deze te arm om hun eigen ouders op te vangen.  De enige optie zou dan inderdaad de straat zijn.  Die slaapzalen lijken mij plots een perfecte oplossing.  Zelfs in die povere toestand lijkt die slaapplaats de hemel op aarde voor deze bewoners.
 
Wij trachten met de bejaarden te spreken.  Niet evident.  Met woorden zal het niet lukken.  Wel via gebaren.  Of via simpele, kleine woorden.  In het Engels.  Onze gesprekken zijn heel kort.  Maar dat stoort niet.  Soms kan communicatie heel beperkt zijn maar toch intens.  Ik ontmoet een vrouw van zeventig.  Ook zij resideert hier.  De ouderdom valt niet van haar gezicht af te lezen.  Nauwelijks een rimpel.  Zij lijkt het geheim van de eeuwige jeugd te kennen.  Ik durf het aan haar naar het recept van dat geheim te vragen.  Thanks to Buddha, dat zegt zij.  Dat is haar geheim.  Ik had het moeten weten.  Alles in het leven is terug te brengen tot dat ene.  Boeddha.
 
 
Wij nemen afscheid.  Wij moeten naar onze boot.  Toch eerst nog even binnenspringen in de Settawya-pagode.  Hier kan men een voetafdruk zien van Boeddha.  Ik had verwacht dat Boeddha op grote voet zou leven maar wat ik hier zie tart elke verbeelding.  Dit kan niet waar zijn.  Onmogelijk.  Die voetafdruk is monsterlijk groot.  Toch worden geen vragen gesteld bij de gegrondheid van deze claim.  Alles wordt voor waar aangenomen.  Zonder de minste zin voor kritiek.  Enige goedgelovigheid kan best handig zijn om als boeddhist door het leven te gaan.  Want wat moeten wij denken van al die relicten in die vele tempels.  Haren.  Tanden.  Beenderen.  Nu deze voetafdruk.  Dat boeddhisme lijkt mij toch een beetje bizar.
 
 
We keren terug naar Mandalay.  Want in de stad vallen ook nog een aantal dingen te bezoeken.  Wij rijden naar het Shwenandawklooster.  Dit klooster wordt ook nog het Gouden Paleisklooster genoemd.  Omdat het oorspronkelijk deel uitmaakte van het paleiscomplex.  Maar de zoon van koning Mindon verplaatste de tempel.  De tempel kwam buiten de paleismuren te staan.  Zou het voorzienigheid geweest zijn? Zou de prins een voorgevoel gehad hebben? Mag in deze verhuis de hand van God gezien worden? Of van Boeddha? Wat het ook zou kunnen zijn, de tempel werd gespaard bij de geallieerde bombardementen.  Terwijl het paleis in de as werd gelegd, bleef deze tempel intact.  Een wonder.
 
Gisteren zagen we een eerste houten klooster.  Op Inwa.  Wij waren overdonderd vanwege de schoonheid.  Vandaag zien wij een tweede.  De neiging ontstaat te kiezen welk klooster het mooiste is.  Die neiging kan ik niet onderdrukken.  Beide beconcurreren elkaar in pracht en schoonheid.  Het wordt een moeilijke afweging.  Een winnaar kiezen, hier valt nauwelijks aan te beginnen.  Het is best lastig te bepalen wie deze competitie zal winnen.  Wij komen uit op een gelijkspel.  Een ex aequo.  Mijn onvermogen of onwil te kiezen, levert twee winnaars op.  Zelfs ik blijk niet ongevoelig te zijn voor het Belgische compromis.  Voor het betere bochtenwerk.  Twee winnaars dus.  Het eerste klooster wint omwille van de omgeving.  Het tweede omwille van de afwerking.  Want die afwerking is bovenmenselijk, detaillistisch mooi.
 


 
De autoriteiten lijken zich bewust van de schoonheid van dit bouwwerk.  Lijken zich bewust van de toeristische waarde voor deze stad.  Voor het land.  In de jaren negentig werd het gebouw al eens gerestaureerd.  Vandaag is een voorbereidende studieronde aan de gang om te zien waar mogelijke restauraties noodzakelijk zijn.  Duidelijk is dat men dit gebouw niet wil laten verkommeren.  De voortdurende zorg en aandacht voor restauratie moet hiervoor bewijs leveren.
 
In mijn reisgids las ik dat universiteiten in het verleden naar buiten de stad verbannen werden.  Het was een bewuste strategie van de toenmalige machthebbers om de kritische studenten op die manier buiten de stad te houden.  Zij hoopten zo het revolutionaire vuur te doven.  Of toch op een laag pitje te houden.  Het vuur kon zo niet overslaan.  Kon ingedijkt en ingeperkt worden.  Maar hier in Mandalay lijkt mijn reisgids ongelijk te krijgen.  De realiteit lijkt de stelling uit mijn reisgids ingehaald te hebben.  Want tegenover het Shwenandawklooster staat de universiteit van Mandalay.  Zou ik hierin een bewijs mogen zien voor de politieke transitie, waarin het land momenteel verkeert? Of zou het revolutionaire vuur van de huidige studentenpopulatie gedoofd zijn? Zouden zij het materiële geldgewin en het vooruitzicht op een veelbelovende carrière plaatsen boven vrijheid van denken? 
 
Die vragen flitsen nog doorheen mijn hoofd als wij arriveren bij het grootste boek ter wereld.  Dat boek staat in de Kuthodawpagode.  Het is geen gewoon boek.  Geen boek, zoals wij dat kennen.  Het is iets anders.  Iets heel anders.  Bij de Kuthodawpagode staan zevenhonderd negenentwintig kleinere pagodes met in elke pagode één marmeren steen.  Op die stenen staat de volledige tekst van de Tripitaka, de Heilige Schrift.  Dat overzetten van de tekst van palmblad op marmer was een hele karwei.  Gedurende acht jaar werkten vijfduizend steenhouwers aan deze overzetting.  Waarom toch al die tijd hierin investeren? Het antwoord is vrij eenvoudig.  Koning Mindon dacht zo de boeddhistische leer voor de eeuwigheid vast te kunnen leggen.  Hij lijkt in die opzet geslaagd te zijn.  Want ik kijk naar al die stenen.  Ik kijk naar de Heilige Schrift.  Ik kan het niet lezen.  Wel zie ik tekens en symbolen.  Maar schijn bedriegt.  Ik kijk wel naar zevenhonderd negenentwintig stenen maar dat zijn niet de originele.  Die bestaan niet meer.  Die zouden door de geallieerden gebruikt zijn in de wegenbouw.  Oorlog sloopt het respect voor het culturele erfgoed.  In oorlogstijden lijken andere overwegingen te spelen.  Geen tijd voor sentiment.  Dan speelt enkel de rede.  
 
Nog andere dingen verdwenen in de Tweede Wereldoorlog.  Zo werd het Mandalaypaleis door de geallieerden platgebombardeerd.  Het fort werd tijdens de oorlogsjaren door de Japanners bezet.  Het was in de handen van de vijand.  Dan mag en moet het platgegooid worden.  Om de oorlog te winnen, moet alles wijken.  Aan het eind van een oorlog heeft de winnaar altijd gelijk.  Aan die winnaar worden weinig of geen vragen gesteld.  De winnaar wordt niet ter verantwoording geroepen.  Hij gaat vrijuit.  Enkel de verliezer moet betalen.  Enkel de verliezer moet boeten.  Dat paleis? Jammer maar helaas.
 
Wij gaan naar het Koninklijk Paleis.  Hier is niks nog origineel.  Of bijna niks.  Enkel de Nan Myin wachttoren, de fundamenten, de muren en de gracht dienden niet heropgebouwd of heraangelegd te worden.  Al de rest wel.  Bij die heropbouw werden wel geen tweeënvijftig mensen levend begraven onder het paleis.  Zoals ten tijde van koning Mindon.  Hij dacht dat die geesten het paleis zouden behoeden voor ongeluk.  Dat had hij dus verkeerd gedacht.  Het paleis bleek niet bestand tegen de geallieerde bommen.  Hoewel bij de reconstructie in de jaren negentig geen mensen levend werden begraven, was er toch veel kritiek.  Het gebruik van duizenden gevangenen en dwangarbeiders werd het regime ten kwade geduid.
 
De reconstructie van het paleis is bedoeld om een idee te krijgen van wat het paleis eigenlijk moet geweest zijn.  Het moet ons een indruk geven van de grootsheid.  Van de rijkdom.  Dat lukt niet volledig.  Dat het paleis zich uitstrekt over een grote oppervlakte, dat merken wij.  Wij wandelen een tijdje langs de verschillende paviljoenen.  Bewijzen van die grootse pracht vinden wij nauwelijks.  Dat moeten wij erbij denken.  Die grootse pracht moeten wij bijeen fantaseren.  Want dat ontbreekt.  Het ene wat overblijft, is dit weinig fraaie themapark.  
 
 
Het grootste deel van het Mandalaypaleis is vandaag een legerbasis.  Alvorens wij het paleis kunnen betreden, moeten we langs legerbarakken rijden.  Waarvan geen foto’s mogen genomen worden.  Staatsgeheim.  Uiteraard.  Niemand mag immers zien hoe soldaten hun tijd verlummelen.  Hoe soldaten luieren en bovenal weinig of niks doen.  De gedachte moet levend gehouden worden dat het leger waakt.  Foto’s van slungelige soldaten vormen dan een bedreiging voor die gedachte.  Dergelijke foto’s kunnen het land in gevaar brengen.  Moeten daarom vermeden worden.
 
Dat het leger, de Tatmadaw, waakt, is een understatement.  Op grote borden wordt de burger gewezen op de waakzaamheid en de alertheid van het nationale leger.  Zo hangt aan de ingang van het Mandalaypaleis een bord met een nogal duidelijke boodschap: Tatmadaw and the people cooperate and crush all those harming the union.  Ik heb het twee keer moeten lezen.  Zelfs drie keer.  Het stond er wel degelijk.  Net zoals de waarschuwing op een andere muur van hetzelfde paleis.  Op die muur stond in heldere letters de volgende mededeling: Tatmadaw shall never betray the national cause.
 
Die Bond Zonder Naam slogans had ik ook al gezien toen wij op weg waren naar het ballonfestival.  We reden langs een kazerne.  Op de muur van de basis stond een duidelijke boodschap: Tatmadaw shall never hesitate.  Een boodschap dat weinig aan de verbeelding overlaat.  In al die slogans schuilt een gevaarlijke waarschuwing.  Ik vermoed dat zij niet zomaar gekozen zijn.  Zij illustreren de verknochtheid van het leger aan het regime.  Die woorden doen mij huiveren.  Het land is momenteel in een transitieperiode.  Als ik die woorden lees en herlees, vraag ik mij af of het Birmese leger zich afzijdig zal houden in deze belangrijke periode voor het land.  Zal het leger in de kazernes blijven? Die heldhaftige woorden aan de poorten en op muren van kazernes doen mij plots inzien dat een gewelddadig scenario ook nog steeds tot de mogelijkheden behoort.
 
Tot slot van de dag rijden wij de Mandalayheuvel op.  Naar de Sataungpyeitempel.  Deze keer gaan wij niet omwille van Boeddha naar de tempel.  De Boeddhabeelden keren we onze rug toe.  Wij kijken de andere kant uit.  Want vanop de tempel hebben we een prachtig uitzicht over Mandalay.  Bovendien hebben we van hieruit kans op een mooie zonsondergang.  Het zal evenwel niet voor vandaag zijn.  Het is bewolkt.  Een mooie zonsondergang krijgen wij niet.  De natuur is niet te sturen.  De natuur laat zich niet leiden door een planning.  Door een agenda.  Geen zonsondergang dus.  Jammer.  Maar we haasten ons daarom niet meteen naar beneden.  Wij blijven boven.  Om wat te praten met de monniken.  Want daarom komen zij naar deze pagode.  Om met de toeristen te praten.  Om hun Engels te oefenen.  Wij geven hen die kans.  Die mogelijkheid.
 
 
Wij nemen afscheid.  Bye, bye.  See you next time.  Ons babbelwater is op.  Wij zijn uitgepraat.  Willen onder de wol kruipen.  Om klaar te zijn voor morgen.  Onze laatste dag.
 
Mijn reisverhaal Myanmar.  Dag 20: Mandalay.  Te lezen op maandag 11 april.
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen