woensdag 7 januari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 8: Arequipa - Coporaque.

Arequipa verlaten zonder het Monasterio de Santa Catalina te zien? Dat kan niet.  Dat mag niet.  Voor een toerist zou het doodzonde zijn.  Een onvergeeflijke fout.  Ik wil geen fouten maken.  Ik wil niet dat mij fouten worden aangewreven.  Daarom ben ik gisterenmiddag gegaan.  Om mij niet te laten ontmaskeren als mislukt toerist.  Als cultuurbarbaar.  Onterecht beschuldigd worden van allerlei lelijke dingen, dat wil ik vermijden.  Zelfs op reis waak ik over mijn imago.  Zelfs op reis wens ik mogelijke imagoschade te voorkomen.  IJdel? Jawel, toch een beetje.
 
Het klooster vormt een stad binnen de stad.  Dat dit klooster met een oppervlakte van bijna twintigduizend vierkante meter het grootste ter wereld is, hoeft niet te verbazen.  Verdwalen in de diverse straatjes, genoemd naar Spaanse steden, is een reële mogelijkheid.  Daarvoor hoeven we niet echt ons best te doen.  Alert blijven lijkt aangewezen.  Een kaartje kan handig zijn.
 
Het klooster werd gesticht in 1580.  Het kloosterleven stellen wij gelijk aan een leven in soberheid.  Een leven, gewijd aan onthechting en bezinning.  Maar zo was het niet in den beginne.  De jaren tot 1871 vertellen ons een ander verhaal.  Dochters van de meest vooraanstaande families traden binnen in het klooster.  Om een toegangsticket tot het klooster te bemachtigen, diende de familie een bruidsschat te betalen.  Enkel rijkere families konden die bruidsschat betalen.  Binnen de kloostermuren deden deze zusters geen afstand van hun hang naar rijkdom en weelde.  Dat rijkeluisleventje, waaraan zij gewend waren, werd binnen de muren gewoon verdergezet.  De zusters hadden elk hun eigen appartementje, volgens eigen smaak ingericht.  Zij konden beschikken over dienstpersoneel en slavinnen.  Zij organiseerden feestjes.  Jawel, zelfs de nieuwste mode was hen niet onbekend.  Wij kunnen de zusters niet beschuldigen van losbandigheid.  Maar van een strikt kloosterleven was helemaal geen sprake.  Dat moet ook paus Pius IX gedacht hebben.  Hem kwamen al die verhalen van luxueuze weldaad ter ore.  Hij moest ingrijpen.  Om de zusters opnieuw op het juiste spoor te zetten.  De maatregelen waren behoorlijk ingrijpend voor de aanwezige nonnen.  Veel van de rijke nonnen werden aan de deur gezet.  Aan het dienstpersoneel en de slavinnen werd de keuze gelaten als non te blijven of te vertrekken.  Appartementen werden gesloten en werden sindsdien enkel gebruikt als stapelplaats.  Soberheid werd eindelijk realiteit.  Veel ruimtes zoals keuken, eetzaal en slaapkamer werden gemeenschappelijk.  
 


Monasterio de Santa Catalina
 
Ondanks die ingrijpende wijzigingen van het huisreglement bleef het klooster toch een grote aantrekkingskracht uitoefenen op de vrouwen uit de regio.  Binnen de kloostermuren kregen de nonnen een degelijke opleiding.  Zij leerden lezen en schrijven.  Een heel verschil met het leven van een vrouw buiten de muren.  Buiten de muren was de enige carrièremogelijkheid die van huismoeder en echtgenote.  Zwijgen, luisteren en gewillig ja knikken, dat was kort samengevat het leven van de vrouw aan de zijde van haar echtgenoot.  Echt uitdagend kan een dergelijk leven niet genoemd worden.  Daartegenover leek het leven als non een heerlijk alternatief.
 
Jonge meisjes, vanaf vijf jaar, kregen binnen de kloostermuren een opleiding.  Nonnen traden hierbij op als lesgeefster.  Op de leeftijd van twaalf jaar konden de kinderen kiezen.  Ofwel kozen zij non te worden, ofwel kozen zij er voor door hun ouders uitgehuwelijkt te worden.  Indien zij beslisten non te worden, begon een opleiding van vier jaar, het zogenaamde noviciaat.  Aan het einde van die proeftijd werd aan de kandidaat-nonnen die ene vraag gesteld.  Aan hen werd gevraagd of zij vastbesloten waren non te worden.  Dit was eigenlijk een vraag voor de schone schijn.  Een retorische vraag.  Een vraag, waarop nauwelijks neen kon geantwoord worden.  Omwille van de sociale druk.  Want die was hoog.  Bijzonder hoog.  In die dagen stond het ambt van kloosterzuster nog in hoog aanzien.  Het straalde af op de hele familie.  Vandaag wordt het eerder beschouwd als een teken van wereldvreemdheid.  Het kan verkeren.  Althans, dat zei Bredero.
 
Het monasterio de Santa Catalina, dat was gisteren.  Wij keren terug naar vandaag.  Wij moeten vroeg op.  Om 7.30 uur nemen wij de bus.  Vandaag wordt een dagje, waarvoor velen vrezen.  Wij gaan de hoogte in.  Wij rijden over de Patapampa pas naar de Colca vallei.  Om dat te doen, moeten wij over het hoogste punt van de hele reis.  Dat hoogste punt ligt op bijna vijfduizend meter.  Hiervoor werd uitvoerig gewaarschuwd.  Als de gevreesde hoogteziekte de kop zou opsteken, zou het wel eens vandaag kunnen worden.
 
Wij beginnen de dag met een stevig ontbijt.  Niet uit goesting, wel uit noodzaak.  Een uitvoerig ontbijt is één van de wapenen tegen de hoogteziekte.  Ik wil die ziekte ver van mij weghouden.  De broodjes gaan dan ook vlot binnen.  Bij het ontbijt begin ik ook al stevig te drinken.  Dat moet.  Toch als wij geloof hechten aan die stelling dat één liter water moet gedronken worden per duizend meter hoogte.  Omgerekend naar vandaag zullen wij vijf liter water of andere niet-alcoholische drankjes tot ons moeten nemen.  Eten en drinken, het is een dagelijkse noodzaak.  Maar nu is het dat nog meer dan anders.
 
Tijdens de rit zullen wij nog andere middeltjes uitproberen tegen de hoogteziekte.  Alles of toch bijna alles zullen wij doen vanuit die aloude zegswijze: baat het niet, dan schaadt het niet.  Op die rit beginnen wij met het kauwen van cocabladeren.  Deze zijn vrij verkrijgbaar in de handel.  Voor het aankopen hoeft u zich niet in de illegaliteit te begeven.  Geen halsbrekende toeren of waaghalzerij voor enkele bladeren.  Enkel een winkeltje binnenstappen.  Dat volstaat.
Ongeveer acht cocabladeren worden tot een spekje gerold.  In dat spekje wordt een katalysator gewikkeld.  Dat is bedoeld om die bittere smaak van coca enigszins te milderen.  De katalysator wordt ondermeer gemaakt van gedroogde bananen.  Het cocapakje met katalysator wordt in de mond tussen tanden en kaken geplaatst.  Daar laten wij het een tijdje zodat het pakje kan weken.  Vervolgens laten wij het pakje doorheen de mond rollen en kauwen wij af en toe eens.  Coca kan helemaal geen kwaad.  Toch niet in deze geringe dosis.  Wij gaan niet hallucineren.  Wij gaan niet trippen.  Wij zien geen roze olifanten.  Wij hebben geen last van beestjes, die over ons heen lopen.  Geen enkele van die vervelende neveneffecten ervaren wij bij het kauwen van die bladeren.  Als er dan toch iets zou zijn, is het misschien die lichte gevoelloosheid van de tong en kaken.  Alsof wij net terug zijn van een bezoekje aan de tandarts.
 
Een ander middeltje is de yoga-ademhaling.  Dat wordt ons aangebracht door onze reisbegeleidster.  Tot voor deze reis had ik hiervan nog nooit gehoord.  Ik ben niet echt een yoga-type.  Stilte en innerlijke rust, vaak verlang ik er naar maar bijna nooit bereik ik dat stadium.  Mijn gebrek aan kennis weerhoudt mij niet deze vorm van ademhaling toch eens uit te proberen.  Alweer vanuit mijn vastbesloten wil de hoogteziekte voor mij uit te drijven.  Ik adem via de neus drie tellen in, houdt mijn adem drie tellen binnen om dan via de mond in drie tellen uit te ademen.  Of het helpt? Ik weet het niet.  Toch doe ik het.  Ik ben een volgzame jongen.
 
Ik ben nog jong.  Althans dat geloof ik toch.  Vrij gemakkelijk zelfs.  Ik ben nog sportief.  Ook dat geloof ik alweer vrij gemakkelijk.  Een jong en sportief iemand moet toch gevrijwaard blijven van hoogteziekte.  Dat zou ik kunnen denken.  Maar zo werkt het niet.  Hoogteziekte is één van de meest democratische ziekten.  Het maakt geen onderscheid.  Man of vrouw, jong of oud, sportief of niet, hartlijder of niet, het maakt niet uit.  Iedereen kan geveld worden.  Maar aan het eind van de dag zal ik kunnen vaststellen dat ik gevrijwaard bleef.  Ik heb niet moeten kotsen.  Ik heb geen last gehad van maag- en/of hoofdpijn.  Ik was niet duizelig of draaierig.  Neen, ik bleef gezond.  Ik bleef fit.  De hoogteziekte kreeg mij niet in zijn greep.  Opgelucht haal ik adem.  Want ziek zijn op reis, het is niet onmiddellijk mijn ideaalbeeld van een geslaagde vakantie.
 
 
 
Tijdens de busrit rijden wij doorheen Reserva Nacional Salinas y Aguada Blanca.  Een hele mond vol om aan te geven dat het hier een reservaat betreft.  Ondanks die ronkende naam vermoed ik dat het leven in deze streken behoorlijk zwaar moet zijn.  Niet onmiddellijk een omgeving waarin men spontaan blij wordt.  De jeugd lijkt het hier niet echt leuk te vinden en trekt weg.  Naar de steden.  Naar die plaatsen waar wordt geleefd.  Hard geleefd.  Jeugd brengt men niet door in eenzaamheid.  Dat moeten die jongeren denken.  Dus, op naar de stad.  Om de ontwikkeling van die dorpen in stand te houden, is men begonnen met het fokken van lama’s, alpaca’s en vicuñas.  De mensen uit die dorpen kunnen zo in hun levensonderhoud voorzien.  Of dit schijnt te lukken? Ik kan het u niet vertellen.  Maar de harde boerenstiel tegenover het bruisende stadsleven plaatsen, mij lijkt het niet echt een keuze.
 
Vicuñas zijn mooie, lieve beestjes.  Maar schoonheid is geen zekerheid.  Schoonheid is geen garantie voor een veilig en lang leven.  Lange tijd werden vicuñas met uitsterven bedreigd.  In 1970 waren er nog maar vijfduizend.  Ter bescherming van die lieve diertjes werden maatregelen genomen.  Zo mag er niet meer gejaagd worden op deze beesten.  Ook de chauffeurs worden aangemaand tot voorzichtigheid.  Want botsingen met auto’s bleken één van de grootste doodsoorzaken bij deze vicuñas.  Wanneer vicuñas nu aangereden worden, moet de chauffeur een boete betalen van drieduizend sol.  Dat is ongeveer zevenhonderd vijftig euro.  Ik kan al denken dat een zo hoog bedrag wel tot enige voorzichtigheid noopt.
 
Bij de lama’s valt het mij op dat die beestjes vaak rode draadjes door de oren dragen.  Dat doen die boeren niet zomaar.  Dat heeft een functie.  Of dat denken die boeren toch.  Zij geloven dat dit kracht en vruchtbaarheid brengt en beschermt tegen ziekten.  Bijgeloof, zo kunnen wij dit noemen.  Zoals een profvoetballer gelooft dat hij bij elke belangrijke wedstrijd dezelfde onderbroek moet dragen.  Zoiets moet het zijn.  Omwille van dat bijgeloof lopen de lama’s te pronken met al dat rood op het hoofd.  IK vind het grappig.  Heel even overweeg ik rode draden door mijn oren te brengen.  Zoals bij de lama’s.  In de hoop op een gezond, lang en krachtig leven.  Maar ik ben een nuchtere jongen.  Geen bijgeloof voor mij.  Zelfs het geloof durf ik af te zweren.  Dat laatste met niet veel overtuiging.  Eerder aarzelend en twijfelend.
 
Lama's met rode oortjes
 
Het landschap is kaal.  Behalve een omschrijving is dit ook een behoorlijk understatement.  Niks of nauwelijks iets lijkt hier te groeien.  Landschapsalopetia, zo zou je het kunnen noemen.  Enkel lage struikjes en wat gras brengen een beetje kleur en enige variatie in het landschap.  Ik waan mij op de maan.  Ik ben er nog niet geweest maar ik durf te denken dat dit landschap grote gelijkenissen vertoont met een maanlandschap.  Zo stel ik mij een maanlandschap voor.  Ik geef toe, heel misschien word ik al te zeer beïnvloed door Star Trek en Battlestar Galactica.  Die televisieseries uit mijn jeugd blijven hangen in mijn hoofd.
 
 
Ik weet dat er mensen zijn die geloven dat de Amerikanen nooit op de maan zijn geland.  Alles zou in scène gezet zijn.  Een mooi toneelstukje.  Dat denken diezelfde mensen.  Als die theorie waar zou zijn, dan kan ik mij voorstellen dat die landing hier zou geënsceneerd zijn.  Dat de topacteur (want een astronaut zou hij dan niet zijn) Neil Armstrong hier die intussen wereldberoemde woorden zou uitspreken.  Een kleine stap voor de mens, een grote stap voor de mensheid.  Aan die woorden moet ik denken als ik de bus uitstap en in vertraagde minibewegingen naar mijn doel toestap.  Alsof ik doorheen het luchtledige stap.  Vanop afstand kan het best een gekke manier van stappen lijken, maar op grote hoogte is dit broodnodig.  Geen bruuske, snelle bewegingen.  Alles weloverwogen.  Alles weldoordacht.  Op grote hoogte is het beter de voorkeur te geven aan rust en bezadigdheid.  
 
Wij hebben een lange busrit achter de rug.  Wij zijn een beetje moe.  Maar toch gaan wij die avond nog naar de warmwaterbronnen.  Die bronnen liggen in de buurt van ons hotel.  Wij kunnen te voet gaan.  Een kleine wandeling van vijfenveertig minuten.  Wij passen voor dit aanbod.  Toch maar weer de bus op.  Op grote hoogte moeten wij ons sparen.  Geen grote inspanningen.  Straks moeten wij klaar zijn voor de Inca-Trail.  Nu willen wij het rustig aan doen.  Net als een topatleet bouw ik zachtjes op naar mijn topniveau.  Naar dat ene moment, waarop ik moet pieken.  Mijn piekmoment.
 
Het water van deze bronnen heeft een oorspronkelijke temperatuur van vijfentachtig graden.  Maar onderweg van de bron naar het bad koelt het water af tot een aangename temperatuur van vijfendertig à veertig graden.  Aangenaam? Zo wordt het omschreven in reisgidsen.  Maar wordt dit ook zo door mij ervaren? Niet echt.  Het water is te heet.  Veel te heet.  Heel zachtjes laat ik mij in bad.  Eens volledig in het water is het bijna onmogelijk te bewegen.  Bij elke beweging voelt het alsof ik levend verbrand.  Ik weet het, een lichte overdrijving maar heel soms moet overdreven worden.  Om het vertelde met kracht en overtuiging over te brengen.
 
Maar alles lijkt te wennen.  Wanneer ik een tweede maal het hete water instap, voelt het nu aangenamer.  Het lijkt zelfs alsof het water minder heet aanvoelt.  Plots kan ik bewegen.  Plots durf ik te bewegen.  Jawel, ik kan en durf zelfs te genieten.  
 
Dat warmwaterbad heeft deugd gedaan.  Het was deugddoend.  Bij dat woord denk ik aan die gids in Turkije.  Deugddoend, dat was zijn woordje.  Zijn favoriete woord, zo leek het wel.  Eén ding is zeker, ik ben klaar voor morgen.  Maar dan moet ik vroeg het bed in.  Morgen moet ik vroeg op.  Om half vijf in de morgen.  Dan kan ik een lange nachtrust best gebruiken.  Daarom dat bed in.  
 
Slaapwel.

Volgende aflevering (dag 9) op maandag 12/01.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen