woensdag 31 december 2014

Mijn reisverhaal Peru en Bolivia. Dag 6: Arequipa.

Mañana.  Dat lijkt het ordewoord te zijn van de Peruaan.  Naar dat motto lijkt hij zijn leven in te richten.  Dat motto is absoluut.  Uitzonderingen worden niet gemaakt.  Om 8.00 uur arriveren wij in ons hotel in Arequipa.  Onze kamers zijn pas beschikbaar vanaf 12.00 uur.  Een hotelmanager zou alles in het werk stellen om dit toch enigszins te bespoedigen.  Die hotelmanager zou de tevredenheid van de klant voor ogen houden.  Om diezelfde klant tevreden te houden, zou een snellere beschikbaarheid van de hotelkamer echt wel een pluspunt zijn.  Een Peruaanse hotelmanager lijkt anders te redeneren.  Mañana, ook hotelmanagers lijken in hun handelen dit levensmotto te huldigen.  
 
Wachten, dat is voor ons de enige optie.  Wij kunnen ons in de hotellobby nestelen.  Dat zouden wij kunnen doen.  Lekker languit luieren.  Zalig niks doen.  Wij zouden ook de stad kunnen intrekken.  Dat laatste besluiten wij te doen.  Wij trekken naar de Plaza de Armas.  Wij moeten nog ontbijten.  Dat kunnen wij hier doen.  Vanop het balkon van een restaurant aan het plein kijken wij uit op één van de mooiste plaza’s van Peru.  Althans, dat wordt toch beweerd.  Ik neem het voor waar aan.  De prachtige kathedraal en de koloniale gebouwen lijken deze stelling een grote overtuigingskracht te geven.  Dit plein straalt rust uit.  Ik begin te begrijpen waar Mario Vargas Llosa zijn inspiratie haalt.  Deze Peruaanse schrijver is afkomstig van deze stad.  Deze stad met zijn bewoners moet zijn muze zijn.  Een muze moet gevoed worden.  Ik meen te mogen stellen dat die inspiratiebron in deze stad voldoende voedsel moet vinden.
 
Vanop dat balkon kijk ik uit over Arequipa en bijna spreek ik diezelfde woorden van de Inca Mayta Cápac.  Hij had hier zijn kamp opgeslagen en toen zijn soldaten vroegen of zij hier mochten blijven vanwege de prachtige omgeving, sprak hij die woorden: Ari quepay.  Ja, blijf maar.  Die simpele woorden, uitgesproken in de dertiende eeuw, werden in een later stadium in een min of meer verbasterde vorm de naam van deze stad.
 


Plaza de Armas
 
Koffie met ontbijt op de Plaza de Armas.  Een aangename, eerste kennismaking.  Maar wij willen meer dan enkel een kennismaking.  Wij willen de stad leren kennen.  Daartoe moeten wij de stad intrekken.  Daartoe moeten wij de stad rondtrekken.  Maar eerst een douche.  In onze hotelkamer, die intussen toch tegen 12.00 uur schoongemaakt is.  Wij spoelen onze sufheid weg.  Tien uur op een nachtbus, het kruipt in de kleren.
 
De stad heeft twee toppers: Juanita en het Monasterio de Santa Catalina.  Schoonheid mag niet onmiddellijk verorberd worden.  Schoonheid moet gespreid worden.  Moet heel voorzichtig en zachtjes gesavoureerd worden.  Wij plooien ons naar deze heerlijke levenswijsheid.  Vandaag doen wij Juanita.  Morgen bezoeken wij het Santa Catalina klooster.  Een faire deal, zo lijkt het mij.
 
Juanita resideert in het Museo Santuarios Andinos.  Wij kunnen het eenvoudig houden en rechtstreeks naar dat museum gaan.  Maar dat doen wij niet.  Wij zwerven eerst wat rond.  De stad opsnuiven, dat is wat wij doen.  Wij houden halt aan La Compañia.  Deze kerk bestaat uit verschillende gebouwen en werd gebouwd voor de jezuïeten als onderkomen en als spiritueel centrum.  De spiritualiteit wordt vandaag een klein beetje aangetast door de vele winkels in de kloostergangen.  Toch is dit een aangename verpozing, die u even isoleert van de drukte in de stad.
 
La Compañia
 
Wij komen aan bij het Museo Santuarios Andinos.  Of dat denken wij toch.  Alvorens wij binnengaan, vragen wij toch even of Juanita aanwezig is.  Blijkbaar zou deze beroemde mummie vaak op wereldtournee gaan.  Om aan de wereld getoond te worden.  Dat van die wereldtournee zou een fabeltje blijken te zijn.  Juanita verlaat nooit het museum.  Dat wisten wij toen niet.  Wij geloofden toen dat fabeltje.  Goedgelovig? Daarover kan gediscussieerd worden.  Die discussie zullen wij hier niet voeren.  Toch wordt ons bij de ingang van het museum verteld dat zij inderdaad niet aanwezig zou zijn.  Zij zou in Nazca tentoongesteld worden.  Wij zijn een beetje teleurgesteld.  Toch gaan wij binnen.  In het museum vinden wij nergens ook maar één verwijzing naar Juanita.  Dat lijkt ons bizar.  Dit is toch een belangrijke archeologische vondst.  Waarom dan die vondst verzwijgen? Alsof die vondst nooit bestaan heeft.  Twijfel steekt de kop op.  Buiten het museum doen wij toch nog even navraag bij enkele passanten.  Blijkt dat wij in het verkeerde museum staan.  Wij haasten ons naar het juiste museum, waar Juanita ons in volle glorie opwacht.
 
Juanita is één van de bestbewaarde mummies ter wereld.  Het veertienjarige meisje zou geofferd zijn tussen 1440 en 1450.  Haar offer zou de goden moeten tevreden stemmen.  Moeten gunstig stemmen.  Haar offer zou het volk moeten behoeden voor vulkaanuitbarstingen, aardbevingen en/of andere natuurrampen.  Lange tijd werd verondersteld dat het meisje door hogepriesters levend werd achtergelaten op de bergtop en op die top zou doodgevroren zijn.  Na wetenschappelijk onderzoek blijkt evenwel dat zij gestorven is aan een gewelddadige dood, nadat zij bedwelmd werd met behulp van speciale kruiden.  Het meisje werd begraven met beeldjes en voorwerpen die zij in het hiernamaals zou kunnen nodig hebben.
 
Aan Juanita werd de eeuwigheid beloofd.  De onsterfelijkheid.  Die schrale troost werd haar door hogepriesters voorgespiegeld.  Op die bergtop vond zij evenwel niet die beloofde eeuwigheid.  Daar vond zij de dood.  Een wrede dood.  Toch heeft zij die status van onsterfelijkheid weten te bereiken.  Vandaag schuiven vele toeristen aan om haar te ontmoeten.  Om haar te mogen aanschouwen in een speciaal ontworpen koelvitrine.  Die nieuwsgierigen doet zij terugblikken op haar cultuur.  Wij mogen misschien stellen dat zij de interesse voor de Incacultuur levend houdt.  Dat alles doet een meisje van veertien jaar.  Zelfs na haar dood.  De hogepriesters kregen dan toch gelijk?
 
Terwijl ik Juanita in de ogen kijk, tracht ik te achterhalen wat dat meisje moet gedacht hebben.  Het zou een eer zijn uitverkoren te worden.  Zo wordt het verteld.  Aan die meisjes.  Die goedgelovige meisjes.  Zo wordt het verteld.  Aan het volk.  Het volk, dat snakt naar veiligheid.  Hogepriesters en koningen vertellen die verhalen.  Die valse verhalen.  Want wat zouden wij te horen krijgen als wij die vraag aan Juanita zouden stellen.  Als wij haar zouden vragen naar de redenen waarom zij geofferd werd.  Heel waarschijnlijk zou zij het niet begrijpen.  Heel waarschijnlijk zou zij spottend glimlachen om die eer.  Zij zou vertellen dat zij een ander leven had gewenst.  Een langer leven.  Dat zij wou spelen met haar vriendinnetjes.  Dat zij wou huwen.  Dat zij zelf kinderen wou.  Misschien zelfs kleinkinderen.  Zij zou vloeken op die hogepriesters en koningen.  Hen vervloeken omdat zij te kleine meisjes een te wrede dood injagen.  Dat alles meen ik te mogen lezen in de ogen van dat jonge meisje.  Zou dat een juiste interpretatie zijn? Zou dat een juiste vertolking zijn van haar gevoelens? Ik weet het niet.  Ik vermoed van wel.  Maar Juanita zwijgt.  Voorgoed.  Voor eeuwig en altijd.  Stilzwijgend ontvangt zij de toeristen in de hoop dat zij haar zullen begrijpen.  Zoals ik heb getracht te doen.

Volgende aflevering (dag 7) op vrijdag 02/01.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen