maandag 22 februari 2016

Mijn reisverhaal Myanmar. Dag 12: Kalaw.

Wakker worden met goed nieuws.  Gent heeft in de Champions League gewonnen van Lyon.  Goed nieuws, het mag al eens.  Het is eens iets anders dan al die nieuwsberichten vanuit het belegerde Brussel.  In Brussel sluiten de scholen.  Rijden geen metro’s.  Worden concerten afgelast.  Patrouilleren soldaten.  Dat alles vernemen wij.  Vanuit Myanmar lachen wij met al die doldwaze maatregelen.  Alsof zij een aanslag kunnen verhinderen.  Mij lijkt het enkel bedoeld om aan de bevolking te tonen dat de regering wel degelijk alert is.  Dat zij de situatie ernstig neemt en dat zij de situatie onder controle heeft.  Met al die maatregelen wil de regering proactief haar verantwoordelijkheid voor een volgende aanslag afwijzen.  Dat arsenaal aan maatregelen zou een gevoel van veiligheid moeten bewerkstelligen.  Maar dat doet het niet.  Een vals gevoel van veiligheid, dat is het.  Open dus die scholen.  Laat die metro’s rijden.  Laat die concerten doorgaan.  Haal die soldaten van straat.  De normaliteit, dat moet terugkeren.
 
Vandaag trekken wij de bergen in.  Voor een wandeling langsheen de dorpjes in de omgeving.  Wij krijgen het gezelschap van een gids.  Een lokale gids.  Bedoeling is dat hij een antwoord biedt op al onze vragen.  Dat zal hij doen.  Dat zullen wij mogen ervaren.
 
Alles wat wij passeren, wijst de gids aan.  Hij wijst aan en benoemt.  Bloemkool, tomaten, aubergines, kurkuma, gember, … Alle gewassen.  Alle bloemen.  Alle struiken.  Alles krijgt een naam.  De juiste naam.  Zelfs medicinale kruiden lijken voor hem geen geheim te hebben.  Hij wijst ons kruiden.  Voor het stelpen van een bloedneus.  Tegen diabetes.  Om snijwonden te helen.  Ik luister naar de gids.  Ik benijd hem.  Om zijn kennis.  Want die kennis heb ik niet.  Totaal niet.  Plaats mij in een moestuin en ik zal falen.  Falen in het aanwijzen en benoemen.  Ik ben een stadsjongen.  Jawel, ik ben opgegroeid op het platteland.  Op den buiten, zoals zij zeggen.  Toch had ik geen oog voor hangend fruit of gewortelde groenten.  Groene vingers had ik niet.  Kreeg ik niet.  In die jonge jongensjaren was ik cowboy.  Of indiaan.  Of soldaat.  Op den buiten voedde ik mijn fantasie.  Niet mijn kennis van groenten en fruit.
 
 
 
Ik wandel en luister.  Naar de afwezigheid van geluiden.  Ik luister naar de stilte.  Eén van de mooiste, zo niet het mooiste geluid.  Hier, in de bergen rond Kalaw, kan die stilte nog ervaren worden.  Hier wordt die stilte niet verstoord.  Of slechts heel eventjes.  Slechts heel af en toe.  Als er toevallig een brommertje passeert, wordt de stilte gebroken.  Maar eens het geluid van dat brommertje is weggestorven, worden de stukken opnieuw gelijmd.  Is de stilte weer totaal.  Absoluut.  In België is het anders.  In ons landje is het bijna onmogelijk die stilte te beleven.  Te veel geluidspollutie.  Bij ons moeten stilteplekken gecreëerd worden in de natuur.  Een kunstmatige ingreep.  Die de bezoeker slechts een illusie geeft van stilte.  Want de stilte wordt slechts benaderd.  Nooit geëvenaard.  In Kalaw zijn die plekken nog niet nodig.  Die bergen zijn één grote stilteplek.  Hier komt stilte u tegemoet.  Hier vergezelt de stilte u.  Uren lang.  Ongestoord.  Ik wandel en denk aan die ene hit van Simon and Garfunkel.  The sound of silence.  Ik stap en neurie dat liedje.  Ik heb het begrepen.  Silence is een overheerlijke sound.
 


 
Er wordt niet enkel gepraat over bloemen en planten.  Er wordt niet enkel geluisterd naar de stilte.  Soms gaat het dieper.  Veel dieper.  De gids onderneemt een poging ons in te wijden in het boeddhisme.  Hij zal het eenvoudig houden.  Zo zegt hij toch.  Boeddhisme voor dummies, dat zal het worden.  Hij begint zijn inleiding met te zeggen dat er binnen het boeddhisme twee stromingen bestaan.  Hij zal zich beperken tot die ene stroming, die overheersend is in Myanmar.  Die stroming is het hinayana-boeddhisme.  Oei, nu al wordt het moeilijk.  Toch probeer ik bij te blijven.  Niet af te haken.  Onze gids gaat verder.  De kern van die ene stroming is dat ieder mens naar individuele verlossing streeft zonder tussenkomst van bodhisattva’s.  Ai, ai, ai, alweer moeilijk.  De gids ziet de twijfel in onze ogen.  Hij verduidelijkt.  Bodhisattva’s zijn stervelingen die de verlichting hebben bereikt maar toch op aarde blijven om hun medemens de juiste weg te wijzen.  Dit gaat mijn petje te boven.  Te hoog gegrepen voor een eenvoudige jongen.  De gids gaat verder.  Weidt uit.  Ik luister nog.  Met een half oor.  Het komt niet meer binnen.  Een bloem brengt redding.  Als iemand vraagt naar de naam van die ene bloem, onderbreekt de gids zijn filosofische uiteenzetting.  Met eenzelfde enthousiasme vertelt hij over die ene bloem.  Ik vlucht weg.  Uit de buurt van de gids.  Voor vandaag geen boeddhisme meer.
 
Maar misschien hoeven we niet te theoretiseren.  Heel misschien kunnen we in de praktijk zien wat boeddhisme doet met een mens.  Kunnen we zien welke impact die levenshouding heeft op een mens.  Bewust spreek ik van een levenshouding.  Religie mag het niet genoemd worden.  Het boeddhisme kent geen god.  Dat is handig, een god hoeft niet gevreesd te worden.  Dat moet toch een zekere gemoedsrust geven, denk ik dan.  
 
Zou die vriendelijkheid een vertaling zijn van de boeddhistische theorie naar de dagelijkse praktijk? Zou een positieve houding tegenover de medemens een impact kunnen hebben op het stappenplan naar verlichting? Ik weet het niet.  Eén ding is zeker, wij worden omringd door vriendelijkheid.  Telkens weer zien en voelen wij die vriendelijkheid.  De ene keer uitbundig, de andere keer eerder bescheiden.  Er wordt schuchter geknikt.  Er wordt gezwaaid.  Er worden ons handkusjes toegeworpen.  Iedereen begroet ons.  Wenst ons een fijne dag.  In het Birmees.  Of in het Engels.  Iedereen doet het.  Geen enkele uitzondering.  Er wordt wel eens beweerd dat Myanmar de vriendelijkste bevolking zou hebben.  Ik weet niet of het waar is.  Die bewering kan ik niet beamen.  Ik heb nog maar een heel klein deeltje van de wereld gezien.  Grote delen heb ik nog te bereizen.  Vele mensen heb ik nog te ontmoeten.  Hoe zou ik dan durven te beweren dat de Myanmarezen de vriendelijkste mensen zijn? Dat zou niet juist zijn.  Dat zou fout zijn.  Mijn antwoord zou baden in onvolledigheid.  Omdat ik niet beschik over alle gegevens.  Alle data.  
 
Ik kijk om mij heen.  Naar de mensen.  Ik kijk hen in de ogen.  Die ontmoetingen vertellen mij dat deze mensen uitermate gastvrij zijn.  Dat zij ‘très sympa’ zijn.  Want wat moet je denken van dat ene madammetje, dat ons bij haar binnenroept.  Ons overlaadt met mandarijntjes.  Zij zelf heeft niks.  Zij woont in een schamel hutje.  Maar toch heeft zij begrepen dat delen verrijkend kan zijn.  Een dergelijke houding raakt ons.  Diep.  Omdat wij dat niet kennen in België.  Wij gooien de deur dicht voor vreemdelingen.  Wij hangen aan deur of venster die waarschuwende, gastvrijdodende woorden ‘Hier waak ik’.  Wij hebben het verleerd.  Ergens diep weggeborgen.  Wij kijken mensen niet aan.  Neen, wij kijken weg.  Wij kijken weg als wij op straat of waar dan ook iemand tegenkomen.  Om toch maar geen goeiedag te moeten zeggen.  In de Belg brandt geen boeddhistisch vlammetje.  Heel af en toe flikkert dat vlammetje.  Even, voor slechts heel kort.  Om zich dan weer terug te trekken in zijn omheinde vesting.  Belgen, een vreemd volkje.  Dat denk ik terwijl ik mijn Birmees mandarijntje eet.
 
 
Vijf uur lang hebben wij gewandeld.  Doorheen een prachtig landschap.  Ik weet het, ik heb het al meermaals geschreven.  Ik val in herhaling.  Maar schoonheid vraagt soms om herhaling.  Om via die herhaling te overtuigen.  Te bevestigen.  Te geloven.
 
Een bezoek aan de regionale markt stond gepland voor vandaag.  Die regionale markt is een markt die één keer in de vijf dagen in een bepaalde stad gehouden wordt.  Vandaag passeren zij in Kalaw.  Wij waren een beetje te laat.  Na de wandeling waren wij gaan eten.  Beetje te lang getafeld.  Pas om 16.00 uur stonden wij op de markt.  Dat is lang voorbij het hoogtepunt.  De beste bezoektijd situeert zich tussen 8.00 en 10.30 uur.  Dan zaten wij nog in de bergen.  Voorlopig zijn wij nog niet heilig verklaard.  Wij kunnen dus nog niet op twee plaatsen tegelijk aanwezig zijn.  Heiligheid is ons vreemd.  Zelfs enige zaligheid ontbreekt ons.  Wij zijn het gewone voetvolk.  In de voormiddag liepen wij in en op de bergen.  In de namiddag arriveren wij op de regionale markt.  Te laat.  Net gemist.
 



 
Vandaag hebben wij nog één iets gemist.  De processie voor de Volle Maan Dag, dat hebben wij ook moeten missen.  Een Amerikaan in ons hotel had hierover verteld.  Niet te missen, zo had hij het gezegd.  Hij woonde al enkele jaren in Myanmar.  Toch kon hij zijn Amerikaans enthousiasme niet onderdrukken.  Eén van de hoogtepunten, zo zei hij nog.  In lovende woorden.  In superlatieven.  Een Chinese winkeljuffrouw bevestigde die indrukken.  Met haar raakten wij aan de praat.  Deze avond, bij haar winkeltje.  Het was inderdaad een prachtig feest.  Absoluut niet te missen.  Zo sprak die Chinese mevrouw.  Ondanks die heerlijke kritieken hebben wij die processie toch mislopen.  Jawel, wij zagen enkele vuurpijlen.  Wij zagen één enkele vuurballon.  Dat is alles.  Het grote feest? Dat hebben wij niet gezien.  Daarop waren wij niet van de partij.  
 
Vandaag leek een dag van de gemiste kansen.  Geen regionale markt.  Geen processie.  Wij zouden kunnen treuren om die gemiste kansen.  Dat doen wij niet.  Ondanks die gemiste kansen, was het een fijne dag.  Deze morgen hadden wij die wandeling als opener.  Vanavond hebben wij een uurtje massage als afsluiter.  Daartussenin enkele missertjes.  Maar daar treuren wij niet om.  Het was een fijne dag, dat is ons besluit.  Dat is een juiste indruk.
 
Mijn reisverhaal Myanmar.  Dag 13: Kalaw – Bagan.  Te lezen op woensdag 24 februari.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen