maandag 12 januari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 9: Coporaque - Puno.

Deze morgen word ik wakker met dat ene liedje in mijn hoofd: El Condor Pasa van Simon and Garfunkel.  Wat ik ook doe, het blijft in mijn hoofd hangen.  Telkens opnieuw begin ik het te neuriën.  Niet omdat ik aan mijn KSA-vakantiekamp terugdenk.  Het zou nochtans kunnen.  Want toen was dat één van de hits aan het kampvuur.  Toch zijn die jeugdherinneringen niet de reden.  Vandaag gaan wij condors zien.  In de Colca Canyon.  Dat is de reden.  Wij gaan naar het hoogste punt van de kloof, La Cruz del Condor.  Daar moet het gebeuren.  Daar moeten wij de grootste vliegende vogel ter wereld ontmoeten.  Voor die ontmoeting moeten wij wel vroeg uit de veren.  Om 4.30 uur.  Vogels hebben geen uurwerk.  Bijgevolg hebben zij lak aan uren.  Zij laten zich leiden door de natuur.  Het spel van de natuur regeert hun ritme.  Wij kunnen ons enkel aanpassen.  Wij wanen ons heersers maar heel soms moeten wij de duimen leggen.  
 


Colca Canyon
 
Pas in 1921 werd dit gebied ontdekt en in kaart gebracht door twee Amerikanen.  In nog geen honderd jaar is dit gebied uitgegroeid tot een oord van en voor massatoerisme.  Dat hoeft niet te verbazen.  Colca Canyon is in Peru de derde meest bezochte toeristische site.  Dat merken wij al snel.  Wij zijn niet alleen.  Bijna in colonne rijden wij naar onze bestemming.  Daar aangekomen stellen wij vast dat heel wat toeristen al klaar staan om condors te spotten.  Wij voegen ons in de rij.  Op zoek naar de beste plaats.
 
Maar wat is die beste plaats? Dat valt niet te zeggen.  De beste plaats is die plaats waar condors te spotten vallen.  Maar dat is niet vooraf te bepalen.  Het blijft een gok waar ons te stellen.  Een wilde gok.  Aan de rand van de kloof wringen wij ons tussen het volk.  Het vele volk.  Wij kijken en hopen.  Hopen dat wij één van die prachtige, grote vogels kunnen zien.  Wij wachten.  Wachten.  Wachten.  Wij blijven wachten.  Wij geven niet op.  Wij blijven waakzaam.  Die waakzaamheid wordt beloond.  Of toch een beetje.  In de verte kunnen wij drie condors zien.  Maar wij willen meer.  In onze dromen konden wij die vogels aanraken.  Dat is wat wij willen.
 
Maar het zal niet gebeuren.  Toch niet vandaag.  Een beetje teleurgesteld keren wij terug naar de bus.  Wij vertrekken niet onmiddellijk.  Aan de bus blijven wij nog een beetje hangen.  Wat napraten, zoals dat heet.  Dan gebeurt het.  Dan gebeurt datgene waarvoor wij gekomen zijn.  Plots duikt een condor op.  Boven onze hoofden.  Die vogel lijkt alle tijd te hebben.  Cirkelt lange tijd rond.  Alsof hij ons wil danken voor onze komst.  Alsof hij ons wil belonen voor onze komst.  De fotocamera’s, die wij al weggeborgen hadden, worden snel weer bovengehaald.  Want dit vliegende fotomodel willen wij op foto vastleggen.  Niet één maal.  Maar vele malen.  Het klikken van de camera’s lijkt bijna niet te stoppen.  Iedereen doet maar door.  Tot hij voorgoed weg is.  Op weg naar andere blij te maken toeristen.
 

Teleurstelling slaat om in euforie.  Het wisselen van stemmingen kan snel gaan.  Dat hebben wij hier kunnen vaststellen.  Enkel nog lachende gezichten.  Let op, wij zijn geen verwaande toeristen.  Eén condor beslist niet over het welslagen van onze reis.  Net zoals één zwaluw de lente niet maakt.  Meer en andere factoren hebben een invloed op de reis.  Dat erkennen wij.  Dat weten wij.  Toch zijn wij blij met die ene condor.  Bijzonder blij.
 
Wij stappen de bus op.  Wij keren terug.  Op weg naar Puno.  Wij moeten opnieuw de Patapampa-pas over.  Net als gisteren.  Maar deze keer houden wij geen halt.  Wij stoppen niet om vulkanen te kijken.  Geen fotootje als bewijs dat wij op het hoogste punt waren.  Dat hebben wij al gedaan.  Nu razen wij voort.  Het lijkt wel alsof alles went.  Hier hebben wij al gestaan.  Wij hebben alles al gezien.  Daarom, vooruit met de geit, dat lijken wij te denken.  Maar dat is het niet.  Wij hebben een afspraak met Puno.  Afspraken moeten nagekomen worden.  Zelfs op reis.  
 
Net één condor gezien en wij gaan op zoek naar alweer een nieuw diertje.  Wij zitten op de bus.  Een mens moet toch iets doen om zijn tijd nuttig te besteden.  Wij zoeken de Andesflamingo.  Deze flamingo houdt zijn residentie in Reserva Nacional de Salinas y Aguada Blanca.  Maar deze keer vergaat het ons slechter.  Geen troostprijs op het allerlaatste moment zoals bij La Cruz del Condor.  Wij kijken intens.  Wij speuren grondig.  In de hoop luid te kunnen juichen.  Maar die juichende kreten komen niet.  De Andesflamingo zien wij niet.  Een simpele les leren wij.  Dat de natuur niet kan gedwongen worden.  Die natuur kan men niet naar zijn hand zetten.  Of toch niet helemaal.  Heel vaak ontglipt de natuur aan de leidende hand van de mens.  Dat kan een troost heten.  Weten dat de almacht van de mens toch begrensd kan worden.  Dat leert ons de condor.  Dat leert ons de Andesflamingo.  In afwezigheid of bijna afwezigheid schuilen wijze lessen.
 
Reserva Nacional de Salinas y Aguada Blanca
 
Wij komen aan in Puno.  Na Lima en Arequipa is dit een lichte teleurstelling.  De buitenwijken van de stad zijn vuil.  Verwaarloosd.  Niks doet vermoeden dat Puno ooit één van de rijkste steden van het continent was in de koloniale periode.  Die rijkdom had de stad te danken aan de vele zilvermijnen in de omgeving.  Van die rijkdom blijft niet veel meer overeind.  Alle glitter en glamour lijkt vergaan.  Toch tracht het centrum van de stad dat verlies enigszins te compenseren.  Aan een verzorgd en net Plaza de Armas staat de achttiende-eeuwse kathedraal, een combinatie van Spaanse barok en elementen uit de Andes.  Die kathedraal laat een vermoeden van enig historisch belang over de markt waaien.  Laat vermoeden dat Puno ooit welvarend moet geweest zijn.  
 
Niet enkel het marktplein geeft een schijn van heropleving.  Een snelle, onderzoekende blik laat zien dat er volop wordt gerenoveerd.  Hoop schemert door.  Niet alles lijkt verloren.  Om het met de woorden van Wilfried Martens te zeggen: er schijnt licht aan het eind van de tunnel.  Er kan gediscussieerd worden over de felheid van dat licht maar er brandt licht.  Dat is al een begin.  Volhouden, dat is wat Puno moet doen.  Net zoals Wilfried Martens ons vroeg te doen.
 
Behalve die renovatieprojecten springen ook andere dingen in het oog.  In het straatbeeld valt mij het hoge aantal politieagenten op.  Hoe meer politieagenten, hoe groter de onveiligheid.  Het een voedt het ander.  Nooit had ik enig onveiligheidsgevoel in Peru maar hier lijkt het anders.  Het blauw op straat lijkt die indruk te bevestigen.  Maar is het een juiste indruk? Voedt die sterke, politionele aanwezigheid het subjectief gevoel van onveiligheid? Ik zou het durven denken.  ’s Avonds loop ik in die ene verkeersvrije winkelstraat.  Op geen enkel moment voel ik mij onveilig.  Nooit hoef ik over mijn schouders te kijken.  Nooit voel ik mij bedreigd.  Dit is een stad.  Zoals zovele andere.  
 
De kennismaking met Puno verliep niet vlotjes.  De eerste indruk was niet positief te noemen.  Die eerste indruk deed mij zelfs wegkijken van Puno.  Maar nooit mag men zich verlaten op een eerste indruk.  Eerste indrukken zijn meestal fout.  Zoals dat ook het geval is met Puno.  Een verdere kennismaking met Puno doet mij bijdraaien.  Puno heeft zijn eigen, aparte charme.  Die pas te ontdekken is als men zich kan ontdoen van die eerste indruk.  Ik ben daarin geslaagd.  Puno zal ik niet meteen mijn favoriete stad noemen maar ik zal die stad zeker niet mijn rug toekeren.
 
Liedje:
 
 
Volgende aflevering (dag 10) op woensdag 14/01.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen