maandag 21 maart 2016

Mijn reisverhaal Myanmar. Dag 17: Monywa - Mandalay.

Gisteren was het de dag van de kitsch.  Zo zal die dag herinnerd worden.  Dat wordt zo opgeslagen in het geheugen.  Op de harde schijf.  Voorgoed.  Die herinnering kan niet meer gewist worden.  Vandaag zal het anders zijn.  Jawel, we gaan ook vandaag Boeddhabeelden kijken.  Vergelijkingen met de Thanboddhaypagode gaan evenwel niet op.  Het is anders.  Smaakvoller.  Historisch waardevoller.
 
Vandaag brengen we een bezoek aan de Pho Win Taunggrotten.  De naam betekent ‘Berg van de Solitaire Meditatie’.  Dat kan ooit wel zo geweest zijn.  Ooit, in vroegere tijden.  Toen moet het nog mogelijk geweest zijn op deze plek eenzaamheid te zoeken en te vinden.  Met de bedoeling in stille afzondering te mediteren.  Die tijden zijn nu definitief voorbij.  Een overrompeling is het niet.  Maar rustig is het ook niet echt.  Deze plek wordt bezocht door toeristen.  Nog niet in grote getale.  Maar toch.  Stil is het niet meer.  Stil zal het niet meer worden.  Misschien dat het toch lukt in één van de 520 uitgehakte kamers voor enkele minuten rust te vinden.  Slechts voor enkele minuten.  Langer zal niet kunnen.  Want dan zal ongetwijfeld wel iemand uw meditatiemoment komen verstoren.
 
 
Vijfhonderd twintig uitgehakte kamers.  Echte grotten zijn het niet.  Eerder zijn het kamers, uitgehouwen in de rotsen.  Zelfs met een grottenfobie kan u gerust deze kamers binnenstappen.  Op geen enkele wijze is het beangstigend.  We hoeven niet aan speleologie te doen om tot de kern van de kamers door te dringen.  Wij hoeven geen duizend angsten uit te zweten om deze historische parels te ontdekken en te appreciëren.  
 



 
 
Aanvankelijk is er de intentie elke kamer binnen te stappen.  Want constant is er die vrees dat we iets zullen missen.  Iets zullen mankeren.  Daarom durven wij geen enkele kamer voorbij te gaan zonder eventjes ons hoofd binnen te steken.  Toch is dat niet vol te houden.  Wegens tijdsgebrek moeten wij afstappen van het idee elke kamer te bezoeken.  Dat kan niet.  Onmogelijk.  Wij slaan er daarom enkele over.  De mindere.  De kleinere.  Wij haasten ons naar de kamers, die absoluut niet mogen gemist worden.  Plaatselijke gidsen hebben ons de meest interessante in het oor gefluisterd.  Als tip.  Die gidsen raden ons aan met vaste tred door te stappen naar kamers 478 en 480.  Wij doen dat.  Wij zijn volgzaam.  Heel soms erkennen wij de expertise van anderen.  In deze kamers kunnen wij muurschilderingen aanschouwen uit de veertiende en de zeventiende eeuw.  Door de eeuwen heen was dit een plek van hoge heiligheid.  Hier heerst geen kitsch.  Wel historie.  Wel religiositeit.  Adembenemende pracht, dat is het wat wij hier, op deze plek, mogen ervaren.  Wat een tegenstelling met gisteren.  
 


 
En toch.  En toch.  Terwijl ik op deze site rondwandel, ga ik anders aankijken tegen Thanboddhay.  Misschien is het concept van Thanboddhay wel bedoeld als een kunstzinnige vorm van maatschappijkritiek.  Dat loop ik te denken.  Ik denk verder.  Misschien kan het beschouwd worden als een aanklacht tegen de alomtegenwoordigheid van Boeddha in het dagelijkse leven.  Tegen de neerdrukkende greep op het leven van de Birmezen.  Misschien zag de ontwerper de filosofie van Boeddha verwateren tot een pretpark.  Tot een grabbelton, waaruit eenieder net dat ene plukt dat goed en/of voordelig is voor hem of haar.  Dat zou het kunnen zijn.  Ik meen het begrepen te hebben.  Ik heb de dieperliggende boodschap ontcijferd.  Ik heb het geheim van Thanboddhay blootgelegd.  Dat geheim is dat Thanboddhay kunst is.  Geen kitsch, wel kunst.  Dat zou het kunnen zijn.  Of ben ik aan het raaskallen? Aan het zwetsen? Aan het zeveren? Ben ik al te zeer geneigd in alles toch maar iets aan schoonheid te ontwarren? Ik twijfel.  Ik twijfel over mijn zonet uitgeschreven theorie.
 



 
Waar ik dan weer niet over twijfel, is dat er al eens mag gelachen worden met Boeddha.  Lange tijd twijfelde ik of cartoons van en met Boeddha gedoogd worden.  Of dergelijke cartoons toegelaten worden.  In sommige religies ligt het nogal gevoelig.  Maar niet in het boeddhisme.  Dat weet ik nu met zekerheid.  Ik heb Thanboddhay gezien.  Met Boeddha mag voluit gespot worden.  Zonder enige reserve.  Zonder enig voorbehoud.  Want Thanboddhay is spot in zijn puurste vorm.  Tot dat inzicht kwam ik pas vandaag.  Soms komen verhelderende ideeën pas met enkele dagen vertraging tot mij.  Beter laat dan nooit, dat denk ik dan maar.  De Pho Win Taunggrotten hebben mij inzicht verschaft.  Op velerlei vlakken.  Soms is dat inzicht doordesemd met enige twijfel.  Soms schuilt in dat inzicht enkel zekerheid.
 
Wij moeten verder.  Wij moeten doorgaan.  Zoals Herman Van Veen.  Net als Van Veen moeten ook wij springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan.  Ter plaatse trappelen kunnen wij niet.  Willen wij niet.  Wij willen Myanmar zien.  Dan moeten wij vooruit.  Naar Mandalay.  Onze volgende halte.
 
Onderweg stoppen wij toch nog even bij een zittende Boeddha.  Met glasmozaïekjes.  Alweer staan wij tegenover een Boeddhabeeld.  Het zoveelste beeld in een intussen lang geworden rij.  Toch verveelt het niet.  Nooit.  Verveling op reis kan niet bestaan.  Mag niet bestaan.  Dat is onmogelijk.  Indien verveling toch de kop zou opsteken tijdens een reis, moeten wij onmiddellijk het vliegtuig op.  Moeten wij onmiddellijk naar huis.  Thuis mogen wij ons vervelen.  Onderzoekers, die het goed voorhebben met onze gezondheid, beweren zelfs dat wij verveling moeten toelaten in ons bestaan.  Hiervoor valt wel iets te zeggen.  Thuis mag het.  Moet het.  Maar niet op reis.  Op reis moeten wij voldoende geprikkeld worden.  Voldoende getriggerd worden.  Om op de been te blijven.  Rond te zien.  Rond te kijken.
 
 
Boeddhabeelden? Intussen zijn wij zo ver gekomen dat wij voorbij het beeld zien.  Alsof wij het totale beeld niet zien.  Of slechts voor heel eventjes.  De details eisen onze aandacht op.  Alsof wij echte kenners zijn.  Deskundigen.  Want echte kenners weten dat in de details het verschil schuilt.  Zo is geen enkel gezicht hetzelfde.  Kleine nuances schuilen in de ogen.  In de oren.  In de mond.  De gelaatsuitdrukking kan verschillen.  Van opgewekt blij tot ernstig streng.  Indien alles toch gelijk zou lijken, kan variatie gevonden worden in de stand van de handen.  Veertig verschillende posities van de hand zijn mogelijk.  Zijn voorgeschreven en goedgekeurd.  Zijn strikt omschreven.
 
Lijkt elke mogelijke variatie opgebruikt, is er nog die ene mogelijkheid.  Dan kunnen de ontwerpers en kunstenaars gaan spelen met de grootte en het gebruikte materiaal.  De vrijheid van de kunstenaar lijkt bijna onuitputtelijk.  Inventiviteit kan die vrijheid nog voeden.  Daarin schuilt de uitdaging voor de maker.
 
Voor ons is dus geen enkel Boeddhabeeld hetzelfde.  Die beelden beginnen voor ons een uitdaging te vormen.  Om net die kleine, minieme verschillen te duiden.  Om in die ogenschijnlijke uniformiteit toch het verschil te ontdekken.  In alles moet de mens een uitdaging zoeken.
 
Over de Ayeyarwady-brug rijden we naar Sagaing, een belangrijk religieus centrum.  Met vijfhonderd veertig kloosters en pagodes, zesduizend monniken en drieduizend nonnen mag de stad deze titel met recht en rede claimen.  Hierover moet niet gedebatteerd worden.  Soms spreken cijfers voor zich.
 
In Sagaing rijden wij meteen door naar de gouden koepel van de Kaunghmudawpagode.  Dit bouwwerk zou een kopie zijn van de Mahazedipagode in Sri Lanka.  Ik kan het niet verifiëren.  Ik kan deze bewering niet bijtreden.  Sri Lanka heb ik nog niet bezocht.  Het origineel heb ik nog niet gezien.  Ik geef het u enkel mee.  Zodat u vrienden en kennissen in gesprekken kan overdonderen met dergelijke weetjes.  Om hen tijdens die gesprekken versteld te doen staan van uw kennis.  Om aan uw vrienden op die manier te bewijzen dat u ook wel iets opsteekt op die vele reizen.  Om aan te tonen dat die aloude stelling ‘wij reizen om te leren’ toch een grote kern van waarheid bevat.
 
Het voorgaande, architecturale weetje kan misschien wel best leuk zijn.  Toch hecht ik meer geloof aan die ene legende.  Omdat het wat pittiger is.  Wat pikanter.  Die legende vertelt dat de koepel zou gemaakt zijn naar de borst van de toenmalige koningin.  Ik kijk naar die perfecte koepel.  Ik denk aan die perfecte borst.  Kijken en denken, het gebeurt automatisch.  Ik kan het niet tegenhouden.  Heldere beelden komen mij voor de geest.  Ik heb een groot voorstellingsvermogen.  Onmiddellijk wijs ik mijzelf terecht.  Ik ban die gedachten.  Ik drijf ze uit.  Want deze horen niet thuis in een religieus centrum.  Ik vrees een wraakactie van de nats.  Van de wraakgodinnen.  Ik dwing mij opnieuw helder te denken.  Ik dwing me opnieuw te focussen.  Zonder enige storing op de lijn.
 


 
Aan de ingang van de Kaunghmudawpagode zien wij een praalwagen.  Met op en rond die wagen kleurrijk uitgedoste kinderen.  Daaromheen een handvol fotografen.  Een fotoreportage? Voor een trendy merk van kinderkledij? Voor één of andere overheidscampagne? Niks van dat alles.  Het blijkt iets anders te zijn.  Iets wat wij ook kennen.  Maar wij noemen het dan de Eerste Communie.  Of de Plechtige Communie.  In Myanmar hebben zij een boeddhistische variant op onze communiefeesten.  In Myanmar is het de gewoonte dat jongens minstens tweemaal toetreden tot een monnikenorde.  Bij hun intrede worden de kinderen in feestprocessie naar het klooster gebracht.  Zij worden door de vader het klooster binnengedragen.  Dit lijkt hier aan de hand te zijn.
 

 
De ouders geloven dat een kind in het klooster geluk brengt.  Daarom wordt vaak niet gewacht tot de kinderen de leeftijd van tien jaar hebben bereikt.  Vierjarige novicen zijn vandaag de dag geen uitzondering.  Ouders willen blijkbaar zo snel mogelijk dat geluk verwerven.  In hoeverre hebben die kinderen inspraak in die toch wel zwaarwegende beslissing? Een beslissing, die toch wel een grote impact heeft op het leven van die kinderen.  Er wordt mij verteld dat de toestemming van beide ouders steeds nodig is.  Over de instemming van het kind zelf wordt niet gesproken.  Om hun mening wordt niet gevraagd.  Hun mening doet niet ter zake.  Bovendien, wat zou het kind kunnen zeggen? Zou het kind kunnen weigeren als hem wordt verteld dat het geluk van het volledige gezin op zijn schouders rust? Een weigering lijkt mij in die omstandigheden bijna onmogelijk.  Maar misschien hoeven we het niet zo te zien.  Heel misschien kunnen we het toetreden tot een monnikenorde beschouwen als één van de mogelijke toegangen tot het onderwijs.  Een goedkope want gratis toegang tot onderwijs.  Heel misschien kan dit voor ouders een beweegreden zijn.
 
 
Van de perfecte borst naar de rechten van het kind.  Wat een overgang.  Eerst verbaasd staan kijken/gapen naar een koninklijke borst.  Om dan enkele momenten later geconfronteerd te worden met een sociaal vraagstuk.  Heel soms moet snel omgeschakeld worden.  Het hoofd leegmaken om met een helder hoofd een volgend vraagstuk aan te vatten.  Van de toerist wordt enige flexibiliteit verlangd.  Steeds weer moet de toerist alert zijn.  Om alle signalen om hem/haar heen op te vangen.  Op te pikken.
 
Wij rijden door naar Mandalay.  Maar vooraleer wij inchecken in het hotel houden wij nog even halt bij een atelier, waar bladgoud wordt gemaakt.  Mandalay is hiervoor de juiste plaats.  Want deze stad is één van de weinige plaatsen waar bladgoud nog op de traditionele wijze wordt gemaakt.  Die traditionele wijze is nogal arbeidsintensief.  Een totale body-workout, zo mag het genoemd worden.  Geen enkele machine bij dit proces.  Enkel de handen worden gebruikt.  Enkel armkracht.  Arm- en spierkracht.  Wat mij onmiddellijk opvalt, is dat ergonomie geen belangrijk aandachtspunt is in deze ateliers.  Dit werk moet bijzonder slopend zijn voor de rug.  Ik kijk naar die meppende arbeiders.  Enkel van het kijken begin ik al te zweten.  Ik zou het niet kunnen.  Of neen, ik zou het niet willen.  Ik wil mijn rug sparen.  Maar die bekommernissen spelen hier niet.  Er moet brood op de plank komen.  Dit werk is één van de mogelijkheden om dat spreekwoordelijk brood op die even spreekwoordelijke plank te krijgen.  Wij zijn luxebeestjes, dat denk ik.  Dat besef ik.
 
Om de stukjes goud tot bladgoud te ‘meppen’, hebben de arbeiders zes uur nodig.  Dat gebeurt in drie stappen.  In een eerste rond wordt slechts een half uurtje geklopt.  In een volgende ronde wordt nog eens een half uurtje gehamerd.  De laatste ronde is de meest intensieve.  Die laatste ronde duurt vijf uur.  Dan hebben we het eindproduct.  Dan hebben wij dat flinterdunne bladgoud.
 
Bij het kloppen worden de goudklompjes tussen papier van bamboe gelegd.  Dat papier blijkt ideaal te zijn voor deze industrie.  Voor deze ambacht.  De steeds fijner wordende goudblaadjes blijven niet kleven aan dit papier.  Best handig want zo kunnen die goudblaadjes niet scheuren.  Over het lot van de arbeider wordt blijkbaar weinig nagedacht.  Manieren om zijn werk te faciliteren krijgen weinig of geen aandacht.  Over het lot van de goudblaadjes daarentegen wordt wel flink nagedacht.  Met de nodige zorg moet met die blaadjes omgegaan worden.  Bijzonder inventief is men in die zoektocht.  Zo gebeurt het versnijden van die goudblaadjes tot een verkoopbaar formaat met mesjes, gemaakt van buffelhoorn.  Alweer vanuit diezelfde bekommernis.  Aan die mesjes blijft niets kleven.  Geen onnodig verlies dus voor de ondernemer.  Halleluja.
 
Eén ding weet ik zeker.  Deze industrie heeft een gouden toekomst.  Dat heb ik de voorbije dagen kunnen zien.  Dat heb ik kunnen zien aan de manier waarop gelovigen Boeddhabeelden behangen met bladgoud.  Maar niet enkel wordt het gebruikt als offerande.  Het kan ook gebruikt worden als juweeltje.  Of als medicijn.  Het zou goed zijn voor het hart.  Ik heb het geprobeerd.  Ik heb het gegeten.  Een klein stukje bladgoud.  Een onmiddellijk en meetbaar effect had het niet.  Maar het geloof in een heilzaam effect kan best wonderen verrichten.  Met die gedachte troost ik mij.
 
’s Avonds ga ik slapen.  Met een stukje bladgoud in de maag.  Ik voel mij zo veel rijker dan deze morgen.  Soms kan het snel gaan.
 
Mijn reisverhaal Myanmar.  Dag 18: Mandalay.  Te lezen op dinsdag 29 maart.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen