maandag 29 september 2014

Uitgelezen: De vlucht. Brief aan Jesus Carrasco.

Beste Jesús,
 
Een brief vraagt om een inleiding.  In een korte intro wordt van de briefschrijver verwacht zich even voor te stellen.  De schrijver moet niet enkel vertellen wie hij is.  Neen, de reden tot het schrijven van een brief moet tevens in die intro vervat zitten.  Die intro moet het voor de ontvanger van de brief gemakkelijker maken alles te kaderen.  Dat kaderen is noodzakelijk voor een goed begrip van het vervolg van de brief.  Een goed begrip, dat is belangrijk.  Want misverstanden moeten vermeden worden.  Heldere communicatie, dat moet steeds weer nagestreefd worden.
 
Ik ken die regeltjes.  De kunst van het briefschrijven is mij niet vreemd.  Ik heb het vele keren gedaan.  Telkens volgens het mij aangeleerde stramien.  Ik ben een volgzame jongen.  Wat mij aangeleerd wordt, zet ik om in de praktijk.  Van theorie naar praktijk, die vertaling lukte wonderwel.
 
Ik heb mij verdiept in de wetenschap van het briefschrijven.  Ik heb de kennis.  Toch zal ik in deze brief verzaken aan alle opgelegde verplichtingen.  Ik zal mij wegdraaien van die eeuwenoude conventies.  Jawel, ik ben een volgzame jongen.  Maar heel af en toe heb ik dat eigen willetje.  U hoeft het niet persoonlijk op te vatten.  Dat is het geenszins niet.  U moet het beschouwen als een eerbetoon.  Inderdaad, ik volg uw voorbeeld.
 
Zopas las ik uw debuutroman De Vlucht.  In dat boek viel ik onmiddellijk in het verhaal.  Onmiddellijk zat ik te schuilen bij uw hoofdfiguur.  Vooraf geen kennismaking met die jongen.  Geen korte situatieschets.  Geen enkele inleiding zoals bij het briefschrijven verwacht wordt.  Niks van dat alles.  Van bij die eerste bladzijde was ik mee op de vlucht.  Waarvan ik vluchtte wist ik niet.  Waarheen ik vluchtte wist ik evenmin.  Of de vlucht zou lukken was een open vraag.  Al die vragen duwden mij verder doorheen het boek.  Want ik zocht antwoorden op al die vragen.  Ik wou weten wat er was gebeurd vóór die vlucht.  Ik wou weten wie die jongen tot een vlucht uit het dorp had gedwongen.  Het moest zwaarwichtig zijn.  Dat besefte ik.  Jongens lopen niet zomaar weg.  Ik wou weten of de vlucht succesvol zou zijn.  Want dat wenste ik.  Dat hoopte ik.  Dat verdiende die jongen.  Na die vele moeilijkheden had die jongen recht op een mooi en onbezorgd leven.  Net zoals iedereen dat recht heeft.
 
Ik raasde doorheen het boek.  Ik stormde doorheen het boek.  Op weg naar het einde.  Naar de ontknoping.  Lezen en stormen, het gaat niet samen.  Lezen moet in alle rust gebeuren.  Lezen is een bewuste en zelfgekozen halte in het hectische leven.  Met een boek lijken wij de tijd heel even stil te zetten.  Stormen en razen horen daar niet bij.  Het doet afbreuk aan het lezen.  Ik erken mijn schuld.  Maar ik meen verzachtende omstandigheden te mogen pleiten.  Uw boek maakt traagheid onmogelijk.  Het verhaal doet mij in een sneltreinvaart de pagina’s omslaan.  Omdat ik meen via die haast de mogelijke gevaren op de vlucht te kunnen afwenden.  Omdat ik meen dat ik op die manier de jongen kan behoeden.  Dat hij sneller veiliger oorden zal bereiken.
 
U zou kunnen denken dat ik bij dat stormend lezen blind bleef.  Dat mijn focus op het verhaal mij ongevoelig maakte voor andere prikkels.  Dat was niet zo.  Bij het lezen proefde ik van uw taal.  Een mooie taal.  Een poëtische taal.  Uw taal maakte in mijn hoofd de door u gecreëerde landschappen tastbaar.  In mijn hoofd zag ik wat de jongen zag.  Een dor, droog landschap.  Verlaten dorpen.  Ik voelde de eenzaamheid.  Ik voelde de hardheid van het bestaan.  Ik voelde de hete zonnestralen.
 
Na enkele dagen sloeg ik uw boek definitief dicht.  De laatste bladzijde had ik gelezen.  Ik wist niet alle antwoorden.  Wel had ik vele vermoedens.  Maar tussen al die vermoedens had ik één duidelijk antwoord.  Een antwoord, waarover geen twijfel bestond.  Bij het eind van het boek stelt de lezer zich telkens weer die ene vraag.  Een korte vraag.  Was het een goed boek? Dat is die ene, korte vraag waarmee de lezer geconfronteerd wordt.  Heel vaak is het antwoord dubbel.  Maar deze keer is het antwoord eenduidig.  Ja, dit is een goed boek.  Ja, dit boek moet gelezen worden.  Geen voorbehoud.  Geen enkele twijfel.  Ja, ja, ja, ja, …
 
Ik wens u het allerbeste.  Ik wens u veel inspiratie voor het volgende boek.  Laat mij daar nog het volgende aan toevoegen.  Ter afronding.  Een inleiding is niet noodzakelijk.  Dat mag u gerust achterwege laten.  In uw debuut hebt u bewezen dat het kan.  Dat het mag. 

Met vriendelijke groeten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen