woensdag 9 maart 2016

Belgica, gezien in Decascoop. Ode aan het jonge leven. Brief aan Felix Van Groeningen.

Beste Felix,
 
Ik weet niet hoe deze brief te beginnen.  Ik zit nu al een uurtje diep na te denken over een juiste inleiding.  Want die heb ik nodig.  Het ambacht van briefschrijven vraagt daarom.  Een juiste inleiding kan de lezer voorbereiden op wat komen gaat.  Om de lezer op die manier gewoon te maken aan de stijl van de briefschrijver.  Aan de toonaard.  Het laat de lezer toe zachtjes in de denkwereld van de schrijver af te dalen.  Om de gedachtenkronkels en hersenspinsels van de schrijver beter te begrijpen.  Om bepaalde ideeën te kunnen duiden.  Maar het lukt mij niet de gepaste woorden te vinden.  Telkens weer moet ik schrappen.  Moet ik herbeginnen.  
 
Ik zal daarom zondigen tegen de ongeschreven regels van het briefschrijven.  Ik zal die inleiding laten voor wat zij is.  Ik ga er aan voorbij.  Om dan maar onmiddellijk met de deur in huis te vallen.  Soms wordt wel eens gezegd dat de rechte lijn de kortste weg is.  Misschien is dat ook wel zo in het briefschrijven.  Recht op het doel afgaan.  Zonder omwegen.  Het zou kunnen werken.  Ik waag het er op.  Omdat ik anders blijft vastzitten in die intro.
 
Ik heb uw nieuwste film gezien.  Dat wou ik zeggen in de intro.  Ik heb het niet gedaan.  Of niet gekund.  Maar ik schrijf het nu.  In mijn hoofd had ik mij een voorstelling gemaakt van uw film.  Ik had een zekere verwachting.  Op basis van de kritieken.  Op basis van de interviews.  Uw film zou losjes gebaseerd zijn op het verhaal van de Charlatan.  Dat Gentse café zou model hebben gestaan voor uw Belgica.  Ik had dus verwacht dat Gent één van de belangrijkste hoofdrolspelers zou zijn in uw film.  Dat het Gents de voertaal zou zijn.  Het Algemeen Beschaafd Gents zou een prominente plaats opeisen.  Dat had ik verwacht.  Dat was één van de redenen waarom ik ging.
 
Mijn verwachtingspatroon stemde niet overeen met de werkelijkheid.  Gents werd er niet of nauwelijks gesproken.  De stad had een rolletje in de film.  Een kleine bijrol, zo kan die bijdrage omschreven worden.  Het had een teleurstelling kunnen zijn.  Want dat kan gebeuren als realiteit en verwachting te ver uit elkaar liggen.  Toch is het dat niet geworden.  Geenszins.  Verre van.  Sterker nog, het kwam de film ten goede.  Het maakte de film universeler.  Het café had in elke stad kunnen staan.  In elke stad van Vlaanderen.  Van België.  Van de wereld.  Het gaf de film meer ademruimte.  Ontrukte de film aan de grijpklauwen van een te beperkte, Gentse incrowd.
 
Uiteraard is dat niet het enige sterke punt van de film.  Andere punten dienen aangestipt te worden als pleitbezorger voor de film.  Vooreerst zijn er de verschillende verhaallijnen, die doorheen de film geweven worden.  Bovenal is er het verhaal van het café.  Een cafeetje groeit uit tot het epicentrum van het uitgaansleven.  Het café wordt de hipste place to be.  Iedereen mag binnen.  Geen buitenwippers.  De prijzen worden laag gehouden.  Amusement en muziek, dat is de motor waarop het café draait.  Maar aan die basisprincipes wordt noodgedwongen geraakt.  Onder druk van het enorme succes.  Die aanvankelijke principes blijven niet overeind.  De regels van het kille zakendoen dringen zich op.  Het café wordt een product.  Een bedrijf.  De boekhoudkundige cijferdans doet zijn intrede.  Er wordt gerekend en geteld.  Rekeningen moeten kloppen.  Wij maken vanop de eerste rij de opkomst, het succes en het dreigende verval van het café mee.
 
Toch is het verhaal van het café niet het belangrijkste.  Het is slechts een handige kapstok.  Waaraan diverse menselijke verhoudingen worden gehangen.  Verhoudingen tussen broers.  Tussen ouders en zoons.  Tussen geliefden.  Tussen vrienden.  In elke relatie botst het.  Soms veelvuldig.  Vaak hevig en intens.  Wonden worden geslagen.  Niet meer te herstellen wonden.  Relaties worden gebroken.  Worden op de proef gesteld.  Het uitgaansleven vreet zich diep in die relaties.  Een te intens nachtleven weegt zwaar op het leven van de hoofdpersonen.  Aanvankelijk blijven ze hiervoor blind.  Te zeer aangetrokken door het flitsende en bruisende leventje van nachtbraker.  Maar omstandigheden dwingen de protagonisten de realiteit onder ogen te zien.  Er moeten afspraken gemaakt worden.  Er moeten toegevingen gedaan worden.  Dat is niet evident.  Dat valt moeilijk.  Dat is hard.  Maar het moet.  Om overeind te blijven.  
 
Tot slot is er dat ene ding, dat de film zo aantrekkelijk maakt.  Zo boeiend en intens.  Dat is die ode aan het jonge leventje.  Aan de onstuimige jeugd.  Jong mag ik mij niet meer noemen.  Ik heb de jeugd niet meer.  Wel nog in mijn hoofd.  In mijn hoofd woekert de jeugd nog volop.  Maar uit mijn aantal levensjaren kan die jeugd niet meer afgeleid worden.  Toch herken ik dat gevoel.  Nog altijd.  Ik herken dat gevoel honderd man sterk te zijn.  Dat gevoel voluit te gaan.  Zonder remmen.  Dat gevoel grenzeloos diep te gaan.  Constant.  Altijd.  Zonder enige rustpauze.  Het leven moet geleefd worden.  Intens.  Zonder compromissen.  Heel soms ervaar ik nog dat gevoel.  Maar die momenten worden minder.  Dat is de tol van het ouder worden.  Maar net daardoor koester ik die momenten meer.  Blijven ze langer hangen in mijn herinnering.
 
U joeg een verjongingskuur door mij.  Rimpels verdwenen.  Enkel die charmante lachrimpels bleven.  Kwaaltjes en pijntjes werden niet meer gevoeld.  Ik had zin rechtop te staan.  Die luie bioscoopzetel aan de kant te schuiven.  Ik wou aan die toog staan.  In die concertzaal.  Ik wou dansen.  Wild dansen.  Ik wou feesten.  Ik wou op de toog staan.  Ik wou doorheen muren breken.  Met mijn hoofd.  Met mijn volle lichaam.  Ik wou in de Belgica zijn.  Want dat was maandagavond de enige plek, waar ik wou zijn.  Waar ik kon zijn.
 
Dat gevoel werd nog versterkt door een uitmuntende soundtrack.  Een intense soundtrack.  Stilzitten was bijzonder moeilijk.  Misschien was een bioscoop niet de meest geschikte plaats voor deze film.  Een concertzaal was beter geweest.  Dat zou die rock ‘n’ roll trip zo veel intenser maken.  Echter.  Want op die manier zouden wij midden in de film staan.  Niet aan de rand.  Wij zouden participeren.  Wij zouden deelgenoot worden.  Dat was mooi geweest.
 
Belgica.  Intenser kan bijna niet.  Het werd een mooie avond.  Een mooie avond, die ik nog verlengd wou zien.  Bij het verlaten van de filmzaal, wou ik het nachtleven induiken.  Om mijn duivels te ontbinden.  Maar zoals ik al zei, ik heb de jeugd niet meer.  Bovendien moest ik de volgende dag gaan werken.  Dan moeten wij voorzichtig omspringen met onze krachten.  Ouder worden, het vraagt om een compromis.  Het is een constant afwegen.  Maar ook dat heeft zijn charme.  Zoals elk stadium in het leven.  Ondanks dat besef heb ik maandagavond toch enorm terug verlangd naar de jeugd.
 
Beste Felix, u hebt mij even doen terugkeren.  U hebt mij een mooie reis bezorgd.  Back to the future.  Daarvoor wil ik u danken.

Met vriendelijke groeten.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen