vrijdag 27 februari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 19: Cuzco - Machu Picchu - Aguas Calientes.

Vandaag wacht ons de grootste uitdaging.  Vandaag beginnen wij aan de Incatrail.  Daarvoor moeten wij vroeg uit de veren.  Bijzonder vroeg.  Wij leven dan misschien op het ritme van de vakantie maar toch is die wekker nooit ver weg.  Om half zes in de morgen stond het busje aan ons hotel.  Om ons naar het station van Ollantaytambo te brengen.  Dat station is niet echt bij de deur.  Van Cusco naar Ollantaytambo is het toch al snel twee uur rijden.  In Ollantaytambo stappen wij dan de trein op.  Niet de Hiram Bingham Luxury Train.  Dat was een optie.  Een te dure optie weliswaar.  Wij kiezen voor de meer economische optie.  Ondanks die keuze rijden wij niet in een aftandse trein.  Neen, zelfs met die economische optie hebben wij het gevoel in stijl te reizen.  
 
Wij reizen doorheen een prachtig landschap.  De panoramische dakvensters bieden ons een mooi uitzicht op de ons omringende bergen.  Hoge bergen.  Hogere bergen.  Nog hogere bergen.  Toch kan ik niet optimaal genieten van al dat moois.  Het voorbereidende gesprek met de gids heeft mij niet echt gerustgesteld.  Integendeel, het heeft mij onrustig gemaakt.  Het uitzicht op die bergen maakt mij vandaag nog onrustiger.  Ik wordt stilletjes.  Ik tracht mijn angsten te verdrijven.  Ik vlucht in flauwe grapjes.  Ik tracht wat te eten.  Dat lukt wonderwel.  De angst snoert mijn keel net niet dicht.  Ik kan mijn eten nog wegslikken.
 
De trein stopt.  Wij zijn aan kilometerpaal 104.  Die paal duidt het begin aan van de tweedaagse Incatrail.  Daarvoor hebben wij gekozen.  Wij moeten de trein uit.  Ik sta naast de trein.  De trein, die stilletjes wegrijdt.  Wegvluchten kan niet meer.  Of toch.  De gids biedt ons een alternatief indien het toch niet zou lukken.  Gewoon terugkeren op onze stappen en het treinspoor volgen tot in Aguas Calientes.  Zou dat een grapje zijn? Of zou het toch gemeend zijn? Ik besluit die woorden te interpreteren als een grap.  Een flauwe grap.  Ik lach groen.
 
 
Eerst nog even passeren aan een checkpoint, gelegen aan de historische site Chachabamba.  Hier moeten de nodige stempels gezet worden.  Hier moet gecontroleerd worden of ik wel ingeschreven staat op de lijst.  Geen inschrijving, geen toegang.  Zo werkt het hier.  Maar voor mij is alles in orde.  Ik mag door.  Vanaf nu ben ik geen toerist meer.  Vanaf nu vervel ik tot trekker.  Een andere hoedanigheid.  Een andere rol.
 
Heel kort lopen wij rond in Chachabamba.  In het kort schetst de gids het belang van deze plek.  Ik luister wel maar de data worden niet opgeslagen.  Het ene oor in, het andere uit.  Zo gaat het.  Ik wil dat pad op.  Ik wil starten.  Kijken wat het is.  Kijken wat het zal worden.  Dat is wat ik wil.  Ik wil die onrust in mij blussen.  Stilleggen.  Dat kan enkel maar door die Incatrail aan te vatten.
 
Chachabamba
 
Wij gaan het pad op.  Een zes kilometer lange klim, zoals de gids ons had beloofd.  Het pad is smal.  Naast mij grijnst de afgrond.  Maar toch slaag ik er in mijn hoogtevrees onder controle te houden.  Ik blijf stappen.  Mijn voeten blokkeren niet.  Het angstzweet staat niet in mijn handen.  Wat ik niet verwacht had, doe ik toch.  Ik kijk om mij heen.  Dat kan ook niet anders.  Al te zeer word ik verleid door prachtige uitzichten en vergezichten.  Zelfs met hoogtevrees is het onmogelijk niet van deze pracht te genieten.  Ik keer mij niet naar de bergwand.  Ik kijk die schoonheid recht in de ogen.  Natuurpracht kan ontroeren.  Stilte ook.  Op dit pad zijn wij alleen.  Met uitzondering dan van twee Amerikaanse trekkers met hun gids.  Ook zij stapten uit bij kilometerpaal 104.  Maar hen hebben wij reeds ver achter ons gelaten.  Een beetje competitie moet er toch zijn.  
 
 
De onrust valt van mij af.  Met elke stap glijdt die aanvankelijke onzekerheid van mij af.  Ik ben geen bange jongen meer.  Zelfzekerheid komt in de plaats.  Een ervaren bergwandelaar, zo lijk ik wel.  Zo voel ik mij.  Ik kijk rondom mij heen en zie dat het goed is.  Dit mag eeuwig blijven duren.  Terugkeren is geen optie meer.  Ik wil vooruit.  Hoger en hoger.
 
Af en toe houden wij halt.  Onze conditie is optimaal.  Daarover bestaat nu geen enkele twijfel meer.  Wij houden een constant en mooi tempo aan.  Maar af toe moet er gegeten worden.  Moet er gedronken worden.  Jawel, heel af en toe moet er gerust worden.  Dat vraagt die hoogte.  Op die hoogte is haast en spoed zelden goed.  De gids had ons vóór vertrek aangeraden goed naar ons lichaam te luisteren.  Dat doen wij.  Onze ademhaling bepaalt ons ritme.  Een te snelle ademhaling doet ons temporiseren.  Een rustige ademhaling doet ons doorstappen.  Zo gaat het.  Op en af.  Af en aan.
 
Aan alle mooie liedjes komt een eind.  Dan heb ik het niet over de mij omringende schoonheid.  Die is eeuwigdurend.  Die verlaat ons nooit.  Ik heb het over mijn zelfzekerheid.  Mijn hervonden moed.  Die blijkt maar een dun laagje te zijn.  Een laagje, dat vlot afbrokkelt in het oog van denkbeeldig gevaar.  Dat ervaar ik bij Winay Wayna.  Op die historische site krijgt mijn zelfzekerheid een flinke deuk.
 

Winay Wayna
 
Aangekomen in Winay Wayna gaat het aanvankelijk goed.  Wij nemen tijd voor ons middageten.  Een heerlijke picknick met uitzicht op de mooie vallei en de bergen.  Hier kan niks tegenop.  Zelfs geen driesterrenrestaurant.  Een gewoon boterhammetje op deze plek smaakt zo veel beter.  Terwijl wij eten, kijken wij rondom ons.  Rondom ons ligt het kleine Machu Picchu.  Want zo wordt Winay Wayna ook wel genoemd.  Een kleine kopie van die wereldberoemde broer.  Deze plek kent eenzelfde indeling: een landbouwgebied met terrassen, een religieus gedeelte en het woongedeelte.  Alles doet vermoeden dat deze plek een belangrijke stad was voor de Inca’s.  
 
De naam van deze plek dateert evenwel niet uit de tijd van de Inca’s.  Die naam werd aan deze site gegeven door de Peruaanse archeoloog Julio C. Tello.  Winay Wayna staat voor ‘eeuwig jong’.  Dat is wat het betekent.  Dat is hoe ik mij voel op deze hoogte.  Op deze plek.  In deze omgeving.
 
Niks herinnert mij nog aan dat eeuwig jong zijn als ik begin aan de trappen, die naast de terrassen lopen en ons naar de hoger gelegen delen brengen.  Op die trappen kijk ik de afgrond in.  Ik sta op slechts een smalle trede.  Het voelt alsof het draait in mijn hoofd.  Het voelt alsof ik wankel op mijn voeten.  Net alsof ik dronken ben.  Maar ik heb niks gedronken.  Ik ben nuchter.  Wat ik nu ervaar, is te wijten aan mijn hoogtevrees.  Die hoogtevrees krijgt mij nu in zijn greep.  Lang lag die vrees te wachten.  Te sluimeren.  Nu slaat die vrees toe.  Ik wil weg van die treden.  Weg van die trap.  Meer ruimte, dat is wat ik wil.  Ik storm naar boven.  Zo snel mogelijk wil ik die trap achter de rug hebben.  Ik sluit mij af.  Alsof de buitenwereld niet meer bestaat.  Enkel die volgende trap, dat is het enige wat telt.
 
Ik heb het gehaald.  Ik sta op het bovenste terras.  Ik ben opnieuw op het pad.  Op dit pad voel ik mij wonderwel thuis.  Hier geen angst voor de afgronden meer.  Hier stap ik zelfzeker.  Alsof ik in de Gentse Veldstraat loop te shoppen.  Ik loop.  Ik spring.  Ik huppel.  Ik ben opnieuw mijn gewone zelf.  Die benauwende trappen ben ik al vergeten.  Wij zijn alweer op weg.  Het lastigste deel ligt nu achter ons.  Nu is het relatief makkelijk.  Zachtjes op en neer.  Geen continu klimmen meer.
 
 
Het begint te regenen.  Wolken dalen in.  Dat samenspel creëert een eigen sfeertje.  Even denk ik door Jurassic Park te wandelen.  Beducht voor mogelijke dinosaurussen stap ik vlug elke bocht om.  Peruanen geloven in buitenaardse wezens.  Waarom dan geen dinosaurussen? In dit land zou het kunnen.  Met die vreemde gedachte in mijn hoofd stap ik door.  Tot aan die trap.  Die laatste trap.  Vijftig treden moeten ons naar Intipunku brengen.  Aan de Zonnepoort hebben wij een prachtig uitzicht op Machu Picchu.  Aan die poort zullen wij een eerste keer dat wereldwonder kunnen aanschouwen.  
 
Maar eerst die verdomde trappen op.  Ik adem diep in.  Spreek mijzelf moed in.  Dan omhoog.  Niet achterom kijken.  Ik kruip de trappen op.  Op handen en voeten.  Klamp mij vast aan elke steen.  Laat mij niet afleiden.  Ik ben gefocust.  Boven aan de top sla ik een zucht.  Van verluchting.  Ook van verwondering.  Want vanop die top heb ik het prachtigste uitzicht, dat ik ooit heb mogen ervaren.  Mijn ervaringen beschrijven? Dat kan ik niet.  In die taak kan ik enkel tekortschieten.  Mijn woordenschat is hiervoor te beperkt.  Nobelprijswinnaars in de Literatuur zouden het wel kunnen.  Zonder enige twijfel.  Ik niet.  Mijn excuses daarvoor.  Ik kan u enkel vragen die ene foto voor de geest te halen.  Die ene, wereldberoemde foto van Machu Picchu.  Bij die foto kan ik u enkel vragen te dromen.  Te dagdromen.  Die heerlijke dagdromen, dat is wat ik hier live mag ervaren.  Een unieke en ontroerende gewaarwording.  Tranen springen net niet in mijn ogen.  Ik heb het gehaald.  Die wetenschap in combinatie met dat prachtige uitzicht doet een mens bijna breken.  Ik hou mij sterk.  In het aanschijn van deze historische plek wil ik niet uitgemaakt worden voor watje.
 


Machu Picchu
 
Wij dalen af.  Naar Machu Picchu.  Wij gaan nog niet binnen.  Dat is voor morgen.  Vandaag mogen wij enkel even proeven.  Degusteren.  Om morgen ten volle te smullen.  Terwijl wij langs Machu Picchu wandelen spelen de wolken een eigenaardig spelletje.  Het lijkt alsof Machu Picchu verstoppertje speelt met ons.  Dan eens in de wolken.  Dan weer uit de wolken.  Dat grauwgrijze schouwspel is fantastisch.  Maar morgen hopen wij op een aanwezig zonnetje.  Die moet van de partij zijn.  Omwille van het contrast.  Machu Picchu, verslonden door de wolken.  Machu Picchu, badend in de zon.
 
Machu Picchu
 
Wij overnachten in Aguas Calientes.  Een dorpje van en voor toeristen.  Hotels, restaurants, winkels en markten.  Dat lijkt het enige te zijn.  Meer valt hier niet te beleven.  Rustig wandelen in dit dorpje is geen optie.  Elke uitbater van een restaurant roept u naar binnen.  Met ‘the best offer’.  Met ‘the best price’.  Met ‘the best food’.  Elkeen heeft zo zijn verkoopargument.  Wat een tegenstelling, denk ik dan.  Deze morgen absolute stilte, volkomen rust.  Deze avond hectische chaos, luid rumoer.
 
Morgen gaan wij opnieuw naar boven.  Opnieuw naar Machu Picchu.  Nu gaan wij slapen.  Maar eigenlijk willen wij dat niet.  Wij willen de bergen op.  Toch is een beetje slaap echt wel nodig.  Om onze batterijen op te laden.  Vandaag zijn wij diep gegaan.  Die krachtinspanning voel ik aan mijn lijf.  Zindert na in mijn knieën.  Die doen pijn.  Die vragen rust.  Daarom toch gaan slapen.  Diep en kort.

Volgende aflevering (dag 20) op maandag 02/03.
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen