maandag 4 mei 2015

En avant, marche. Gezien in NTG. Brief aan De Leiezonen.

Beste Leiezonen,
 
Ik had verwachtingen.  Grote verwachtingen.  Hoge verwachtingen.  Dat had zo zijn redenen.  Er waren die namen.  Die grote namen, die zich engageerden voor dit grootse project.  Er was Alain Platel.  Er was Frank Van Laecke.  Er was Wim Opbrouck.  Er was Chris Thys.  Al die namen hebben hun sporen verdiend in het theaterlandschap.  Al die namen hebben zichzelf ruimschoots bewezen.  Al die namen hebben in het verleden het publiek al meermaals weten te overtuigen.  Meer nog dan al die namen was er evenwel die ene, specifieke reden, die mijn verwachtingspatroon naar ongekende hoogten stuwde.  Hoogten, waarbij iemand met hoogtevrees spontaan begint te duizelen.  Waarbij die iemand zich moet vastgrijpen uit angst voor die te grote diepten.  Die specifieke reden was de aanwezigheid van een fanfare op het podium.  Die aanwezigheid moest uitmonden in een feest.  Zo dacht ik.  Waarom? Ik weet het niet.  Of toch.  Fanfares voeren mij terug naar mijn kindertijd.  Een gelukkige tijd.  Een tijd zonder zorgen.  Met nauwelijks enige verantwoordelijkheid.  Naar die tijd kunnen teruggeflitst worden, dat schept verwachtingen.
 
Ik zit in de zaal.  De deuren gaan dicht.  Het doek gaat open.  De voorstelling begint.  In mijn hoofd tollen die verwachtingen wild rond.  Ik wens dat aan die hooggespannen verwachtingen wordt tegemoet gekomen.  Bijna eis ik het.  Met het vorderen van de voorstelling besef ik dat het een moeilijke avond zal worden.  Ik word hard met mijn beide voeten op de grond gesmeten.  Te hoge, weinig realistische verwachtingen kunnen nooit ingelost worden.  Dat kan niet.  Dat bestaat niet.  Het lijkt alsof ik mij moet herprogrammeren.  Alles opnieuw instellen.  Naar de fabrieksinstellingen.  Dat duurt een tijdje.  Dat gaat niet vanzelf.  Alle rondtollende verwachtingen worden gewist.  Eén voor één.  Tot op dat ene punt.  Dat punt van het onbeschreven blad.  Dat beginpunt.  Pas dan ben ik vrij.  Kan ik rustig kijken.  Ongestoord.  Niet vooringenomen.
 
Het is alsof ik kijk naar een wereldkampioenschap voetbal.  De weg naar de finale is moeilijk.  Kent hoogte- en dieptepunten.  Soms is het spartelen.  Hard labeur.  Andere momenten lijkt alles vanzelf te gaan.  De ene keer wordt er verloren.  Lijkt niks te lukken.  De andere keer wordt er gewonnen.  Met glans.  Met de vingers in de neus.  De kwartfinale.  De halve finale.  Om dan uiteindelijk te komen tot de finale.  In die weg naar de finale lijkt alles meer en meer op zijn plaats te vallen.  In het volle besef dat het zo moet.  Dat er geen andere optie is.  In de finale moet er geschitterd worden.  De titel van wereldkampioen moet binnengehaald worden.  Daarom, alle neuzen in dezelfde richting.  Volle overgave, dat is de enige en juiste instelling.  Schitteren in de finale, dat is wat moet gebeuren.  Om die begeerde titel naar huis te brengen.
 
Die vergelijking met het wereldkampioenschap viel mij niet meteen in.  Dat gebeurde pas na de voorstelling.  Op weg naar huis.  Op de fiets.  Fietsen maakt het hoofd leeg.  Filtert alle ballast weg.  Zet alles scherp.  Plots zag ik alles helder.  Klaar en duidelijk.  Een beetje zoals de apostel Paulus.  Die op weg naar Damascus het licht zag.  Zo gebeurde ook met mij.  Ik zag niet het licht.  Wel begrip en duidelijkheid.
 
Ik spoelde de voorstelling terug.  Ik keerde terug naar die grandioze apotheose.  Die megabangelijke finale.  Naar die schitterende eindchoreografie.  Grappig lijkt het.  Ontroerend is het.  In een wervelende dans neemt Wim Opbrouck afscheid.  Van het leven.  Zowel van het eigenlijke leven als van zijn leven als trombonespeler.  Voor hem is het voorbij.  Over en uit.  Hij draagt zijn rol over.  De opvolging is verzekerd.  Een plaatsvervanger is gevonden.
 
Ik spoel verder terug.  Blijf stilstaan bij de hoogtepunten.  Een liefdesverklaring aan de trombonespeler.  Gebracht door één van de majorettes.  Het opbiechten van Wim Opbrouck.  Dat hij ongeneeslijk ziek is.  Kanker heeft.  Het vraaggesprek met leden van de fanfare.  Waarin Wim Opbrouck een kleine rondvraag doet naar het eigenlijke beroep van enkele leden.  Het verward zoeken naar een verklaring voor de ziekte.  Het onbegrip voor de ziekte.  In allerlei talen geuit.  Als symbool voor de verwarring.  
 
Elke keer als de Leiezonen op het podium staan, blijf ik stilstaan.  Om te luisteren.  Om te kijken.  Want de fanfare brengt niet enkel de soundtrack bij de voorstelling.  Die fanfare is net zo de hoofdrolspeler.  Op meer dan schitterende wijze ontroert de fanfare.  Elke keer weer.  Zonder enige uitzondering.  De fanfare, het is niet zomaar een hobby.  Niet zomaar een tijdverdrijf.  De fanfare, dit is meesterlijk magistraal.  De muziek brengt mij telkens weer terug.  Elke keer als ik het contact lijk te verliezen.  Elke keer als ik de aansluiting met de voorstelling lijk te verliezen, grijpt de muziek mij bij de hand en brengt mij terug.
 
Ik spoel verder terug.  Kom bij het begin van de voorstelling.  Om het dan eindelijk te begrijpen.  Heel de voorstelling lijkt op een repetitie.  Een repetitie voor het grote concert.  Via een proces van vallen en opstaan komt men tot het eigenlijke werk.  Tot het eindresultaat.  Het eindresultaat, waarin alles op zijn uiteindelijke plaats valt.  Pas met het terugspoelen snap ik het.  De fanfare is een excuus.  Slechts een handig middeltje om ons te tonen wat het eigenlijke leven is.  Want daarover gaat deze voorstelling uiteindelijk.  Over het leven.  Het grote leven.  Want net als een repetitie is ook het leven een proces van vallen en opstaan.  Een aaneenschakeling van hoogte- en dieptepunten.  Waarbij de hoogtepunten herinnerd worden.  Waarbij uit de dieptepunten geleerd wordt.  ‘En avant, marche’, dat is het leven.  Het echte leven.  Met de blutsen en de builen.
 
Kwam de voorstelling tegemoet aan mijn verwachtingen? Neen, helemaal niet.  Dan toch maar snel vergeten? Neen, helemaal niet.  Zeker gaan zien.  Want wat overblijft na de voorstelling is een warm en intens gevoel.  Een warm en intens gevoel dat lang blijft nazinderen.  ‘En avant, marche’ blijft hangen in het hoofd.  Omdat het wil begrepen worden.  Omdat het moet begrepen worden.  Pas bij het terugspoelen kwam ik tot de schoonheid van de voorstelling.  Want die schoonheid is er.  Vaak en veel.  Maar het vraagt een inspanning die te ontdekken.  Ik heb mij ingespannen.  Ik heb ontdekt.  Wat? Een heerlijk, sprankelend en uitdagend theater.
 
Dank.  Dank.  Dank.
 
Met vriendelijke groeten.
 
Speellijst:
 
Trailer:

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen