woensdag 24 februari 2016

Mijn reisverhaal Myanmar. Dag 13: Kalaw - Bagan.

Vandaag staan wij voor de grootste verplaatsing.  Ongeveer zeven uur zullen wij rijden.  Het lijkt een saaie dag te worden.  Een dag, waarover nauwelijks iets te vertellen valt.  Dat wordt het niet.  Dat wordt het zeer zeker niet.
 
Een eerste maal houden wij halt.  Wij stappen uit.  Om twee olifanten te zien.  Zij leven niet in gevangenschap.  Wij hoeven niet naar hen te kijken doorheen een tralies.  Neen, deze olifanten staan gewoon langs de weg.  Even uit te blazen van het gedane werk.  Of zich voor te bereiden op het nog te verrichten werk.  Deze dieren zijn geen circusattractie.  Het zijn werknemers.  Zij staan op de loonlijst van houtbedrijven.  Olifanten worden gebruikt voor het transporteren van gekapte teakbomen.

 
Olifanten zijn mijn favoriete dier.  Niet de leeuw, de koning van het dierenrijk.  Alleen al die titel staat mij tegen.  Klinkt zo hautain.  Een olifant heeft niks van dat alles.  In zijn lompe grootsheid schuilt een sympathieke, gevoelige speelsheid.  Zou dat het Dumbo-effect zijn? Het zou kunnen.  Feit is dat ik urenlang naar die beesten kan kijken.  Ik zou mij een zeteltje kunnen nemen.  En een tafeltje.  Om mij dan goed neer te zetten.  Om nooit meer recht te staan.  Ik zou bij die olifanten kunnen blijven.  In hun kleine oogjes zou ik lezen wat zij voelen.  Wat zij denken.  Een olifantenfluisteraar, dat lijkt mij pas een carrièreswitch.  Ik zou het kunnen overwegen.  Altijd heb ik gezegd dat schaapherder een mooi alternatief zou zijn voor mijn huidige beroepskeuze.  Maar waarom zou ik het niet verder zoeken? Olifantenfluisteraar in Myanmar? Het lijkt mij wel wat.
 
In Myanmar is de slaagkans om u als olifantenfluisteraar te vestigen bijzonder hoog.  Het land telt ongeveer tienduizend Indische olifanten.  Dat is het grootste aantal van Zuidoost-Azië.  Er zou dus best wat kunnen gefluisterd worden.  Toch ben ik niet blijven zitten.  Ik heb mij opgepakt.  Ben de bus opgestapt.  Want wij moeten voort.  Wij moeten verder.  Dat is zo met reizen.  Ter plaatse blijven trappelen heeft geen zin.  Wij komen om het land te zien.  Dan moeten we kilometers vermalen.  Dan moeten we heel af en toe onze koffers pakken.  Om verder te gaan.  Om door te gaan.  
 
In de buurt van Meiktila stoppen we aan een aantal pagodes.  De juiste naam van het plaatsje? Ik weet het niet.  De juiste naam van de site? Ik weet het niet.  Ik kan het niet terugvinden in mijn reisgids.  In die gids is geen sprake van deze plek.  Het wordt verzwegen.  Alsof het niet lijkt te bestaan.  Wij zouden dan de neiging kunnen hebben om voorbij te gaan aan deze plek.  De gids acht deze site immers geen woord waard.  Zelfs geen klein woordje.  Dan moet het toch de moeite niet zijn.  Dat zouden wij kunnen denken.  Maar vandaag zijn wij een beetje tegendraads.  We stoppen dus wel.

 
 
Het blijkt een ontdekking te zijn.  Een verrassing.  Een aanrader.  Dat is zo met het ongekende.  Het ongekende schept geen verwachtingen.  In tegenstelling met de absolute trekpleisters in een land.  Van die hoogtepunten worden in het hoofd allerlei voorstellingen gemaakt.  In die mate dat de voorstelling groter wordt dan het eigenlijke hoogtepunt.  In die mate dat de voorstelling mooier wordt.  Veel mooier.  Daardoor lopen die trekpleisters de kans om als tegenvallend bestempeld te worden.  Juist omdat zij niet beantwoorden aan de te hoge verwachtingen.  Ongekende dingen lopen dat risico niet.  Ongekende dingen zoals deze plek.

 
Op deze site staan oudere en nieuwere pagodes broederlijk naast elkaar.  In meer en minder vervallen staat.  Van renovatie is geen sprake.  Deze plek staat niet in de toeristische reisgidsen.  Toeristen passeren hier niet.  Of houden toch geen halt.  Dan is renoveren geen optie.  Dat lijkt de redenering te zijn.  De monumenten staan hier maar te staan.  Als verstrooiing voor de grazende koeien.  Onbekend maakt onbemind.  Zo wordt vaak gezegd.  Voor deze plek lijkt dit gezegde niet op te gaan.  Ik heb rondgekeken.  Ik hou van deze plek.  In deze plek zie ik een voorafspiegeling van Bagan.  Bagan in het klein.  Op een hapklare oppervlakte.  Ongekende plekken houden mij niet weg.  Ze trekken mij juist aan.  Net omwille van dat ongekende.  Want een heel kort moment kan je die ervaring voelen een ware ontdekkingsreiziger te zijn.

 
Wij rijden door naar onze laatste halte.  Vóór wij arriveren in Bagan.  Mount Popa, de Birmese Olympus.  Op deze berg wonen de 37 nats.  Nats zijn geesten.  De verering van deze geesten komt voort uit het animisme.  Vóór de komst van het boeddhisme waren de nats heer en meester.  Bij leven waren deze nats belangrijke personen met aanzien, die allen een onnatuurlijke of gewelddadige dood stierven.  Nat worden doe je blijkbaar niet zomaar.  Daar moet je wel wat voor doen.
 
Volgens animisten huist er in elk mens, dier en voorwerp een geest.  Er zijn honderden geesten, die in huizen, stenen, bomen, heuvels en rivieren wonen.  Er was een heuse wildgroei.  De fantasie voedde de creatie van deze nats.  Van nieuwe nats.  In de elfde eeuw was er een koning, die paal en perk wou stellen aan deze verering.  De koning was boeddhist en vond al die nats zware concurrentie voor zijn geloof.  Daarom ging hij nogal drastisch te werk.  Hij nam één ingrijpende maatregel.  Hij schafte de verering van nats af.  Dat lukte niet.  Publieke verering werd private verering.  Tempeltjes verhuisden naar de privévertrekken.  In elk huis werd wel een tempeltje gebouwd.  De koning leek zijn greep te verliezen.  Stuurde daarom zijn beleid bij.  Jawel, politieke leiders kunnen tot inkeer komen.  Toch in Myanmar.  Toch in die tijden.  Om alles te stroomlijnen en te laten sporen met het boeddhisme, hield de koning grote kuis in het aantal nats.  Hij ging er met de grove borstel door.  Hij bracht het aantal nats terug tot zesendertig nats met boven hen één supernat, de koning van de nats.  Deze werd een soort liaisonofficier tussen Boeddha en zijn nats.  Op die manier hoopte de koning beide werelden te verzoenen.  Het leek en lijkt te werken.  Vandaag bestaan beide naast elkaar.

 
Om bij het heiligdom van de nats te komen moeten we omhoog.  Zevenhonderd zevenenzeventig treden.  Zevenhonderd dertig meter hoog.  Een half uurtje stappen.  Dan bereiken wij het Taung Kalat klooster, bovenop Mount Popa.  Het is behoorlijk druk.  Wij kunnen niet met de bus tot aan de ingang.  Tot aan het begin van de treden.  We moeten een eindje stappen.  Zouden de nats een moeilijk dagje hebben? Zouden zij slecht geluimd zijn? Zouden zij ons een lesje willen leren? Het zou kunnen.  Bus aan de kant.  Wij moeten verder te voet.

 
Wij zijn nu al anderhalve week in Myanmar.  Het is de eerste maal dat wij enige drukte ervaren.  Een overrompeling is het nog niet.  Toch is er heel wat meer volk dan op andere bezienswaardigheden.  Blijkbaar hebben vele Myanmarezen de feestdagen rond Volle Maan Dag aangegrepen om naar hier te komen.  Om hun zonden af te kopen.  In de letterlijke zin.  Er lijkt wel een handeltje te ontstaan rond het afkopen van de zonden.  Overal staan donatieboxen.  Die boxen zijn niet leeg.  Zijn behoorlijk vol.  Onder politiebewaking worden de boxen geledigd.  Dat is geen veronderstelling.  Het is werkelijk zo.  Ik heb het gezien.  Ik was getuige.  Iemand moet hier geld aan verdienen.  De nats? Ik betwijfel het.  Later op onze reis horen wij dat verbijsterende verhaal.  Dat die boxen daar zouden geplaatst worden door lokale partijbonzen.  Als extraatje.  Als extralegaal voordeel.  Verfoeilijke praktijken.  Aan arme sloebers geld aftroggelen.  Op een slinkse manier.  Een transparante overheid lijkt een verre droom.  De nieuwe machthebbers hebben nog heel wat werk te verzetten.

 
Niet enkel de donatieboxen zijn een vergaarbak van geldbiljetten.  Blijkbaar leggen de gelovigen hun boontjes niet enkel te week op deze boxen.  Zij zoeken andere manieren om geld te doneren.  Die andere manieren vinden zij.  In de kleren van de gebeeldhouwde nats worden biljetten gestoken.  Niet één biljetje.  Wel vele biljetten.  Ik kijk naar dat geld.  Stel mij de vraag op welk moment geloof bijgeloof wordt.  Want dat is het geworden.  De verering van nats is pure volksverlakkerij.  Niets meer.  Niets minder.  Er wordt gezegd dat de jongeren afstand zouden nemen van deze goedgelovige praktijken.  Maar toch.  Ik heb mijn twijfels.  Als een jongere tegen een natstempel pist en de volgende drie dagen ziek is, is het geloof in die nats opnieuw en plots springlevend.  Het sluimert nog bij de jongeren.  Er is twijfel.  Afzweren of niet? Toch maar niet.  Op veilig spelen, dat lijkt de beste tactiek.  Oude en jonge mensen blijven voort offeren.  Blijven voort doneren.  Je kan maar nooit weten, toch?
 
Voor één ding moeten wij uitkijken op onze tocht naar boven.  Naar de top van Mount Popa.  De makaken vormen een bedreiging voor de pelgrims en toeristen.  Er wordt ons gezegd geen eten in de handen te houden.  Zelfs niet in de broekzakken.  Als voorzorg.  Om toch maar niet de confrontatie te moeten aangaan met een op voedsel jagende makaak.  Want die makaken vragen het niet.  Zij spreken niet met twee woorden.  Zij nemen het gewoon.  Bruut.  Wild.  Ik wil het niet meemaken.  Ik maak al mijn zakken leeg.  Vertrek met lege handen.  Ik ben geen held.  In mij schuilt geen Tarzan.  Ik wil zonder kleerscheuren voor de nats verschijnen.

 
Ondanks dat gevaarlijk kantje vormen die makaken toch een bijzondere attractie.  Zij vormen een grappig extraatje.  Want wat moet je denken van een cola slurpende makaak? Een aap, die zelf een gevonden blikje opent.  Zich te goed doet aan dat zoete drankje.  Het lijken wel clowns.  De meesters van de circuspiste.  Zij weten hoe een publiek te boeien.  Ik moet lachen met hun gekke capriolen.  Terwijl ik wel alert blijf.  Ik hou mij pet op.  Op mijn hoofd.  Niet in de hand.  Ik hou mijn zonnebril op.  Op mijn neus.  Niet in de hand.  Ik wil niet kennismaken met de vlijmscherpe tanden of klauwen van die circusartiesten.  Ik heb niks tegen vakantiesouvenirs maar ik kies deze graag zelf.
 
De avond valt.  Wij zijn nog niet in Bagan.  Wij zijn nog op weg.  Wij zien dat prachtige schouwspel.  Dat prachtige wonder.  Dat zich elke avond ontrolt.  In elk land.  Op een ander tijdstip.  Myanmar is geen uitzondering.  Ook hier gaat de zon onder.  Wij zien het gebeuren.  In het begin heel geleidelijk.  Naar het einde toe gaat het snel.  Aan het eind wordt plots naar een hogere versnelling geschakeld.  Vanuit de bus zien wij dat wonder.  Die zonsondergang.  Op de voorgrond de netjes afgelijnde palmbomen.  Op de achtergrond de bergen.  Daarachter de zon, die afscheid neemt.  Die slapen gaat.  Moe van een volle dag werken.  Ten afscheid kleurt zij de hemel oranjerood.  In een laatste krachtinspanning.
 
Een zonsondergang kan je overal zien.  Maar hier is het net dat ietsje anders.  Hier is het extra gekruid.  Hier wordt dat ene ingrediënt toegevoegd.  Vakantie.  In die ene zonsondergang voelen wij vakantie.  Dat maakt hem mooier.  Vollediger.  Intenser.  Het kan overdreven klinken.  Dat is het niet.  Ik heb het gezien.  Ik heb er van geproefd.  Met niks te vergelijken.  Uniek.  Wij kijken en verbazen ons.  Bewonderend en verwonderd.  De zon glijdt onder.  De bus rijdt verder.
 
Wij bereiken Bagan.  Gezond en wel.  De nats waren met ons.  Hebben over ons gewaakt.  Of is het dan toch bijgeloof?
 
Mijn reisverhaal Myanmar.  Dag 14: Bagan.  Te lezen op maandag 29 februari.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen