woensdag 1 oktober 2014

Wat met cultuur? Bedenkingen van een bezorgd cultuurconsument.

Ik zou het kunnen hebben over de verdubbeling van de zorgverzekering.  Van vijfentwintig naar vijftig euro.  Ik zou het kunnen hebben over de kinderbijslag.  Deze bijslag wordt niet geïndexeerd.  Ik zou het kunnen hebben over de kinderopvang.  Deze wordt niet goedkoper, wat had u gedacht.  Deze opvang wordt duurder.  Ik zou het kunnen hebben over het inschrijvingsgeld aan de universiteit.  De hoogte van het bedrag is nog niet gekend maar wel staat vast dat het inschrijvingsgeld met bijna vierhonderd euro de hoogte ingaat.  Ik zou het kunnen hebben over de gezinsbijdrage in de sanering van het afvalwater.  Over de hervorming van de woonbonus.  Over het stopzetten van gratis stroom en water.  Over het stopzetten van het gratis-beleid bij De Lijn.  Over al die dingen, die de kracht van de verandering moeten symboliseren, zou ik het kunnen hebben.  Maar dat doe ik niet.  Heel bewust.  Want indien ik het toch zou doen, zou ik heel waarschijnlijk uitgescholden worden voor calimero.  Want dat is wat gebeurt als u meent enige kritiek te willen formuleren op de genomen maatregelen.  Dat mochten de verdedigers van de culturele verenigingen ervaren toen zij enige kritische bemerkingen uitten op de aangekondigde besparingen door hun voogdijminister Sven Gatz.
 
Ik wil die verwijten vermijden.  Ik wil vermijden dat men mij zou beschuldigen een eigen invulling te geven aan die ene hit van Helmut Lotti: waarom ik en niet een ander.  Daarom wil ik een pleidooi houden voor de culturele sector.  Zodat mij geen egoïstische motieven kunnen aangewreven worden.  Ik moet bekennen, helemaal neutraal ben ik niet.  Ik durf wel eens naar een concert te gaan.  Ik durf wel eens naar het theater te gaan.  Heel af en toe durf ik wel eens naar de cinema te gaan.  Op die manier ben ik betrokken maar die betrokkenheid mag men niet verwarren met eigenbelang.  Ik preek niet voor eigen kerk.  Wel preek ik voor een kerk, die mij zeer genegen is.
 
Alvorens mijn betoog te starten, wil ik even iets kwijt.  In al die besparingen meen ik een zeker patroon te kunnen ontwarren.  Het lijkt wel alsof bedrijven en werkgevers worden gespaard.  De reacties van verschillende werkgeversorganisaties lijken dit vermoeden te bevestigen.  VOKA geeft aan dat de nieuwe Vlaamse regering een juiste koers vaart.  Het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen was unaniem lovend en Agoria had lof voor de moed te durven kiezen voor de Vlaamse ondernemingen.  Niet één woord van kritiek.  Enkel lof.  Dat lijkt het beeld te bevestigen alsof de bevolking door de nieuwe regering wordt beschouwd als een belangrijke lastenpost.  Het geld dat naar familie en verenigingsleven gaat, wordt als een last gezien.  Die last moet ingeperkt worden.
 
Eén van die lasten zijn de cultuursubsidies.  Terwijl niemand ook maar enige bemerking heeft over de vele gunstmaatregelen, gericht aan de bedrijven, lijkt iedereen wel een mening te hebben over de cultuursubsidies.  Dat ene woordje ‘subsidies’ lijkt te werken als een rode lap op een stier.  Cultuursubsidies zouden niet mogen.  Volledig onterecht, dat zijn die subsidies.  Dat lijkt veelal de teneur te zijn.  Terwijl de noodzakelijkheid van cultuursubsidies zwaar wordt betwist, lijkt iedereen weinig of geen problemen te hebben met subsidies aan bedrijven.  Maar dat is misschien eigen aan de aard van de taal.  Geldstromen naar cultuurhuizen worden subsidies genoemd.  Geldstromen naar bedrijven worden investeringen genoemd.  Daarin schuilt het verschil.  Niemand kan investeringen toch gaan betwisten? Investeringen lijken een rechtmatige claim.  Want bedrijven zijn de motor van de economie, toch?
 
Dat taalspelletje lijkt mij te doorzichtig.  Net als bedrijven stelt de culturele sector mensen te werk.  Wij hebben de acteurs.  De regisseurs.  De choreografen.  Wij hebben de decorbouwers.  De kleedsters.  De kostuumontwerpers.  Wij hebben de geluidstechnici.  De lichttechnici.  Wij hebben de administratieve omkadering.  Net als bedrijven creëren de verschillende spelers binnen de culturele sector een meerwaarde.  Die meerwaarde is niet altijd meetbaar maar is wel reëel.  Cultuurhuizen zijn labo’s, ideeënfabrieken.  Zij dagen uit.  Dwingen ons tot nieuwe invalshoeken.  Zij lanceren nieuwe, confronterende ideeën.  Zij zetten nieuwe denkrichtingen uit.  Zij vragen ons onze plaats in de maatschappij kritisch te bekijken.  Cultuur voedt het maatschappelijke debat.  Zij geeft vorm aan het spel van de democratie.  Jawel, die meerwaarde kunnen wij onderbrengen in de rubriek onderzoek en ontwikkeling.  Wil de Vlaamse regering niet bijkomend investeren in die domeinen? Ik dacht het wel.
 
Iedereen binnen die culturele sector zouden potverteerders zijn.  Zij zouden die subsidies door ramen en deuren gooien.  Zonder de noodzaak enige verantwoording te moeten afleggen.  Maar dat is niet zo.  Een verkeerde perceptie, dat is het.  Tegenover die subsidies staan bepaalde verplichtingen.  Ik denk bijvoorbeeld aan de hele problematiek rond participatie.  Van de cultuurhuizen wordt gevraagd zich te richten tot bepaalde doelgroepen.  Om die te hoge instapdrempel te slechten.  Dat is slechts één van de vele verplichtingen.  Verplichtingen, die getoetst worden op hun realisatie.  Maar dat is niet alles.  Cultuurhuizen vragen niet enkel geld.  Het is geen eenrichtingsverkeer.  Vanuit de cultuursector keert ook geld terug naar de overheid.  In De Morgen maakt Marc Ruyters, hoofdredacteur van het kunsttijdschrift H Art, een rekensommetje.  In ruil voor 70.000 euro keert 200.000 euro terug naar de overheid.  Er is meer.  Veel meer.  Een studie van het Vlaams Theater Instituut toont aan dat tegenover een totale subsidie van 90 miljoen euro een totale opbrengst van 230 miljoen voor de overheid staat.
 
Cultuursubsidies zijn geen blanco cheque.  Er worden voorwaarden gesteld.  Er is een return on investment.  Welke voorwaarden worden gesteld aan bedrijfssubsidies? Wat staat tegenover het bedrag van 1,4 miljard euro aan bedrijfssubsidies? 
 
Bedrijven lijken ongemoeid te blijven.  In de inkomsten van de vele cultuurhuizen wordt zwaar gesneden.  Van de cultuurhuizen wordt verwacht dat zij tot 7,5 % moeten besparen.  Daarbovenop komt het schrappen van de RSZ-korting voor de kunstenaars.  Ten gevolge van een hertekening van de bevoegdheden van de provincies dreigen deze huizen ook het provinciale geld bestemd voor cultuur te verliezen.  Tot slot lijken ook steden en gemeenten in hun besparingsdrift de toelagen te verlagen.  Al die ingrepen zijn een hele boterham.  
 
Ik weet het, u zal zeggen dat in deze economisch moeilijke tijden iedereen zijn steentje moet bijdragen.  Dat is ook zo.  Ik zal het niet ontkennen.  Maar die bijdrage moet proportioneel zijn.  Die bijdrage moet iedereen omvatten.  Zonder enige uitzondering.  Dat is nu niet zo.  Bedrijven krijgen een vrijgeleide.  Zij mogen hun handjes blijvend openhouden.  Geld blijft stromen naar die bedrijven.  Besparingen of inleveringen? Neen, niet voor hen.
 
Die enige uitzondering kadert binnen het allesoverheersende denkkader dat de economie de motor is van elke vooruitgang.  Paul Dujardin en Peter De Caluwe stellen terecht dat dit een foute bewering is.  Volgens hen steunt een samenleving op cultuur, onderwijs en gezondheidszorg.  Op deze sokkel wordt de economie opgebouwd, niet omgekeerd.  Die maatschappelijke fundamenten vragen een constante bezorgdheid.  Vragen een constante ondersteuning.
 
In de sport wordt telkens weer getracht op de vele sportmanifestaties medailles te winnen.  Goud, zilver of brons, dat is telkens weer het streefdoel.  Daartoe investeert de overheid in opleiding.  In begeleiding.  In faciliteiten.  Met dat ene doel voor ogen een landgenoot op dat hoogste ereschavot te kunnen plaatsen.  In de culturele sector hebben wij vele gouden medailles.  Wij hebben Les Ballets C de la B.  Wij hebben Rosas.  Wij hebben 2ManyDJs.  Wij hebben Deus.  Wij hebben Sidi Larbi Cherkaoui.  Wij hebben Jan Fabre.  Wij hebben Luc Tuymans.  Buiten die gevestigde namen staan nog vele andere namen te dringen om door te breken op internationale podia.  Nu zouden wij kunnen denken dat die gouden medailles gekoesterd worden.  Dat zij op hun juiste waarde geschat worden.  Maar dat is het niet.  Integendeel.  Er wordt zwaar ingehakt op die instellingen met faam.
 
Een zwaktebod, zo durf ik het beleid te omschrijven.  Geen durf, geen lef.  Geen begeestering.  Zelfs in economisch moeilijke tijden moet een innoverend beleid een uitdaging zijn.  Een crisis mag geen excuus zijn maar moet een inspiratie zijn.  De kracht van verandering? Ik dacht het niet.  Verandering verzandt in aloude, reeds beproefde recepten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen