maandag 11 januari 2016

Mijn reisverhaal Myanmar. Dag 3: Yangon.

Ik word wakker in Myanmar.  In Myanmar? Jawel.  Maar is dat geen dictatuur? Heerst daar geen militaire junta met strenge hand? Als ik zei naar Myanmar te reizen, werd die vraag mij wel eens voor de voeten geworpen.  Alsof ik gevraagd werd verantwoording af te leggen.  Misschien was het zo niet bedoeld.  Toch voelde het zo aan.  Als rechtvaardiging verwees ik naar de vrije verkiezingen, die op 9 november werden georganiseerd.  Vrije democratische verkiezingen als bewijs van de nieuwe wind, die doorheen het land waaide.  Bovendien gaf ik gehoor aan de oproep van Aung San Suu Kyi, partijleidster van de National League for Democracy.  In die oproep liet zij verstaan voorstander te zijn van kleinschalig toerisme.  Dit kon gelezen worden als een uitnodiging om het land voortaan niet meer links te laten liggen.  Bij mijn keuze voor Myanmar kreeg ik dus de steun van een Nobelprijswinnares voor de Vrede.  Dat kan tellen.  Dat moet volstaan.  Die steun moest de kritische geesten definitief de mond snoeren.  Want wie durft in te gaan tegen een Nobelprijswinnares?
 
Aung San Suu Kyi is alomtegenwoordig.  Ik ben nog maar net in Myanmar maar dat heb ik al gezien.  Zij lijkt een popidool.  In winkels zie ik boeken liggen van en over deze politica.  In het straatbeeld zie ik posters en affiches.  Met daarop het hoofd van deze dame.  Een sterrenstatus, dat heeft zij bereikt.  Ik kan mij een dergelijk scenario in eigen land nauwelijks inbeelden.  Hier bij ons worden politici verketterd.  Koosnaampjes als zakkenvullers en profiteurs krijgen zij toebedeeld.  Zij grossieren in onbekwaamheid, althans volgens de vox populi.  Het sterrendom is niet weggelegd voor onze nationale politici.  Slechts heel af en toe schittert de ster van één enkele politicus.  Maar die ster dooft net zo snel uit.  Politici komen en gaan.  Raken snel opgebrand.  In eigen land kijkt men niet op naar politici.  Eerder kijkt men weg van hen.  Dat is niet zo in Myanmar.  Toch voorlopig niet.  Hier wordt alle hoop gesteld op Aung San Suu Kyi.  Hier verwacht men nog dat politiek dingen kan veranderen.  Ten goede.  Jawel, de democratie is nog pril in Myanmar.  De democratie is nog te jong om al verbitterd te zijn.  Of te worden.  Om cynisch te zijn.  Of te worden.  Met ogen van bewondering kijkt men naar die bejaarde dame.  In die ogen lees ik hoop.  Hoop op een betere toekomst.  Dat wil ik graag geloven.
 
Maar genoeg over politiek.  Wij zijn nog altijd in Yangon.  Wij keren terug naar de Sulepagode.  Gisteren zijn wij tot aan de pagode geweest.  Vandaag gaan wij binnen.  Aan de ingang doen wij onze schoenen uit.  En onze kousen.  Enkel op blote voeten mogen wij deze tempel binnen.  Respect tegenover Boeddha kan enkel betuigd worden op blote voeten.  Zo lijkt het wel.  Dat geldt niet enkel voor deze tempel.  Dat is zo in alle tempels.  Over het hele land.  Willen we een tempel binnengaan, dan blijven schoenen en kousen bij de ingang achter.  Gemakkelijk schoeisel, dat vlotjes aan en uit gaat, valt dan wel te overwegen.  Dat zullen wij de volgende weken in gedachten houden.
 
De Sulepagode zou een haar van Boeddha herbergen.  Een relikwie.  Door boeddhistische monniken vanuit India naar Myanmar gebracht.  Wij zouden kunnen lachen om een dergelijk verhaal.  Wij zouden het kunnen omschrijven als bijgeloof.  Maar hebben wij dat recht? Ik denk het niet.  Met eenzelfde ernst bewaren wij in kerken, basilieken en kathedralen relikwieën van allerhande heiligen.  Devoot vallen wij op onze knieën in het aanschijn van die relikwieën.  Eenzelfde devotie zien wij hier in Myanmar.  Dat ene haar verbindt de volgelingen met Boeddha.  Als een soort van rechtstreekse lijn.  Op die lijn mag geen enkele storing zitten.  Geen spot dus.  Wel ernstige oprechtheid.  Oprechte vroomheid.
 

Sulepagode
 
Onze volgende halte is de Botataungpagode.  Het stadsplannetje doet vermoeden dat deze pagode binnen wandelafstand ligt van de Sulepagode.  Wij gaan dus stappen.  Het blijkt toch nog een behoorlijk eindje te zijn.  Afstanden op kaart kunnen vaak klein lijken.  In realiteit kan dat dan al eens tegenvallen.  Maar wij hebben jonge benen.  Wij klagen niet.  Een beetje beweging doet wonderen.  Onze ledematen voelen nog stram aan.  De vliegkilometers zitten in onze benen.  Die benen moeten wakker geschud worden.  Hebben wat oefening nodig.  Een wandeling kan dan een oplossing zijn.
 
 
 
De Botataungpagode.  Vanwaar komen toch al die namen? Voor ons klinken al die namen exotisch vreemd.  Wij slaan die namen op.  In de hoop die bij thuiskomst nog te kunnen ophalen in ons geheugen.  Om onze toehoorders toch enigszins versteld te doen staan van onze kennis.  Van onze wijsheid.  Namen noemen, als bewijs van onze onderlegdheid in Myanmar.  Als bewijs dat wij wel degelijk iets opgestoken hebben.  Wij wauwelen die namen dus na.  Niet gehinderd door onze zorg om de juiste uitspraak.  Terwijl wij worstelen met die namen, lijken zij voor de Birmees de evidentie zelve.  Zo verwijst de Sulepagode naar de nat Sule, die de bewaker is van de heuvel waarop de Shwedagonpagode werd gebouwd.  De Botataungpagode verwijst dan op zijn beurt naar het legertje van duizend (tataung) soldaten (bo), dat tweeduizend jaar terug de acht haren van Boeddha, die hier bewaard werden, bewaakte.  Zoals u ziet, achter die exotische namen schuilt een zekere logica.  Een logica, die door ons te vinden en te ontdekken is.
 
Botataungpagode
 
Het had weinig gescheeld of de Botataungpagode was niet te bezichtigen.  In de Tweede Wereldoorlog werd de pagode volledig platgegooid.  Door de Royal Air Force.  Dat was niet de bedoeling.  Het eigenlijke doelwit was de nabijgelegen haven.  Maar de jongens van de RAF hadden niet hun dagje.  Stonden niet scherp.  Die jongens maakten één klein foutje.  Een foutje, dat de pagode volledig in de as legde.  Nu zouden de hoge piefen bij de luchtmacht zich excuseren.  Zij zouden spreken van collateral damage.  Alsof dat ooit zou kunnen volstaan als verontschuldiging.  Maar toen bestond dat woordje nog niet.  Toen werd de harde realiteit niet weggemoffeld door modieuze woordjes.  Het gebeurde gewoon.  Een oorlog moet gevochten worden.  Moet gewonnen worden.  In dat streven naar de overwinning mogen dan al eens foutjes gemaakt worden.  Liefst niet te veel maar het mag.  Jammer.  Helaas.  Maar wij moeten voort.  Wij moeten verder met die verdomde oorlog.  Want die moet gewonnen worden.
 
Na de oorlog werd de pagode heropgebouwd.  Volgens het oorspronkelijke ontwerp.  In die nieuwe pagode werd een vergulde bronzen boeddha teruggeplaatst.  Dat beeld hadden de Britten in 1885 meegenomen uit het Glazen Paleis van Mandalay.  Britten zouden dat meenemen omschrijven als een schenking.  Andere dan de Britten zouden dit eerder als plunderen beschouwen.  Een klein verschil in interpretatie.  Wie heeft gelijk? Ligt de waarheid in het midden? Ik weet het niet.  Het antwoord moet ik u schuldig blijven.  U kan mij die onwetendheid aanwrijven.  Ten kwade duiden.  Dat zou u kunnen doen.  Ik troost mij met de gedachte dat alles weten pas echt vervelend moet zijn.  Net de zoektocht naar antwoorden maakt het leven boeiend.  Ik blijf dus zoeken naar die antwoorden.  Naar die juiste antwoorden.
 
Botataungpagode
 
Ook in deze pagode wordt één haar van Boeddha bewaard.  De pagode lag volledig in puin.  Honderden brokstukken.  Duizenden brokstukken.  Toch werd vanonder het puin dat ene haartje opgegraven.  Als een klavertjevier werd dat ene haar naar boven gehaald.  In dat kleine wonder moet Boeddha de hand hebben gehad.  Dat moet.  Een andere verklaring voor die vondst kan toch niet gevonden worden.  Of zou het toch toeval zijn? Of eerder een fabeltje?
 
Wij hebben de pagode gezien.  Van top tot teen.  Wij zijn zelfs in de stoepa geweest.  Binnenin.  Dat is uniek.  Het interieur van een stoepa is massief.  Hier niet.  Hier is het interieur hol.  In dat interieur hebben wij gewandeld.  Wij hebben gekeken naar dat ene, enkele haar.  Want dat wordt daar bewaard.  Wij hebben het gezien.  Maar geloven wij het ook? Ongelovige Thomas moest eerst zien om dan te kunnen geloven.  Wij hebben gezien.  Dat was makkelijk.  Geloven doen wij niet.  Dat is moeilijk.  Te moeilijk.
 
Wij moeten voort.  Naar de Kyauk Htat Gyi Pagode.  We nemen de taxi.  Aan de chauffeur vragen wij ons naar de liggende boeddha te brengen.  Want dat is daar te zien.  Reclining buddha, vragen wij in ons beste Engels.  Hij fronst even de wenkbrauwen.  Lijkt niet al te zeker.  Wij nemen er het stadsplan bij.  Duiden het aan op de kaart.  De chauffeur knikt.  Zelfzeker lijkt hij evenwel niet.  Toch stappen wij in.  Het zal wel lukken.  
 
Wij komen aan bij de liggende boeddha.  Zonder problemen.  In rechte lijn heeft de chauffeur ons naar hier gevoerd.  Wij springen uit de taxi.  Gaan zien naar dat kolossale beeld van een liggende boeddha.  Zeventig meter lang.  Achttien meter hoog.  Dat is groot.  Bijzonder groot.  Wij voelen ons krimpen naarmate wij dichter bij het beeld komen.  Wij lijken lilliputters.
 

Kyauk Htat Gyi
 
Wij kijken niet naar het oorspronkelijke beeld.  Het oorspronkelijke werd gebouwd in opdracht van een zakenman.  Die man vergat evenwel een dak te plaatsen boven de liggende boeddha.  Dat achtte hij niet noodzakelijk.  De natuurelementen konden vrij hun gang gaan.  Dat deden zij ook.  Het beeld werd aangetast.  Fel aangetast.  In die mate zelfs dat er beslist werd het beeld af te breken.  Een nieuw beeld werd gebouwd.  Via donaties van gelovigen werd hiervoor geld ingezameld.  Om dit maal het eeuwigdurende karakter van het beeld te garanderen, werd nu wel een dak geplaatst.  De invloed van het klimaat werd hierdoor ingeperkt.
 
Terwijl wij langs dat beeld wandelen, wordt onze aandacht getrokken door een ietwat oudere Birmees.  Hij fluit ons na.  Wij kijken.  Hij doet ons teken tot bij hem te komen.  Wij luisteren.  Wij zijn welopgevoed.  Een vraag van een oudere kan niet zomaar genegeerd worden.  In ouderdom lezen wij nog altijd wijsheid.  Wij komen bij hem.  Hij stelt voor onze gids te worden.  Onze gids doorheen het klooster, dat bij de Kyauk Htat Gyi Pagode aanleunt.  Wij aanvaarden het voorstel.  Nieuwsgierigheid is wat ons drijft.  Wij zijn gebeten om te weten.
 
Met onze gids wandelen wij doorheen de leefruimtes.  Langs de slaapplaatsen.  Naar het meditatiecentrum.  Hij brengt ons bij een oude monnik.  Vijfentachtig jaar oud is de man.  Die vraagt ons of wij ‘meditation power’ wensen.  Wat het is? Wij weten het niet.  Toch aanvaarden wij.  Alles wat kracht is, moet een mens sterker maken.  Dat denken wij.  Wij gaan op onze knieën zitten.  Net voor zijn voeten.  Hij legt ons de hand op.  Prevelt wat.  Een toverformule lijkt het.  In enkele seconden is het ritueel voorbij.  Ik voel mij een Ninja Turtle.  Of één van de Fantastic Four.  Want ik heb magische krachten.  Mij geschonken door een boeddhistische monnik.  
 


 
Een monnik met een smartphone.  Met oortjes in.  Blijkt dat die vraag om onthechting toch moet gerelativeerd worden.  Maar wij onderdrukken die zin voor kritiek.  Wij gaan in gesprek.  Naar wat hij luistert? Dat willen wij weten.  Naar boeddhistische muziek.  Met dat antwoord lacht hij onze vraag weg.  Een kluitje in het riet, dat willen wij niet.  Daarmee willen wij niet weggestuurd worden.  Wij dringen aan.  Herhalen onze vraag nog even.  Welke muziek? Michael Jackson, bekent hij ons.  Justin Bieber, vult hij aan.  Oei.  Justin Bieber? Die monniken hebben dan toch niet alle wijsheid in pacht.  Maar dat is dan weer onze kritische zin, die opspeelt.  Die willen wij onderdrukken.  Wij zijn op reis.
 
Van de liggende boeddha gaan wij naar de zittende boeddha.  Daarvoor moeten wij naar de Nga Htat Gyi Pagode.  Boeddha kan en mag afgebeeld worden in vier grondhoudingen: liggend, zittend, staand en lopend.  Een liggende hebben wij zonet gezien.  Een zittende zullen wij straks zien.  Een staande moeten wij nog zien.  Maar dat zal gebeuren.  Nog op deze reis.  Een lopende? Dat wordt een moeilijke.  Wij zijn in blijde verwachting.  In blijde verwachting van een ontmoeting met een lopende boeddha.  Een boeddha in sportkledij.  Met sportschoenen.  Dat moet bijblijven.  Ongetwijfeld.  Spotten met Boeddha mag niet.  Respect vraagt ernst.  Een lopende boeddha zou bestaan.  Ik heb het nog niet gezien.  Ik heb mijn opdracht voor deze reis gevonden.  
 

Nga Htat Gyi
 
Bij de zittende boeddha krijg ik opnieuw het voorstel voor een gegidste wandeling.  Een wandeling doorheen alweer een klooster.  De jongeman lijkt mij net ietsje te vlot.  Zo vlot dat het verdacht lijkt.  Al te gemakkelijk geldgewin, dat ruikt naar afzetterij.  Ik ga niet in op zijn voorstel.  Toch wimpel ik hem niet af.  Ik maak van de gelegenheid even gebruik om te informeren naar de voorbije verkiezingen.  Ik vraag hem op wie hij gestemd heeft.  Het geheim van de verkiezingen lijkt hier van geen tel.  Hij antwoordt.  Zonder enige aarzeling.  Vol blijheid zegt hij gestemd te hebben voor ‘The Lady’.  Ik begrijp hem.  Ik knik goedkeurend.  Steek even mijn duim op.
 
Wij eindigen onze dag bij, op en aan de Shwedagonpagode.  Dit is één van de drie heiligdommen in Myanmar.  Dat hoeft niet te verbazen.  In deze pagode wordt niet slechts één haar van de Verlichte bewaard.  Dat zou een beetje minnetjes zijn voor een heiligdom.  Dus neen, niet één haar.  Wel acht haren.  Acht haren van Boeddha.  Het statuut van heiligdom lijkt gerechtvaardigd.
 
De stoepa ligt op een achtenvijftig meter hoge heuvel.  Wij kunnen met de roltrap.  Wij kunnen met de lift.  Dat doen wij niet.  Dat willen wij niet.  Wij hebben ‘meditation power’.  Daarmee moet het wel lukken.  Bovendien levert de trap ons enig religieus krediet op.  Het zou ons dichter bij de verlichting brengen.  Het zou ons karma gunstig beïnvloeden.  Geen twijfel meer.  Wij nemen de trap.  Wij gaan via de oostelijke trap.  Dat is de meest fraaie.  Met houtsnijwerk en schilderkunst.  Als wij dan toch moeten stappen, graag in schoonheid.
 
Shwedagonpagode
 
Eenmaal boven valt onze mond open.  Schoonheid doet verstommen.  Woorden schieten dan te kort.  Wij kunnen enkel stamelen.  Stotteren.  De architectuur? Rijkelijk overweldigend.  Goud, goud, goud, goud, … Waar men ook maar kijkt.  Maar meer nog dan de architectuur is het de sfeer, die aangrijpt.  Die ons emotioneel doet wankelen.  Deze pagode is het heiligste heiligdom.  Het meest vereerde boeddhistische heiligdom van Myanmar.  Dan zou men een zekere gestrengheid verwachten.  Een ambiance onderdrukkende devotie.  Maar dat is het niet.  Ontspannend druk, zo kan het omschreven worden.  Alles gaat zijn gangetje.  In een losse sfeer.  Dit is niet enkel een gebedsplaats.  Meer nog lijkt dit een ontmoetingsplaats.  Jongeren en ouderen komen hier samen.  Met familie of alleen.  Om elkaar te ontmoeten.  Om bij te praten.  Om de laatste nieuwtjes uit te wisselen.  Om hier de avond te starten.
 

 

Shwedagonpagode
 
Ik heb gewandeld.  Rond de stoepa.  Meermaals heb ik moeten lachen.  Om die monniken.  Die op hun smartphones tokkelen.  Die ons roepen en vragen met hen op de foto te gaan.  Ik heb moeten lachen om die toch wel aparte onderhoudsploeg.  Met aan elkaar gebonden doeken vegen zij de vloer aan.  In een rij van tien meter breed.  Naast elkaar rukken zij op.  Gaan zij het gevecht aan met vuiltjes.  Een toeristische attractie lijkt het.  Kuisen lijkt slechts een bijkomstigheid.  Een leuke manier om alweer religieus krediet op te bouwen.  Want dat is het.  Poetsen brengt u dichter bij de verlichting.  Nooit heb ik het zo aangevoeld.  
 
 
Wij hebben de eerste van drie heiligdommen gezien.  In de ondergaande zon.  Het mooiste moment.  Wij kunnen gaan slapen.  Het is mooi geweest.
 
Mijn reisverhaal Myanmar.  Dag 4: Yangon – Bago – Kyaiktiyo.  Te lezen op donderdag 14 januari.
Shwedagonpagode
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen