donderdag 28 april 2016

De ijsvogels, gezien in het MSK. Brief aan Emiel Claus.

Beste Emiel,
 
Een echte museumganger durf ik mij niet te noemen.  Indien ik het wel zou doen, zou ik liegen.  Dat mag niet.  Dus doe ik het niet.  Zo werd het mij geleerd.  Altijd was ik een volgzame jongen.  Ik gehoorzaam.  Ik luister.  Die eerlijkheid doet mij dus zeggen dat ik slechts heel af en toe naar een museum trek.
 
Toch doe ik het.  Zoals ik reeds zei.  Niet vaak.  Wel heel af en toe.  Die zeldzame keren hebben mij al een aantal keer naar het MSK gebracht.  Ik ben een Gentenaar.  Het museum is dichtbij.  Dat maakt het makkelijker eens binnen te springen.  Op een zondagmorgen.  Want dan is het gratis.  Althans voor Gentenaars.  Het zijn moeilijke tijden.  Dat lees ik in de kranten.  Dat zie ik rondom mij.  Wij moeten op de kleintjes letten.  Dan moeten wij de geboden kansen grijpen.  Benutten.
 
Als ik naar het MSK kom, kom ik voor u.  Voor dat ene schilderij.  U schilderde het in 1891.  Dat jaar maakte u De ijsvogels.  In een bijna rechte lijn haast ik mij naar uw zaal.  Terwijl ik voor de andere schilderijen rechtop blijf staan, ga ik mij neerzetten voor het uwe.  Onlangs las ik in de krant dat een gemiddelde museumbezoeker zeventien seconden lang naar een kunstwerk kijkt.  Als dat zo is, mag ik mij een gemiddelde museumbezoeker noemen.  Toch zijn er die enkele uitzonderingen.  Langer blijf ik stilstaan bij Studies van de kop van Abraham Grapheus van Jacob Jordaens.  Bij Portret van een kleptomaan van Théodore Géricault.  Bij Oude dame met maskers van James Ensor.  Bij De idioot bij de vijver van Frits Van den Berghe.  Op basis van mijn voorkeuren zal u misschien oordelen dat ik niet echt een kenner ben.  Dat ik mij niet zozeer laat leiden door het vakmanschap.  Dat ik mij veeleer laat leiden door wat ik mooi vind.  Dat is misschien wat povertjes.  Dat klinkt misschien onvoldoende als motivering.  Toch is het zo.  Daardoor laat ik mij leiden.  Die beperkte motivering bepaalt mijn tempo.  Soms snel, nonchalant.  Soms traag, onderzoekend.
 
Bij u is het anders.  Bij u is tijd van geen tel.  Geen zeventien seconden.  Ik neem mijn tijd.  Onbeperkt.  Onbemeten.  Maar alweer gebiedt die eerlijkheid mij alles te vertellen.  Nu was het anders.  Ik had niet de leiding over mijn eigen tijd.  Wij hadden een gids.  Bijeen gezameld met punten.  Vijftig punten op onze UiTPAS in ruil voor een gegidste rondleiding in het MSK.  Vijftig punten in ruil voor een gids.  Wij hadden onze punten omgeruild.  Wij kregen een gids.  Dat was de deal.  Die overeenkomst dwong ons tot het volgen van die man.  Hij leidde ons.  Wij werden volgers.  Wij volgden zijn pad van eruditie.  Want dat was de man.  Erudiet.  Zo kwam hij toch bij mij over.  Geconfronteerd met zijn kennis voelde ik mij een beetje dom.  Onvoldoende onderlegd.
 
Beste Emiel, altijd heb ik een gids geweigerd.  Ik wou dat niet.  Ik was van oordeel dat een gids mijn fantasie zou fnuiken.  Omdat hij zou zeggen wat ik diende te zien.  Omdat hij zou zeggen hoe ik een werk diende te interpreteren.  Ik heb mij vergist.  Dat mag.  Missen is menselijk.  Vergissen ook.  Deze gids kende zijn werk.  Wist wat te doen.  Hij nam ons op sleeptouw.  Stopte bij de juiste schilderijen.  Bij die schilderijen, die hij belangrijk achtte om zijn verhaal te vertellen.  Het verhaal, dat hij vertelde, was mooi.  Interessant.  Het verhaal boeide.  Hij kaderde de kunstwerken.  In de tijd.  Tegenover andere kunstenaars.  Hij had het over invloeden.  Over door ons niet opgemerkte details in de schilderijen.  Hij nam de leiding.  Wij volgden.  Gedwee.  Met plezier.
 
In uw zaal hield hij ook halt.  Hij vatte post voor een ander schilderij.  Eveneens van uw hand.  Wij keken naar Zonnige boom.  Met onze rug stonden wij naar dat ene schilderij.  De ijsvogels.  Ik haakte af.  Ik ging naar dat andere schilderij.  Naar mijn schilderij.  Mijn favoriet.  Op de achtergrond hoorde ik de gids vertellen over u.  Hij had het over de invloed van Franse schilders.  Impressionisten als Monet.  Ik hoorde hem het luminisme vernoemen.  Hij noemde u de leider van dat Belgische luminisme.  De woordvoerder.  Hij vertelde dat in uw schilderijen een zekere ontkenning sprak van de realiteit.  U plooide niet voor het realisme.  Voor het naturalisme.  U maakte mooie prentjes alsof de mistoestanden uit de tweede helft van de negentiende eeuw niet bestonden voor u.  Die ging u uit de weg.  In uw schilderijen viel geen politieke boodschap af te leiden.  Geen aanklacht.  Dat alles hoorde ik.
 
Dat alles hoorde ik.  Op de achtergrond.  Achter mij.  Maar ik keek naar wat voor mij hing.  Ik keek naar het mooiste schilderij van het MSK.  Ik keek niet alleen.  Ik deed meer.  Veel meer.  Ik aanvaardde uw uitnodiging.  Ik deed wat u mij vroeg.  Ik stapte in het schilderij.  Ik werd een ijsvogel.
 
Het MSK vervaagde.  Verdween.  Ik stond aan het Walleken.  Op het Walleken.  Dat is een beekje.  Aan mijn ouderlijke woning.  Plots was ik weer die kleine jongen.  Ik was een speelvogel.  Ik was een ijsvogel.  Ik zag mij aan dat beekje.  Met mijn slee.  Want dat was het leuke aan het Walleken.  In de winter vroor dat beekje dicht.  Dan konden wij glijwedstrijden houden.  Om ter verst.  Dan konden wij ijshockey spelen.  Om ter hardst.  Dan konden wij sleeën.  Om ter snelst.
 
Uren brachten wij door op het ijs.  Ik zie weer die grijsroze avonden voor mij.  Zoals op uw schilderij.  Ik ken die kleuren.  Ik herbeleef die kleuren.  Ik voel opnieuw die koude.  Met over die koude een flauw waterzonnetje.  U brengt mij terug naar heerlijke tijden.  Onschuldige tijden.
 
Ik keek en herbeleefde.  Ik keek.  Ik keek.  Ik keek.  Tot ik die stem hoorde.  Een stem, die eerst veraf klonk.  Maar dan scherper werd.  Ik hoorde onze gids.  Hij bracht mij terug.  Hij vroeg mij aan te sluiten.  Wij moesten nog naar James Ensor.  Naar de school van Sint-Martens-Latem.  
 
De gids vertelt.  Ik volg niet meer.  Mijn gedachten zijn nog in de andere zaal.  Bij u.  Want net toen ik de zaal uitstapte, viel mij in dat u wel nog een boodschap meegaf.  Een boodschap, die aanvankelijk niet in uw schilderij vervat zat.  Die pas later in het doek zou binnendringen.  Later, in onze tijden.  Plots besef ik wat u mij toefluisterde.  Via uw schilderij.  Dat wij heel wat verloren hebben.  Op dat schilderij zie ik weilanden.  Aan de Leie.  Ik zie uitgestrektheid.  Onmetelijkheid.  Op dat schilderij kunnen wij nog ongestoord vooruit kijken.  Door niks wordt ons zicht gehinderd.  Dat is nu niet meer zo.  Luxueuze villa’s hebben zich aan de Leie genesteld.  Elk met een aanlegsteiger.  Weg is die uitgestrektheid.  Weg is die onmetelijkheid.  Dat hebben wij verloren.  Dat besef ik.  Terwijl ik naar James Ensor kijk.
 
Beste Emiel, het was fijn elkaar nog eens te ontmoeten.  Elkaar nog eens te zien.  We hebben weer wat kunnen bijpraten.  Herinneringen kunnen ophalen.  Ik keer terug.  Dat zeg ik niet.  Dat beloof ik u.  Want ik kan niet weerstaan aan de lokroep van uw ijsvogels.  Heel af en toe roepen zij mij.  Dan ga ik.  Zoals ik al zei, ik ben een volgzame jongen.  Ik ben gehoorzaam.
 
Met vriendelijke groeten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen