woensdag 28 januari 2015

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 13: Uyuni.

Vandaag staat de zoutvlakte op het programma.  Volgens sommigen moet dit het hoogtepunt worden van de reis.  Of toch één van de hoogtepunten.  Toch rijden wij niet rechtstreeks de zoutvlakte op.  Wij maken een klein omweggetje.  Hoogtepunten moeten zo lang mogelijk uitgesteld worden.  Zachtjes opbouwen naar een climax, dat is het echte werk.  Het betere werk.
 
Eerst gaan wij naar het kerkhof.  Geen gewoon kerkhof.  Hier rusten oude treinen.  Zij staan te genieten van hun pensioen.  Glimmen doen die treinen niet meer.  Neen, de tijd heeft zijn tol geëist.  Verroeste nostalgie, dat is wat het is.  Een herinnering aan tijden waarin men hoopte Uyuni uit te bouwen tot een belangrijk knooppunt in het Boliviaanse treinverkeer.  Heel even leek het dit te worden.  De aanleg van de spoorweg startte in 1888 en eindigde in 1892.  Maar in de jaren ’40 van de vorige eeuw raakte de spoorweg in verval, samen met de mijnindustrie.  Even werd gedacht aan een openluchtmuseum.  Een museum waarin treinen en locomotieven zouden tentoongesteld worden.  Met het verzamelen werd begonnen.  Vele treinen werden naar Uyuni gebracht.  Het realiseren van het museum bleef evenwel achterwege.  



Het niet realiseren van dat spoormuseum zouden wij kunnen betreuren.  Treinen werden nonchalant overgelaten aan de wisselende weersomstandigheden.  Geen enkel respect voor dit industriële verleden.  Die totale afwezigheid van respect heeft echter iets anders gecreëerd.  In de plaats kwam een heel apart decor.  Een decor van roest en verwrongen ijzer.  Wat kan hiervan de meerwaarde zijn? Wat kan de aantrekkingskracht zijn van een hoopje (of een hele hoop) oud ijzer? Heel wat, dat moeten wij erkennen na ons bezoek.  Er is die speciale interactie tussen die treingeesten en die aparte natuur.  Die interactie werkt.  Met een beetje verbeelding kunnen wij die tijdsgeest van de late negentiende eeuw terughalen.  Musea zijn niet altijd noodzakelijk.  Soms kan fantasie ook het nodige aanbrengen.

 
Dat decor lijkt zich uitstekend te lenen voor fotoshoots.  Dat doen wij.  Lang en uitgebreid.  Wij zoeken de beste locaties.  Gaan op zoek naar de grappigste foto.  Toeristen vervellen tot fotomodellen.  Fotomodellen zonder streken.  
 
Die fotosessie kon eindeloos doorgaan.  Maar het moet stoppen.  Wij moeten voort.  Naar Colchani, onze laatste halte vóór wij de zoutvlakte oprijden.  Hier krijgen wij van een deskundige uitleg over het winnen van zout.  Hij vertelt over de manier waarop het zout verwordt tot dat zout, zoals wij het kennen in onze keukens.  Ik had een ingewikkelde uiteenzetting verwacht.  Een uiteenzetting vol chemische processen, waarbij ik al snel zou moeten afhaken.  Ik moet bekennen, chemie was niet meteen mijn beste vak.  Mijn vrees was gegrond.  Maar die moeilijkheid lijkt al bij al nogal mee te vallen.  Het is zelfs poepsimpel.  Eerst wordt het natte zout, met vrachtwagens aangeleverd vanuit de zoutvlakte, gedroogd op een heet gemaakt platform.  Op dat platform wordt het zout herhaaldelijk gedraaid en gekeerd om het klonteren tegen te gaan.  Het gedroogde zout wordt dan afgekoeld.  Het afgekoelde zout wordt tenslotte in een molentje gemengd met jodium waarna het via een trechtertje wordt opgevangen in een zakje.  Het eindproduct is klaar.  Meer hoeft niet verteld te worden.  Dit is het hele procedé.  Meer heeft het niet om het lijf.
 
Wij hebben lang genoeg gewacht.  Wij zijn voorbeeldig geweest.  Hebben voldoende geduld betracht.  Nu gaan wij op weg naar de climax.  De zoutvlakte.  Wat ik zie, is moeilijk te omschrijven.  Het valt gewoonweg niet te beschrijven.  Want elke beschrijving zou dit schouwspel oneer aandoen.  Elke beschrijving zou te kort schieten.  Wat kan ik dan zeggen? Wit, wit, wit, wit, wit, wit, … Wit, wit, wit, wit, wit, wit,   Dat zou ik eindeloos kunnen herhalen.  Pagina’s lang zou ik dit kunnen aanhouden.  Het zou de grootsheid moeten voorstellen.  Die uitgestrektheid zou ik enkel op die manier kunnen duiden.  Of ik zou er getalletjes kunnen bijhalen.  Die cijfers kunnen ook al iets duidelijk maken.  De zoutvlakte heeft een totale oppervlakte van 13.000 km².  U knippert met de ogen.  U denkt, dat is heel wat.  Maar toch is het niet tastbaar genoeg.  Laat mij nog een poging ondernemen.  De hele zoutvlakte is een derde van België.  Eén derde van het Belgische grondgebied.  Nu wordt het toch iets duidelijker.  Nu kunnen wij er ons iets bij voorstellen.


 
In vier jeeps scheuren wij over die witte zoutvlakte.  In die jeeps hebben wij alles.  Zelfs een kokkin rijdt met ons mee.  Zij heeft alles bij haar.  Alle ingrediënten om een heerlijke maaltijd te bereiden.  Want dat gaan wij doen.  Eten op de zoutvlakte, het is eens iets anders.  Onze chauffeurs speuren naar een uniek plekje.  Maar elk plekje is uniek.  Kiezen is niet moeilijk.  Na een tijdje doorgereden te hebben, houden zij halt.  Hier zullen zij hun restaurant inrichten.  Een pop-up.  Niet voor één maand.  Wel voor één dag.  Een eendagsrestaurant.  De jeeps worden in een u-vorm tegen elkaar gezet.  Middenin komen de tafels en de stoelen.


 
Wij mogen nog niet meteen aan tafel.  Nog even wachten.  Onze kokkin moet nog wat kokerellen.  In die tussentijd vermaken wij ons.  Gekke foto’s worden genomen.  Gekke foto’s, waarbij het optisch bedrog de hoofdrol speelt.  Op één dag twee fotoshoots.  Het modellenwerk heeft geen geheimen meer voor ons.  Gewillig buigen wij ons naar de camera toe.  Spontaan glimlachen wij.  Met het grootste gemak nemen wij de meest verleidelijke poses aan.  De camera is onze vriend.  Onze beste vriend.  Wij stellen de camera niet teleur.  En omgekeerd ook niet.  Vriendschap werkt langs twee kanten.
 
Dan worden wij aan tafel geroepen.  In die verblindend witte uitgestrektheid mogen wij aan tafel.  Deze ervaring is uniek.  De maaltijd mag dan wat gewoontjes zijn, de omstandigheden zijn uitzonderlijk.  De kip smaakt overheerlijk.  Nog nooit was een gewoon kipje zo lekker.  Die uitzonderlijke omstandigheden kruiden de kip.  Wij proeven die omstandigheden in die kip.  Dat alles samen doet ons besluiten dat wij te gast zijn in een driesterrenrestaurant.  Ik besef het, de culinaire recensenten van Michelin zijn hier nog niet gepasseerd.  Zij hebben nog niet op een deskundige wijze hun licht laten schijnen over dit adresje.  Wij hebben dat gedaan in hun plaats.  Voor die ene keer wanen wij ons een professionele criticus.  Ons besluit is kort en eenvoudig.  Een kipje kan in uitstekend gezelschap garant staan voor ontelbare sterren.  Voor niet te tellen koksmutsen.  Kreeft, kaviaar of oesters zijn dan helemaal geen vereiste.  In de zoutvlakte van Uyuni worden wij culinair verwend.  Wij wanen ons de koning te rijk.
 
Wij gaan nog niet naar huis.  Bijlange niet.  Zolang de lepel in de rijstpap staat.  Wij blijven nog even.  Na de maaltijd wordt alles nog wat gekker.  Wij lijken wel gekken.  Gezonde gekken, laat daarover geen misverstand bestaan.  In elke mens moet een zekere dosis gekheid schuilen.  Zonder die noodzakelijke dosis wordt het leven saai.  Kleurloos.  In ons groepje lijkt iedereen wel over een zekere dosis te beschikken.  In dat plotseling ontstane gekkenhuis speelt iedereen zijn rol.  In polonaise stappen wij over de zoutvlakte.  Rondjes draaiend zingen wij liederen.  Uit volle borst.  Vlaamse schlagers, kerkliederen, alle grote hits passeren de revue.  Dit is onvergetelijk.  Dat beseffen wij.  Dat voelen wij.  Daarom worden wij net dat ietsje uitbundiger.  Dat ietsje luidruchtiger.
 
Wij lachen.  Luidop en hard.  Maar dan komt dat varkentje met een lange snuit.  Ons vertellingsken is uit.  Wij moeten voort.  Andere dingen moeten gezien worden.  Wij rijden door naar Isla Incahuasi.  Het cactusseneiland.  Het grote cactusseneiland.  Tot vandaag dachten wij geen last te hebben van hoogteziekte.  Dat lijkt vandaag anders.  Wij hallucineren.  In die cactussen zien wij plots allerlei vormen.  Een marktkraamster.  Een lama.  Een rondborstige vrouw.  De fantasie gaat op de loop met ons.  Wij volgen.  Met alle plezier.  Dat cactusseneiland verwordt eensklaps tot een wassenbeeldenmuseum.  Het lijkt wel of Madame Tussaud hier onlangs is gepasseerd en stekelige wassenbeelden heeft achtergelaten.



 
Wij keren terug naar ons hotel.  Dit hoogtepunt is voorbij.  Voorgoed zit het in onze hoofden.  Opgeslagen om heel af en toe naar terug te grijpen.  Om te herinneren.  Om terug te denken en wederom spontaan te gaan lachen.  Want dit is wat wij zeker weten, deze dag was fantastisch.  Niks valt er op af te dingen.  

 
’s Avonds gaan wij nog snel even naar de lokale markt.  Alles is hier te krijgen.  Wij noemen het, zij hebben het.  Televisies, koelkasten, sloten, messen, truien, souvenirs, dvd’s en cd’s, … Alles wordt hier aangeboden.  Zelfs Llama Sperm.  Dat is wat ik zie en lees wanneer ik passeer aan de Extreme Fun Pub, een bar aan de markt.  Ik weet niet wat het is.  Ik durf het niet te vragen.  Ik vermoed dat het een cocktail is.  In een funnerige pub moet dat kunnen.  In een dergelijke bar verwacht ik wel een barman met een buitenissige hersenkronkel.  Ik probeer die cocktail alleszins niet.  Ik wil gaan slapen met die zoutvlakte in mijn hoofd.  Dat zal mij zoete dromen schenken.  Gaan slapen met Llama Sperm in mijn hoofd zal mij andere kinky dromen schenken.  Die wil ik niet.  Geef mij maar die zoete droom.
 
Volgende aflevering (dag 14) op maandag 02/02.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen