woensdag 30 september 2015

Uitgelezen: China en Europa, waar twee werelden elkaar raken. Brief aan Fokke Obbema.

Beste Fokke,
 
In 2012 ging ik naar China.  Niet voor zaken.  Ik trok niet naar China voor het grote geldgewin.  Evenmin trok ik naar China om mijn handtekening te zetten onder een lucratief contract.  Ik ben geen zakenman.  Ik ben het niet.  Ik zal het nooit worden.  Dat is een grote geruststelling.  Toch zeker voor mij.  Ik geef de voorkeur aan een rustig leventje.  Het zakenleven kan mij dat niet schenken.  Dat weet ik.  Ik hoef daarvoor enkel om mij heen te kijken.  Te kijken naar die schichtige gemaatpakte mannetjes, uit wiens ogen de stress druipt.  Een dergelijk leventje wens ik mijzelf niet toe.
 
Ik ging dus naar China.  Voor het plezier.  Bijna drie weken trok ik doorheen het land.  Vooraf wist ik niet wat te verwachten.  Jawel, ik zou naar Xian gaan.  Ik zou het Terracottaleger zien.  Ik zou wandelen over de Chinese Muur.  Dat kon ik verwachten.  Maar verder? Geen enkel idee.  Met een beetje angst in het hart vertrok ik.  Bang dat de reis zou tegenvallen.  Want ik had vooroordelen.  Het zou niet mogen, dat weet ik.  Toch had ik ze.  Maar dan gebeurde datgene wat op reis zo vaak gebeurt.  Het land verraste mij.  Totaal.  Het land veegde alle vooroordelen weg.  Eén voor één.  In de plaats kwam een bijzondere fascinatie voor dat vreemde land.
 
Vanwaar die fascinatie? Misschien kwam het door de onmogelijkheid het land te vatten.  Het land te begrijpen.  Wat ik ook probeerde, het lukte mij niet.  Telkens ik tot een besluit meende te komen, werd datzelfde besluit de volgende dag ontkracht.  Ik werd constant gedwongen tot het herzien van wel overdachte besluiten.  Dat maakte dat ik aan het eind van mijn reis maar niet tot een eindconclusie kon komen.  Het land slingerde mij heen en weer.  Het land toonde mij constant zijn twee gezichten.  Ik kon maar niet kiezen.  Nu nog, na drie jaar, weet ik het nog altijd niet.  Dat bezoek uit 2012 maakt mij voorzichtig tegenover China.  Ik durf geen krasse uitspraken te doen.  Over de machthebbers.  Over de democratie.  Over de economie.  Over de welvaart.  Over de ontwikkeling.  In mijn oordeel bouw ik steevast enig voorbehoud in.  Ik huldig het voorzichtigheidsprincipe.  Geen dogma’s.  Wel open besluiten.  Besluiten waarvan ik weet dat zij onderhevig kunnen en moeten zijn aan herziening.
 
In mijn zoektocht naar een beter begrip van het land kwam ik uit bij uw boek.  In literatuur worden vaak de juiste antwoorden gevonden.  Op kantoor hangt boven mijn bureau die ene gulden stelregel: reading can seriously damage your ignorance.  Een waarheid als een koe, dat durf ik te zeggen.  Vaak brengt het lezen mij tot verhelderende inzichten.  Dat heb ik al meermaals mogen ervaren.  Die ervaring heb ik ook gehad bij het lezen van uw boek.
 
In uw boek geen doemscenario’s.  Geen onheilsprofetieën.  U stelt de lezer gerust.  Wij hoeven geen schrik te hebben voor het ‘gele gevaar’.  China als grote en dominante wereldspeler lijkt voor u een utopie.  Een rol als wereldleider lijkt voor het land geen haalbare kaart.  Het land wordt immers geconfronteerd met te veel interne problemen.  Met te grote interne uitdagingen.  In die mate zelfs dat een prominente rol op het wereldtoneel niet onmiddellijk te realiseren valt.  
 
U pleit in uw boek voor een zekere nuchterheid.  U vraagt de lezer zich niet te laten opjagen door al te krasse uitspraken over Chinese dominantie in de wereldeconomie.  U vraagt de schreeuwerige krantenkoppen omtrent dit thema met een korreltje zout te nemen.  Vaak worden die krantenkoppen ingegeven door een zekere sensatiezucht.  In uw boek weerlegt u die schreeuwerige zucht naar sensatie met cijfers.  Met relativerende en ontnuchterende cijfers.  Het is verhelderend een dergelijke analyse te lezen.  Omdat het weerwerk biedt aan het overheersende beeld.  Het beeld van een land, dat over alles heen walst.  Dat zich door niks laat inperken.
 
Het meest vreemde lijkt dat niet enkel het buitenland zoekt naar een goede en juiste houding tegenover China.  Ook het eigen land zoekt naar een goede en juiste houding tegenover zichzelf.  Die zoektocht van het eigen land zorgt voor een continue botsing tussen behoudsgezinden en vernieuwers.  Die botsing komt tot uiting op vele domeinen.  Domeinen zoals de mensenrechten, een juiste vorm van democratie, de noodzakelijkheid van staatstoezicht, het nationalisme, het toelaten van een actief middenveld, …Al die kwesties doen het land rammelen.  Doen het land heen en weer slingeren.  De westerse pers is al te vaak blind voor dat continue gevecht.  Al te zeer verblind als zij is door de strubbelingen aan de oppervlakte lijkt zij geen oog te hebben voor de ondergrondse borrelingen.  Dat doet u wel.  U gaat verder.  U graaft dieper.
 
In uw boek schrijft u niet enkel over China.  U hebt het ook uitgebreid over Europa.  U toont een versplinterd Europa.  In verspreide slagorde stappen de Europese landen naar de wereld toe.  Naar China toe.  Geen enkele eensgezindheid in het beleid.  Dat hebben wij gezien in de bankencrisis.  Dat hebben wij gezien in de Griekse crisis.  Dat zien wij nu in de asielcrisis.  U pleit met overtuiging voor een eensgezind beleid.  Dat is hoogstnodig.  Want zonder dreigt Europa irrelevant te worden.  Zonder eensgezindheid dreigt Europa op internationaal vlak telkens weer uit verband gespeeld te worden.
 
En oh ja, Europa moet afstand nemen van zijn zelfgenoegzaamheid.  Moet zijn arrogantie laten vallen.  Europa moet niet met het vingertje wijzen.  Wij hebben de wijsheid niet in pacht.  Zeer zeker niet.  Wij moeten andere landen tegemoet treden in een open dialoog.  Niet alle recepten (staatsvorm, economisch bestel, …) kunnen zomaar gekopieerd worden.  Kunnen zomaar toegepast worden op andere landen.  Europa moet oog hebben voor de eigenheid van de internationale gesprekspartners.  Een dergelijke houding is hoogstnodig.  Ook tegenover China.  Dat hebt u duidelijk aangetoond in uw boek.
 
Ik heb uw boek gelezen.  Ik las over China.  Ik las over Europa.  Ik las hoe het ene land en het andere continent in een mooie relatie zouden kunnen samenleven.  Zouden kunnen samenwerken.  Maar ik las tevens dat hiervoor nog heel wat werk dient geleverd te worden.  Dat hiervoor nog heel wat water naar de zee moet vloeien.
 
Ik ben onwetend.  Over China.  Over Europa.  Toch meen ik dat ik door het lezen van uw boek een heel klein beetje minder onwetend ben geworden.  Daarvoor wil ik u danken.  Uitermate danken.
 
Met vriendelijke groeten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen