maandag 14 maart 2016

Mijn reisverhaal Myanmar. Dag 16: Bagan - Monywa.

We verlaten Bagan.  Onze e-scooters gaan op stal.  Vandaag gaan we de bus op.  Naar Monywa, een havenstad aan de Chindwin.  De Chindwin is de op één na belangrijkste rivier van Myanmar.  Ondanks dat belang wordt de stad nog weinig aangedaan door toeristen.  Wij zijn de uitzondering.  De uitzondering, die de regel bevestigt.  Wij zullen in deze stad overnachten om de volgende dag door te rijden naar Mandalay.  Maar we lopen vooruit op de zaken.  Het is nog ochtend.  Alles moet nog gebeuren.  De dag moet zich nog openbaren aan ons.
 
Wij rijden niet in één ruk naar Monywa.  Dat doen we nooit.  Tijdens de busritten wordt altijd wel één keer gestopt.  Minstens één keer.  Vaak meerdere keren.  Om de beentjes te strekken.  Om iets te drinken.  Iets te eten.  Om iets te zien.  Te ontdekken.  Meerdere redenen doen ons halt houden.
 
Een eerste maal stoppen we in een dorpje.  Zomaar.  Lukraak.  Als u mij zou vragen naar de naam van het dorpje, zou ik u moeten teleurstellen.  Ik kan het niet.  Ik weet het niet.  Maar dat hoeft niet.  Grote dingen zijn er niet te zien.  We stoppen zomaar in een plattelandsdorpje.
 


 
Wij blijven niet in de bus zitten.  Dat zou een beetje te vreemd lijken.  Wij stappen uit.  Lopen rond in dat kleine dorpje.  Wij worden aangekeken.  Alsof wij net met een ruimteschip op aarde geland zijn.  Alsof wij ruimtewezens zijn.  Verdwaald op deze aardbol en bij toeval in dit dorpje aangestrand.  Die onwennigheid houdt evenwel niet aan.  Is slechts van zeer korte duur.  De Birmese gastvrijheid haalt wederom de bovenhand.  Wij worden overal binnengeroepen.  Zij willen ons tonen waar zij wonen.  Hoe zij wonen.  Hoe zij leven.  Ze willen ons tonen wat zij doen.  Wat zij doen om den brode.  We worden de weefateliers binnengeleid.  Wij worden in de stallen toegelaten.  Het plattelandsleven, dat is wat wij zien.  Geen grote bedrijven.  Geen grote industrieën.  Kleinschaligheid overheerst.
 
Een gesprek voeren is onmogelijk.  Op enkele weken tijd hebben wij ons het Birmees nog niet eigen kunnen maken.  Op enkele woordjes na.  Goedendag en dankuwel, dat kunnen wij.  Maar die twee woorden volstaan niet om een gesprek te beginnen en aan de gang te houden.  Gebarentaal, daarvan bedienen wij ons.  Dat is nog altijd de beste manier om te kunnen communiceren.  Vaak lukt het via de kinderen.  Die kun je vaak het best bereiken.  Via speelse onnozelheden.  Zo wordt een gevonden stok een zwaard.  Een banaan wordt een revolver.  Met mijn snel geïmproviseerde clownsact kan ik de kinderen toch doen lachen.  Zij gieren.  Om dat rare mannetje dat plots vreemde dingen doet met een stok en een banaan.  Zij gieren.  Hoe luider zij lachen, hoe doldwazer ik word.  Hun enthousiasme steekt mij aan.  Ondanks het feit dat wij geen woorden hebben gebruikt, hebben wij toch contact gehad.  Voor heel eventjes.  Voor heel kort.  Woorden zijn niet altijd nodig.  Zo blijkt.  Soms wordt de waarde van woorden overschat.  Een woordenloos gesprek kan best heerlijk zijn.  En kan bovendien ook duidelijk zijn.
 
We laten het dorp achter ons.  Het dorp, waarvan wij de naam niet kennen.  Waarvan wij de naam nooit zullen kennen.  Maar zoals ik al zei, dat hoeft niet.  Hier hebben wij vrienden gemaakt.  Kleine vrienden.  Toch moet ik hen al achterlaten.  Ik zwaai.  Ten afscheid.  Niet omdat het moet.  Wel omdat ik het meen.  Deze kleine vriendjes hebben mijn hart gestolen.  Die hartendiefstal kan snel gaan.  Dat is altijd zo bij kinderen.  Zij stellen zich snel open.  Zij maken niet dat voorbehoud, dat al te vaak wordt gemaakt in de wereld van de grote mensen.  Ooit zullen zij die wereld ook betreden.  Ooit zullen zij die spontaniteit verliezen.  Ooit zullen zij wantrouwig worden.  Ooit zullen zij eenzelfde voorbehoud maken.  Dat is jammer.  Dat is de natuurlijke gang van zaken.  Zo kunnen wij het noemen.
 
Vandaag lijkt het een dag te worden van de ongekende plaatsen.  De niet gekende sites.  Onbekend maakt onbemind.  Maar dat is een onwaarheid.  Dat gezegde geldt hier niet.  Geldt niet voor onze eerste halte, het dorpje.  Geldt eveneens niet voor onze tweede halte, de stoepa’s.  Met eenzelfde enthousiasme omarm ik deze plekken.  Wij komen net uit Bagan.  Dan zouden wij een beetje neerbuigend kunnen doen over deze ongekende plek.  Over deze bouwvallige stoepa’s.  Want in Bagan hebben wij schoonheid mogen aanschouwen.  Grootsheid.  Al het andere zou dan als verwaarloosbaar kunnen beschouwd worden.  Als nietig.  Na Bagan zouden wij ons verwaand kunnen voelen.  Wij zouden kunnen voorbijgaan aan al die andere stoepa’s.  Omdat wij het schoonste hebben gezien.  Omdat wij het beste hebben aanschouwd.  Andere stoepa’s kunnen niet tippen aan die historische pracht.  Toch houden wij ons ver weg van die verwaandheid.  Wij hoeden ons voor die val.  Wij omzeilen die val.  Trappen er niet in.  Die voorzichtige ingesteldheid doet ons stoppen op die ene plek.  Die ongekende plek.  Die plek van wankele, bijna vergeten stoepa’s.  Zelfs in die bouwval ervaar ik schoonheid.  Schoonheid gecombineerd met mysterie.  Mysterieuze schoonheid, een ervaring dat ik gemist heb in Bagan.  Hier voel ik het wel.  Misschien is het de eenzaamheid, die dat gevoel bewerkstelligt.  Want hier wandel ik alleen.  Of toch bijna.
 


 
In de namiddag belanden wij opnieuw op het pad van de reisgidsen.  Wij schakelen van het ongekende naar het gekende.  Onze reisgidsen reiken ons vanaf heden opnieuw informatie aan.  Geen wilde gissingen meer.  Nu krijgen wij antwoorden.  Vinden wij antwoorden.  Op gestelde en niet gestelde vragen.  Terwijl wij ons in de voormiddag nog ontdekkingsreizigers waanden, vervellen wij in de namiddag opnieuw tot toerist.  Onze ware aard.  Wij vallen opnieuw in onze oorspronkelijke rol.
 
 
In de namiddag zitten we terug op de toeristische route.  We varen terug op het toeristische kompas.  Wij starten bij Bodhi Tataung.  Twee machtig grote Boeddhabeelden kijken op ons neer.  Kijken over ons heen.  De liggende Boeddha meet vijfennegentig meter, de staande honderd zestien meter.  Wat valt hierover nog te zeggen? Niet veel.  Een rondreizende monnik meende op deze plek deze beelden te moeten bouwen.  Het einde van de bouwwerken heeft hij nooit mogen meemaken.  Hij stierf voor de laatste steen werd gelegd.  Over het waarom van deze beelden kan lang geredetwist worden.  De betekenis lijkt mij althans niet meteen duidelijk.  Ik sta naar die beelden te staren.  Meteen komt bij mij de vraag op of dit schoon is.  Kan of mag dit schoonheid genoemd worden? Ik weet het niet.  Ik twijfel.  Ik wil niet onmiddellijk gaan roepen dat dit wanstaltig is.  Zo voel ik het niet.  Alles hier is zodanig over the top, dat het toch weer mooi wordt.  Wanstaltige schoonheid, het lijkt hier verenigd te worden.  In die twee beelden komen die uitersten samen.
 


 
Als wij denken de beker van de kitsch tot de bodem geledigd te hebben, denken wij verkeerd.  Het kan nog erger.  Veel erger.  Na Bodhi Tataung gaan wij naar het toppunt van kitsch.  Wij gaan naar de Thanboddhaypagode.  Een unieke tempel, zo wordt deze plek genoemd.  Dat lijkt mij een understatement.  Dit heb ik nog nooit gezien.  In deze tempel staan 512.028 beelden.  In alle formaten.  Groot en klein.  Waarheen je ook maar kijkt, telkens kijk je Boeddha in de ogen.  Er valt niet aan te ontsnappen.  God is overal, zo werd mij gezegd.  Over die bewering had ik altijd zo mijn twijfels.  Ik aarzelde die woorden zomaar aan te nemen.  Maar hier, in deze pagode, hoef ik niet te aarzelen.  Hier weet ik het met zekerheid.  Boeddha is overal.  Dat moet ik erkennen.  Hier valt niet te ontkomen aan Boeddha.
 


 
De Thanboddhaypagode lijkt mij eerder een themapark te zijn.  Uitgedacht door de bollebozen van Studio 100.  Dit kan geen heiligdom zijn.  Dit kunnen wij niet ernstig nemen.  Hier moet niet gebeden worden.  Hier moet niet geofferd worden.  Hier moet niet vereerd worden.  Eerder verwacht ik een wildwaterbaan om de hoek te ontdekken.  Een roetsjbaan.  Of andere kermisattracties.  Hier geen stille vroomheid.  Wel uitbundige speelsheid.  Kinderen moeten hier niet op de toppen van hun tenen lopen.  Neen, zij moeten doorheen de gangen stormen.  Wild tierend.  Luid giechelend.  Heiligheid is hier van geen tel.  Dit moet wel een foutje zijn.  Een amusementstempel, dat zou een meer geschikte bestemming zijn.
 


 
Vandaag was het een tussenetappe.  Nodig om twee toeristisch belangrijke punten met elkaar te verbinden: Bagan en Mandalay.  Ik had weinig verwachtingen.  Ik had geen verwachtingen.  Een mindere dag, zo dacht ik bij het begin van deze dag.  Een mindere dag, dat zou het worden.  Maar dat werd het niet.  Integendeel.  Het werd een boeiende dag.  Het werd een grappige dag.
 
Mijn reisverhaal Myanmar.  Dag 17: Monywa – Mandalay.  Te lezen op maandag 21 maart.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen