dinsdag 9 februari 2016

Mijn reisverhaal Myanmar. Dag 9: Nyaungshwe - Pindaya.

Wij verlaten Nyaungshwe.  Op naar Pindaya.  Maar het is geen directe busrit.  Net buiten het centrum van Nyaungshwe gaan wij aan de kant.  Voor een bezoek aan Shwe Yaunghwe Kyaung.  Dit zou het mooiste klooster zijn.  Het mooiste houten klooster.  Het klooster werd gebouwd in de negentiende eeuw.  Maar dat historische feit is slechts bijkomstig.  Voor toeristen is het slechts bijzaak.  Hoofdzaak voor diezelfde toeristen zijn die unieke, ovale vensters.  Binnen het kader van die vensters verschijnen heel regelmatig monniken.  Sommigen onbewust.  Anderen bewust, verlekkerd op die vele fotocamera’s.  Gewillig poseren zij voor de lenzen.  Dat is wat hier moet gebeuren.  Dit is een uniek fotomoment.  Het moment, waarop de ultieme vakantiefoto wordt genomen.  Die foto, die op canvas zal getrokken worden.  Die foto, die in de woonkamer een ereplaats zal krijgen.
 
 
Ik moet eerlijk zijn.  Het viel een beetje tegen.  In mijn hoofd had ik mij een voorstelling gemaakt.  Een voorstelling, die niet blijkt te kloppen met de realiteit.  Als fantasie en realiteit niet samenvallen, dan kunnen wij al eens minder gehumeurd zijn.  Dan kunnen wij al eens zeggen dat het tegenvalt.  Ik had mij het klooster voorgesteld in een verlaten decor.  Dat is het niet.  Ik had een zanderige vlakte verwacht.  Dat is het ook niet.  Ik bleef verweesd achter.  Mijn fantasie verbrokkelde.  Verkruimelde.  Stortte ineen.  Als een kaartenhuisje.
 
Maar soms laat schoonheid zich moeilijk ontdekken.  Heel soms moet men verder durven kijken dan enkel het uiterlijke.  Dat hebben wij gedaan.  Wat een geluk dat wij dat hebben gedaan.  Binnen toont het klooster een uniek interieur.  Uitermate prachtig.  Ik staar naar dat voortreffelijk mooie houtsnijwerk.  Een bewijs van vakmanschap valt hierin te lezen.  Maar er is niet enkel dat houtsnijwerk.  Er is ook dat andere.  Die monniken.  Die novices.  Wij kijken ook naar hen.  In hen zien wij kleine deugnieten.  In niks verschillen zij van ‘gewone’ jongetjes.  Ook bij hen flikkert ondeugend kattenkwaad in de oogjes.  Wij zouden kunnen denken dat zij in een andere, niet wereldlijke maar spirituele divisie spelen.  Dat is het niet.  Zij laten zich makkelijk afleiden.  Door anderen.  Door bezoekers.  Soms zoeken zij zelf afleiding.  Verstrooiing.  Alsof zij bewust willen ontsnappen aan dat spirituele.  Aan dat religieuze.  Het zijn kleine jongens.  Verpakt in een monnikspij.
 

 
Naast het klooster staat een pagode.  Als buur van één van de toeristische highlights zou de pagode gemakkelijk kunnen genegeerd worden.  Het hoogtepunt eist alle aandacht op.  Duwt al het andere in de schaduw.  Degradeert al het andere tot onbelangrijke decorstukken.  Toch zou het jammer zijn voorbij te gaan aan deze tempel.  Dat zou u kunnen doen.  Wij zouden het u niet kwalijk kunnen nemen.  Want u zou kunnen denken dat die pagode één van de zovele is.  U zou kunnen denken dat u wel al voldoende pagodes hebt gezien.  Verdrijf die gedachten.  Ga die pagode binnen.  Laat u verrassen.  Want alweer schuilt schoonheid binnenin.  Muurschilderingen met daarop allerlei taferelen in spiegeltjesmozaïek.  Daar wandelen wij doorheen.  Op een prachtige tegelvloer.  Langs ontelbare nissen.  In die nissen gapen kleine boeddha’s ons aan.  Onder elke boeddha een plaatje van de donateur.  Een donatie van lokale en buitenlandse pelgrims.  De hele wereld lijkt hier gepasseerd te zijn.  Zou de wereld dan toch klein zijn?
 
 

 
Op onze weg naar Pindaya zien wij het landschap veranderen.  Ik ben niet verbaasd.  Ik had hierover gelezen.  Door zijn ligging en grootte en door verschillen in hoogte en neerslagpatronen heeft het land een rijk geschakeerde plantenwereld.  In een land zo groot als Groot-Brittannië en Duitsland samen kunnen die schakeringen extreem divers zijn.
 
Het lijkt wel alsof Piet Mondriaan en Vincent Van Gogh een pact hebben gesloten.  Een akkoord om dit landschap kunstzinnig te ordenen.  Mondriaan creëerde de vlakken in het landschap.  Streng afgelijnd.  Helder afgebakend.  Van Gogh kleurde die vlakken in.  Met zijn favoriete kleur.  Zijn gele kleur.  Wij kijken naar dit landschap.  Een landschap, waaraan die gele bloemen felheid geven.  Ik twijfel niet.  Hier had Van Gogh ook een bestaan kunnen opbouwen.  Hier had hij ook zijn zonnebloemen kunnen scheppen.  Hun Birmese variant.  Hij had het gekund.  Hij heeft het niet gedaan.  Zijn voorkeur ging uit naar het nabijere Arles.  Toen waren afstanden groter.  Waren afstanden vaak niet overbrugbaar.  Niet bereisbaar.  Myanmar liet hij aan zich voorbijgaan.  Een gemiste kans.  Jammer.  Wij treuren niet om deze gemiste kans.  Wij laven ons aan dit uitzonderlijk kleurenpalet.  Een wonderlijk mooi kleurenpalet.  Soms kan de natuur de grootmeesters evenaren.  Zelfs overtreffen.
 

 
Wij arriveren in ons hotel.  In Pindaya.  Veel tijd hebben wij niet.  Wij moeten de bergen in.  Voor een tweedaagse trektocht.  Wij stappen naar het klooster van Yatsakyi.  Om daar te overnachten.  In het eigenlijke klooster.  Op een houten vloer.  Onder nauwelijks of niet gewassen dekens.  Wat een heerlijk vooruitzicht.  Wij laten ons evenwel niet afschrikken.  Een beetje viezigheid.  Een beetje vuilheid.  Daaraan zullen wij heus niet sterven.  Alvorens we vertrekken, snel nog even de rugzak maken.  Extra kledij.  Het kan koud zijn daarboven.  Een verse T-shirt.  Voor de volgende dag.  Een tandenborstel en tandpasta.  Niemand wil stinken uit zijn bek, toch? Enkele kleine versnaperingen.  Om een dreigend hongertje af te wenden.  Nog meer dingen? Neen, dat zal het zijn.  Overgewicht dient vermeden te worden.  Onze ruggen mogen niet overbelast worden.  De wandeling op zich zal al voldoende uitdaging zijn.
 
Er was ons gezegd dat het een pittige wandeling zou worden.  Als waarschuwing werd ons dit meegegeven.  Om toch maar voorbereid te zijn.  Maar wat is pittig? Dat kan nogal verschillen.  Van persoon tot persoon.  Die pittigheid kan niet in woorden omschreven worden.  Dat kan niet in enkele zinnen gevat worden.  Het moet aan den lijve ondervonden worden.  Pas dan kan men een idee krijgen.  Pas dan kan men begrijpen wat bedoeld wordt met pittigheid.
 
Ik moet even op zoek naar de juiste cadans.  De juiste afstelling.  Niet te snel.  Niet te traag.  Die aanpassing duurt eventjes.  Het lukt mij.  Na enkele malen geschakeld en teruggeschakeld te hebben.  Ik vind dat juiste ritme.  De motor slaat aan.  De berggeit wordt wakker in mij.  Naar boven stormen doe ik niet.  Maar het gaat goed.  Heel goed.  Met de pittigheid lijkt het nogal mee te vallen.  Net als met mijn conditie.  Die is in orde.  Dat kan ik nu vaststellen.
 
Ik wandel.  Alleen.  Niemand rondom mij.  Ik laat mij niet afleiden.  Geen verstrooiing.  Bergop wandelen en toch rust ervaren, het kan.  De wandeling doet deugd.  Meer dan deugd.  Eventjes weg van alle hectiek.  Enkel ik.  Met mezelf.  Een heerlijke confrontatie.
 
 
Wij komen aan bij het klooster.  De eindbestemming voor deze dag.  Twaalf kilometer hebben wij gestapt.  Niet echt veel.  Maar in de bergen kan het tellen.  Weegt het door.  Wij gooien onze rugzak af.  Gaan zitten.  Eventjes bekomen.
 
Wij worden ontvangen door één van de monniken.  Hij vraagt naar onze namen.  Die geven wij.  Tot die naamuitwisseling zal onze conversatie zich beperken.  Verder gaat het niet.  De taalbarrière.  Wel grijpt hij in wanneer onze voeten naar Boeddha wijzen.  Hij grijpt in, zonder woorden.  Met het vermanende vingertje.  Met de voeten naar Boeddha, dat mag niet.  Weinig respectvol.  Wij gehoorzamen.  Doen onze voeten andere richtingen uitwijzen.
 
Behalve het avondmaal zal er vanavond weinig gebeuren.  Maar dat is goed.  Het hoeft niet echt.  Wij zijn moe.  Die kilometers zitten in onze benen.  Wij willen rusten.  Uitrusten.  Wij willen klaar zijn voor de volgende dag.  Want dan moeten wij ook stappen.  Daarom kruipen wij vroeg onder de wol.  Hopend op een goede nachtrust.
 
Mijn reisverhaal Myanmar.  Dag 10: Pindaya.  Te lezen op maandag 15 februari.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen