vrijdag 29 januari 2016

Mijn reisverhaal Myanmar. Dag 7: Nyaungshwe.

Een hele dag op het water.  Dat is het programma voor vandaag.  Wij gaan het Inlemeer op.  Nyaungshwe ligt niet aan maar bij het meer.  Via een kanaal moeten wij het meer op.  
 
 
Bezoeken aan een houtwerkerij, een weverij en een zilversmid staan gepland.  Verplichte bezoekjes.  Wij kunnen er niet omheen.  Aan die verplichting zouden wij ons kunnen ergeren.  Maar wij doen het niet.  Wij zijn op reis.  Ergernis is dan uit den boze.  Wij stappen dus mooi mee.  Luisteren beleefd naar de uitleg over de manier van werken.  Wij lachen om de grappen, die telkens weer worden verteld.  Telkens weer bij een andere groep.  Wij passeren snel langs de shop.  Want een winkeltje hoort er altijd bij.  Wij ondergaan gedwee die bezoekjes.  Omdat wij weten dat tussen die bezoekjes in schoonheid wordt gedrapeerd.  Om die schoonheid te ontdekken, ondergaan wij dit hellevuur.  Om schoonheid te mogen aanschouwen, moet vooraf een beetje pijn geleden worden.
 
Een eerste moment van schoonheid wordt ons gegund op het Shwe Intheinstoepacomplex.  Een miniatuurversie van de site in Kakku.  Kakku zullen wij niet bezoeken.  Een verkeerde keuze? Wij zullen het nooit weten.  Reizen is een constant afwegen.  Bijna voortdurend dienen keuzes gemaakt te worden.  In kiezen zit steeds verlies ingebakken.  Als wij voor het ene kiezen, verliezen wij het andere.  Zo is het altijd geweest.  Daaraan valt niks te veranderen.  Het verlies in onze keuze masseren wij weg met de gedachte dat het onmogelijk is een land in enkele weken te zien.  Te begrijpen.  Wat ons in die enkele weken geboden wordt, is een heel beperkte kennismaking.  Korte proefbeurten van het grote geheel.
 
Op het complex in Inthein staan duizend vierenvijftig stoepa’s.  Zij staan door elkaar heen maar allen hebben zij dat ene gemeenschappelijk: een ranke spits.  Iets nieuwere stoepa’s schurken zich tegen collega-stoepa’s uit de zeventiende of achttiende eeuw.  Een chaos van tijden.  In die chaos is het heerlijk wandelen.  Wij zwerven doorheen al die vrome, devote eerbetonen aan Boeddha. 
 
Alweer valt ons op dat deze site niet overrompeld wordt.  Deze plek wordt niet ingenomen door een te groot aantal toeristen.  Neen, met gemak kunnen wij rustig plaatjes maken zonder dat wij halsbrekende toeren moeten uithalen om toch maar één foto te hebben zonder storende toeristen.
 



 
 
Na dit complex keren wij terug naar onze long-tailed motorboot.  Op het Inlemeer is dit het verplaatsingsmiddel bij uitstek.  Watertaxi’s zijn het.  Met een hels kabaal scheren zij over het water.  Dat kleine motortje doet het water hoog opspatten.  Als twee motorboten elkaar passeren, zou het een natte bedoening kunnen worden.  Voor beide boten.  Maar dat gebeurt nooit.  Of bijna nooit.  Bij het kruisen worden de motoren dieper het water ingeduwd zodat het opspatten van water zwaar wordt getemperd.  Van Birmezen wordt gezegd dat zij het vriendelijkste volkje zijn ter wereld.  Dat merken wij op deze watersnelwegen.  Hoffelijkheid in het verkeer is één van de manieren, waarop die wereldvermaarde vriendelijkheid wordt veruitwendigd.  Geen verkeersagressie op het water.  Alles is peis en vree.
 
 
De motorboot voert ons naar de Phaung Daw Upagode.  Een verplichte stop op onze boottrip over het Inlemeer.  Want hier moeten of kunnen wij vijf amorfe boeddhabeeldjes gaan zien.  In de twaalfde eeuw werden deze beelden geschonken door een koning.  Toen waren zij nog mooi.  Nog herkenbaar.  Toen waren het nog eigenlijke beelden.  Het kleven van ontelbare lagen bladgoud in die vele, honderden jaren heeft de oorspronkelijke figuur van Boeddha volledig doen verdwijnen.  Enkel vijf lompe hompen goud blijven over.  Hompen, waarin nog vaag de aanwezigheid van een boeddha kan vermoed worden.  Het lijkt bizar.
 
 
Vrouwen wordt het verboden tot bij die beeldjes te komen.  Enkel mannen zijn toegelaten.  Enkele vrouwen uit onze groep menen in dat verbod de verklaring te vinden voor het amorfe karakter van deze beelden.  Ten gevolge van dat verbod blijft immers het kunstige, corrigerende werk uit.  Mannen zijn uitvoerders.  Zij kleven en blijven kleven.  Zij doen maar op.  Zonder oog voor het nodige detail.  Ik sta er bij.  Ik kijk naar het resultaat.  Vijf stompjes, dat is wat ik zie.  Ik kan niet enkel dan de kritiek van de vrouwen stilzwijgend te beamen.  De corrigerende hand van de vrouw ontbreekt.  Dat is een feit.  Een feit, dat niet kan ontkend worden.  Door niemand.  Zelfs niet door mij, een man.  Maar ik troost mij met die ene gedachte.  Mannen hebben deze pagode een USP bezorgd.  Een Unique Selling Proposition.  Want voor die vijf amorfiteiten komen de mensen.  Hiernaar komen de mensen kijken.  Mannen hebben maar wat aangemodderd.  Hebben wat geklodderd.  Maar al dat klodderwerk heeft deze pagode toch maar tot een toeristische bezienswaardigheid gemaakt.
 
Zelfs al zijn die boeddhabeelden verdwenen onder lagen bladgoud, nog altijd worden zij vereerd.  Dat amorfe doet de beelden niet inboeten aan belang.  Dat blijkt bij het jaarlijkse Pagodefestival.  Dan worden vier beelden op een koninklijke boot rond gevoerd.  Langs de belangrijkste dorpen aan het meer.  Langs de belangrijkste pagodes.  Het vijfde beeld blijft achter in het klooster.  Om te waken.  Om een oogje in het zeil te houden.  Vijf vormloze hoopjes hebben vandaag nog steeds een invloed op het leven van de gelovigen.  Van de bewoners op en rond het meer.  
 
Aan het eind van de dag stoppen wij nog kort bij het Klooster van de Springende Kat.  Een klooster op palen uit 1845.  Met 645 pilaren uit teakhout.  Die historische en architecturale waarde zou voldoende kunnen zijn om toeristen te lokken.  Om hun nieuwsgierigheid te prikkelen.  Toch is het niet dat wat toeristen naar dat klooster voert.  Het is iets anders.  Iets heel anders.  
 
Monniken verveelden zich.  Zochten een manier om hun dagen in te vullen.  Op te vullen.  Gebed en meditatie bleken niet te volstaan.  Van alle mogelijkheden tot tijdverdrijf bleef die ene over.  Een verklaring voor die ene mogelijkheid kan niet gegeven worden.  Op een moment gebeurde het gewoon.  Eén monnik begon.  Andere monniken volgden.  Het africhten van katten was een feit.  Want dat was dat ene tijdverdrijf.  Monnikengeduld en veel vrije tijd leken een ideale combinatie om katten enkele trucjes aan te leren.  Zij slaagden er in katten doorheen een hoepel te doen springen.  Met dat circusnummer hadden de monniken een nieuwe dagbesteding gevonden.  Dat circusnummer vraagt training.  Van de katten.  De katten moeten scherp gehouden worden.  Alert.  Om dat te bereiken, gingen de monniken aan de slag.  Elke dag opnieuw.  Verveling behoorde definitief tot het verleden.  De Birmese katten uit het klooster werden ware acrobaten.  Meesters in de kattensprong.
 
In het klooster zien wij katten.  Veel katten.  Maar geen enkele springt.  Geen enkele laat zich door een hoepel jagen.  Wat is hier aan de hand? Dit is toch het Klooster van de Springende Kat? Jawel, wij zijn op het juiste adres.  Alleen zijn wij net iets te laat gekomen.  De moderne tijden zijn ook dit klooster binnengeslopen.  Monniken verdrijven hun tijd nu met smartphones.  Met tablets.  Die speelgoedjes beheersen nu de vrije tijd van de monniken.  Een beetje vreemd.  Ik dacht dat monniken onthecht dienden te leven.  Een leven met katten leek mij een betere manier om tot onthechting te komen.  Om dat streven te bewerkstelligen.  Niet dus.  Katten worden niet meer opgeleid.  Dat gebeurt niet meer.  Dat verleden wordt enkel nog in de naam van het klooster herinnerd.
 
’t Is jammer.  Maar kunnen wij die monniken het recht op vooruitgang ontzeggen? In de veronderstelling dat smartphones en tablets gelijkgeschakeld kunnen worden met vooruitgang.  Kunnen wij dat, enkel en alleen omdat wij die katten willen zien springen? Ik denk het niet.  Of neen, ik weet het bijna zeker.
 
De avond valt over het meer.  Wij moeten huiswaarts keren.  Wij gaan opnieuw de boot op.  Bij een ondergaande zon zien wij de Inthavissers.  Opnieuw.  Op de heenweg zagen wij hen ook al.  Maar toen was het bewolkt.  Was er geen zon.  Dan is alles anders.  Minder flitsend.  Minder begeesterend.  Minder beklijvend.  Op de terugweg is de zon er wel.  Dat maakt een verschil.  Wij zijn opgewekter.  De vissers lijken opgewekter.  Dat doet de zon met een mens.  Het maakt alles intenser.  Kleuren.  Gevoelens.  De dofheid dooft uit.  Felle helderheid treedt in de plaats.  Mooie plaatjes blijven over.
 


 
Die Inthavissers zijn bijzonder.  Been- of voetroeiers worden zij genoemd.  Naar hun specifieke manier van roeien.  Eén been houden zij op de voorplecht.  Het andere slaan zij om de peddel.  Met een wijd uitzwaaiende beweging roeien zij hun bootjes voort.  Niet enkel het roeien is eigenaardig.  Dat is ook hun manier van vissen.  Doorheen het water speuren zij naar beweging in het water of op de bodem van het meer.  Beweegt er iets, dan laten zij vliegensvlug hun kegelvormige fuik van bamboe in het water neer.  Dan proberen zij de vis te spiesen.  Op een stok met scherpe punt.
 
Het is heerlijk om zien.  De combinatie van vissen en roeien levert een unieke choreografie op.  Vissers lijken balletdansers.  De bewegingen beheersen zij tot in de puntjes.  Een dansvoorstelling bij een ondergaande zon, daar kijken wij naar.  Camera’s flitsen.  Eén keer.  Tien keer.  Ontelbare keren.  Schoonheid moet vastgelegd worden.  Op de gevoelige plaat.  Schoonheid kan niet enkel herinnerd worden.  Dat volstaat niet meer.  Er moet kunnen teruggegrepen worden.  Er moeten kunnen teruggegaan worden naar die schoonheid uit het verleden.  Dat willen wij.  Daarom grijpen wij naar die camera.  Om vast te leggen.  Om vast te houden.  Om nooit meer te vergeten.
 
De zon gaat onder.  Verdwijnt.  De maan verschijnt.  Dat is de afspraak.  Dat is de taakverdeling.  De zon schijnt overdag.  De maan verlicht de nacht.  Zo is het altijd geweest.  Zo zal het voorlopig nog een tijdje blijven.  De maan schijnt.  De sterren fonkelen.  Dat is het enige licht op deze waterweg.  Die enkele, weinige lichten aan de oevers van het meer dan niet meegerekend.  Eventjes denk ik dat dit best gevaarlijk kan zijn.  Want tegen een hoge snelheid varen onze bootjes huiswaarts.  Het zou wel eens verkeerd kunnen gaan.  Ik verdrijf die gedachte.  Ik kijk omhoog.  Naar de sterren.  Ik kijk omhoog en hoop op een vallende ster.  Want dan mag ik een wens doen.  Helaas, een vallende ster heb ik niet gezien.  Voorlopig geen wens voor mij.  Maar heb ik die nodig? Moet ik mij iets toewensen? Ik denk het niet.  Ik voel mij volmaakt gelukkig.  Onder deze sterren.  Op dit water.  In dit land.

Mijn reisverhaal Myanmar.  Dag 8: Nyaungshwe.  Te lezen op woensdag 3 februari.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen