donderdag 21 januari 2016

Mijn reisverhaal Myanmar. Dag 5: Kyaiktiyo - Bago.

Nog maar enkele dagen terug waren wij op de heiligste plek van Myanmar, de Shwedagonpagode in Yangon.  Vandaag gaan wij naar de op twee na heiligste plek, de Gouden Rotspagode in Kyaiktiyo.  Wij kunnen te voet.  Dat is een mogelijkheid.  Een dertien kilometer lange wandeling.  Ongeveer zes uur stappen.  Het zou kunnen.  Alweer een ideale manier voor het opbouwen van religieus krediet.  Er wordt zelfs beweerd dat rijkdom uw deel zal zijn als u de wandeling drie maal met succes volbrengt.  Ik wil het graag geloven.  Toch begin ik er niet aan.  Zelfs niet één keer.  Ik ken mijn mogelijkheden.  Ik ken mijn beperkingen.  Ik neem de truck.  Geen religieus krediet, helaas.  Wel een iets gemakkelijkere en comfortabele manier om die top te bereiken.
 
Aan het vertrekpunt is het vrij rustig.  Ik had een overrompeling verwacht.  Dat is het niet.  Helemaal niet.  Om één van de belangrijkste toeristische trekpleister van het land te zijn, durf ik het zelfs vrij rustig te noemen.  Misschien kan de jarenlange strijd tussen het Birmese leger en de rebellen van de Karen minderheid een reden zijn voor deze relatieve rust.  Dat zou kunnen.  Die oorlog is wel voorbij maar slechts weinig reisorganisaties nemen deze bestemming op in hun programma.  Geen lange rijen dus.
 
Vandaag is het kalm.  Toch is de Birmese overheid hoopvol gestemd.  Zij zien een glorieuze toekomst voor de Gouden Rotspagode.  Zij lijken te verwachten dat deze heilige plek een toeristische topper kan worden.  Om op deze verwachtingen vooruit te lopen, wordt gestart met de aanleg van een kabelbaan.  De toerist vraagt luxueus gemak.  Dan moet hem of haar dat ook geboden worden.  Geen martelende trektocht.  Geen overvolle truck.  Wel een luilekkerende kabelbaan.  Dat is de oplossing.
 
Zoals ik al zei, wij gaan met de truck.  Maar die truck vertrekt pas als hij vol is.  Op het begrip ‘vol’ hebben de Birmezen en wij een andere kijk.  Voor ons zou ‘vol’ betekenen dat er voldoende volk op de vrachtwagen zit zodat iedereen comfortabel de rit kan beleven.  De Birmezen schrappen bij hun kijk op ‘vol’ de noodzaak of behoefte aan comfort.  Comfort wordt geslachtofferd in de Birmese poging om een truck vol te stouwen.  Propvol, dat is wat ‘vol’ voor hen betekent.  Zo vol als een ei.  Er wordt dus geperst.  Er wordt geduwd.
 
 
De truck geraakt dan toch vol.  Het heeft een tijdje geduurd.  Zes Aziaten of vijf Europeanen op één bankje.  Dat lijkt dan uiteindelijk de stelregel te worden.  De aanvankelijke bedoeling om ook zes Europeanen op één bankje te krijgen, moet opgegeven worden.  Dat is niet haalbaar.  Zelfs de Birmezen moeten uiteindelijk dit continentale verschil erkennen.  Aziaten zijn gewoonweg kleiner.  Fijner.  Misschien zal de prijs voor een ritje moeten aangepast worden.  Want hoe meer Europeanen op de truck, hoe minder de opbrengst.  De prijs zou misschien kunnen aangepast worden in functie van de omvang.  Van de breedte.  Van het gewicht.  Of zou dat te discriminerend zijn? Of te confronterend?
 
Het gaat snel.  Op en neer.  Van rechts naar links.  Van links naar rechts.  De rit lijkt een roetsjbaan.  Een rollercoaster.  Het voelt aan alsof de chauffeur het bewijs van zijn kunnen wil demonstreren.  Alsof hij overtuigend wil bewijzen dat hij baas is over zijn truck.  Terwijl de chauffeur bezig is met zijn bewijsvoering, flitsen door mijn hoofd allerlei rampscenario’s.  Talrijke nieuwsberichten lichten op in mijn hoofd.  Toeristenbus de ravijn ingereden.  Toeristenbus van de weg geraakt.  Toeristenbus tegen tegenligger aan geknald.  Het is ooit al eens gebeurd.  Ergens anders.  In de wereld.  Vandaag zal het niet gebeuren.  Niet hier.  Niet met ons.  Na iets minder dan vijfenveertig minuten bereiken wij de top.  Veilig en wel.
 
 
De Gouden Rotspagode? Een pagode op een rots.  Het zou gewoontjes kunnen zijn.  Het zou een simpel bouwwerk kunnen zijn.  Maar dan is er dat ene detail.  Dat ene detail dat alles anders maakt.  Specialer.  Uitzonderlijker.  De rots is door een kloof van de eigenlijke berg gescheiden.  Die rots balanceert.  Op een enkele richel.  Alsof de rots elk moment naar beneden kan storten.  Vanuit de verte lijkt het nogal overdreven te zijn.  Ik kijk en begrijp die hele heisa niet.  Vanwaar die hele ophef.  Much ado about nothing, zou ik Shakespeare kunnen citeren.  Maar dan kom ik dichter.  Hoe dichter ik kom, hoe onwaarschijnlijker het hele plaatje wordt.  Bewegen doet de rots niet.  Wat sommige reisgidsen ook mogen beweren.  Toch lijkt elk moment dat onvermijdelijke te kunnen gebeuren.  Elk moment kan die rots gaan rollen.  Het gebeurt niet.  Nog niet.  Waarom niet? In Myanmar is alles terug te brengen tot Boeddha.  Eén haartje van Boeddha houdt die hele constructie op zijn plaats.  Eenvoud, dat kan vaak de oplossing zijn van ingewikkelde vraagstukken.  Hier geen zware wiskundige berekeningen.  Geen diepzinnige theorieën over zwaartepunten en contragewichten.  Gewoon, één haartje van Boeddha.  Meer niet.
 


 
Wij blijven niet naar die Gouden Rotspagode staren.  Het zou kunnen.  Het is best intrigerend.  Niet enkel die rots.  Niet enkel die pagode.  Ook het hele gedoe rond die pagode is best wel attractief.  Wij zien gelovigen en toeristen goudblaadjes op de rots plakken.  Continu.  Het stopt niet.  Het afkopen van religieus krediet in de vorm van goudblaadjes, het is een hele business in Myanmar.  Sommige gelovigen gaan nog een stapje verder en schuiven geldbriefjes onder de rots.  Toch maar zeker spelen, denken die gelovigen.  Oh ja, enkel mannen mogen tot aan de Rotspagode.  Vrouwen mogen slechts vanop afstand toekijken.  Vrouwelijke aanraking zou de rots doen duizelen.  Zou de rots kunnen doen kantelen.  Dat lijken zij hier te geloven.
 
Om tien uur waren wij aan de pagode.  Om twaalf uur zijn wij nog eens teruggekeerd.  Dat was goed.  Want dan staat hij te schitteren in de zon.  Alsof hij pas dan voluit en ongegeneerd durft te pronken met al zijn schoonheid.  Bijna eenzaam staat hij daar onder die loden zon.  De meeste toeristen zijn dan al gepasseerd.  Hebben hun verplichte fotootjes genomen en zijn alweer op weg naar het volgende.  Wij kunnen de confrontatie aangaan met die rots.  Wij en de rots, bijna zonder enige toeschouwer.  Zonder enige getuige.  Heel even worden wij verleid die rots dat ene zetje te geven.  Dat ene zetje, waar die rots lijkt om te vragen.  Maar wij doen het niet.  Uit respect voor dit onverklaarbare wonder.
 
Tussen tien en twaalf uur hebben wij ook rondom ons gekeken.  Mensen observeren, dat is misschien nog het leukste.  Wij hebben ons hiervoor even aan de kant gezet.  Langs een weggetje, volgepakt met kraampjes.  Overal in de wereld altijd hetzelfde liedje.  Heiligdommen trekken commercie aan.  Kyaiktiyo is hierop geen uitzondering.  Handelaren menen in gelovigen potentiële kopers te zien.  Wij laten ons niet verleiden.  Blijven doof voor de verkooppraatjes.  Wij zetten ons neer en kijken.  
 


 
Wij kijken naar de passanten.  Een heerlijk schouwspel.  Het sociale verkeer kent over heel de wereld behoorlijk wat verschillen.  Toch zijn er ook heel wat gelijkenissen.  Dat merken wij.  Wij zien dat roddelen een internationaal fenomeen is.  Iedereen doet het.  Geen uitzonderingen.  Wij slaan drie marktkramers gade.  Zij praten met elkaar.  Het zou over alles kunnen gaan.  Social talk.  Small talk.  Maar dat is het niet.  Roddelen, dat is wat zij doen.  Ik lees de signalen.  Ik zie het aan hun houding.  Met de rug van de mensen weg gekeerd.  Dicht bij elkaar.  Ik hoor het aan hun stem.  Het geluidsvolume daalt snel.  Er wordt overgeschakeld op net niet fluisteren.  Na een tijdje gaan de drie dames uiteen.  Zij nemen hun beginpositie in.  Elk opnieuw aan hun kraampje.  Doen alsof hun neus bloedt.  Alsof er niks gebeurd is.  Dan komen zij opnieuw samen.  Herhalen hetzelfde roddelritueel.  Jawel, roddelen is internationaal.  De daarbij horende gebruiken zijn universeel.  Door iedereen te interpreteren.
 


 
Niet enkel roddelen is internationaal.  Mannenpraat is dat ook.  Aan de uitgang raak ik aan de praat met een jonge politieagent.  Hij praat vlot Engels.  Dat vergemakkelijkt het praten.  Het Birmees ben ik voorlopig nog niet machtig.  De Engelse taal biedt dan een oplossing.  Hij vertelt over zijn werk.  Informeert naar het onze.  Daarbij lijkt hij een bijzondere interesse te hebben in wat wij verdienen.  In België is dat het best bewaarde geheim.  Onder vrienden wordt hierover niet gesproken.  Zelfs onder familie niet.  Wij trachten dat zo te houden.  Ook in Myanmar kunnen wij deze vraag handig ontwijken.  Hij bemerkt onze schuchterheid over dit onderwerp.  Vlot schakelt hij over naar een ander gespreksthema.  Hij wijst ons zijn baas aan.  Zijn chef.  His commander, zegt hij.  Net op dat moment krijgt hij telefoon.  Van zijn vrouw, zo blijkt.  My wife, zegt hij.  My true commander, lacht hij hard.  Hij herhaalt het nog eens en knipoogt samenzweerderig.  Mannen onder elkaar.  Ik lach terug.  Mannen vallen elkaar niet af.  Toch niet in het openbaar.
 
Wij laten de Gouden Rotspagode achter ons.  Op weg naar het hotel houden wij kort halt aan een rijstveld.  Om te zien wat het werk op een rijstveld precies inhoudt.  Om wat meer te vernemen over de rijstteelt.  Wij reizen om te leren, dat wordt gezegd.  Zelfs rijst interesseert ons dan.  Leergierige nieuwsgierigheid is ons niet vreemd.  Onze bus gaat aan de kant.  Wij stappen uit en steken de straat over.  Klaar om het veld op te gaan.  De camera houden wij al in de aanslag.  Maar dan komt een militair wild gesticulerend aangelopen.  Die camera’s moeten weg.  Wij mogen het veld niet op.  Dat alles menen wij te mogen begrijpen uit de gemaakte gebaren.  De buschauffeur maakt ons alles duidelijk.  Net zoals het verboden is militaire gebouwen en kazernes te fotograferen, is het ook niet toegestaan gevangenen te fotograferen.  Omwille van de privacy? Omwille van de verplichte arbeid? Niemand die het weet.  Niemand die het kan vertellen.  Wij stappen terug de bus op.  Zonder iets wijzer geworden te zijn.  Wel hebben wij een kort ogenblik kunnen gluren naar het gevangeniswezen.  Naar één van de manieren waarop gedetineerden worden aangepakt.
 
Wij houden halt aan een wegrestaurant.  De inwendige mens reist ook mee.  Die moet versterkt worden.  Het uitkiezen van een juiste schotel is moeilijk.  Ik heb geen pikant mondje.  Hot en spicy, daarvoor moet ik uitkijken.  Ik ben voorzichtig.  Ik informeer dus even vooraf.  Ik wijs een schotel aan en vraag steeds weer of deze toch niet te pikant is.  Telkens zegt de ober van niet.  Maar een glimlach speelt rond zijn lippen.  Alsof hij mij wil duidelijk maken dat alles in de keuken ‘hot’ is.  Wij zijn per slot van rekening in Azië.  In Myanmar.  Dan is alle eten heet en pikant.  Weliswaar met enkele gradaties daarin.  Het wordt dus gokken.  Telkens weer.  Gokken en hopen.  De ene keer lukt het.  De andere keer kan het al eens tegenvallen.
 


 
Op onze rit passeren wij langs houten huisjes.  Op velden.  Langs wegen.  Armtierig, zo kan het omschreven worden.  Basic.  Very basic.  Ik kijk naar die huizen en tracht uit te zoeken hoe de Birmezen hun avonden passeren.  Wat zij ’s avonds doen.  In mijn gedachten boks ik een antwoord ineen.  Verhalen vertellen, dat zie ik hen doen.  In mijn hoofd zie ik families samenzitten.  Enkele generaties, samen aan één tafel.  Samen op het terras.  Zij vertellen familieverhalen.  Verhalen over vroeger.  Heldenverhalen.  Verhalen over het leven.  Verhalen over goden en geesten.  In al die woorden zit wijsheid vervat.  Dat hebben al die verhalen gemeenschappelijk.  Dat is wat ik zie.  In mijn hoofd.  Dat is wat ik denk.  Wat ik meen te horen.  Dit lijkt mij immers het ideale decor voor het vertellen van verhalen.  Vrij snel donker, weinig verstrooiing, sterke familiebanden, … Waarom ik het zo zie, kan ik niet verklaren.  Het voelt zo aan.  Eén van deze dagen zal de Birmese Gabriel Marquez rechtop staan.  Dat verwacht ik.  Of de Birmese Meir Shalev.  Of de Birmese Orhan Pamuk.  Of de Birmese Salman Rushdie.  Ik wacht op hen.  Want zij staan er aan te komen.  Nu kan het.  Nu de greep van de militaire junta wat losser wordt.  Want die verstikte literatuur.  Met een te grote censuur.  Het beloven mooie tijden te worden voor de Birmese literatuur.  Dat mogen wij hopen.  Dat mogen wij verwachten.
 
Met dat schitterende toekomstbeeld voor de Birmese literatuur voor ogen ga ik slapen.  
 
Mijn reisverhaal Myanmar.  Dag 6: Bago – Heho - Nyaungshwe.  Te lezen op woensdag 27 januari.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen