vrijdag 8 mei 2015

Uitgelezen: De omwegen. Brief aan Jeroen Theunissen.

Beste Jeroen,
 
Ik weet niet meer hoe ik tot uw boek kwam.  Ik weet niet meer waarom ik uw boek kocht.  Misschien was het de God van de Literatuur, die hierin de hand had.  Misschien was die God mijn gids in de zoektocht naar een goed boek.  Een zoektocht, die mij halt deed houden bij De Omwegen.  Welke hogere macht het ook moge geweest zijn, ik kocht uw boek.  Onlangs las ik uw boek.  Kopen, dan pas lezen.  Zo gaat het altijd.  Andersom kan niet.  Dat bestaat niet.  Boter bij de vis, zo gaat het in deze wereld.  Zelfs literatuur maakt geen uitzondering op deze economische wetmatigheden.
 
De Omwegen.  Het valt mij moeilijk uw boek te omschrijven.  Uw boek in te delen in één welbepaalde categorie.  Is het een avonturenroman? Het kan.  Is het een liefdesroman? Het kan.  Is het een filosofisch traktaat? Het kan.  Is het een politiek essay? Het kan.  Is het een ontwikkelingsroman? Het kan.  Is het een familieroman? Het kan.  Uw boek kan vele gedaanten aannemen.  Uw familiesaga doet meer dan enkel de lotgevallen van de pater familias en zijn drie zonen schetsen.  U trekt het open.  Maakt het ruimer.  In uw verhaal doet u verslag van een dolgedraaide wereld.  Op vele pagina’s schijnen uw ergernissen door.  Maar alvorens uw ongezouten meningen op de lezer los te laten, dompelt u deze onder in een komisch sausje.  Dat moet het voor de lezer beter verteerbaar maken.  Toch ontzenuwt die milderende, komische inslag uw boodschap niet.  Die blijft overeind.  Hard en krachtig.
 
U houdt de lezer een spiegel voor.  Uw boek blijft gevaarlijk herkenbaar.  Staand voor de door u aangereikte spiegel, stel ik mij de vraag of ik ook maar iets van de drieling in mij herberg.  Ben ik Johan? Misschien.  Ben ik Jonas? Misschien.  Ben ik Joris? Misschien.  In geen van de drie karakters kan ik mij ten volle herkennen.  Het lijkt een troost.  Maar de constante vraag of ik bepaalde aspecten deel met uw hoofdpersonages blijft nazinderen.  Al te bevreesd ben ik dat ik op die constant sluimerende vraag bevestigend zou moeten antwoorden.  Al te grote herkenning zou ontnuchterend werken.  Zou hard binnenkomen bij mij.  Want tussen mij en de drie egoïstische ettertjes wil ik toch een zo groot mogelijke afstand bewaren.  Bij het lezen moeten ervaren dat die afstand soms overbrugbaar lijkt, kan ik omschrijven als confronterend.  Behoorlijk confronterend.
 
Uw wereld wordt bedreigd.  Niet door monsters.  Niet door buitenaardse wezens.  Wel door crisissen.  Van allerlei slag.  Bankcrisis.  Systeemcrisis.  Geloofscrisis.  Klimaatcrisis.  Politieke crisis.  Identiteitscrisis.  Nationaliteitscrisis.  In die crisissfeer plaatst u uw personages.  In die crisissfeer laat u uw personages naar oplossingen zoeken.  Naar uitwegen.  In die reacties kunnen wij parallellen trekken met de echte wereld.  Met politici en opiniemakers uit die echte wereld.  Op die wijze dringt die echte wereld uw boek binnen en lijkt uw boek een politieke kroniek van de voorbije decennia.  U dwingt ons als het ware achterom te kijken.  Die terugblik maakt mij niet vrolijk.  Stemt mij niet gelukkig.  Neen, grote vraagtekens kunnen geplaatst worden bij datgene wat in het verleden ligt.
 
Ik weet niet of ik uw boek als een pessimistisch boek kan omschrijven.  Ik heb de neiging het toch te doen.  De uitgezette verhaallijnen neigen naar het zwartgallige.  Alle kleur lijkt uit uw boek verbannen te zijn.  Vrolijkheid verbind ik niet onmiddellijk met de gebeurtenissen in het boek.  De zoektocht van uw personages lijkt dood te lopen.  Geen heilzame redding.  Voor niemand.  Iedereen lijkt gedoemd.  Gedoemd om met zijn hoofd zwaar tegen de muur te knallen.  Ondanks mijn neiging uw boek pessimistisch te noemen, is er toch nog die twijfel.  Aan het eind van uw boek lijkt toch nog enig licht te schijnen.  Licht lijkt doorheen de donkere wolken te breken.  Redding lijkt dan toch mogelijk.  Een oplossing ligt dan toch in het verschiet.  De zoektocht lijkt dan toch uit te monden in een verlichtend antwoord.  Het leven, dat door uw personages als (te) zwaar wordt beschouwd, lijkt dan toch de mogelijkheid in zich te hebben te baden in lichtheid.  Alle hoop mag dan toch niet opgegeven worden.
 
Ik heb uw boek gelezen.  Uw aanklacht.  Ik ben u gevolgd in uw queeste.  Uw odyssee.  Ik heb mij geamuseerd in die ogenblikken dat ik in uw boek vertoefde.  Ik heb gelachen.  Meermaals.  Niet luidop.  Dat is verdacht.  Ik lachte binnensmonds.  Stilletjes.  Want ondanks de zware thema’s kan, mag en moet er gelachen worden.  Daartoe bood u mij voldoende gelegenheid.
 
Het boek is uit.  Definitief dichtgeslagen.  Pas nu begrijp ik waarom de God van de Literatuur mij tot uw boek bracht.  Omdat uw boek een meesterwerk is.  Een klein meesterwerk.  In het licht van de eeuwigheid moeten wij bescheiden blijven.  Vandaar die lichte correctie.  Om het gevaar van overdrijving tijdig af te wenden.  Daarom dus: een klein meesterwerk.  
 
Tot slot wil ik nog dat ene doen.  Dat ene ding, dat een lezer kan doen na het dichtslaan van een uitmuntend boek.  Ik wil u danken.  Voor dit prachtige boek.  Voor de heerlijke leesmomenten.  
 
Met vriendelijke groeten.
 
Website:

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen